Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 2, Politiek

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 2726 woorden
  • 9 november 2006
  • 39 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.7
  • 39 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Samenvatting paragraaf 1
Wetten zijn voor iedereen geldende regels.
Een staat heeft 3 kenmerken:
-Een staat heeft een precies afgebakend gebied.
-Binnen een staat woont een bevolking die vaak veel gemeenschappelijks heeft, zoals een cultuur, een geschiedenis en een taal.
-De staat, ook wel overheid genoemd, heeft binnen dit gebied het hoogste gezag.
De overheid beschikt over macht. Zij kan burgers via straffen dwingen zich aan de wetten te houden. Gezag is er wanneer deze macht als jist en redelijk wordt ervaard.
Oveheidsgezag betekent altijd macht: de mogelijkheid om mensen te straffen of te dwingen. De overheid kan niet alleen werken op basis van macht. Zij functioneert grotendeels omdat de inwoners haar optreden als juist en redelijk ervaren.

Als veel mensen ontevreden zijn over het overheidsbeleid, dan kan een gezagscrisis ontstaan.
Verschillende groepen mensen in Nederland hebben verschillende belangen.
De staat: verdeeld het geld
Zorgt ervoor dat conflicten tussen verschillende groepen binnen de perken blijven en niet met geweld worden uitgevochten
Politiek: alles wat te maken heeft met de overheid: hoe komen beslissingen tot stand? Enz.
Beleid voeren: proberen een doel te bereiken door het doelbewust gebruiken van middelen.
Dictatuur:
• Geen vrijheid van meningsuiting;
• Een persoon of een kleine groep mensen heeft de macht in handen;
• Inwoners hebben voornamelijk plichten, geen rechten;
• De inwoners zijn onderdanen, ondergeschikt aan de staat.
In een democratie zijn de inwoners geen onderdanen maar burgers

1/3 van de wereldbevolking leeft nog in een dictatuur.
Democratie:
• Directe democratie
• Indirecte (vertegenwoordigende) democratie.
De democratische landen kennen allemaal een vertegenwoordigend stelsel.
Bij een directe democratie beslist het volk rechtstreeks over belangrijke zaken d.m.v een referendum, oftewel volksstemming.
Centraal in een democratie staan:
• Gelijkheid (alle burgers hebben gelijke rechten en er mag niet worden gediscrimineerd op grond van bijv. huidskleur, sekse, politieke of godsdienstige opvattingen.
• Vrijheid (de burgers moeten hun eigen leven kunnen inrichten zoals zij dat willen. Zolang zij daarbij de vrijheid van anderen niet schaden, mag de overheid die vrijheid niet beperken.
Belangrijkste kenmerken van democratie:
• Algemeen kiesrecht
• Regelmatige verkiezingen
• Vrijheid van meningsuiting
• Vrijheid van vereniging/vergadering
• Machtenscheiding
Sociale voorwaarden van democratie:
• Er is sprake van een gunstige sociaal-economische ontwikkeling.
• Zekere mate van soc.-econ. Gelijkheid
• Democratische politieke cultuur
• Militairen hebben geen invloed op de politiek
• De staat functioneert goed ( goede diensten en niet te veel belangen van 1 groep behartigen.
• Geen hevige conflicten tussen etnische bevolkingsgroepen of mensen van verschillende godsdiensten,
Kenmerken van een rechtsstaat:
• Gelijke rechten (art. 1 grondwet)
• Wat wel en niet mag staat in de wetten, ook de overheid moet zich aan deze wetten houden.
• Machtenscheiding tussen de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht.
Wetgevende macht: maakt de wetten (meestal parlement, vaak samen met de regering)
Uitvoerende macht: zorgt ervoor dat de wetten worden uitgevoerd (regering en ambtenaren)
Rechterlijke macht: treedt op als wetten worden overtreden (rechters)
Grondrechten perken de macht van de overheid tegenover de burger in. Als er een een verandering in de grondwet plaatsvindt, is dat omdat tweederde meerderheid van het parlement voor is en er 2 keer over is gestemd.
