Hoofdstuk 2, paragraaf 1 t/m 6

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 2041 woorden
  • 22 januari 2004
  • 23 keer beoordeeld
Cijfer 7.1
23 keer beoordeeld

Maatschappijleer Hoofdstuk 2: Politieke besluitvorming De hoofdvraag van dit hoofdstuk is: Hoe worden in de Nederlandse democratie politieke besluiten genomen? Vooraf: - De koningin kan niet naar eigen voorkeur ministers en onstslaan. - De regering van geen rechters ontslaan. - Ook de overheid moet zich aan de wet houden. - Irak is niet democratisch maar dictatoriaal. - Zweden in wel een democratie, stemrecht en vrijheid - Elke 4 jaar kiezen de Nederlanders van achttien jaar of ouder 150 leden van de 2de kamer. Op grond van de verkiezingsuitslag Komt er een nieuwe regering. Daarover wordt meestal lang gepraat, dat heet de kabinetsformatie. De regering bestaat altijd uit twee of meer partijen. Zo’n regering noemen we een coalitie. De plannen van de nieuwe regering staan in een regeerakkoord. - Het parlement in Nederland bestaat uit de 1ste en 2de kamer - De regering in Nederland bestaat uit ministers en koningin - Actieve euthanasie is in principe niet toelaatbaar volgens het CDA - De lagere inkomens moeten sneller stijgen dan hoge inkomens volgens de PVDA Paragraaf 1: Wat is een (parlementaire) democratie? Wetten = Voor iedereen geldende regels

Een staat heeft drie kenmerken: · Er is een precies afgebakend grondgebied · Binnen het gebied woont een bevolking, die vaak veel gemeenschappelijk heeft, zoals een geschiedenis, een cultuur en een taal · De staat, ook wel overheid genoemd, heeft binnen dat gebied het hoogste gezag. De overheid beschikt over macht, omdat zij burgers via straffen kan dwingen zich aan de wetten te houden. We spreken van gezag als die macht juist en redelijk wordt aanvaard. Overheidsgezag omvat altijd macht: de mogelijkheid om mensen te straffen of te dwingen. Talloze groepen doen een beroep op de staat, op de overheid
Wat doet de staat: · Zorgt ervoor dat het belastingsgeld verdeeld wordt. · Zorgt dat er geen conflicten ontstaan tussen verschillende groepen , op de overheid
Wat doet de staat: · Zorgt ervoor dat het belastingsgeld verdeeld wordt. · Zorgt dat er geen conflicten ontstaan tussen verschillende groepen
Politiek = Alles wat te maken heeft met de overheid
Beleid = Proberen een bepaald doel te bereiken door doelgericht gebruik van bepaalde middelen. Dictatuur = Één man heeft alle macht in handen
Onderdanen= Mensen die leven onder een dictatuur. Ondergeschikt aan de staat. In landen waar de bewoners wel invloed kunnen uitoefenen op de staat is een democratie. Ze zijn niet ondergeschikte onderdanen, die alleen moeten gehoorzamen, maar burgers, met rechten en plichten. Democratie is Grieks, het volk heerst. Indirecte democratie = Het volk heerst niet rechtstreeks maar via vertegenwoordigers. Ook wel vertegenwoordigende representatieve democratie. Directe democratie= Mensen heersen rechtstreeks (alleen bij kleine aantallen mensen. Soms mag het volk af en toe via volksstemming of referendum rechtstreeks beslissen over een belangrijke kwestie. Gelijkheid = alle burgers hebben gelijke rechten, er mag niet worden gediscrimineerd op grond van bijvoorbeeld huidskleur, sekse, politieke of godsdienstige opvattingen; Vrijheid= de burgers moeten hun eigen leven kunnen inrichten zoals zij dat willen. Zolang zij daarmee de vrijheid van de andere burgers niet schaden, mag de overheid die vrijheid niet beperken. De belangrijkste kenmerken van de vertegenwoordigende democratie zijn: · Algemeen kiesrecht: alle volwassen mannen en vrouwen mogen stemmen · Regelmatige verkiezingen: · Vrijheid van meningsuiting: mensen kunnen vrij hun mening geven · Vrijheid van vereniging en vergadering · Machtenscheiding

