Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 2, 3, 5, 7, 8 en 9: Criminaliteit

Beoordeling 3.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 3788 woorden
  • 6 juli 2007
  • 8 keer beoordeeld
  • Cijfer 3.4
  • 8 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Hoofdstuk 2
2.3) Zonder regels chaos, daarom ontstaan ze vanzelf (ongeschreven).
Waarden: ‘doelen’ die je wilt bereiken, voor wat goed is (geluk, rechtvaardigheid enz.)
Normen: gedragsregels die voortvloeien uit deze waarden.
- religieuze normen (naasten liefhebben, priesters mogen geen seks hebben)
- morele normen (respect voor anderen) dit kunnen godsdienstige normen zijn.
- fatsoensnormen, deze zijn meestal ongeschreven (etiquetten e.a.)

2.4) Persoonlijke normen ontstaan ongeveer vanzelf, als je ze niet kan hanteren kun je gefrustreerd raken. Deze zijn ongeschreven. Vb: aan een dieet houden, vroeg opstaan om te gaan leren. De psychologie gaat uit van de persoonlijke normen.

Groepsnormen ontstaan ook ongeveer vanzelf, ze gaan uit van wat een groep wel en niet normaal vindt. Als je je er niet aan houdt word je verstoten uit de groep, gediscrimineerd enz. Vb: kledingsmaak, homofilie, drugs/alcoholgebruik. Sociologie houdt zich bezig met groepsnormen.

2.5) Overheid legt regels vast = codificatie. Als ze zijn vastgelegd => wetten. Dit is belangrijk want zo heeft men duidelijkheid en zekerheid op papier. Er zijn ook regels gemaakt voor het overtreden van de wetten: rechtsregels/rechtsnormen. Belangrijker dan de gewone regels, want ze zorgen voor het naleven ervan.

2.6) De betekenis van rechtsregels:
- zekerheid; je kunt je erop beroepen
- ordenen van de samenleving ? zaken verlopen soepeler (taken gemeenten e.a. zijn vastgelegd)
- onafhankelijke rechtspraak (rechter houdt zich alleen aan wet, is onpartijdig)
- conflicten voorkomen of vreedzaam beslechten
- rechtvaardigheid bevorderen
- gedrag voorspelbaar maken (rechts rijden)
- samenleving of groep laten voortbestaan

Soms natuurlijk wel conflicten, bijv. als ongeschreven regels (mening) v.d. samenleving al veranderd zijn maar de wetten nog niet (denk aan abortus jaren ’70).
Of: ‘ideaal’ recht is niet gelijk aan positief recht (recht in de samenleving)

Sommigen vinden dat het recht juist leidt tot onrechtvaardigheid.

2.7) Enorm aantal wetten.
- Privaatrecht: verplichtingen mensen onder elkaar (en bedrijven)
- Publiekrecht: regelt relatie overheid-burger.
- Staats- en bestuursrecht (parlement, verkiezingen, verhoudingen enz.
- Strafrecht.

Hoofdstuk 3; Wat is criminaliteit*

Paragraaf 3.3; Criminaliteit en strafrecht:
- De definitie van criminaliteit is: alle strafbaar gestelde gedragingen.
Sommige misdadige gedragingen zijn niet strafbaar, maar kunnen wel strafwaardig worden genoemd. Dit is subjectief, het is maar wat jouw normen en waarden zijn en hoe jij je eigen invulling aan de ‘misdaad’ geeft.
- onderscheid tussen overtredingen en misdrijven:
*overtredingen gaat het om schending van regels die onze maatschappij ordenen, deze schendingen worden niet als ernstig beschouwd.
*Bij misdrijven gaat het om alle strafbare gedragingen die door iedereen als moreel onaanvaardbaar worden beschouwd.

