Hoofdstuk 1

Beoordeling 4.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 451 woorden
  • 30 oktober 2003
  • 6 keer beoordeeld
Cijfer 4.8
6 keer beoordeeld

1.1 Cultuur = Alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van en groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en dus als vanzelfsprekend beschouwen. Natuur = Natuur staat tegenover cultuur en is datgene wat aangeboren is. Enkele cultuurkenmerken zijn: normen (gedragsregels), waarden (principes), kennis, gewoonten, opvattingen, kunst, sport, symbolen en feestdagen. Culturen verschillen per plaats, tijd en groep. 1.2 Dominante cultuur = Als een cultuurgroep in een samenleving overheerst. Subcultuur = Wanneer waarden, normen en andere cultuurkenmerken op bepaalde onderdelen afwijken van de dominante cultuur. Tegencultuur = Mensen die zich verzetten tegen de dominante cultuur of daar een bedreiging voor vormen. Bedrijfscultuur = De bedrijfscultuur bestaat echter uit alle waarden, normen en gewoonten die er in een bedrijf gelden. Dit heeft deels te maken met het soort bedrijf. Nederland is een multiculturele samenleving omdat Nederland een verscheidenheid aan

cultuurgroepen heeft. 1.3 Multiculturele samenleving = Een maatschappij waar mensen naast elkaar leven met verschillende culturele achtergronden. Global village = Een werelddorp. We spreken nu van de wereld als werelddorp omdat we nu: Betere communicatie hebben – Nieuwe media zoals radio, televisie en internet. Beter vervoer hebben – Transportmiddelen zoals trein, vliegtuig en de auto. Iedere cultuur heeft zijn eigen normen en waarden. 1.4 Groepen konden zich na de tweede wereldoorlog goed ontwikkelen doordat jongeren meer vrije tijd hadden, meer geld hadden en de welvaart toenam. Daarnaast ontstaan jeugdculturen doordat jongeren een eigen leefstijl willen die anders is dan de leefwijze van hun ouders. De derde reden voor het ontwikkelen van jeugdculturen is de behoefte aan geborgenheid. Ze willen ergens bij horen. Jeugdculturen komen vaak voort uit muziekstromingen. 1.5 Socialisatie = Het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert. Socialiserende instituties = Instellingen, organisaties en overige collectieve gedragspatronen waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt. Sociale controle = De wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden. Internalisatie = Dat mensen zich sommige aspecten van hun cultuurgroep zo eigen hebben gemaakt, dat zij zich automatisch gaan gedragen zoals de groep dat van hen verwacht. Collectieve gedragspatronen zijn gemeenschappelijke gebeurtenissen als carnaval, prinsjesdag, kerstmis, ramadan, het vrije weekend, Koninginnedag en dodenherdenking. Behalve het gezin zijn er vijf belangrijke instituties: De school (kinderen leren discipline) Het werk (hier moet je een prestatie leveren) Maatschappelijke groeperingen (sportclubs) De overheid (houden aan wetten en regels) De media (massamedia) Er zijn vier vormen van maatregelen: - Formele positieve sancties (diploma, koninklijke onderscheiding). - Formele negatieve sanctie (boete). - Informele positieve sancties (compliment, een fooi, een applaus). - Informele negatieve sancties (kind naar kamer sturen, popgroep uitfluiten). Op de volgende manier hangen de begrippen samen: Socialisatie - Sociale controle - Sancties - Internalisatie - Cultuur - Normen en Waarden - Socialiserende instituties - En dan weer van voren af aan.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.