Een goede democratie is ook een rechtsstaat. Belangrijke rechten van burgers zijn gegarandeerd. sociale voorwaarden voor democratie = Regels die onder maatschappelijke omstandigheden goed werken
De kans dat het met een democratie goed gaat, is groot, als: · Er sprake is van een gunstige sociaal-economische ontwikkeling. · Er een zeker mate van sociaal-economische gelijkheid bestaat. · Er sprake is van een democratische politieke cultuur · Burgers zich hebben verenigd in organisaties op grond van ideeën of belangen. · Militairen geen invloed hebben op de politiek · De staat goed functioneert, goede diensten verleend, en niet te veel belangen van 1 groep behartigt · Er geen hevige conflicten zijn tussen etnische groepen of mensen van verschillende godsdiensten. Paragraaf 2: Wat is een rechtstaat en wat zijn mensenrechten. We kunnen pas van een volwaardige democratie spreken als er ook sprake is van een rechtsstaat. Kenmerken hiervan zijn: · Alle burgers hebben gelijke rechten (artikel 1 van de belangrijkste wet, de grondwet) · Wat wel en wat niet mag, staat in de wetten. Niet alleen burgers maar ook de overheid moet zich aan de wetten houden · Er bestaat een machtsscheiding tussen: o de wetgevende macht, die de wetten maakt: meestal het parlement, vaak samen met de regering
o de uitvoerende macht, die zorgt dat de wetten worden uitgevoerd: de regering en de ambtenaren
o de rechterlijke macht, die optreedt als de wet wordt overtreden: de rechters · In de grondwet en internationale verdragen zijn de belangrijkste grondrechten opgenomen
De grondrechten worden ook vaak mensenrechten genoemd daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen klassieke mensenrechten en sociale mensenrechten. De belangrijkste grondrechten in de Nederlandse grondwet zijn: · vrijheid van godsdienst · vrijheid van drukpers/meningsuiting · vrijheid van vereniging, vergadering en demonstratie · onaantastbaarheid van het lichaam · bescherming tegen willekeurige huiszoeking · brief-, telefoon- en telgraafgeheim
Sociale mensenrechten zijn: · recht op eten · recht op onderdak · recht op werk · recht op onderwijs · recht op gezondheidszorg
Paragraaf 3: Wat zijn de belangrijkste politieke opvattingen en welke partijen horen bij die opvattingen? Algemeen belang · welvaart · veiligheid · onderwijs · gezondheidszorg
Ideologieën = Opvattingen over de maatschappij functioneert in de toekomst
Mensen met dezelfde ideologie vormen een politieke stroming
In een democratie kunnen aanhangers van een bepaald ideologie zich verenigen in een politieke partij. Dat is een georganiseerd groep mensen die: · ideeën heeft over alle belangrijke beleidsterreinen · kandidaten stelt bij de verkiezing
Drie belangrijke stromingen in Nederland zijn: · Liberalisme · Socialisme · Christen-democratie