Ander woord voor grondrechten is mensenrechten.
• Klassieke mensenrechten
• Sociale mensenrechten
Deze zijn opgesteld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Klassieke mensenrechten:
• Vrijheid van godsdienst
• Vrijheid van meningsuiting, drukpers
• Vrijheid van vergadering, demonstratie en vereniging
• Onaantastbaarheid van het lichaam
• Bescherming tegen willekeurige huiszoeking
• Bescherming tegen willekeurige arrestatie
• Brief-, telefoon- en telegraafgeheim
Sociale mensenrechten zijn mensenrechten als:
• Recht op onderwijs
• Recht op onderdak
• Recht op eten
• Recht op werk
• Recht op gezondheidszorg
Samenvatting paragraaf 2
2.1
Kenmerken rechtsstaat:
- alle burgers hebben gelijke rechten (artikel 1 belangrijkste wet, grondwet)
- overheid moet zich aan de wetten houden
- Machtsscheidingen (trias politica): wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht.
- Grondrechten
2.2
Ander woord voor grondrechten: mensenrechten.
Bij mensenrechten wordt er een onderscheidgemaakt tussen klassieke en sociale mensenrechten.
Klassieke mensenrechten: rechten waarmee je naar de rechter kan stappen als deze rechten je ontkent worden.
Belangrijkste klassieke rechten:
- vrijheid van godsdienst
- vrijheid van drukpers en meningsuiting
- vrijheid van verenging demonstratie en vergadering
- ontastbaarheid van het lichaam
- bescherming tegen willekeurige huiszoeking
- bescherming tegen willekeurige arrestatie
- brief-, telefoon- en telegraaf geheim
Sociale rechten: dit zijn rechten zoals rechte op eten, onderdak, werk, gezondheidszorg en onderwijs.
Een deel hiervan staat in de Nederlandse grondwet. Deze rechten heten volgens de grondwet ‘voorwerpen van zorg’ van de overheid. Maar je kan ze niet opeisen.
Paragraaf 3
Algemeen belang: 1) welvaart, 2) veiligheid, 3) onderwijs, 4) gezondheidszorg
Ideologiën= hoe de maatschappij functioneert en hoe het in de toekomst moet gaan functioneren.
Mensen met dezelfde ideologie vormen een politieke stroming
Politieke partij, georganiseerde partij die
1) dezelfde ideeën hebben over beleidstereinen
2) kandidaten stelt bij verkiezen
Politieke partijen zijn; provinciaal, landelijk en gemeentschappelijk
links -> sociale gelijkheid (socialisten)
rechts -> gelijke kansen (liberalen)
Politiek midden/centrum
Links - communisme - socialisme - christendemocratie- liberalisme - fasiscme - Rechts
communisme= gelijkheid staat centraal
fasiscme= tegen vrijheid, gelijkheid en andere soorten waarden. Vereert: Elite, orde, heldendom, instincten, leiderschap, hiërarchie
Liberalisme= vrijheid
Socialisten=actieve overheid om gelijke kansen te garanderen en een rechtvaardige inkomensverdeling
christen democratie= ideologien gebaseerd op de bijbel.
