Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

H.2 Rechtsstaat

Beoordeling 6.5
Foto van Marit
  • Samenvatting door Marit
  • 4e klas vwo | 15070 woorden
  • 24 januari 2016
  • 20 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 20 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor je werkstuk, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Gooi jij een week lang zo min mogelijk weg of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie! 

Check alle challenges!

maatschappijleer h.2




§1 idee en oorsprong van de rechtsstaat




Hoe is de rechtsstaat ontstaan en wat is kenmerkend voor een rechtsstaat?




wat is een rechtsstaat?




De overheid moet optreden als burgers geweld tegen elkaar gebruiken maar de overheid mag niet alles: Nederland is een democratische rechtsstaat. Iedereen mag meedoen aan vrije verkiezingen en daardoor indirect meebeslissen over politieke kwesties. Daarnaast garandeert de rechtsstaat bescherming tegen de machthebbers. Een rechtsstaat is dus een staat waarin burgers met grondrechten worden beschermd tegen macht en willekeur door de overheid.



Verwacht wordt dus dat de democratisch vastgestelde regels worden opgevolgt en nagekomen. De rechtsstaat is dus een soort sociaal contract tussen burgers en (gekozen) bestuurders die beiden plichten hebben.




beginselen van de rechtsstaat




De trias politica, de grondrechten en het legaliteitsbeginsel vormen samen de beginselen van de rechtsstaat waarbij de basisgedachte is ontstaan in de loop van de 17e en 18e eeuw, toen koningen absolute macht bezaten.



Door Franse filosoof Montesquieu ontstond het uitgangspunt van drie staatsmachten die elkaar in evenwicht zouden houden: de triaspolitica, de ‘scheiding der machten’.



John Locke ging ervan uit dat mensenrechten er in oorsprong altijd al geweest waren en dat mensen conflicten zelf oplosten. Pas toen samenlevingen complexer werden, is volgens hem de overheid ontstaan. Volgens Thomas Hobbes gold dat elk mens kans liep om slachtoffer te worden van dodelijk geweld en er dreigde voortdurend gevaar. Om de samenleving in goede banen te leiden, moest er wel een overheid komen.



Al deze ideeën leidden tot de Amerikaanse Revolutie met de leus: ‘no taxation without representation’ (wie belasting betaalt, heeft ook recht zijn vertegenwoordigers te kiezen).



Vlak daarna brak de Franse Revolutie uit met de leus: ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Sindsdien maakte de rechtsstaat in West-Europa een einde aan de absolute macht.



Koningen zijn tegenwoordig in een constitutionele monarchie gebonden aaan de grondwet. De rechtsstaat heeft daarnaast gezorgd voor de grondwettelijke bescherming van grondrechten. Grondrechten zijn rechten die zo fundamenteel zijn voor de vrijheid, de ontplooiing, het welzijn en de bescherming van het individu en van groepen, dat ze in de grondwet zijn vastgelegd.



Volgens het legaliteitsbeginsel mag de overheid alleen beperkingen opleggen aan de vrijheid van burgers als die beperkingen in wetten zijn vastgelegd en voor iedereen gelden. Zij zijn gebonden aan wetten (regels) en kunnen niet zomaar buitensporige straffen opleggen zonder tussenkomst van een onafhankelijke rechter (maat). Zelfs een gekozen meerderheid mag niet alles doen wat ze wil, want er moet rekening gehouden worden met wettelijk vastgelegde rechten van minderheden.



In een dictatuur bepaalt één machthebber of één partij wat de regels zijn. Er zijn weinig vrijheden, geen persvrijheid en geen vrijheid van meningsuiting. Tegenstanders van het regime worden vaak achtervolgd of zonder vorm van proces gevangengezet.




na de tweede wereldoorlog




In 1948 formuleerde de VN de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en in 1950 sloten Europese landen in Rome het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Zonder mensenrechten is er geen rechtsstaat en waar mensenrechten worden geschonden is de rechtsstaat in gevaar.



Wanneer er vragen of klachten zijn en in dit soort situaties onrechtvaardigheid wordt ervaren, komt de rechsstaatgedachte weer scherp naar boven en blijken de uitgangspunten ervan nog springlevend.



De rechtsstaat geeft een uiterste limiet of ondergrens aan waaraan je situaties, gebeurtenissen, beslissingen en handelingen kunt afmeten. Het belang van de rechtsstaat neemt zelfs toe naarmate levensovertuigingen en leefstijlen verder uiteenlopen. Daarmee is de rechtsstaat niet alleen de grondslag voor de parlementaire democratie, maar ook voor de verzorgingsstaat en de pluriforme samenleving.




§2 grondwet en grondrechten




Gelijkheid is een belangrijke waarde die in onze grondwet is vastgelegd. In de rechtsstaat staat naast gelijkheid het begrip vrijheid centraal.



Welk doel dient de grondwet en op welke manier staan onderdelen van de grondwet (constitutie) ter discussie?




ontstaan en doel van de grondwet




Onder invloed van de Franse Revolutie en later van de Franse bezetting kreeg Nederland in 1798 de Staatsregeling van de Bataafse Republiek, die je kunt zien als voorloper vna de grondwet. Daarmee werd Nederland een gecentraliseerde eenheidsstaat, nadat het eeuwenlang een statenbond van onafhankelijke staten was geweest.



De eerst rondewet kwam tot stand nadat Nederland in 1806 een constitutionele monarchie was geworden.



In 1948 wist Thorbecke een belangrijke grondwetswijziging af te dwingen bij koning Willem II. Dit was artikel 42: de konin gis onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk. Hierdoor gaf de koning politieke macht uit handen en werd er geregeerd met een ministeriële verantwoordelijkheid.



Ook kwam in de grondwet te staan dat er rechtstreekse verkiezingen zouden komen voor de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en de gemeenteraad. Aanvankelijk mochten alleen mannen stemmen die directe belastingen betaalde (censuskiesrecht).



Elkele andere belangrijke grondwetswijzigingen sinds 1848 zijn:



1.           in 1917 kwam er algemeen mannenkiesrecht. Verder ging de staat behalve openbare scholen ook scholen op godsdienstige en levensbeschouwelijke grondslag bekostigen.



2.           in 1922 kregen ook vrouwen kiesrecht.



3.           in 1983 vond er een algehele herziening van de grondwet plaats. Onder meer de bescherming van burgers tegen discriminatie werd toegevoegd en er werden voor het eerst sociale grondrechten opgenomen.



De grondwet heeft als doel om:



1.          de begrenzing van de macht van de staat aan te geven en daarmee de vrijheden van burgers te garanderen.



2.          fundamentele rechten van burgers vast te leggen.



3.          aan te geven hoe de belangrijkste organen van de staat (koning, ministers, parlement, rechterlijke macht etc.) in grote lijnen zijn georganiseerd.



4.           de eenheid vna de staat uit te drukken en te zeggen dat de burgers één willen zijn en één willen blijven.




inhoud van de grondwet





Hoofdstuk 1:





  • Allerbelangrijkste deel van de grondwet.

  • Grondrechten en burgerlijke vrijheden

  • Klassieke grondrechten

    • Art. 1: gelijkheidsbeginsel

    • Art. 2 t/m 5: de politieke rechten

    • Art. 6 t/m 9: vrijheidsrechten

    • Art. 10 t/m 18: persoonlijke en juridische bescherming






  • Sociale grondrechten

    • Art. 19 t/m 23: overheid heeft zorgplicht tegenover burgers op gebied van:


      • Werkgelegenheid en vrije keuze van arbeid

      • Bestaanszekerheid en welvaart

      • Leefbaarheid en milieu

      • Volksgezondheid en woongelegenheid

      • onderwijs







De grondrechten staan in willekeurige volgorde. Basiskenmerk is dat deze grondrechten een beperking inhouden vna de overhiedsbevoegdheden tegenover de burgers.



Wanneer een burger vindt dat een van zijn grondrechten geschonden is, kan hij naar de rechter stappen.



Verschil tussen klassieke en sociale grondrechten is dat met de sociale grondrechten de overheid actief moet optreden en dat burgers ze niet bij de rechter kunnen afdwingen. Vind je dat de overheid niet genoeg haar best doet, dan kun je dat laten merken door je stemgedrag tijdens de volgende verkiezingen.




Hoofdstukken 2 t/m 7:





  • per hoofdstuk alle belangrijke organen en bestuurlijke functies:

    • Koning

    • Regering

    • Staten-Generaal

    • Wetgeving en bestuur

    • Rechtspraak

    • Provincies

    • Gemeenten

    • Waterschappen

    • Trias politica






Hoofdstuk 8:





  • Wijziging van de grondwet



Wijzingingen van de grondwet moeten twee keer het parlement (eerste en tweede kamer) passeren en ze moeten met een tweederdemeerderheid worden aangenomen. Tussen de twee behandelingen in moeten er verkiezingen plaatsvinden. Aan deze eisen voor wijziging zie je het verschil tussen de grondwet en de ‘gewone’ wetten.