Paragraaf 3.4; Wie bepaalt wat crimineel is*
De invulling van wat crimineel is verschilt naar plaats en tijd. De wetten veranderen, ze passen zich aan aan de steeds veranderende samenleving. Recht is dus een cultuurverschijnsel.
Door steeds nieuwe technologieën komen en ook nieuwe criminele handelingen bij (bijv. fraude dmv chips). In bijv. Islamitische landen gelden andere waarden en normen en heersen er dus ook andere opvattingen over wat strafbaar is.
Het vertalen van de heersende waarden en normen over wat crimineel is gebeurt in Nederland door de wetgever. In Nederland is de Trias Politica de grondslag van het staatsbestel.
Soms zijn wetten verouderd en moet de rechter zelf beslissen welke uitleg hij hanteert. Wanneer de Hoge Raad dit overkomt spreekt zij een arrest uit. Lagere rechters zullen deze beslissing in het vervolg toepassen alsof het wetgeving is. Dit heet jurisprudentie.

Paragraaf 3.5; Vormen van criminaliteit:
Er valt niet te spreken over dé criminaliteit, wel over vormen van criminaliteit. Dit zijn:
* Agressieve criminaliteit (mishandeling, vernieling, moord).
* Seksuele criminaliteit (aanranding, verkrachting, incest).
* Vermogenscriminaliteit (diefstal, fraude, belastingontduiking).
* Verkeerscriminaliteit: (rijden onder invloed, doorrijden na een ongeval).
* Overige criminaliteit (drugshandel, wapenbezit, milieudelicten).
Vaker lopen bepaalde vormen van criminaliteit in elkaar over.
De massamedia hanteert vaker een andere indeling. Kleine criminaliteit wordt onderscheiden van zware criminaliteit. Onder kleine criminaliteit verstaat men massaal voorkomende strafbare gedragingen die hinderlijk zijn voor de burgers en die gevoelens van onveiligheid kunnen opwekken. Ook wel veelvoorkomende criminaliteit genoemd.

Hoofdstuk 4

4.3) Politie registreert meldingen + eigen constateringen -> politiestatistieken. Bezwaren:
- geen aangifte gedaan vw. angst, weinig vertrouwen in politie, bedreiging
- opsporingsbeleid van politie is selectief
- minder zichtbare dingen (fraude, ...) wordt niet snel opgemerkt
- hoe meer wetten, hoe meer overtredingen
- hoe meer mensen, hoe meer overtredingen (daarom kun je niet bijvoorbeeld 1960 met nu vergelijken)
- onontdekte feiten (computercriminaliteit)

4.4) Van de strafbare feiten wordt niet alles opgehelderd ? ophelderingspercentage.
Transactie: je betaalt een bedrag i.p.v. verdere vervolging.
Seponeren: afzien van vervolging (vw. 1e keer in aanraking met politie, kleine zaak e.d.)
Daarom wordt er maar een klein deel afgehandeld door rechter. Zo komt er wel een goed beeld van het aantal veroordeelden en schuldigen, maar niet over de totale criminaliteit in de samenleving.

4.5) De niet-geregistreerde criminaliteit, toch iets meer beeld door:
* slachtofferenquetes door CBS, geeft vooral de kleine criminaliteit aan. Bezwaren:
- het slachtoffer is er niet meer (moord)
- angst, na bijv. chantage of verkrachting
- geen slachtoffer aanwezig (bij vernieling bushokje enz.)
* self-report-onderzoeken, ook een enquête maar dan over misdaden die je zelf hebt begaan. Geeft beeld over relatie criminaliteit-klasse, jeugdcriminaliteit. soort misdrijf is milieugebonden. Bezwaren hiervan:
- zwaar misdrijf zul je niet snel toegeven
- beroepscriminelen werken niet mee

4.6) Het is moeilijk om nauwkeurige gegevens over criminaliteit op te stellen zonder kanttekening. Enkele conclusies die je wel kan trekken:
- kleine groep probleemjongeren zorgt voor groot deel criminaliteit; zij zijn vaak allochtoon, hebben geen gevoel voor Nederlandse normen en waarden en weinig toekomstperspectief
- etnische afkomst is van invloed op frequentie en soort misdrijf
- lokatie (stad of dorp) is ook belangrijk
- frequentie + soort is klassegebonden. Laag = agressief, hoog = witteboordencriminaliteit
- georganiseerde misdaad (drugs- en wapenhandel enz) is toegenomen
- meisjes worden vaker crimineel.