Communisme= alles is van de staat
Fasiscme= geen eindeloos gepraat, maar iets doen
liberalisme= hecht veel waarde aan vrijheid, zelf dingen bepalen
socialisme= de overheid moet regels stellen, waaraan bedrijven zich moeten houden en zorgen voor goede sociale voorzieningen voor mensen die niet in levensonderhoud kunnen voorzien
christen democratie= problemen moeten zoveel mogelijk in overleg en harmonie worden opgelost
Liberale partijen= VVD/D'66
Socialisme= PvdA, kleinere= SP/GL
christendemocratie= CDA, daarnaast CU & SGP
leefbaarheidsbeweging= partijen schuiven problemen naar voren in plaats van het op te lossen
Populisme= vorm van regeren (deze weet ik niet echt uit te leggen, raad pleeg het woordenboek)
Maatschappijleer Samenvatting paragraaf 4
4.1 Constitutionele monarchie
Nederland = constitutionele monarchie ->
1. taken van koningin staan in grondwet
2. koningin vooral symbolische, ceremoniële functie
3. geen politieke beslissingen
4. ministers verantwoordelijk voor uitspraken koningin
Troonrede = plannen voor komende jaar zijn opgesteld door regering
4.2 Verkiezingen
Elke 4 jaar stemmen Nederlanders voor:
- tweede kamer: het belangrijkste onderdeel van het parlement of de volksvertegenwoordiging
- provinciale staten: de volksvertegenwoordiging in elk van de twaalf provincies
- gemeenteraad: de volksvertegenwoordiging in elk van bijna vijfhonderd gemeenten
- europees parlement: de volksvertegenwoordiging in de EU
- deelgemeenteraden voor grote gemeenten
De eerste kamer (vormt samen met tweede kamer het parlement) wordt indirect gekozen door provinciale staten
Actief kiesrecht: stemmen
Passief kiesrecht: gekozen tot vertegenwoordigende lichamen
Televisie democratie = als je goed op tv bent, ben je ook goed in het echt -> belangen worden vergeten
150 zetels -> evenredige vertegenwoordiging -> aantal zetels evenredig aan aantal stemmen (bijv. partij met 10% stemmen krijgt 10% van de zetels)
4.3 Regering
Vorming regering:
Na verkiezingen regering vormen uit partijen die meerderheid vormen (minstens 76 zetels) -> partijen onderhandelen over samenwerking -> koningin actieve rol -> koningin kiest informateur -> informateur bekijkt welke partijen goed samen kunnen werken/zelfde belangen hebben -> informateur geeft info aan koningin door -> koningin benoemd formateur -> formateur stelt officiële regering samen + ministers -> meestal wordt formateur premier
Coalitie = regering uit verschillende partijen
Belangrijkste plannen van regering staan in het regeerakkoord
Grote partijen niet vanzelfsprekend in regering -> er wordt gekeken met wie de grootste partij het beste samenwerkt
Regering/kabinet/ministerraad = klein gezelschap dat dagelijks de leiding heeft
Kabinet wordt opgeleidt door premier
Ministers hebben leiding over departement of ministerie -> ambtenaren voeren beleid uit
Sommige taken gaan naar staatssecretaris (onderminister), hij is verantwoordelijk voor deel van beleid van ministerie
Regering zorgt dat:
1. bij acute noodsituaties effectief ingegrepen wordt
2. problemen worden aangepakt
3. bestaande wetten uitgevoerd worden
Miljoenennota = concrete plannen begroting + waar overheid denkt geld vandaan te halen
4.4 Parlement
Met troonrede + miljoenennota richt regering zich tot parlement
Volksvertegenwoordiging, parlement, eerste en tweede kamer en staten-generaal betekend hetzelfde. Het gaat om 150 direct gekozen leden van de 2de kamer, en de 75 indirect gekozen leden van de 1e kamer.