Politieke stromingen worden ingedeeld in links en rechts
Links hecht sterk aan gelijke kansen. Rechts vreest dat de vrijheid van mensen in gevaar komt als de overheid zich teveel bezighoud met sociaal-economische zaken. Het liberalisme hecht sterk aan vrijheid
De grote liberale partij is de VVD (Volkspartij voor Vrijheid en Democratie) Ook D66 (Democraten 66) wordt vaak een liberale partij genoemd
Het Socialisme (tegenwoordig meestel sociaal-democratie genoemd) is ontstaan als een reactie op het liberalisme. De grootste partij in deze stroming in de PVDA (Partij van de arbeid) Die partij heeft een belangrijke rol gespeeld bij de opbouw van de sociale voorzieningen in Nederland, aangeduid als verzorgingsstaat. Twee kleinere socialistische partijen zijn GroenLinks (aandacht aan milieuproblemen) en de SP (Socialistische Partij); (aandacht voor arbeiders en uitkeringsgerechtigden) Confessionele partijen zijn gebaseerd op een godsdienst en laten zich inspireren door de bijbel. Hoofdstroming hiervan is christen-democratie. Op sociaal-economische gebied zitten de christen-democraten vaak tussen de liberalen en de socialisten in. Christen-democraten hebben meegewerkt aan de opbouw van de verzorgingsstaat, maar geven nu de voorkeur aan de ‘verantwoordelijke samenleving’. Christen-democraten benadrukken het belang van het gezin als hoeksteen van de samenleving. De grote partij is het CDA (Christen-Democratisch Appèl) Naast het CDA kent Nederland drie kleine confessionele partijen, GPV (Gereformeerd Politiek Verbond), RPF (Reformatorisch Politieke Federatie en SGP ( Staatkundig Gereformeerd Partij). Zo zijn ze absoluut tegen abortus en euthanasie. Ze keren zich ook tegen moreel verval, dat zou blijken uit seksreclame en pornografie. De SGP is voorstander van een gereformeerde staatsgodsdienst en tegen vrouwenkiesrecht. Het GPV heeft ook ‘linkse’ standpunten. Partijen die zich vooral op één punt richten zijn zogenaamde one-issuepartijen. De bekendste is CD(Centrum Democraten). Zij wordt beschouwd als Extreem-Rechts Paragraaf 4: Wat is de formele politieke structuur? Elk jaar wordt op de derde dinsdag van september , prinsjesdag genoemd. Hierbij is goed te zien dat Nederland niet alleen een parlementaire democratie is, maar ook monarchie met een koningin als erfelijk staatshoofd. Constitutionele monarchie = De taken van de koningin staan in de grondwet, zijn heeft vooral een symbolische en ceremoniële functie. De koningin kan geen politieke beslissingen nemen of uitspraken doen. Voor alles wat zij zegt, zijn de ministers verantwoordelijk. Zijzelf en haar naaste familieleden zijn volgens de grondwet ‘onschendbaar’. Kritiek op haar uitspraken moet zich niet op de koningin richten, maar op de ministers. De koningin leest de troonrede voor. Daarin staan de plannen van de regering voor het komende jaar. Elke vier jaar kunnen de Nederlanders rechtstreeks stemmen voor: · de tweede kamer · de provinciale staten · gemeenteraad · Europees Parlement · Deelgemeenteraden voor wijken van grote gemeenten als Amsterdam en Rotterdam. Leden van de provinciale staten bepalen wie er in de Eerste kamer komt. Bij deze verkiezingen kunnen alle Nederlanders van 18 jaar en ouder hun stem uitbrengen: actief kiesrecht. (daarnaast hebben zij passief kiesrecht: zij kunnen worden gekozen als lid van de tweede kamer en de andere vertegenwoordigende lichamen. Tijdens de kabinetsformatie speelt de koningin een active rol. Zij krijgt van alle kanten adviezen, maar moet zelf bepalen wie zij benoemd als informateur. De informateur gaat bekijken wat voor soort regering mogelijk is. Als duidelijk is welke partijen met elkaar willen samenwerken, benoemt de koningin een formateur. Die moet een nieuwe regering samenstellen en kijkt hoeveel ministers iedere partij krijgt en wie minister gaan worden. Meestal wordt de formateur de leider (premier) van de nieuwe regering. Regeerakkoord = Daarin staan de belangrijkste plannen voor vier jaar
Een regering die bestaat uit verschillende partijen wordt een coalitieregering genoemd, kortweg aangeduid als Coalitie