Hoofdstuk 5

5.3 – de theologische visie en de klassieke school.
Pas in de Renaissance beschrijft Thomas More (16e eeuw) oorzaken van criminaliteit. Verklaring met sociale oorzaken, ellende van het volk zorgt voor criminaliteit. Te bestrijden door iedereen werk en inkomen te bieden.
Frankrijk midden 18e eeuw: Montesquieu, Voltaire en Rousseau zetten zich af tegen de traditionele christelijke opvattingen dat de mens van nature zondig is en geneigd tot kwaad. Deze drie zoeken rationele oorzaken.
Eind 18e eeuw: Beccaria komt met ‘klassieke school’. Hij verzette zich tegen de (willekeurige) straffen van die tijd. Mensen zijn volgens hem crimineel om daar zelf beter op te worden, bijvoorbeeld door te stelen als je arm bent. Straf moet zorgen dat misdaad niet loont, het moet wel rechtvaardig zijn.
Wettelijke regels moeten samenleving verbeteren zodat criminaliteit verdwijnt.

5.4 – biologische-psychologische theorieën (de antropologische school)
Eind 19e, begin 20e eeuw: C. Lombroso (gevangenisarts): criminaliteit is primitief, gaat vanzelf over door evolutie. Criminaliteit zit in de genen, is dus uiterlijk zichtbaar en uit zich ongeveer zoals epileptische aanvallen (maar dan dus als crimineel gedrag). Dit idee wordt de antropologische school genoemd, en is gebaseerd op kennis v. natuur van de mens.
Hier ligt de oorzaak niet bij de samenleving maar bij de dader zelf, dit gaf veel weerstand van het volk.
Deze ideeën zijn ook misbruikt, door o.a. Hitler. (“Jood-zijn is ook erfelijk, en inferieur”) Nl: Rooms-Katholiek volk is crimineel want blijven steken in de evolutie (want de besten, priesters, mogen zich niet voortplanten). VS: criminaliteit bestrijden dmv. Genetische manipulatie.

5.5) Tegenstanders van Lombroso: crimineel gaat net als een bacterie, pas goed ‘gedijen’ op een goede ‘voedingsbodem’ (aanleiding samenleving).
Ferri: elke misdaad is een resultante van sociale en individuele, biologische factoren.
Durkheim: criminaliteit is normaal maatschappelijk verschijnsel, sociaal-cultureel aspect.
Zo ontstond criminele sociologie => sociaal milieu & ongelijkheid, stigmatisering, bindingen e.a. en hieraan zijn de anomietheorie en bindingstheorie verwant.
Deze richting heet de milieuschool.
Sociologie: processen in samenleving
Sociaal-psychologisch: invloeden van milieu op individu/mens

5.6 – de anomietheorie (sociologisch)
Alfred Cohen: anomietheorie die afwijkend gedrag wil verklaren, gaat uit van sociale ongelijkheid.
Iedereen wil gelukkig zijn en stijgen op de maatschappelijke ladder. Als het niet mogelijk is om dat op een normale, acceptabele manier te verwezenlijken, gebeurt dat op andere manieren en evt. criminaliteit. Het behalen van het succes is belangrijker dan de manier waarop, normen vervagen.
Naam anomie kwam van Robert Merton in 1938, hij meende ook dat lagere milieus daarom vaker crimineel zijn. Kritiek op de theorie:
- criminaliteit komt niet alleen voor bij de lagere klassen.
- niet iedereen voelt zich gedwongen tot de culturele doelstellingen.
NL: Jongman, criminaliteit is uiting van onvrede. Verzetstheorie, baanlozen zijn crimineel.