Verkiezingen -> partijen in 2e kamer -> grootste partij kiest andere partijen voor regering (m.b.v. koningin + (in)formateuren) 76 zetels
Regering = ministers + koningin
Kabinet = ministers + staatssecretarissen
Parlement = 2e + 1e kamer
Verschil regering – parlement -> ministers + staatssecretarissen mogen geen lid van parlement zijn
Scheidingslijn parlement : regeringspartijen – niet regeringspartijen (oppositiepartijen)
Regeringspartijen stellen kritische vragen aan regering, maar hebben neiging om ‘hun’ partij te steunen -> oppositie probeert regering hinderlijk te steunen (probeert fouten in beleid aan de kaak te stellen) -> ze willen regeringsbeleid bijstellen + verbeteren
Leden van 1 partij in de 2de kamer -> fractie -> geleid door fractievoorzitter -> minder belangrijk = fractiespecialist
Parlement 2 belangrijke taken:
1. Wetgeving, alle wetten moeten door het parlement worden goedgekeurd; eerst door de 2de kamer, dan door de 1e kamer
2. Controleren van de regering
4.5 Wetgeving
Voor de wetgeving heeft het parlement een aantal rechten
1. begrotingsrecht -> moet worden goedgekeurd
2. 2de kamer recht van amendement; de kamerleden kunnen bij meerderheid van stemmen veranderingen aanbrengen in wetsvoorstellen
3. 2de kamer recht van initiatief; als kamerleden vinden dat er nieuwe wet moet komen, maar regering doet er niets aan, kunnen zij wetsontwerp indienen
Van wetsontwerp tot wet
1. Regering maakt wetsontwerp
2. Regering zend ontwerp naar tweede kamer -> fractiespecialisten bekijken het, specialisten discussiëren ook met minister
Tweede kamer oordeel over wetsontwerp, eerst stemmen leden over ingediende amendementen (wijzigingen) -> daarna wetsontwerp als geheel
3. Meerderheid 2de kamer vóór -> wetsontwerp naar 1e kamer (deze mag geen wijzigingen meer aanbrengen, alleen ja of nee)
4. Minister + koningin handtekening onder wet -> gepubliceerd in staatsblad
4.6 Controle
Om regering te controleren -> 2de en 1e kamer beschikken over:
1. mondelinge en schriftelijke vragen
2. interpellatie ( spoeddebat waarbij minister uitleg aan kamer moet geven)
3. enquete (als parlement vind dat op belangrijk punt veel is misgegaan)
Kamerleden vormen onderzoekscommissie -> kunnen mensen verplichten om voor commissie te verschijnen
Als kamerleden vinden dat minister, staatssecretaris of hele kabinet grote fouten heeft gemaakt -> motie van wantrouwen indienen -> werkt alleen als meerderheid leden regeringsfractie vóór stemmen -> minister aftreden, soms hele kabinet -> dan is er een kabinetscrisis! -> nieuwe vervroegde verkiezingen -> kabinet blijft demissionair aan om lopende zaken te behartigen maar mogen geen politieke besluiten meer nemen
Waarom mag er pers zijn bij debatten en vergaderingen openbaar? Omdat ook burgers en media de regering moet controleren
Paragraaf 5.1
§5
Gedecentraliseerde staat: bestuurslagen als gemeentes en provincies kunnen op aantal punten hun eigen beleid voeren. Autonomie: bestuurslagen kunnen taken naar eigen inzicht uitvoeren. Medebewind: hogere overheden dragen taken op aan lagere overheden, die het uitvoeren. Verordeningen: eigen regels van provincies of gemeentes. Verordeningen kunnen worden vernietigd door een hoger orgaan.
Provinciale Staten (39 - 83 leden): wetgevende orgaan van provincie met 6-8 leden van Gedeputeerde Staten, vormt samen met commissaris van Beatrix dagelijks bestuur van provincie. Commissaris is voorzitter van PS en GS en wordt door regering, met advies van PS, benoemd. Kan besluiten ter vernietiging voordragen.
Gemeente heeft gemeenteraad (9-49 leden) en kiest 2-9 wethouders.dagelijks bestuur = B&W, college van burgemeesters en wethouders. Burgemeester wordt door regering, met advies van gemeenteraad, benoemd. Hij behartigt de belangen van de gemeente, vertegenwoordigt het rijk en kan verordeningen aan rijk ter vernietiging voordragen en is verantwoordelijk voor openbare orde en veiligheid. In kleine gemeenten doen veel lokale partijen mee, niet met landelijke partij of stroming verbonden.