Grondrechten hebben een horizontale werking als het gaat om de verhoudingen tussen burgers onderling. Bij de verticale werking draait het om de verhouding tussen burgers en overheid.




de grondwet in discussie




Vooral binnen de horizontale werking kan er sprake zijn van botsende grondrechten. Dit is het geval wanneer de grondrechtelijke belangen van burgers met elkaar in conflict komen.



Een botsing van grondrechten zou te voorkomen zijn als er een rangorde of hiërarchie wordt aangebracht tussen grondrechten, waarbij het ene recht boven het andere komt te staan. in de huidige grondwet bestaat geen rangorde. Er bestaat geen objectieve criteria voor een rangorde.



Om beide reden laat men de toetsing van de grondrechten onderling over aan de rechter.



Een ander voorstel is om sommige botsingen van grondrechten zoals de vrijheid van godsdienst en meningsuiting in Europees verband te laten beoordelen. Nu laat het Europees Hof de beoordeling over aan de nationale rechter.



1798:                  Nederland wordt een gecentraliseerde eenheidsstaat



                            Invoering gelijkheid voor de wet.



1806:                  Nederland wordt een constitutionele monarchie.



1814:                  Eerste echte grondwert.



                            Willem Frederik wordt soeverein vorst.



                            Oprichting van de Staten-Generaal (één kamer).



1815:                  Nederland en België vormen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.



                            Staten-Generaal gesplitst in twee kamers.



                            Invoering vrijheid van godsdienst.



1840:                  Nederland en België worden opgesplitst.



1848:                  2e Kamer wordt rechtstreeks gekozen (censuskiesrecht).



                            Invoering ministeriële verantwoordelijkheid.



                            2e Kamer krijgt amendementsrecht, enquêterecht.



Uitbreiding klassieke grondrechten met vrijheid vna meninsuiting/ vereniging/ briefgeheim en onderwijs.



1887:                  Uitbreiding kiesrecht voor mannen met kentekenen van maatschappelijke ‘welstand en geschiktheid’.



1917:                  Invoering algemeen mannenkiesrecht.



                            Invoering kiesstelsel evenredige vertelgenwoordiging i.p.v. districtenstelsel.



                            Gelijke financiering van openbaar en bijzonder onderwijs.



1919/1922:        Invoering van algemeen mannen- en vrouwenkeisrecht.



1948:                  Regeling soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië aan de Republiek Indonesië.



1956:                  Uitbreiding 2e Kamer naar 150 leden.



                            Uitbreiding 1e Kamer naar 75 leden.



1963:                  Soevereiniteitsoverdracht van Nieuw-Guinea aan de VN, en vervolgens van de VN aan Indonesië.



1983:                  Verlaging kiesgerechtigde leeftijd naar 18 jaar.



                            Bescherming tegen discriminatie vastgelegd.



                            Invoering sociale grondrechten, zoals het recht op werk en bestaanszekerheid.




§3 trias politica: scheiding of evenwicht van machten?




Hoe en met welk doel is de trias politica ontstaan en hoe is deze in Nederland uitgewerkt?




ontstaan en doel van trias politica




De Franse filosoof Montesquieu introduceerde het idee van de trias politica in zijn boek waar hij een ideale taakverdeling binnen de samenleving bedacht.



De eerste macht noemde hij de wetgevende macht, die de taak kreeg om algemene wetten te maken, te wijzigen of in te trekken. De tweede macht noemde hij de uitvoerende macht, die de taak kreeg om de wetten in concrete gevallen toe te passen.



De derde macht noemde hij de rechterlijke macht, die in geval van onenigheid moest oordelen over wetten en bij alle conflicten die met rechtsregels konden worden opgelost rechtspreken. Vooral die derde macht moest volgens hem volkomen onafhankelijk recht kunnen spreken.



Tegenwoordig spreken we van ‘checks and balances’. De drie machten weerhouden elkaar van het veroveren van te veel macht en houden elkaar daarmee in balans. Ze controleren en vullen elkaar aan. Staatsmachten worden daarom vaak staatsorganen genoemd.



De wetgevende macht kan de uitvoerende macht controleren en ter verantwoording roepen. De wetgevende macht kan ook de rechterlijke macht corrigeren door een nieuwe, verbeterende wet te maken.



Als rechter kun je opzettelijk de wet ruimer uitleggen dan het parlement op dat moment juist vindt. Zo dwingen ze het parlement tot grotere zorgvuldigheid bij het maken van wetten. Op die manier kan de rechterlijke macht op zijn beurt dus ook de wetgevende macht corrigeren.



Ook controleert de rechterlijke macht in rechtszaken de uitvoerende macht op rechtmatigheid: hebben ministers en ambtenaren de wet juist toegepast?




de drie machten in nederland




Montesquieu wilde de wetgevende macht toevertrouwen aan een vertegenwoordigend orgaan dat door het volk gekozen wordt, zoals het parlement. Daarmee zou het vok dus indirect invloed uitoefenen op het maken van wetten. Dit is in Nederland grotendeels gerealiseerd. Het gekozen parlement stemt over alle wetsvoorstellen en heeft dus het laatste woord. Maar omdat ook de (ongekozen) gegering het recht heeft om wetsvoorstellen in te dienen en alle wetten moet ondertekenen, is er vna een strikte machtenscheiding geen sprake.



Bovendie moest het wetgevende orgaan volgens hem in verschillende kamers verdeel zijn, zodat een wetsvoorstel altijd van alle kanten wordt bekeken en niet zomaar in ene opwelling tot stand komt.



Goede wetten moeten:



1.           algemeen zijn. Ze mogen niet voor één persoon of voor één situatie geschreven zijn.



2.           duidleijk zijn.



3.           haalbaar en uitvoerbaar zijn



De uitvoerende macht ligt bij de ministers. Zij moeten ervoor zorgen dat eenmaal aangenomen wetten goed worden uitgevoerd. Daarnaast hebben zij zoals gezegd het recht om nieuwe wetten te ontwerpen. Ministers worden daarin bijgestaan door honderdduizende ambtenaren, zowel beleidsambtenaren als uitvoerende abtenaren zoals leraren, agenten en inspecteurs.



Ambtenaren vormen zelf ook een machtsblok, omdat zij bij de totstandkoming en de uitvoering van wetten vaak zelfstandig beslissingen nemen. Daarom heten ambtenaren ook wel de vierde macht. Zelf wordt een minister wel gecontroleerd, namelijk door het parlement. Hij moet alle daden van zijn abtenaren voor zijn verantwoordelijkheid nemen.



De rechterlijke macht is in handen van onafhankelijke rechters die voor het leven worden benoemd en zijn niet af te zetten, tenzij ze ene misdrijf plegen. Deze onafhankelijkheid voor rechters zorgt er voor dat ze boven de partijen staan.



Rechters hebben niet dezelfde politieke macht als regering en parlement. Maar ze hebben in de praktijk wel speelruimte om wetten en de begrippen die daarin gebruikt worden te interpreteren. Voor rechters is de wet dan ook niet de enige bron die zij voor hun uispraken gebruiken. Zij kijken ook naar de toelichting bij de wet, de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie, het geheel van uitspraken door rechters.




samenspel en de drie machten




Binnen de trias polictica hebben de drie machten niet dezelfde positie. Parlementsleden worden gekozen door het volk en ministers worden gecontroleerd door het parlement. Rechters worden niet gekozen en controle vindt alleen binnen de rechterlijke macht zelf plaats (via hoger beroep en cassatie). De rechter kijkt achterom naar wat gebeurt is, terwijl de wetgever altijd vooruit kijkt.



Het parlement kan een rechterlijke uitspraak niet ongedaan maken, maar kan wel besluiten de wet te wijzigen of aan te passen.



Rechters geven soms wel advies over nieuwe wetten.



Hoewel parlementsleden volgens het dualistische stelsel een eigen taak en verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van ministers, stemmen de regeringspartijen in het parlement vaak vanzelfsprekend in met het kabinetsbeleid. Hierdoor levert het parlement macht in ten gunste van de uitvoerende macht, de ministers.


















§4 het legaliteitsbeginsel




Het legaliteitsbeginsel houdt in dat iemands vrijheid alleen ingeperkt mag worden als de rechtmatigheid van die beperking is vastgelegd in wetten en regels die door het parlement zijn aangenomen.



Het geheel van rechtsregels, rechtsbeginselen en de manier waarop het recht is georganiseerd noemen we de rechtsorde.



De rechtsorde is het geheel van recht in een land, terwijl de rechsstaat een specifieke soort staatsvorm is die aan bepaalde eisen voldoet.



Hoe zit de rechtsorde van ons land in elkaar?




soorten regels





rechtsregels




Rechtsregels zijn gedragsregels die wettelijk door de overhied zijn vastgelegd. 2 redenen voor het opstellen van rechtsregels zijn:



1.           doelmatigheid, zodat er duidelijke afspraken zijn.