5.7 – de controle- of bindingstheorie (sociologisch)
Vraag je af waarom zo weinig mensen crimineel zijn. Ze moeten alleen durven. Een mens heeft bindingen (met omgeving, mensen, baan) en dus iets te verliezen, wordt daarom niet crimineel. Als de bindingen zwak zijn ga je wel het criminele pad op. 4 elementen:
- Attachment, de persoonlijke bindingen, die je niet op het spel zet. Criminaliteit kan bijv. ontstaan als je uit een ontworteld gezin komt. Het verdwijnt als de jongere een relatie krijgt.
- Commitment: risico’s afwegen. Is het het waard, heb je meer te winnen dan te verliezen? Dit is verder uitgewerkt is de rationele-keuzetheorie.
- Involvement: je moet tijd en energie over hebben.
- Belief: je geweten spreekt in grote/kleine mate.
Deze theorie heeft veel sterke punten en lijkt ook te kloppen met de dagelijkse werkelijkheid. Kritiek op deze theorie:
- hoe zijn criminele bendes en ‘vriendenclubs’ te verklaren?
- je moet niet te veel conclusies trekken uit statistisch materiaal (zie je oorzaak als gevolg?)
- georganiseerde misdaad, witteboordencriminaliteit? Zware jeugdcriminaliteit?
- sociale controle roept juist criminaliteit op.

5.8 – theorie van het aangeleerd gedrag (sociaal-psychologisch)
Shaw en McKay: de buurt of vriendengroep waar je je bevindt is verantwoordelijk voor je gedrag.
Sutherland werkt dit idee verder uit. Opvoeding ouders, leraren en ouders vs. vriendjes over criminaliteit, hier is dus invloed van twee kanten. (goede en slechte – differential-association) De vraag is: gaat de positieve of de negatieve kant overheersen?

Sutherland is ook ‘uitvinder’ witteboordencriminaliteit (zij: witteboordencriminaliteit is juist goed, overheid lokt fraude zelf uit enz.)
Mensen leren crimineel gedrag (techniek + motieven) in kleine intieme groepen. Zo krijgen ze positieve associaties met criminaliteit.
Kritiek op de theorie:
- alleen traditionele vormen zijn hiermee te verklaren
- moeilijk toetsbaar (invloeden/associaties meten?)
- een individu leert niet alleen door dingen van buitenaf op te nemen.

5.9 – etiketterings- of stigmatiseringstheorie (sociaal-psychologisch)
Kijk naar mensen die reageren op de criminaliteit => Becker.
Je voldoet niet aan regels dus hebt afwijkend gedrag ? stigma ‘afwijkend’ ? je valt buiten de groep (‘outsider’). Niet iedereen vindt hetzelfde afwijkend/negatief.
Voorbeeld: een heroïnegebruiker wordt opgepakt en raakt daardoor zijn stigma nooit meer kwijt. Hij raakt geïsoleerd van de buitenwereld, moet gaan stelen om aan eten te kunnen komen. Evt. krijgt hij ook nog eens een strafblad.
Het proces:
* een bepaald gedrag wordt afwijkend gevonden
* iemand vertoont dit gedrag
* deze persoon wordt gestigmatiseerd, vervreemdt van omgeving en belandt in subcultuur
* alle stereotypen blijken van toepassing => stigma veroorzaakt juist de misdaad
* vicieuze cirkel is rond: hoe feller bestreden, des te hardnekkiger het blijft bestaan.

Kritiek:
- waarom vertoont de een wel en de ander geen afwijkend gedrag?
- Niet van toepassing op beroepsmisdadiger, witteboordencriminaliteit

5.10 – de socio-biologische theorie
W. Buikhuisen: zowel sociale als persoonlijke factoren verantwoordelijk, misschien biologisch. Formule D = f(Pi, Si) => gedrag is een functie van alle mogelijke persoonlijke en situationele factoren. De persoonlijke factoren zijn bijna nergens anders terug te vinden, alleen bij de theorie van Lombroso.
Hij krijgt veel kritiek – racist, lijkt op Hitler. Krijgt zo geen gelegenheid voor onderzoek.
Nu: onderzoek wellicht nuttig, alle mogelijkheden bekijken. Bijv. ook gevoeligheid voor kleurstoffen, dingen die je eet.