§6
Politiek systeemmodel: politiek systeem (regering&parlement) functioneert in omgeving (nationale en internationale samenleving). Uit omgeving komen eisen, zoals nieuwe wetten en maatregelen, behoren tot INVOER. Poortwachters (media en politieke partijen) maken selectie van eisen. Doorgelaten eisen komen bij politieke agenda (hoort bij OM ZETTING), lijst van onderwerpen waar politiek binnenkort waarschijnlijk besluit over neemt. Vervolgens kijken parlementsleden, ministers, ambtenaren en adviesorganen ernaar en geven hun oordeel. Deze omzetting leidt tot besluit (soms wet), UITVOER. Als besluit niet gewenste resultaten oplevert, of gedeeltelijk, TERUGKOPPELING en opnieuw INVOER, eis dat wet wordt gewijzigd.
Barrièremodel: hindernissen om wensen om te zetten in besluiten. Wensen burgers (H)ERKEND (1e) als zaak waar overheid iets aan kan doen (politieke wens). Vooral door politieke partijen SELECTIE (2e) wensen/eisen. Over politiek agendapunt wordt door regering en parlement BESLUIT (3e) gevormd. UITVOERING (4e) van besluiten op juiste manier, wat kan tegenvallen.
Aan politieke en ambtelijke top, leden van 2e en 1e Kamer en volwassen burgers werd gevraagd wie volgend hen teveel politieke invloed heeft.
Teveel invloed Te weinig invloed
Politieke, ambtelijke top
Georganiseerden, werkgevers, ambtenaren, landbouw Burgers, niet-georganiseerden, uitkeringsgerechtigden, parlement
Kamerleden Media, grote ondernemingen, ambtenaren, boerenorganisaties, werkgeversorganisaties.
Niemand speciaal
Burgers
Hoge rijksambtenaren, grote ondernemers Kiezers, vakbonden, actiegroepen en demonstranten
Gewone burgers weinig invloed door eisen moeilijk op politieke agenda komen, door journalisten die oninteressant vinden en partijen dus weinig aandacht aan besteden, georganiseerde mensen hebben voordeel want hebben al contact met partijen/media. Duidelijk maken aan ambtenaren, kamerleden, ministers dat overheidsgeld nodig is voor probleem – gaat ten koste van andere belangrijke zaken.
Ambtenaren (bureaucratie/4e macht) hebben tijd voor details en deskundigheid die 2e Kamerleden niet hebben, zijn dus belangrijk voor voorbereidingen van besluiten en wetsontwerpen. Regering staat met ambtenaren sterk tegenover parlement. Overheidsdiensten werken traag en lang elkaar, slecht voor snelheid en kwaliteit van besluitvorming.
Pressiegroepen zijn vooral belangengroepen voor werkgevers en werknemers (vakbonden), boeren, winkeliers, artsen, automobilisten, ouderen, uitkeringsgerechtigden, vrouwen, consumenten of studenten.
Verschil politieke partijen en pressiegroepen: 1. pr.groepen richten zich op deel van overheidsbeleid, niet t hele en kan eigen onderwerp centraal zetten, hoeft geen belangen af te wegen. 2. doen niet mee aan verkiezingen voor vertegenwoordigende lichamen.
Actiegroepen: tijdelijk verenigde burgers om beleid te beïnvloeden, kan uitgroeien tot grote organisaties.
Lobbyen: praten met ministers, kamerleden en ambtenaren over wensen. Doen organisaties, maar ook grote individuele bedrijven.
Corruptie in NL vrij beperkt. Door illegale prijsafspraken tussen bouwondernemers hogere belasting betaald voor grote bouwprojecten.
Belangrijkste adviesorgaan van regering is SER (Sociaal-Economische Raad) met 11 vertegenwoordigers van ondernemers (grote, kleine en boeren), 11 van werknemers (via FNV en CNV), 11 ‘kroonleden’.
