Eindexamens 2024

Wij helpen je er doorheen ›

Hoofdstuk 1

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 1570 woorden
  • 30 oktober 2003
  • 9 keer beoordeeld
Cijfer 6.7
9 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
3 redenen waarom je echt never nooit niet in het buitenland moet studeren

Studeren in het buitenland, de ultieme droom van veel mensen, toch? Nou,
vergeet het maar! Waarom zou je jezelf onderdompelen in nieuwe culturen,
talen en ervaringen als je ook gewoon thuis in je onesie op de bank kunt
blijven zitten?

Check het hier
Samenvatting Hoofdstuk 1. Politiek = Houdt zich bezig met het nemen van beslissingen over wat er in de samenleving moet gebeuren. Politici = Mensen die de taak hebben keuzes te maken in maatschappelijke kwesties. Gezag = Macht die: 1) Wettelijk is geregeld 2) Wordt gecontroleerd door de bevolking 3) Wordt geaccepteerd door de burgers
Ideologie = Het geheel van ideeën over de mens. Progressief = Vooruitstrevend (zowel positief als negatief). Conservatief = Behoudend (traditionele waarden en normen). Reactionair = Oude regels opnieuw aannemen. Soevereiniteit = Het hoogste gezag in een land. Dictatuur = Staat waarin één persoon alle macht heeft. Rechtsstaat = Landen met democratische regeervorm. Democratie = Staatsvorm waarbij de bevolking invloed heeft op de politieke besluitvorming. Directe democratie = Als de mensen direct meebeslissen. Indirecte democratie = Als het volk op een v.v. (volksvertegenwoordiging) / parlement stemt. Referendum = Volksstemming over een wetsvoorstel. Trias Politica = Politieke macht wordt gesplitst in: wetgevende, uitvoerende en de rechterlijke macht. Verkiezingsprogramma = Hierin staan de belangrijkste plannen en opvattingen van een partij. Lijsttrekker = Persoon die als eerste op de lijst staat. Hij bepaalt tijdens de campagne het gezicht van de partij. Voorkeurstemmen = Als een persoon die onder aan de lijst staat toch wordt gekozen omdat hij meer stemmen heeft gekregen dan iemand die boven hem staat. Zwevende kiezers = Dit zijn mensen die: 1) niet op een vaste partij stemmen, maar steeds wisselen
2) mensen die vlak voor de verkiezingen nog niet weten op wie ze gaan stemmen. Kiesdeler = De hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor één zetel. Kiesdrempel = Een partij krijgt een aantal zetels als er een bepaald percentage stemmen is behaald. Kabinet = Alle ministers en staatssecretarissen samen. Kabinetsformatie = De onderhandelingen over welke partijen en personen ons land gaan besturen. Informateur = Persoon die onderzoekt welke partijen het beste kunnen gaan regeren. Formateur = Hij zoekt ministers en staatssecretarissen die het regeerakkoord willen uitvoeren. Coalitie = Een samenwerkingsverband tussen twee of meer partijen. Kabinetscrisis = Het hele kabinet neemt dan ontslag. Demissionair = Als er een kabinetscrisis is geweest en er zijn nog geen nieuwe ministers. De oude ministers blijven dan nog zolang om de zaken die dan nog lopen af te handelen. Parlement = Eerste en Tweede kamer. Regering = Koningin en ministers. Beleidsterrein = Ook wel portefeuille genoemd. De afdeling van een minister. Regeerakkoord = Hierin staat wat de regering dat jaar wil bereiken. Fractie = Fractiespecialist = Kamerleden die zich specialiseren op een bepaald gebied. Oppositiepartij = De grootste partij die niet in de regering zit. Doelstellingen = Hierin staat wat ze willen bereiken. Beleid = Hierin staat hoe ze dit willen bereiken. Politieke actoren = Personen, groepen, bestuursorganen, en instanties die betrokken zijn bij het politieke besluitvormingssysteem. Lobby = Als iemand uit de samenleving contact opneemt met een politici om druk uit te oefenen. Omgevingsfactoren = Alle gegevens die een rol kunnen spelen in het nemen van een wet. Bureaucratie = Een organisatie waarvan de werkzaamheden worden gekenmerkt door officiële voorschriften, gescheiden deskundigheid en een duidelijke gezagstructuur. Pressiegroepen = Groepen die trachten invloed uit te oefenen op de politiek. Politiek bestuur kent 4 niveaus: 1) Europees 2) Hele land - Parlement 3) Provincie - Provinciale Staten 4) Gemeente - Gemeenteraad