5.11) Algemene kritiek: (op alle zinnige elementen uit de theorieën)
- ze willen criminaliteit in het algemeen verklaren, geen specifiek gedrag/factoren.
- nauwelijks aandacht voor ontwikkelingen in aard en omvang op lange termijn. Er moet meer aandacht worden gegeven aan samenhang andere veranderingen.
- welke groepen zien criminaliteit als een groot probleem?
- weinig aandacht criminaliserende werking van wet- en regelgeving.
Braithwaite (1989): verklaringsmodel met veel ‘oude’ theorieën. Kijk naar individu en samenleving en de samenhang tussen die twee. Kijk naar de mate van gewaardeerd, gebondenheid, stigmatisering, invloed samenleving. Profiel van potentiële daders. Criminaliteit vaak in onsamenhangende samenlevingen.

Hoofdstuk 7

7.2) Strafrecht: beschrijft welk gedrag strafbaar is, en wanneer en hoe afgestraft.
Strafprocesrecht: beschrijft welke procedure politie en justitie moeten volgen om te kunnen veroordelen.

7.3) De bronnen van het strafrecht: wetten, wetboeken, jurisprudentie.
Wetboek = verzameling samenhangende wetten.
Vooral Wetboek v. Strafrecht (WvS) en jurisprudentie van Hoge Raad zijn erg belangrijk.

7.4) WvS: 3 boeken: Algemene Bepalingen, Misdrijven, Overtredingen.
1e: aantal uitgangspunten en straffen; 2e en 3e: concreet geformuleerde strafbare gedragingen.
Boek 1:
- legaliteitsbeginsel: alleen straf op grond van duidelijk geformuleerde regels => elk artikel bestaat uit delictsomschrijving + maximumstraf
- ‘ne bis in idem’-principe: je mag niet 2x voor dezelfde daad gestraft worden
- verjaring, de verjaringstijd hangt af van misdaad.
7.5) Straf is bedoeld om te laten boeten voor vergrijp.
* Hoofdstraffen:
- gevangenisstraf (1 dag tot 20 jaar)
- hechtenis (1 dag tot 16 maanden)
- geldboetes (f. 5 tot 1 miljoen, in zes schijven verdeeld)
- taakstraf ofwel alternatieve straf. Dit is mogelijk bij straf van max. 6 maanden en wordt ook wel gebruikt als leerstraf.
* Bijkomende straffen, naast de hoofdstraf, gerelateerd tot misdrijf (auto in beslag nemen, naam overal publiceren enz.)

Maatregel (vaak bij ontoerekenbaarheid) moet dader of samenleving beschermen tegen de dader. Vooral tbs (terbeschikkingstelling, behandeling in kliniek).
Voorwaardelijke straf: de straf evt. later uitvoeren bij slecht gedrag in bepaalde tijd, of als de afspraak niet nagekomen is.

7.6) 4 voorwaarden voor strafbaar gedrag:
* Alleen menselijk gedrag is strafbaar, dus geen dieren, of gedachten. Tegenwoordig ook rechtspersonen (instellingen, BV’s). De opdrachtgever wordt dan gestraft.
* Alle bestanddelen uit de delictsomschrijving moeten zijn bewezen. Zo niet dan volgt vrijspraak vw. gebrek aan bewijs. (ook bij veel andere aanwijzingen)
* Het gedrag moet wederrechtelijk zijn, dwz. in strijd met de rechtsorde. Verdachte kan zich beroepen op rechtvaardigingsgrond ? ontslagen van rechtsvervolging. De rechtvaardigingsgronden staan omschreven in de wet:
- noodweer: lijf & goederen verdedigen tegen aanval
- overmacht, of soms absolute overmacht (aangereden fietser verwondt kind bij val)
- kiezen tussen twee kwaden (wet en humanitaire overwegingen)
* Schuldbeginsel -> schulduitsluitingsgronden:
- ontoerekenbaarheid van de dader
- noodweerexces – hardere verdediging gebruiken dan noodzakelijk was
- psychische overmacht (onder zware psychische druk/dwang)
- afwezigheid van alle schuld (je wist het zelf helemaal niet)
Rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden = strafuitsluitingsgronden.