Planbureaus doen voorspellingen wat volgende jaren kan gebeuren en welk beleid kan worden gevoerd. Centraal Planbureau (CPB) voor economie, Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).
Massamedia: volgt politiek en let op fouten van politici en ambtenaren – extra controle. Veel aandacht op bepaald punt zet politici aan aandacht aan punt te besteden.
Kamerleden zitten in ‘ijzeren ring’ opgesloten: regering met regeerakkoord, ambtenaren, adviesorganen, belangengroepen en media. Ook door buitenland minder ruimte: NAVO en EU. Regering is coalitie van meerdere partijen, dus kan niet zo iets besluiten, daarom worden compromissen gesloten waarbij iedere partij/groep wat aan ander toe moet geven.
Regering staat vaak sterker dan parlement bij besluitvorming: ambtenarenapparaat en regeringspartijen in parlement willen geen kabinetscrisis. Daardoor kan regering zin krijgen terwijl meerderheid parlement tegen is. Mensen die niet zijn georganiseerd, weinig opleiding hebben en een laag inkomen hebben, zijn vaak ontevredener over de politiek. Zij trekken vaak aan het kortste end: AOW, minimumloon en de uitkeringen bleven achter vergeleken met gemiddelde inkomens.
Vrouwen zijn in de politiek nog steeds ondervertegenwoordigd en vormen ruim ¼ van de 2e Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraden.
Consensus: het eens worden zonder conflicten naar het kruispunt te schuiven.
Verzuiling: de vorming van zuilen: elke groep bouwde een netwerk van eigen organisaties op.
Ontzuiling: de binding van mensen aan verzuilde organisaties werd zwakker.
Par 7
7.1
Burgers in actie
-regering neemt besluit (snelweg bouwen langs een woonwijk)
-mensen die het oneens zijn richten samen actiegroep op
-actiegroep verspreid folders waarom ze tegen zijn
-actiegroep geeft interview op plaatselijke tv
-actiegroep schrijft een brief naar de plaatselijke afdeling van de politieke partijen
-actiegroep zoekt steun bij maatschappelijke organisaties (milieu instanties, vakbonden)
-via de plaatselijke afdelingen van de politieke partijen word er contact gelegd met de landelijke afdeling
-plan politiek word doorgezet
-actiegroep komt met alternatief plan
-inspraak avond voor betrokkenen ze mogen allemaal hun mening geven
-er word een bezwaarschrift gemaakt en die word samen met handtekeningen ingeleverd bij het ministerie (samen met kleine demonstratie)
-bezwaarschrift afgewezen
-harde reactie door actiegroep, demonstratie op een snelweg
-media word ingelicht voor de blokkade
-actiegroep krijgt meer aandacht dan ze ooit daarvoor gehad hebben
-in beroep tegen afwijzing bezwaar schrift
-politiek kijkt opnieuw naar bezwaarschrift
-nieuw besluit met aspecten uit het alternatieve plan
Succes kan alleen als je
-doorzet en de tegenslagen doorstaat
-organisatie opricht, in je eentje kan je niks
-je weet waar je het over hebt en met een alternatief plan kan komen
7.2
Referendum
Burgers kunnen nooit rechtstreeks beslissingen nemen ze kunnen alleen hun stem overbrengen op partijen.
Een referendum of volksstemming kan hiervoor een oplossing zijn burgers kunnen er nu zelf rechtstreeks stemmen.
Voors en Tegens over het referendum
tegens
-burger te weinig kennis over de ingewikkelde onderwerpen
-burgers laten zich meeslepen door emoties
-veel te simpel om alleen maar ja of nee te zeggen over een ingewikkelde zaak
-slecht voor democratie slechte besluiten
voors
-burgers zullen gestimuleerd worden om zich er in te verdiepen
-overal discussies radio, tv, krant
-burgers weten goed waarover het gaat
-ministers laten zich ook meeslepen door emoties
-dan word alles rustig afgewogen en geen gezeik met regeer akkoorden enzo

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.