2.           zedelijk bewustzijn, zodat er regels zijn die de waarden weerspiegelen die we met elkaar delen.



Rechtsregels beoordelen gedrag in termen van legaal of illegaal, van juridisch geoorloofd of



niet- geoorloofd.




sociale en morele regels




In tegenstelling tot rechtsregels zijn sociale regels meestal niet opgeschreven en geven ze een beoordeling van gedrag in termen van wel of geen rekening houden met anderen. Morele regels hebben meestal een zwaardere lading en geven een beoordeling van gedrag in termen van goed en kwaad.



De drie soorten regels kunnen ook met elkaar botsen. Niet alle rechtsregels zijn dus moreel de juiste regels en omgekeerd zijn sommige morele regels juridisch weer niet afdwingbaar. De drie soorten regels veranderen ook steeds i.v.m. de dynamische normen en waarden.




rechtsgebieden




Het systeem van rechtsregels kent een indeling in rechtsgebieden. De belangrijkste is die in privaatrecht en publiekrecht. Het privaatrecht regelt alle relaties tussen burgers onderling, het publiekrecht alle relaties tussen burgers en overheid.






privaatrecht




In het privaatrecht gaat het om horizontale relaties, dus burgers onderling. De regels hiervan (burgerlijk recht of civiel recht) zijn neergelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW)



Bij privaatrecht gaat het steed om wederzijdse rechten en plichten. De gebieden die bij privaatrecht horen:



1.          het personen- en familierecht, dat zaken regelt als het sluiten van een huwelijk, echtscheiding, geboorte, overlijden en het adopteren van kinderen.



2.          het ondernemingsrecht, dat bijv. de voorwaarden regelt waaronder je een stichting, vereniging of een bv kunt oprichten.



3.           het vermogensrecht, dat alle zaken regelt die te maken hebben met iemands vermogen.




publiekrecht




Het publiekrecht regelt de verticale relaties, dus tussen burges en de overheid.



De gebieden die bij publiekrecht horen:



1.           het staatsrecht, dat de inrichting van de Nederlandse staat regelt.



2.           het bestuursrecht, dat de bestuursactiviteiten van de overheid regelt. (bijv. vergunningen, belastingrecht, bescherming, bezwaar)



3.           het strafrecht. Waarin alle wettelijke strafbepalingen staan.




de organisatie van het recht




Met rechterlijke macht duiden we de derde macht in de trias politica aan en tegelijkertijd de gehele juridische organisatie van de rechtspraak. Deze is als een piramide opgebouwd: er zijn in Nederland 19 rechtbanken, 5 gerechtshoven en 1 Hoge Raad. Een zaak begint onderaan bij de laagste rechter, waarna je in hoger beroep kunt gaan bij het gerechtshof en ten slotte in cassatie bij de Hoge Raad, die in Den Haag is.




§5 het strafproces




Op welke manier vindt het strafproces in een rechtsstaat plaats?




rechtsbescherming en procesregels





rechten van verdachten




Een verdachte is onschuldig tot het tegendeel is bewezen (onschuldvermoeden). Ook heeft een verdachte recht op een advocaat. Als hij daar geen geld voor heeft subsidieert de overheid een (pro-Deo)advocaat.








procesregels




Het legaliteitsbeginsel staat er garant voor dat niemand zonder vorm van proces in de gevangenis mag worden gestopt. De procesregels voor alle fasen van de opsporing en berechting van strafbare feiten staan beschreven in het Wetboek van Strafvordering. Deze regels samen noemen we het strafprocesrecht.




het strafproces




1.           aanhouding



2.           opsporing (het onderzoek van het misdrijf) onder leiding van een officier van justitie



3.           de vervolging door het Openbaar Ministerie



4.           de berechting door een of meer rechters tijdens een openbare terechtzitting



5.           eventueel hoger beroep en cassatie



6.           de uitvoering van de opgelefde straf




aanhouding




Als je verdachte bent, mag de politie je staande houden (laten stilstaan en vragen naar je personalia) en aanhouden (arresteren en meenemen naar het politiebureau voor verhoor). Als iemand op heterdaad wordt betrapt is iedereen bevoegd degene vast te houden tot de politie komt.




opsporing




De politie start de opsporing met het verzamelen van informative, zoals het verhoren van verdachten en getuigen. Het verslag hievan gaat als proces-verbaal naar de officier van justitie die het opsporingsonderzoek verder leidt en beslist of de zaak voor de rechter komt.




opsporingsbevoegdheden




De politie mag staande houden, aanhouden, fouilleren en bewijsmateriaal inbeslagnemen (dwangmiddelen). Voor sommige hebben ze toestemming nodig van de officier van justitie of rechter-commissaris i.v.m. grondrechten.



1.           alleen woning binnengaan met een machtiging tot binnentreden



2.           woning pas grondig doorzoeken met een huiszoekingsbevel



3.           speciale persoongegevens alleen opvragen na toestemming



4.           voor infiltratie in misdaadorganisaties is toestemming nodig




een verdachte langer vasthouden




Je herkent de rechtsstaat aan de eisen dat niet elke verdachte mag worden vastgehouden tot de strafzaak plaatsvindt en het recht te weten waar hij van verdacht wordt. Na de eerste 6 uur op het politiebureau kan een (hulp)officier van justitie twee keer toestemming geven tot 3 dagen vasthouding. Daarna moet een rechter-commissaris toestemming voor verlenging geven.



Als de officier van justitie of de advocaat de voorbereidingen voor de strafzaak na max. 110 dagen voorarrest nog niet heeft afgerond, volgt er een pro-formazitting. De rechter kan dan besluiten de verdachte nog langer in voorarrest te houden en de rechtszaak uit te stellen.




vervolging




De officier van justitie, die het OM vertegenwoordigt, beslist uiteindelijk of een zaak voor de rechter wordt gebracht (vervolgingsmonopolie). De officier kan ook een transactie (schikking) voorstellen, waarbij iemand akkoord gaat met een geldboete of een taakstraf en niet verder vervold wordt. Daarnaast kan de officier seponeren, besluiten om niet verder te vervolgen.




berechting




De verdachte ontvangt een dagvaarding na besluit tot strafvervolg. Hierin staat wanneer hij voor de rechter moet verschijnen en waarvan hij wordt geschudigd (tenlastelegging). Hij is niet verplicht op de zitting van zijn strafzaak te verschijnen. Een strafzaak begint bij de rechtbank en is in principe openbaar.



Op de terechtzitting hoort de rechter de verdachte en getuigen en kijkt hij kritisch naar het bewijs dat tegen de verdachte is aangevoerd. Aan het eind van de zitting houdt de officier van justitie zijn requisitoir en vraagt om een bepaalde straf, waanra de advocaar zijn pleidooi houdt. De verdachte heeft altijd recht op het laatste woord. De rechter doet uiterlijk 14 dagen na de terechtzitting uitspraak.




hoger beroep




Na het vonnis van de rechtbank is er hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof, waar de strafzaak helemaal wordt overgedaan. Als laatste kan iemand in cassatie gaan bij de Hoge Raad. Die kijkt uitsluitend of het recht juist is toegepast. De uitspraak van de Hoge Raad is bindend.




uitvoering van de opgelegde straf




Een opgelegde gevangenisstraf wordt uitgevoerd door de uitvoerende macht. Tijdens de straf blijft de officier van justitie verantwoordleijk voor de gang van zaken. De zorg voor gevangenen, vooral voor gestraften die meer dan 15 jaar moeten zitten, is geregeld in het recht voor gedetineerden. Ook als iemand veroordeeld is en een straf uitzit houdt hij rechten.



Gedetineerden hebben in principe recht op voorwaardelijke invrijheidstelling na het uitzitten van 2/3 van hun straf. Iemand komt dan op bepaalde voorwaarden vrij.



Ex-gedetineerden hebben recht op ondersteuning van de reclassering bij terugkeer naar de maatschappij.






§6 het strafrecht




Hoe zit het strafrecht in elkaar en op welke manier kan de rechter dit strafrecht gebruiken om verdachten rechtvaardig te straffen?




de strafbepaling




Het strafrecht ondersteunt de rechtsstaat met drie belangrijke uitgangspunten:



1.           art. 1 van het Wetboek van Strafrecht (WvS): geen feit is strafbaar dan op grond van een daaraan voorafgegane strafbepaling.



2.           art. 1 WvS: strafbepalingen (de omschrijving in de wet van srafbare handelingen) moeten duidelijk zijn omschreven zodat iedereen weet wat wel en niet mag.



3.           ne bis in idem-regel: je mag nooit twee keer vervolgd worden voor hetzelfde vergijp, ook al komen er nieuwe feiten naar boven.




wetboek van strafrecht




De meeste strafbepalingen zijn opgenomen in het WvS, dat is opgebouwd uit drie delen:



1.           bevat algemene bepalingen die antwoord geven op vragen als:



* Wanneer is sprake van een poging tot het plegen van een misdrijf?