7.7) Straf bepalen: minimum, maximum of daar tussenin? Criteria voor de hoogte:
* Ernst van het delict (blijkt uit max. straf)
* Omstandigheden:
- subjectief (ligt bij dader) ? opzet of niet, overige omstandigheden (herhaling?)
- objectief (buiten dader) bijv. de gevolgen die de misdaad heeft, de bijkomende omstandigheden (vrouw in het ziekenhuis dus hij reed te hard)
Poging tot ...: je was al begonnen met de daad maar niet afgemaakt
Deelnemer: samen misdaad plegen, of betrokken zonder het uit te voeren.

7.8) Bijzondere bepalingen voor minderjarigen:
- kinderen onder 12 jaar worden niet vervolgd
- kinderen tussen 12 en 18 voor kinderrechter (met uitzonderingen)
- geen openbare zittingen
- er zijn andere straffen en maatregelen (tuchtschool, taakstraf door HALT, onder toezicht) Volwassen straf als je handelde als volwassene. (in bende)

7.9) Misdrijf (2e boek WvS): wat is echt onrechtvaardig gedrag volgens wetgever, en wordt ook zo gezien als het niet in de wet zou staan, denk aan moord.
Overtreding (3e boek): je hoeft niet meteen te zien dat het ‘fout’ is (links rijden). Het gaat om het niet nakomen van regels die ook anders hadden kunnen zijn, en dingen die ‘niet kunnen’ maar toch ook weer niet zó erg zijn.
Onderscheid tussen de twee is belangrijk als je kijkt naar de gevolgen:
- overtreding behandeld door kantonrechter, misdrijf door arrondissementsrechtbank
- straf: overtreding ? hechtenis in Huis van Bewaring; misdrijf -> celstraf
- geen maatregelen bij overtreding, ook geen strafblad.

Hoofdstuk 8

8.2) Strafproces: welke procedure wordt doorlopen bij het komen tot een straf – alle actoren behandelen. De burger/verdachte moet beschermd worden tegen willekeur van de overheid, en mag niet onbeperkt in voorlopige hechtenis (in afwachting v. proces)

8.3) Juryrechtspraak: willekeurig gekozen (niet deskundig) mensen uit samenleving moeten beslissen ‘schuldig’ of ‘niet schuldig’. Aanklagers en verdedigers proberen jury te overtuigen, meestal vooral door op emotie in te spelen. Rechter is ‘voorzitter’, bepaalt straf en leidt.
In Nederland: strafprocesrecht beschreven in Wetboek van Strafvordering ? totaal deskundig.
* Rechter zit proces voor en ondervraagt getuigen, deskundigen, verdachte. Hij oordeelt schuldig of niet en welke straf. Hij is onpartijdig.
* Officier van Justitie (o.v.j.) beslist (van tevoren) wel of niet voor rechter. Formuleert tenlastelegging (aanklacht gebaseerd op wettelijke bepalingen). Ook hij ondervraagt getuigen, deskundigen, verdachte. Besluit met requisitoir (slotpleidooi) welke straf hij eist.
Alle o.v.j. samen => Openbaar Ministerie, benoemd door Minister van Justitie. Ze moeten ook zijn regels volgen.
* Verdachte heeft recht op professionele verdediging, kan hij die niet betalen dan krijgt hij er een toegewezen (pro-deo-advocaat). De advocaat moet de belangen van de verdachte verdedigen, zorgen dat hij geen straf of een zo laag mogelijke straf krijgt. Na het requisitoir eist hij een lagere straf. Hij heeft geheimhoudingsplicht.
* Getuigen (onder ede): informatie-hebbenden of deskundigen vanuit hun visie. Zij moeten vragen beantwoorden.
* Verdachte hoeft zelf niets te zeggen, mag zelfs afwezig blijven. Kan getuigen vragen of zichzelf verdedigen, heeft recht op het laatste woord.
* Het slachtoffer speelt nauwelijks een rol; kan evt. optreden als getuige.