Regering, kabinet en ministerraad (betekend hetzelfde) Volksvertegenwoordiging, parlement, Eerste en tweede kamer samen en staten-generaal (hetzelfde) Niet-regeringspartijen heten ook wel oppositiepartijen. Het parlement heeft twee belangrijke taken. · wetgeving · controleren van de regering
Voor de wetgeving heeft het parlement een aantal rechten · begrotingsrecht · De 2de kamer heeft het recht van amendement: de kamerleden kunnen bij meerderheid van stemmen veranderingen aanbrengen in wetsvoorstellen. · De 2de kamer heeft het recht van initiatief. Als kamerleden vinden dat er een nieuwe wet moet koen, maar de regering doet er niks aan, kunnen zij zelf een wetsontwerp indienen. De weg van een wetsontwerp tot wet · De regering maakt een wetsontwerp · De regering zendt het ontwerp naar de 2de kamer · Als een meerderheid van de 2de kamer voor heeft gestemd, gaat het wetsontwerp naar de 1ste kamer. · Ten slotte zetten de betreffende ministers en de koningin hun handtekening onder de wet. Om de regering te controleren beschikken 2de kamer en 1ste kamer over de volgende middelen: · het stellen van mondelinge en schriftelijke vragen aan de regering · Het houden van een interpellatie over een belangrijk onderwerp. Dat is een spoeddebat eaarbij een minister uitleg aan de kamer moet komen geven. · Als het parlement vindt dat op een belangrijk punt erg veel is misgegaan, kan het een enquête instellen
Als een minister een grote fout heeft gemaakt dan kan er een motie van wantrouwen ingediend worden. Zo’n motie maakt alleen kans op een meerderheid als ook parlementsleden van regeringsfracties voor stemmen. Wanneer zo’n motie wordt aangenomen, moet de minister of het hee kabinet aftreden (kabinetscrisis). Paragraaf 5
Hoe kunnen we zicht krijgen op de besluitvorming in de praktijk loopt en wat is daarbij de invloed van bijvoorbeeld ambtenaren en pressiegroepen? Bij de voorbereiding van besluiten spelen ambtenaren een centrale rol. Zij worden wel aangeduid als bureaucratie of vierde macht. Ambtenaren en politici worden vaak benaderd door pressiegroepen
Pressiegroepen verschillen op 2 punten van politieke partijen: 1. Pressiegroepen richten zich op een deel van het overheidsbeleid, terwijl partijen zich richten op het hele overheidsbeleid
2. Pressiegroepen doen niet mee aan verkiezingen voor vertegenwoordigende lichamen, partijen wel
Voor een groot deel zijn pressiegroep belangengroepen die opkomen voor bijvoorbeeld werkgevers, werknemers, boeren, enz enz. Naast al jarenlang bestaande grote organisaties zijn er kleine actiegroepen. Soms groeien actiegroepen uit tot organisaties zoals Greenpeace. Sommige groepen voeren vooral actie op straat. Andere praten regelmatig met ministers, kamerleden en ambtenaren over hun wensen. Dat wordt lobbyen genoemd. Veel belangengroepen praten mee over het beleid in adviesorganen van de regering. De belangrijkste is de Sociaal-Economische Raad (SER) Paragraaf 6 invloed proberen te krijgen op de politiek door: · lid worden van een politieke partij of maatschappelijke organisatie · politici en media benaderen · handtekeningen verzamelen · demonstreren en blokkeren · in beroep gaan

om daarmee succes te hebben heb je in elk geval nodig: · doorzettingsvermogen · organisatie · kennis van zaken
referendum= volksstemming
tegenstanders van referendum: · burgers hebben te weinig kennis om ingewikkelde omstreden zaken te beoordelen · velen zullen zich mee laten slepen door emoties of ze vinden het leuk om eens · tegen het bestuur aan te trappen · het is te simpel om alleen ja of nee te zeggen over een ingewikkelde zaak · voorstanders van referendum: · zal burgers stimuleren om zich in de kwestie te verdiepen · er zullen overal discussies komen en internet zal erover informeren · leidt tot meer betrokkenheid van de burgers · onjuiste beslissingen zullen zo gecorrigeerd kunnen worden

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.