Politici kunnen niet zomaar iets beslissen omdat; - Moeten zich houden aan de grondwet - Ze worden gevolgd door de media - Als ze iets verkeerd doen krijgen ze minder stemmen. Hoe kunnen wij (burgers) invloed uitoefenen op de politiek: - Stemmen - Lid worden van een politieke partij - Contact opnemen met een politici - Een verzoek indienen - De pers benaderen - Lid worden van een actiegroep - Overgaan tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Standpunten van ideologieën: - Normen en waarden - Sociaal – economische structuur - Machtsverdeling
Progressief - links - gelijkwaardigheid (voor mensen met achterstandposities) - actief
Conservatief - rechts - vrijheid (eigen initiatief) - passieve
Rechts - Liberalisme - conservatief - VVD
Links - Socialisme - PvdA
Midden - Christen-Democraten - D’66
3 Elementen voor een staat: 1) grondgebied 2) bevolking 3) vorm van gezag
In een rechtsstaat vind je: - gelijkheid van alle burgers - grondwet of constitutie - onafhankelijke rechterlijke macht - invloed burgers op gezag - respect mensenrechten
Om de vier jaar worden de: - Tweede kamer - Provinciale Staten - Gemeenteraden gekozen. Actief kiesrecht - 18 jaar en ouder
Passief kiesrecht - 21 jaar en ouder (je stelt jezelf verkiesbaar) Buitenlanders moeten minimaal vijf jaar in Nederland zijn en de leeftijdsgrens hebben. Voorwarden om jezelf verkiesbaar te stellen: - 21 jaar of ouder - partij moet ingeschreven staan in elk kiesdistrict waarin het wil meedoen - elk kiesdistrict 25 handtekeningen van sympathisanten inleveren - per kiesdistrict F 1000,- betalen
Als je gaat stemmen stem je op een persoon en niet op een partij. Als deze persoon uit zijn partij zou stappen hoeft hij nog niet uit de Tweede kamer te stappen. Kiesdeler wordt berekend door: het totaal aantal stemmen te delen door het aantal beschikbare zetels