8.4) Competentie = bevoegdheid (van de rechterlijke macht)
- relatieve: bevoegdheid van een bepaalde rechter in een bepaalde streek (rechtspraak in de plaats waar misdaad heeft plaatsgevonden)
- absolute: bevoegdheid om te oordelen in bepaalde delicten.
Kantonrechter: vonnist bij overtredingen.
(Arrondissements)rechtbank behandelt misdrijven – 1 politierechter of meervoudige kamer (3) / kinderrechter.
Niet eens met uitspraak ? in hoger beroep (bij hogere rechter). Hoogste rechtsorgaan is de Hoge Raad, in beroep daar = in cassatie gaan. HR toetst wel/niet wetgeving goed toegepast (bij vorige zaak) => jurisprudentie.
Uitspraak HR of Hof = arrest, de rechters daar = raadsheren, ‘officier van justitie’ daar = procureur-generaal.

8.5) Leden van het Openbaar Ministerie: officieren van justitie, procureurs-generaal, verkeersschouts (bij verkeerszaken dus). Taken van het OM:
- opsporingsonderzoek (samen met politie)
- strafbare feiten vervolgen of seponeren => opportuniteitsbeginsel (algemeen belang weegt zwaarder dan vervolging verdachte). Deze beslissing kan leiden tot willekeur.
- vonnissen laten uitvoeren.

8.6) Taken en bevoegdheden van de politie:
* Taken: misdaad opsporen, openbare orde handhaven, hulp verlenen
* Bevoegdheden:
- verdachte personen aanhouden, naam en adres vragen (niet zonder aanleiding)
- verdachte personen aanhouden en meenemen naar bureau voor verhoor (max. 6 uur)
- onder voorwaarden en met toestemming van ovj, langer vasthouden als er meer tijd nodig is voor onderzoek of bij een zwaar misdrijf; dit is inverzekeringstelling. Voor max. 6 dagen op het politiebureau, max. 102 dagen in voorlopige hechtenis bij akkoord rechtbank/rechtercommissaris
- zaken in beslag nemen, fouilleren enz.
- straf zelf afhandelen dmv. schikking. Dit is nauwkeurig in de wet omschreven.

8.7) Rechten van de verdachte:
- weten waarvan hij wordt verdacht
- recht op hulp van een advocaat/raadsman (evt. toegewezen)
- zwijgrecht (hij heeft wel identificatieplicht)
- niet onbeperkt vastgehouden worden
- recht op hoger beroep
Deze bescherming bemoeilijkt de opsporing van criminaliteit

8.8) De reclassering (particuliere instellingen) heeft als doel: zorgen voor (her)inpassing criminelen, herhaling voorkomen en overlast verminderen. Middelen:
- verlenen vroeghulp (bijv. alternatieve straf voorstellen)
- voorlichtingsrapportage t.b.v rechter (situatie thuis, werk enz.)
- verzorgt taakstraffen en brengt ex-gedetineerde terug in de samenleving.
Ook geeft de reclassering voorlichting op bijvoorbeeld scholen.

8.9) Het slachtoffer is een van de belangrijkste mensen bij criminaliteit, maar krijgt (te) weinig aandacht. Daarom zijn er slachtofferorganisaties, voor hulp en om de gezamenlijke belangen te behartigen.