* Waneer is iemand medeplichtig?



* Wanneer heeft iemand weliswaar een strafbaar feit begaan, maar treft hem geen schuld of is hij ontoerekeningsvatbaar?



* Welke soorten straffen zijn er?



2.           geeft een opsomming van alle misdrijven (de meer ernstige strafbare feiten).



3.           geeft een opsomming van alle overtredingen (de minder ernstige strafbare feiten).



Het verschil tussen overtredingen en misdrijven is belangrijk, omdat bij misdrijven de straffen gemiddeld hoger zijn. Bovendien blijven misdrijven in je justitiële documentatie (strafblad) veel langer geregistreerd staan.




het materiële strafrecht




De inhoud van alle strafbepalingen heet het materiële strafrecht.



Naast het WvS staan er ook strafbepalingen in aparte wetten zoals fraude, de Wegenverkeerswet en de Opiumwet (verbiedt het gebruik, invoeren en verhandelen van drugs).




geen straf: strafuitsluitingsgronden




Bij een strafbaar feit was de dader bij zijn volle verstand en uit eigen wil. Soms heeft iemand het feit wel gepleegd, maar krijgt hij door omstandigheden otch geen straf opgelegd (strafuitsluitingsgronden).






rechtvaardiging




Hier is het gepleegde feit in het licht van bijzondere omstandigheden niet meer strafbaar.



1.           noodweer: je verdedigt jezelf of een ander tegen geweld. Wel in verhouding tot het gevaar of de dreiging.



2.           overmacht-noodtoestand: je negeert een wet om jezelf of iemand te redden.



3.           ambtelijk bevel: het opvolgen van een bevel van een beambte, terwijl dit bevel tegen de wet in gaat.




niet schuldig




Hier is het feit wel strafbaar, maar heeft de dader geen schuld.



1.           psychische overmacht.



2.           noodweerexces: als je in een hevige gemoedstoestand, die direct een gevolg is van de aanval, de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschrijdt.



3.           ontoerekeningsvatbaar: als iemand echt niet verantwoordelijk gesteld kan worden bijv. bij een geestelijke stoornis of tijdleijke psychische buiten zinnen. Hij krijgt dan geen straf maar in een tbs-kliniek geplaatst.



4.           afwezigheid van schuld: als je iets bijdraagt aan het misdrijf/ de overtreding maar hier niets van af weet.




soorten straffen




In het WvS staan de verschillende soorten hoofdstraffen omschreven.



1.           geldboete: als iemand deze niet betaalt, moet hij in plaats daarvan naar de gevangenis. Dit geldt niet bij bekeuringen.



2.           taakstraf: ook wel alternatieve straf, omdat deze kan worden opgelegd i.p.v. een vrijheidsstraf of een geldboete. Het kan een werkstraf of een leerstraf zijn.



3.           vrijheidsstraf: bij overtredingen spreken we over een hechtenis (kan max. 1 jaar duren). Bij misdrijven spreken we van gevangenisstraf. Zwaarste straf in NL is levenslang. De zwaarste tijdelijke gevangenisstraf is 30 jaar.





Naast deze hoofdstraffen kan de rechter bijkomende straffen opleggen. Ten slotte kunnen zogenaamde strafrechtelijke maatregelen worden opgelegd, zoals schadevergoeding, verplichte behandeling, tbs of het ontnemen van door misdaad verkregen geld.




functies van straffen




We maken onderschied tussen 5 functies van straf.



1.           wraak en vergelding: misdaad mag niet lonen.



2.           afschrikking: burgers moeten ervan weerhouden worden misdaden te plegen.



3.           voorkomen van eigenrichting: als de overheid niet straft gaan mensen het zelf doen.



4.           resocialisatie: straf moet ervoor zorgen dat iemand zijn leven betert.



5.           beveiliging van de samenlevng: vooral bij ernstige geweld- en zedendelicten dienen lange celstraffen tevens om de maatschappij te beschermen tegen herhaling.




strafrecht voor minderjarigen




Kinderen onder de 12 kunnen niet vervolgd, maar krijgen met de Raad voor de Kinderbescherming te maken.



Voor jongeren tussen de 12-18 is er het jeugdstrafrecht. Kleine misdrijven worden afgedaan via een Haltbureau. Je krijgt dan een taakstraf en hoeft niet voor de rechter te verschijnen.



Bij zwaardere komen ze voor de kinderrechter. Deze kan jeugddetentie opggeven. Bij ernstige persoonlijke stoornissen kan de rechter ook een verblijf in een behandelcentrum opleggen. Het is sterk gericht op resocialisatie.



Anders dan in het volwassenenstrafrecht is de verdachte binnen het jeugdstrafrecht verplicht ter zitting te verschijnen.




het strafrecht in discussie




Binnen het rechtssysteem staat met name het strafrecht voortdurend ter discussie. Dit heeft ertoe geleid dat rechters hogere celstraffen zijn gaan opleggen. Het aantal tot levenslang veroordeelden steeg flink.



Daarnaast is de maximale tijdelijke straf wettelijk verhoogd van 20 naar 30 jaar. Verder wordt er gediscussieerd over de invoering van minimumstraffen voor recidive bij zware misdrijvne en over de invoering van een apart adolescentenstrafrecht, zodat jongeren tussen 15 en 18 zwaarder kunnen worden gestraft.



Verder staan de taakstraffen ter discussie. Veroordelen zouden er te makkelijk mee wegkomen. Een vergelijkbare discussie is over tbs.




§7 burgerlijk recht en bestuursrecht




Het grootste deel van de rechtszaken gaat over burgerlijk recht (burger – burger) of bestuursrecht (burger – overheid).



Hoe verloopt een zaak in het burgerlijk recht en hoe kun je als burger je recht halen als je tegenover de overheid staat?




burgerlijk recht




Iedereen vanaf 18 jaar kan een conflict met een andere partij voorleggen aan ene onafhankelijke rechter. In het burgerlijk recht staat altijd een eiser tegenover een gedaagde. De eiser is degene die de zaak aan de rechter voorlegt. De gedaagde is de persoon van wie iets wordt geëist en die daarom voor de rechter wordt gedaagd.



Binnen het burgerlijk recht verstaan we onder burgers niet alleen mensen maar ook rechtspersonen (stichtingen en bv’s). Zelfs de overheid treedt regelmatig ‘als burger’ op.




verschil tussen publiekrecht en burgerlijk recht




In het strafrecht is de verticale verhouding tussen burger en overheid aan de orde. Het initiafief ligt bij de voerheid als openbare aanklager. De rechter heeft een actieve rol en bewaakt daarmee de positie van de verdachte, die veel minder machtig is dan de overheid.



In het burgerlijk recht gaat het om de horizontale verhouding tussen burgers onderling. De burgers beginnen een rechtszaak. De rechter heeft daarbij een meer passieve rol. Hij weegt de aangedragen argumenten en bewijzen tegen elkaar af en zoekt niet zelf naar bewijzen.




verloop burgerlijke rechtszaak




De zaak begint wanneer de eiser door een deurwaarder aan de gedaagde een dagvaarding laat sturen. Een dagvaarding bevat altijd:



1.           de naam van de eiser



2.           de eis



3.           de motivatie van de eis



4.           tijdstip en plaats van de rechtszaak



In zaken bij de kantonrechter hoeven jij en de tegenpartij geen advocaat als vertegenwoordiger te hebben. Bij grote of ingewikkelde zaken ben je verplicht je te laten vertegenwoordigen door een procureur. Vaak treden advocaten op als procureur.



Bij de burgerlijke rechtszaak hoeft de gedaagde niet bij de rechtszaak aanwezig te zijn en mag zijn reactie ook opsturen.




uitspraak




De rechter heeft verschillene megelijkheden om de verliezende partij te veroordelen. Zo kan hij beslissen dat de verliezer bepaalde afspraken moet nakomen en elke keer dat dat niet wordt gedaan moet de verliezer betalen. Betaal je de dwangsom niet, dan zal in het uiterste geval de deurwaarder beslag leggen op zijn goederen en dezen verkopen om zo aan het geld te komen.



De rechter kan ook beslissen dat de verliezende partij een schadevergoeding moet betalen. Als deze die niet kan of wil betalen, zal hij de deurwaarder in actie laten komen. Die kan beslag leggen op goederen of regelen dat iedere maand automatisch een deel van het inkomen wordt betaald aan de winnaar, tot deze schadeloos is gesteld. Dit heet loonbeslag.




kort geding




In sommige zaken is het belangrijk dat er snel uitspraak wordt gedaan. Iemand kan dan een kort geding aanspannen. Dit is een versnelde en vereenvoudigde procedure die wordt behandeld door een zogneaamde voorzieningenrechter. Deze rechter doet in zijn eentje uitspraak en geeft altijd een voorlopig oordeel in afwachting van een difinitieve uitspraak in het normale burgerlijke proces, de zogenaamde bodemprocedure.




bestuursrecht: bezwaar en beroep




Rechtsbescherming tegen de overheid betekend dat de overheid niet zomaar allerlei lasten kan opleggen aan burgers: zij moeten daar bezwaar tegen kunnen maken. Blijft het besluit gehandhaafd, dan kun je in beroep gaan bij de rechter en eventueel nog in hoger beroep.




de praktijk




Hieronder de 4 terreinen waarop het bestuurlijk recht een grote rol speelt:



1.           het geven van vergunningen



2.           het verstrekken van uitkeringen en subsidies maar ook het toekennen en beëindigen van subsidies en toeslagen is aan strenge regels gebonden.