Tweede kamer heeft 150 zetels
Eerste kamer heeft 75 zetels. Het doel van de kabinetsformatie is om een aantal bestuurders, ministers en staatssecretarissen te vinden die: - Het globaal eens zijn met het toekomstige beleid. - Samen de steun hebben van de meerderheid van de Tweede kamer. Dit laatste is nodig om ervoor te zorgen dat de meeste wetten die worden bedacht ook doorgevoerd worden. Dit kan alleen als de meerderheid van de Tweede kamer het eens is. De kabinetsformatie verloopt als volgt: 1) Koningin krijgt adviezen over wie het beste kan gaan onderzoeken welke partijen samen kunnen gaan werken. 2) Koningin benoemt informateur. 3) Informateur overlegt met de leiders van de partijen wie het beste kunnen samenwerken. Als dat lukt wordt de coalitie gevormd en een regeerakkoord wordt opgesteld. 4) Informateur brengt verslag uit bij de koningin. 5) Koningin benoemt formateur. 6) Formateur overlegt met de partijen welke posities ze krijgen. De formateur wordt meestal minister-president. 7) Formateur brengt verslag uit bij koningin. 8) De koningin benoemt nieuw kabinet. Wanneer krijg je een kabinetscrisis: - Als de ministers het onderling niet met elkaar kunnen eens worden over een aantal kwesties. - Als de meerderheid van de Tweede kamer het kabinet niet meer steunt en zegt er geen vertrouwen meer in te hebben. De belangrijkste taak van de regering is de voorbereiding en de uitvoering van het overheidsbeleid. Dit gebeurt voornamelijk door: - Het opstellen van wetsvoorstellen. - Het uitvoeren van eenmaal aangenomen wetten. - Het jaarlijks opstellen van de rijksbegroting en deze aanbieden aan het parlement. De koningin is onschendbaar. Dit betekent dat niemand haar iets kan maken en ze dus nergens de schuld van kan krijgen. De belangrijkste taken van de koningin zijn: - Het plaatsen van haar handtekening onder wetten. - Het voorlezen van de troonrede. - Het benoemen van ministers, formateurs en informateurs. - Het voeren van regelmatig overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid. Met de sociaal-economische driehoek worden de afdelingen Economische Zaken, Financiën en soms de minister van buitenlandse Zaken bedoeld. De eerste kamer wordt indirect gekozen. Het volk kiest de Provinciale Staten en die kiezen de Eerste kamer (ook wel Senaat genoemd). De eerste kamer heeft als taak de wetten nog een keer te controleren. De Tweede kamer heeft dit al eerder gedaan. Belangrijkste taken van het parlement zijn: 1) (mede)wetgeving - - Stemrecht bij wetsontwerp - Recht van initiatief (zelf wetsontwerpen indienen) - Recht van amendement (onderdelen in een wet wijzigen) (Eerste kamer heeft alleen stemrecht bij wetsontwerp) 2) Controle van de ministers - - Schriftelijke vragen stellen - Recht van interpellatie (minister ter verantwoording roepen) - Recht om een motie in te dienen (Kamer stemt over een schriftelijke uitspraak). - Parlementaire enquête (gedetailleerd onderzoek) - Budgetrecht (rijksbegroting wel of niet goedkeuren) Volgens de systeemtheorie komen politieke besluiten in 4 fasen tot stand: - Invoer (samenleving brengt eisen en wensen naar voren door bijv. de pers te benaderen). - Omzetting (als de eis op de politieke agenda komt te staan en de Tweede kamer er over stemt). - Uitvoer (Ambtenaren zorgen ervoor dat de wet wordt uitgevoerd). - Terugkoppeling (Als de samenleving het niet eens is met de wet en het weer wil veranderen). Alles begint dan weer van voren af aan. Omgevingsfactoren kun je verdelen in: - demografische kenmerken (bevolkingsopbouw. Vergrijzing of niet?) - ecologische kenmerken (milieu. Is er wel genoeg grond om dat te bouwen. Ten koste van natuur?) - culturele kenmerken (geschiedenis van het land. Gewoontes en gebruiken) - economische kenmerken (economisch goed of slecht) - technologische kenmerken (veel techniek. Zonne-energie) - sociale kenmerken ( grote inkomensverschillen wel of niet?) - internationale verhoudingen (lid van VN, EU, NAVO) Het barrière- model geeft aan welke problemen zich kunnen voordoen in de systeemtheorie. Eerste barrière: Openbaar maken van het probleem. De media moet worden benaderd. Tweede barrière: Er moet een politieke discussie ontstaan. Derde barrière: Formuleren van de besluiten. Vierde barrière: Uitvoering van het besluit. De vierde macht zijn de ambtenaren. Zij hebben macht omdat ze jarenlange kennis hebben. Ministers komen en gaan om de vier jaar. Er zijn nu veel meer ambtenaren dan vroeger omdat er nu veel meer overheidstaken zijn. De vijfde macht zijn de pressiegroepen. Dit soort groepen houden acties zoals demonstraties. Er zijn 3 soorten pressiegroepen: - Belangengroepen (komen op voor de belangen, Consumentenbond) - Actiegroepen (zetten zich voor korte tijd in voor één duidelijke kwestie) - Actie- organisaties (zetten zich voor langere tijd in voor één duidelijke kwestie, ze zijn meer geprofessionaliseerd, Greenpeace) De 5 politieke functies van de media zijn: - informatieve functie (geven informatie) - spreekbuisfunctie (politici kunnen hier aflezen wat er onder de bevolking leeft) - de onderzoekende of agendafunctie (journalisten die zelf op onderzoek uit gaan en problemen ontdekken) - commentaarfunctie (kritiek leveren op politieke besluiten) - controlerende functie (kijken of ministers geen fouten maken)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.