Hoofdstuk 9; De discussie over straf:

Paragraaf 9.3; Enkele belangrijke visies uit het verleden:
Al in het Oude Testament vond men dat misdaad omwille van gerechtigheid niet geduld mag worden.
Thomas More vroeg zich in het begin van de 16de eeuw af of het geven van straf door de overheid ooit te rechtvaardigen is als diezelfde overheid, door de burgers te onderdrukken en te bestelen, de veroorzaker is van veel criminaliteit.
Cesare Becceria vond dat straf bedoeld was om de overtreders in de gelegenheid te stellen weer het lidmaatschap van de samenleving te verwerven. Op grond van deze verdragstheorie verzette hij zich tegen de doodstraf.
De Duitse filosoof Nietzsche stelde dat straf een bepaald doel moest hebben. Tegenwoordig zijn nog veel juristen het met hem eens. Ze vinden wel dat straf en doel in een redelijke verhouding met elkaar moeten staan.

Paragraaf 9.4; De klassieke stroming:
Ons strafrecht ligt in de klassieke stroming ten grondslag. Deze stroming gaat uit van een niet-deterministisch wereldbeeld: de mens is vrij om het goede te doen en het kwade te laten. Daardoor is iemand verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag en schuldig als hij zich crimineel gedraagt. De mens is in staat zelf afwegingen te maken tussen de lusten van de crime en de lasten van de straf.
* Een dader die geen schuld heeft, mag niet gestraft worden.
* Proportionele vergelding: op zware misdrijven moet meer straf staan dan op lichte misdrijven of overtredingen.
* Gelijkheidsbeginsel: alle mensen zijn voor de wet gelijk, -> dadenstrafrecht. Er moet een straf op de daad staan, onafhankelijk van wie de misdaad heeft begaan.
* Personaliteitsbeginsel: een opgelegde straf mag alleen de dader treffen.
* Legaliteitsbeginsel: in de wet moet te vinden zijn welke gedragingen strafbaar zijn.
Paragraaf 9.5; De moderne stroming
Onder invloed van nieuwe wetenschappelijke inzichten ontstond de moderne stroming. Ons huidig strafrecht heeft er ook enkele aspecten uit overgenomen. Deze had een deterministisch wereldbeeld: men nam aan dat menselijk gedrag ook bepaald werd door biologische en sociale factoren.
Enkele regels:
* Als mensen door biologische en sociale factoren niet meer vrij zijn in de keuze van hun gedrag, mag schuld niet langer een rechtvaardigingsgrond voor het geven van straf zijn.
* Daderstrafrecht: de dader moet het uitgangspunt van de straf zijn.
* Als criminaliteit wordt veroorzaakt door erfelijke afwijkingen, moeten criminelen behandeld worden of onschadelijk worden gemaakt.
* Er moeten sociale maatregelen genomen worden waardoor criminaliteit wordt voorkomen (preventie).

Paragraaf 9.6; De ideeën van abolitionisten:
Abolitionisten zijn tegenstanders van straf. Misdaad is in hun ogen een onrechtmatige daad die kan worden goedgemaakt doordat de dader en het slachtoffer via een regeling hun conflict kunnen oplossen. Hierop baseerde de Tweede Kamer een landelijke invoering van dading. Dading is het civielrechtelijk afhandelen van strafzaken. Voordeel hiervan is dat de dader geen strafblad krijgt, het slachtoffer krijgt gemakkelijker zijn schade vergoed en een genoegdoening die hij kan bepalen en daarmee dus ook tevreden is. Als men er niet in slaagt een oplossing te vinden volgt alsnog een strafrechtelijke procedure.

Paragraaf 9.7; Doelen van straffen:
7 functies van straffen:
* Generale preventie: dreigen met straffen en daardoor mensen afschrikken van criminaliteit.
* Speciale preventie: het geven van straf met de bedoeling herhaling van een misdrijf te voorkomen.
* Handhaving van de rechtsorde: via straffen misdadigers die gevaarlijk zijn voor de samenleving achter slot en grendel te zetten en zo de burgers te beschermen.
* Vergelding: het opzettelijk en gerechtvaardigd leed toevoegen aan een misdadiger.
* Resocialisatie: de ten uitvoer legging van de straf moet dienstbaar worden gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven.
* Beveiliging van maatschappij en burgers.
* Genoegdoening: de straf kan dienen om tegemoet te komen aan de wensen van het slachtoffer.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.