3.           de behandeling van asielaanvragen en verblijfsvergunningen. Vluchtelingen die in ons land een verblijfsvergunning aanvragen, hebben recht op een gratis advocaat en een tolk. Bij afwijzing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kunnen zij naar de rechter stappen en daarna in beroep gaan bij de Raad van State.




4.           het opleggen en innen van belastingen waarbij elke soort belasting wordt geregeld in een aparte wet.





trias politica


















Rechtspraak



Hoge Raad



Openbaar Ministerie





















Lokaal bestuur



Politie



Regering



Openbaar Ministerie























Gemeenteraad



Provinciale Staten



Regering






















rechtbank en rechters





























       
   
 
 






















begrippenlijst



--- 1:



democratische rechtstaat = een staat met vrije en geheime verkiezingen en waar burgers worden beschermd tegen macht en willekeur van de overheid



sociaal contract = afspraak tussen overheid en burger om zich allebij aan de regels en wetten te houden.



absolute macht = alleenheerschappij door een leider



montesquieu = frans filosoof, grondlegger van de Trias Politica.



constitutionele monarchie = wanneer de koning(in) aan de grondwet gebonden is



grondrechten = rechten die zo fundamenteel zijn voor de vrijheid, ontplooiing, het welzijn en de bescherming van het individu en groepen dat ze in de grondwet zijn vastgelegd.



legaliteitsbeginsel = de overheid mag alleen beperkingen opleggen aan de vrijheid van burgers als die beperkingen in wetten zijn vastgelegd en voor iedereen gelden.



maat en regel= bestuurders zijn gebonden aan wetten (regel) en kunnen niet zomaar buitensporige straffen opleggen zonder tussenkomst van een onafhankelijke rechter (maat)



dictatuur = staat met één persoon of partij als alleenheerser



UVRM = Universele Verklaring van de Rechten van de Mens



EVRM = Europees Verdrag van de Rechten van de Mens



mensenrechten = de fundamentele rechten en vrijheden die alle mensen zouden moeten hebben.



--- 2:



grondwet= de belangrijkste wet



constitutie = grondwet



gelijkheid = gelijke gevallen worden gelijk behandeld en ongelijke gevallen worden ongelijk behandeld



constitutionele monarchie= monarchie waarbij de macht van de vorst in de grondwet staat



ministriele verantwoordelijkheid = ministers waren verantwoordelijk voor beleid en niet meer de koning



censuskiesrecht = stemrecht dat is bepaald op het wel of niet en in bepaalde hoeveelheid betalen van belasting



klassieke grondrechten = grondrechten die een beperking inhouden van overheidsbevoegdheden tegenover hun burgers



sociale grondrechten = grondrechten die een actief optreden van de overheid vereisen.



horizontale werking = grondrechten die betrekking hebben op de relatie tussen burgers onderling



verticale werking = grondrechten die betrekking hebben op de relatie tussen burger en overheid



botsing grondrechten = wanneer de grondrechterlijke belangen van burgers met elkaar in conflict komen



grondrechterlijke belangen van burgers= welke voor of nadelen burgers hebben bij de handhaving van bepaalde grondrechten



--- 3:



trias politica = scheiding der machten in een wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht



wetgevende macht = macht die de taak heeft wetten te maken, te wijzigen of in te trekken



uitvoerende macht = macht die de taak heeft wetten toe te passen



rechterlijke macht = macht die in geval van ongenigheden moet oordelen over wetten en rechtspreken



checks and balances = wanneer de drie machten elkaar weerhouden te veel macht te veroveren, en door controle elkaar wel in balans houden.



staatsorgaan = andere term voor de drie machten van de trias politica.



tweede en eerste kamer = de volksvertegenwoordiging of het parlement



minister = hoofd van een ministerie, verantwoordelijk voor de vormgeving en uitvoering van wetsvoorstellen



vierde macht = het ambtenarenapparaat waar de ministers de verantwoordelijkheid over dragen



jurisprudentie = het geheel van uitspraken door rechters



dualistisch stelsel = stelsel waarin het parlement de regering controleert



--- 4:



legaliteitsbeginsel = de overheid mag alleen beperkingen opleggen aan de vrijheid van burgers als deze is vastgelegd in wetten en voor iedereen gelden



rechtsorde = het geheel rechtsregels, rechtsbeginselen en de manier waarop het recht is ingericht



rechtsregels= gedragsregels die wettelijk door de overheid zijn vastgelegd



sociale regels = regels die een beoordeling geven van gedrag in termen van wel of niet rekening met elkaar houden



morele regels = regels die een beoordeling geven van gedrag in termen van goed en kwaad



privaatrecht= regelt de horizontale relaties



publiekrecht= regelt de de verticale relaties



horizontale relatie= relatie tussen burgers onderling



verticale relatie= relatie tussen burgers en overheid



staatsrecht= regelt de inrichting van de Nederlandse staat



bestuursrecht= regelt de bestuursactiviteiten (vergunningen, belastingrecht)



strafrecht= waarin alle wettelijke strafbepalingen staan



--- 5:



onschuldvermoeden = een verdachte is onschuldig tot het tegendeel is bewezen



advocaat = iemand die de verdachte bijstaat ter verdediging



legaliteitsbeginsel= niemand mag zonder vorm van proces de gevangenis in



wetboek van strafvordering = wetboek waarin de procesregels voor alle fasen van de opsporing en berechting van strafbare feiten staan beschreven.



strafprocesrecht = alle regels waaraan de handelingen van politie, rechercheurs, officieren van justitie en rechters zijn gebonden.



staande houden = een verdachte laten stilstaan en vragen naar personalia



aanhouden = een verdachte arresteren en meenemen naar het politiebureau



verhoor = het ondervragen van een gedachte



dwangmiddelen = middelen die de politie mag inzetten tijdens het opsporingsonderzoek



machtiging tot binnentreding = toestemming voor de politie om een woning binnen te gaan



huiszoekingsbevel = toestemming een woning niet enkel binnen te gaan, maar ook grondig te doorzoeken



speciale persoonsgegevens = bankrekeningnummers, telefoonverkeer en internetgedrag



infiltratie = wanneer de politie probeert om bijvoorbeeld bij een crimineel netwerk binnen te dringen door zich voor te doen als crimineel



voorarrest = de periode dat een verdachte zijn vrijheid wordt ontnomen voordat de berechting plaatsvindt.



officier van justitie = persoon die namens de samenleving bewijzen zoekt tegen een verdachte en een straf tegen hem kan eisen



openbaar ministerie = alle openbare aanklagers/officieren van justitie bij elkaar



vervolgingsmonopolie = het alleenrecht van de officier van justitie of een zaak uiteindelijk voor de rechter wordt gebracht



seponeren = besluiten om een verdachte niet te vervolgen



dagvaarding = een brief waarin staat wanneer een verdachte voor de rechter moet verschijnen en waarvan hij/zij beschuldigd wordt



tenlastelegging = het gene waarvan ieand beschuldigd wordt



pleidooi = verhaal van de advocaat waarin deze de verdachte verdedigd in hoop op strafvermindering of vrijspraak



hoger beroep= als je het niet eens bent na het vonnis van de rechtbank



Hoge Raad= als je het niet eens bent na het vonnis van het gerechtshof



requistitoir = verhaal van de officier van justitie waarin deze probeert aan te tonen waarom de verdachte schuldig is en wat de straf zou moeten zijn



gerechtshof = hof waarin hoger beroep gegaan kan worden wanneer één van beide partijen het niet eens is met het vonnis van de rechtbank



cassatie = een zaak bij de hoge raad laten voorkomen



gedetineerdenrecht = regels rond de behandeling van gevangenen



voorwaardelijke invrijheidstelling = het recht van gedetineerden om na het uitzitten van 2/3 van hun straf onder bepaalde voorwaarden vrij te komen



reclassering = de ondersteuning waar gedetineerden recht op hebben bij terugkeer in de maatschappij



--- 6:



strafrecht = hierin staan alle wettelijke strafbepalingen opgenomen



ne bis in idem-regel = regel die verklaart dat je nooit twee keer voor hetzelfde vergrijp vervolgd kan worden, ook al komen er nieuwe feiten naar boven.



wetboek van strafrecht = wetboek waarin bijna alle wettelijke strafbepalingen zijn opgenomen



misdrijven = de meer ernstige strafbare feiten



overtredingen = de minder ernstige strafbare feiten



justitiele documentatie = nieuwe term voor het strafblad dat een persoon krijgt na het plegen van een strafbaar feit



strafuitsluitingsgronden = redenen/omstandigheden waardoor het plegen van een strafbaar feit niet tot vervolging zal leiden



rechtvaardigingsgronden = wanneer een gepleegd strafbaar feit in het licht van bijzondere omstandigheden niet meer strafbaar is



noodweer = zelfverdediging bij ernstige bedreiging



overmacht-noodtoestand = wanneer het plegen van een strafbaar feit noodzakelijk was of niet te vermijden



ambtelijk bevel = wanneer je door iemand van de overheid gedwongen wordt om regels te overtreden



schulduitsluitingsgronden = wanneer een feit wel strafbaar is, maar de dader toch geen schuld heeft



psychische overmacht = wanneer van een gedachte simpelweg niet mocht worden gevraagd anders te handelen vanwege grote psychische druk



noodweerexces = wanneer iemand in een noodsituatie meer geweld gebruikt dan strikt noodzakelijk om zich te verdedigen



ontoerekeningsvatbaarheid = wanner iemand vanwege geestelijke omstandighede niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn of haar daden



afwezigheid van schuld= de mensen die de verdachte hielpen maar daar niks vanaf wisten.



hoofdstraffen = de drie vormen van straffen die een rechter voor een strafbaar feit kan opleggen



geldboete = een te betalen geldbedrag vanwege een gepleegd strafbaar feit



taakstraf = werk of cursussen die de veroordeelde moet volgen vanwege een gepleegd strafbaar feit



vrijheidsstraf = hechtenis of gevangenisstraf



hechtenis = vrijheidsstraf naar aanleiding van een overtreding (max. 1 jaar)



bijkomende straffen = extra straf die kan worden opgelegd naast de hoofdstraf die meestal een relatie hebben met het gepleegde delict



tbs = een strafrechterlijke bepaling waarbij iemand verplicht onder behandeling wordt geplaatst



strafrechterlijke maatregelen = strafrechterlijke bepalingen die kunnen worden opgelegd en die als doel hebben om de samenleving te beschermen of te herstellen.



wraak en vergelding = functie van straf met als uitgangspunt 'oog om oog, tand om tand'



afschrikking = als de functie van een straf het doel heeft om burgers te weerhouden om strafbaar gedrag te vertonen



eigenrichting = wanneer slachtoffers of getuigen het recht in eigen handen nemen



resocialisatie = heropvoeding



haltbureau = instelling die zich bezichhoudt met 12 tot 18 jarigen en die jongeren op die manier uit de rechtbank houden



--- 7:



burgerlijk recht= het gaat om de horizonale verhouding (Eiser - gedaagde). Burgers zelf beginnen de rechtszaak waarbij de rechter een meer passieve rol heeft



bestuursrecht= het gaat om de verticale verhouding. Overheid begint de rechtszaak meestal waarbij de rechter een meer actieve rol heeft



eiser= degene die de zaak aan de rechter voorlegt



gedaagde= de persoon van wie iets wordt geëist en die daaom voor de rechter wordt gedaag



rechtspersoon= bijv. stichtingen en bv's



dagvaarding= hierin staat de naam van de eiser; de eis; de motivatie van de eis; tijdstip en plaats rechtszaak.



procureur= vertegenwoordiger, vaak een advocaat



dwangsom= geldboete voor iedere keer dat je je niet aan de beslissing van de rechter



loonbeslag= maandelijkse afbetaling van de schadevergoeding



kort geding= kortere rechtszaak voor zaken die snel moeten



bodemprocedure= De normale civielrechtelijke procedure, in tegenstelling tot het kort geding



beroep= als je bezwaar maakt maar geen gelijk krijgt in de rechtszaak kun je in beroep gaan.



hoger beroep= als je bezwaar maakt maar je geen gelijk kreeg bij de rechter kun je in hoger beroep gaan



maatschappijleer h.2




§1 idee en oorsprong van de rechtsstaat




Hoe is de rechtsstaat ontstaan en wat is kenmerkend voor een rechtsstaat?




wat is een rechtsstaat?




De overheid moet optreden als burgers geweld tegen elkaar gebruiken maar de overheid mag niet alles: Nederland is een democratische rechtsstaat. Iedereen mag meedoen aan vrije verkiezingen en daardoor indirect meebeslissen over politieke kwesties. Daarnaast garandeert de rechtsstaat bescherming tegen de machthebbers. Een rechtsstaat is dus een staat waarin burgers met grondrechten worden beschermd tegen macht en willekeur door de overheid.



Verwacht wordt dus dat de democratisch vastgestelde regels worden opgevolgt en nagekomen. De rechtsstaat is dus een soort sociaal contract tussen burgers en (gekozen) bestuurders die beiden plichten hebben.




beginselen van de rechtsstaat




De trias politica, de grondrechten en het legaliteitsbeginsel vormen samen de beginselen van de rechtsstaat waarbij de basisgedachte is ontstaan in de loop van de 17e en 18e eeuw, toen koningen absolute macht bezaten.



Door Franse filosoof Montesquieu ontstond het uitgangspunt van drie staatsmachten die elkaar in evenwicht zouden houden: de triaspolitica, de ‘scheiding der machten’.



John Locke ging ervan uit dat mensenrechten er in oorsprong altijd al geweest waren en dat mensen conflicten zelf oplosten. Pas toen samenlevingen complexer werden, is volgens hem de overheid ontstaan. Volgens Thomas Hobbes gold dat elk mens kans liep om slachtoffer te worden van dodelijk geweld en er dreigde voortdurend gevaar. Om de samenleving in goede banen te leiden, moest er wel een overheid komen.



Al deze ideeën leidden tot de Amerikaanse Revolutie met de leus: ‘no taxation without representation’ (wie belasting betaalt, heeft ook recht zijn vertegenwoordigers te kiezen).



Vlak daarna brak de Franse Revolutie uit met de leus: ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Sindsdien maakte de rechtsstaat in West-Europa een einde aan de absolute macht.



Koningen zijn tegenwoordig in een constitutionele monarchie gebonden aaan de grondwet. De rechtsstaat heeft daarnaast gezorgd voor de grondwettelijke bescherming van grondrechten. Grondrechten zijn rechten die zo fundamenteel zijn voor de vrijheid, de ontplooiing, het welzijn en de bescherming van het individu en van groepen, dat ze in de grondwet zijn vastgelegd.



Volgens het legaliteitsbeginsel mag de overheid alleen beperkingen opleggen aan de vrijheid van burgers als die beperkingen in wetten zijn vastgelegd en voor iedereen gelden. Zij zijn gebonden aan wetten (regels) en kunnen niet zomaar buitensporige straffen opleggen zonder tussenkomst van een onafhankelijke rechter (maat). Zelfs een gekozen meerderheid mag niet alles doen wat ze wil, want er moet rekening gehouden worden met wettelijk vastgelegde rechten van minderheden.



In een dictatuur bepaalt één machthebber of één partij wat de regels zijn. Er zijn weinig vrijheden, geen persvrijheid en geen vrijheid van meningsuiting. Tegenstanders van het regime worden vaak achtervolgd of zonder vorm van proces gevangengezet.




na de tweede wereldoorlog




In 1948 formuleerde de VN de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en in 1950 sloten Europese landen in Rome het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Zonder mensenrechten is er geen rechtsstaat en waar mensenrechten worden geschonden is de rechtsstaat in gevaar.



Wanneer er vragen of klachten zijn en in dit soort situaties onrechtvaardigheid wordt ervaren, komt de rechsstaatgedachte weer scherp naar boven en blijken de uitgangspunten ervan nog springlevend.



De rechtsstaat geeft een uiterste limiet of ondergrens aan waaraan je situaties, gebeurtenissen, beslissingen en handelingen kunt afmeten. Het belang van de rechtsstaat neemt zelfs toe naarmate levensovertuigingen en leefstijlen verder uiteenlopen. Daarmee is de rechtsstaat niet alleen de grondslag voor de parlementaire democratie, maar ook voor de verzorgingsstaat en de pluriforme samenleving.




§2 grondwet en grondrechten




Gelijkheid is een belangrijke waarde die in onze grondwet is vastgelegd. In de rechtsstaat staat naast gelijkheid het begrip vrijheid centraal.



Welk doel dient de grondwet en op welke manier staan onderdelen van de grondwet (constitutie) ter discussie?




ontstaan en doel van de grondwet




Onder invloed van de Franse Revolutie en later van de Franse bezetting kreeg Nederland in 1798 de Staatsregeling van de Bataafse Republiek, die je kunt zien als voorloper vna de grondwet. Daarmee werd Nederland een gecentraliseerde eenheidsstaat, nadat het eeuwenlang een statenbond van onafhankelijke staten was geweest.



De eerst rondewet kwam tot stand nadat Nederland in 1806 een constitutionele monarchie was geworden.



In 1948 wist Thorbecke een belangrijke grondwetswijziging af te dwingen bij koning Willem II. Dit was artikel 42: de konin gis onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk. Hierdoor gaf de koning politieke macht uit handen en werd er geregeerd met een ministeriële verantwoordelijkheid.



Ook kwam in de grondwet te staan dat er rechtstreekse verkiezingen zouden komen voor de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en de gemeenteraad. Aanvankelijk mochten alleen mannen stemmen die directe belastingen betaalde (censuskiesrecht).



Elkele andere belangrijke grondwetswijzigingen sinds 1848 zijn:



1.           in 1917 kwam er algemeen mannenkiesrecht. Verder ging de staat behalve openbare scholen ook scholen op godsdienstige en levensbeschouwelijke grondslag bekostigen.



2.           in 1922 kregen ook vrouwen kiesrecht.



3.           in 1983 vond er een algehele herziening van de grondwet plaats. Onder meer de bescherming van burgers tegen discriminatie werd toegevoegd en er werden voor het eerst sociale grondrechten opgenomen.



De grondwet heeft als doel om:



1.          de begrenzing van de macht van de staat aan te geven en daarmee de vrijheden van burgers te garanderen.



2.          fundamentele rechten van burgers vast te leggen.



3.          aan te geven hoe de belangrijkste organen van de staat (koning, ministers, parlement, rechterlijke macht etc.) in grote lijnen zijn georganiseerd.



4.           de eenheid vna de staat uit te drukken en te zeggen dat de burgers één willen zijn en één willen blijven.




inhoud van de grondwet





Hoofdstuk 1:





  • Allerbelangrijkste deel van de grondwet.

  • Grondrechten en burgerlijke vrijheden

  • Klassieke grondrechten

    • Art. 1: gelijkheidsbeginsel

    • Art. 2 t/m 5: de politieke rechten

    • Art. 6 t/m 9: vrijheidsrechten

    • Art. 10 t/m 18: persoonlijke en juridische bescherming






  • Sociale grondrechten

    • Art. 19 t/m 23: overheid heeft zorgplicht tegenover burgers op gebied van:


      • Werkgelegenheid en vrije keuze van arbeid

      • Bestaanszekerheid en welvaart

      • Leefbaarheid en milieu

      • Volksgezondheid en woongelegenheid

      • onderwijs







De grondrechten staan in willekeurige volgorde. Basiskenmerk is dat deze grondrechten een beperking inhouden vna de overhiedsbevoegdheden tegenover de burgers.



Wanneer een burger vindt dat een van zijn grondrechten geschonden is, kan hij naar de rechter stappen.



Verschil tussen klassieke en sociale grondrechten is dat met de sociale grondrechten de overheid actief moet optreden en dat burgers ze niet bij de rechter kunnen afdwingen. Vind je dat de overheid niet genoeg haar best doet, dan kun je dat laten merken door je stemgedrag tijdens de volgende verkiezingen.




Hoofdstukken 2 t/m 7:





  • per hoofdstuk alle belangrijke organen en bestuurlijke functies:

    • Koning

    • Regering

    • Staten-Generaal

    • Wetgeving en bestuur

    • Rechtspraak

    • Provincies

    • Gemeenten

    • Waterschappen

    • Trias politica






Hoofdstuk 8:





  • Wijziging van de grondwet



Wijzingingen van de grondwet moeten twee keer het parlement (eerste en tweede kamer) passeren en ze moeten met een tweederdemeerderheid worden aangenomen. Tussen de twee behandelingen in moeten er verkiezingen plaatsvinden. Aan deze eisen voor wijziging zie je het verschil tussen de grondwet en de ‘gewone’ wetten.



Grondrechten hebben een horizontale werking als het gaat om de verhoudingen tussen burgers onderling. Bij de verticale werking draait het om de verhouding tussen burgers en overheid.




de grondwet in discussie




Vooral binnen de horizontale werking kan er sprake zijn van botsende grondrechten. Dit is het geval wanneer de grondrechtelijke belangen van burgers met elkaar in conflict komen.



Een botsing van grondrechten zou te voorkomen zijn als er een rangorde of hiërarchie wordt aangebracht tussen grondrechten, waarbij het ene recht boven het andere komt te staan. in de huidige grondwet bestaat geen rangorde. Er bestaat geen objectieve criteria voor een rangorde.



Om beide reden laat men de toetsing van de grondrechten onderling over aan de rechter.



Een ander voorstel is om sommige botsingen van grondrechten zoals de vrijheid van godsdienst en meningsuiting in Europees verband te laten beoordelen. Nu laat het Europees Hof de beoordeling over aan de nationale rechter.



1798:                  Nederland wordt een gecentraliseerde eenheidsstaat



                            Invoering gelijkheid voor de wet.



1806:                  Nederland wordt een constitutionele monarchie.



1814:                  Eerste echte grondwert.



                            Willem Frederik wordt soeverein vorst.



                            Oprichting van de Staten-Generaal (één kamer).



1815:                  Nederland en België vormen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.



                            Staten-Generaal gesplitst in twee kamers.



                            Invoering vrijheid van godsdienst.



1840:                  Nederland en België worden opgesplitst.



1848:                  2e Kamer wordt rechtstreeks gekozen (censuskiesrecht).



                            Invoering ministeriële verantwoordelijkheid.



                            2e Kamer krijgt amendementsrecht, enquêterecht.



Uitbreiding klassieke grondrechten met vrijheid vna meninsuiting/ vereniging/ briefgeheim en onderwijs.



1887:                  Uitbreiding kiesrecht voor mannen met kentekenen van maatschappelijke ‘welstand en geschiktheid’.



1917:                  Invoering algemeen mannenkiesrecht.



                            Invoering kiesstelsel evenredige vertelgenwoordiging i.p.v. districtenstelsel.



                            Gelijke financiering van openbaar en bijzonder onderwijs.



1919/1922:        Invoering van algemeen mannen- en vrouwenkeisrecht.



1948:                  Regeling soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië aan de Republiek Indonesië.



1956:                  Uitbreiding 2e Kamer naar 150 leden.



                            Uitbreiding 1e Kamer naar 75 leden.



1963:                  Soevereiniteitsoverdracht van Nieuw-Guinea aan de VN, en vervolgens van de VN aan Indonesië.



1983:                  Verlaging kiesgerechtigde leeftijd naar 18 jaar.



                            Bescherming tegen discriminatie vastgelegd.



                            Invoering sociale grondrechten, zoals het recht op werk en bestaanszekerheid.




§3 trias politica: scheiding of evenwicht van machten?




Hoe en met welk doel is de trias politica ontstaan en hoe is deze in Nederland uitgewerkt?




ontstaan en doel van trias politica




De Franse filosoof Montesquieu introduceerde het idee van de trias politica in zijn boek waar hij een ideale taakverdeling binnen de samenleving bedacht.



De eerste macht noemde hij de wetgevende macht, die de taak kreeg om algemene wetten te maken, te wijzigen of in te trekken. De tweede macht noemde hij de uitvoerende macht, die de taak kreeg om de wetten in concrete gevallen toe te passen.



De derde macht noemde hij de rechterlijke macht, die in geval van onenigheid moest oordelen over wetten en bij alle conflicten die met rechtsregels konden worden opgelost rechtspreken. Vooral die derde macht moest volgens hem volkomen onafhankelijk recht kunnen spreken.



Tegenwoordig spreken we van ‘checks and balances’. De drie machten weerhouden elkaar van het veroveren van te veel macht en houden elkaar daarmee in balans. Ze controleren en vullen elkaar aan. Staatsmachten worden daarom vaak staatsorganen genoemd.



De wetgevende macht kan de uitvoerende macht controleren en ter verantwoording roepen. De wetgevende macht kan ook de rechterlijke macht corrigeren door een nieuwe, verbeterende wet te maken.



Als rechter kun je opzettelijk de wet ruimer uitleggen dan het parlement op dat moment juist vindt. Zo dwingen ze het parlement tot grotere zorgvuldigheid bij het maken van wetten. Op die manier kan de rechterlijke macht op zijn beurt dus ook de wetgevende macht corrigeren.



Ook controleert de rechterlijke macht in rechtszaken de uitvoerende macht op rechtmatigheid: hebben ministers en ambtenaren de wet juist toegepast?




de drie machten in nederland




Montesquieu wilde de wetgevende macht toevertrouwen aan een vertegenwoordigend orgaan dat door het volk gekozen wordt, zoals het parlement. Daarmee zou het vok dus indirect invloed uitoefenen op het maken van wetten. Dit is in Nederland grotendeels gerealiseerd. Het gekozen parlement stemt over alle wetsvoorstellen en heeft dus het laatste woord. Maar omdat ook de (ongekozen) gegering het recht heeft om wetsvoorstellen in te dienen en alle wetten moet ondertekenen, is er vna een strikte machtenscheiding geen sprake.



Bovendie moest het wetgevende orgaan volgens hem in verschillende kamers verdeel zijn, zodat een wetsvoorstel altijd van alle kanten wordt bekeken en niet zomaar in ene opwelling tot stand komt.



Goede wetten moeten:



1.           algemeen zijn. Ze mogen niet voor één persoon of voor één situatie geschreven zijn.



2.           duidleijk zijn.



3.           haalbaar en uitvoerbaar zijn



De uitvoerende macht ligt bij de ministers. Zij moeten ervoor zorgen dat eenmaal aangenomen wetten goed worden uitgevoerd. Daarnaast hebben zij zoals gezegd het recht om nieuwe wetten te ontwerpen. Ministers worden daarin bijgestaan door honderdduizende ambtenaren, zowel beleidsambtenaren als uitvoerende abtenaren zoals leraren, agenten en inspecteurs.



Ambtenaren vormen zelf ook een machtsblok, omdat zij bij de totstandkoming en de uitvoering van wetten vaak zelfstandig beslissingen nemen. Daarom heten ambtenaren ook wel de vierde macht. Zelf wordt een minister wel gecontroleerd, namelijk door het parlement. Hij moet alle daden van zijn abtenaren voor zijn verantwoordelijkheid nemen.



De rechterlijke macht is in handen van onafhankelijke rechters die voor het leven worden benoemd en zijn niet af te zetten, tenzij ze ene misdrijf plegen. Deze onafhankelijkheid voor rechters zorgt er voor dat ze boven de partijen staan.



Rechters hebben niet dezelfde politieke macht als regering en parlement. Maar ze hebben in de praktijk wel speelruimte om wetten en de begrippen die daarin gebruikt worden te interpreteren. Voor rechters is de wet dan ook niet de enige bron die zij voor hun uispraken gebruiken. Zij kijken ook naar de toelichting bij de wet, de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie, het geheel van uitspraken door rechters.




samenspel en de drie machten




Binnen de trias polictica hebben de drie machten niet dezelfde positie. Parlementsleden worden gekozen door het volk en ministers worden gecontroleerd door het parlement. Rechters worden niet gekozen en controle vindt alleen binnen de rechterlijke macht zelf plaats (via hoger beroep en cassatie). De rechter kijkt achterom naar wat gebeurt is, terwijl de wetgever altijd vooruit kijkt.



Het parlement kan een rechterlijke uitspraak niet ongedaan maken, maar kan wel besluiten de wet te wijzigen of aan te passen.



Rechters geven soms wel advies over nieuwe wetten.



Hoewel parlementsleden volgens het dualistische stelsel een eigen taak en verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van ministers, stemmen de regeringspartijen in het parlement vaak vanzelfsprekend in met het kabinetsbeleid. Hierdoor levert het parlement macht in ten gunste van de uitvoerende macht, de ministers.


















§4 het legaliteitsbeginsel




Het legaliteitsbeginsel houdt in dat iemands vrijheid alleen ingeperkt mag worden als de rechtmatigheid van die beperking is vastgelegd in wetten en regels die door het parlement zijn aangenomen.



Het geheel van rechtsregels, rechtsbeginselen en de manier waarop het recht is georganiseerd noemen we de rechtsorde.



De rechtsorde is het geheel van recht in een land, terwijl de rechsstaat een specifieke soort staatsvorm is die aan bepaalde eisen voldoet.



Hoe zit de rechtsorde van ons land in elkaar?




soorten regels





rechtsregels




Rechtsregels zijn gedragsregels die wettelijk door de overhied zijn vastgelegd. 2 redenen voor het opstellen van rechtsregels zijn:



1.           doelmatigheid, zodat er duidelijke afspraken zijn.



2.           zedelijk bewustzijn, zodat er regels zijn die de waarden weerspiegelen die we met elkaar delen.



Rechtsregels beoordelen gedrag in termen van legaal of illegaal, van juridisch geoorloofd of



niet- geoorloofd.




sociale en morele regels




In tegenstelling tot rechtsregels zijn sociale regels meestal niet opgeschreven en geven ze een beoordeling van gedrag in termen van wel of geen rekening houden met anderen. Morele regels hebben meestal een zwaardere lading en geven een beoordeling van gedrag in termen van goed en kwaad.



De drie soorten regels kunnen ook met elkaar botsen. Niet alle rechtsregels zijn dus moreel de juiste regels en omgekeerd zijn sommige morele regels juridisch weer niet afdwingbaar. De drie soorten regels veranderen ook steeds i.v.m. de dynamische normen en waarden.




rechtsgebieden




Het systeem van rechtsregels kent een indeling in rechtsgebieden. De belangrijkste is die in privaatrecht en publiekrecht. Het privaatrecht regelt alle relaties tussen burgers onderling, het publiekrecht alle relaties tussen burgers en overheid.






privaatrecht




In het privaatrecht gaat het om horizontale relaties, dus burgers onderling. De regels hiervan (burgerlijk recht of civiel recht) zijn neergelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW)



Bij privaatrecht gaat het steed om wederzijdse rechten en plichten. De gebieden die bij privaatrecht horen:



1.          het personen- en familierecht, dat zaken regelt als het sluiten van een huwelijk, echtscheiding, geboorte, overlijden en het adopteren van kinderen.



2.          het ondernemingsrecht, dat bijv. de voorwaarden regelt waaronder je een stichting, vereniging of een bv kunt oprichten.



3.           het vermogensrecht, dat alle zaken regelt die te maken hebben met iemands vermogen.




publiekrecht




Het publiekrecht regelt de verticale relaties, dus tussen burges en de overheid.



De gebieden die bij publiekrecht horen:



1.           het staatsrecht, dat de inrichting van de Nederlandse staat regelt.



2.           het bestuursrecht, dat de bestuursactiviteiten van de overheid regelt. (bijv. vergunningen, belastingrecht, bescherming, bezwaar)



3.           het strafrecht. Waarin alle wettelijke strafbepalingen staan.




de organisatie van het recht




Met rechterlijke macht duiden we de derde macht in de trias politica aan en tegelijkertijd de gehele juridische organisatie van de rechtspraak. Deze is als een piramide opgebouwd: er zijn in Nederland 19 rechtbanken, 5 gerechtshoven en 1 Hoge Raad. Een zaak begint onderaan bij de laagste rechter, waarna je in hoger beroep kunt gaan bij het gerechtshof en ten slotte in cassatie bij de Hoge Raad, die in Den Haag is.




§5 het strafproces




Op welke manier vindt het strafproces in een rechtsstaat plaats?




rechtsbescherming en procesregels





rechten van verdachten




Een verdachte is onschuldig tot het tegendeel is bewezen (onschuldvermoeden). Ook heeft een verdachte recht op een advocaat. Als hij daar geen geld voor heeft subsidieert de overheid een (pro-Deo)advocaat.








procesregels




Het legaliteitsbeginsel staat er garant voor dat niemand zonder vorm van proces in de gevangenis mag worden gestopt. De procesregels voor alle fasen van de opsporing en berechting van strafbare feiten staan beschreven in het Wetboek van Strafvordering. Deze regels samen noemen we het strafprocesrecht.




het strafproces




1.           aanhouding



2.           opsporing (het onderzoek van het misdrijf) onder leiding van een officier van justitie



3.           de vervolging door het Openbaar Ministerie



4.           de berechting door een of meer rechters tijdens een openbare terechtzitting



5.           eventueel hoger beroep en cassatie



6.           de uitvoering van de opgelefde straf




aanhouding




Als je verdachte bent, mag de politie je staande houden (laten stilstaan en vragen naar je personalia) en aanhouden (arresteren en meenemen naar het politiebureau voor verhoor). Als iemand op heterdaad wordt betrapt is iedereen bevoegd degene vast te houden tot de politie komt.




opsporing




De politie start de opsporing met het verzamelen van informative, zoals het verhoren van verdachten en getuigen. Het verslag hievan gaat als proces-verbaal naar de officier van justitie die het opsporingsonderzoek verder leidt en beslist of de zaak voor de rechter komt.




opsporingsbevoegdheden




De politie mag staande houden, aanhouden, fouilleren en bewijsmateriaal inbeslagnemen (dwangmiddelen). Voor sommige hebben ze toestemming nodig van de officier van justitie of rechter-commissaris i.v.m. grondrechten.



1.           alleen woning binnengaan met een machtiging tot binnentreden



2.           woning pas grondig doorzoeken met een huiszoekingsbevel



3.           speciale persoongegevens alleen opvragen na toestemming



4.           voor infiltratie in misdaadorganisaties is toestemming nodig




een verdachte langer vasthouden




Je herkent de rechtsstaat aan de eisen dat niet elke verdachte mag worden vastgehouden tot de strafzaak plaatsvindt en het recht te weten waar hij van verdacht wordt. Na de eerste 6 uur op het politiebureau kan een (hulp)officier van justitie twee keer toestemming geven tot 3 dagen vasthouding. Daarna moet een rechter-commissaris toestemming voor verlenging geven.



Als de officier van justitie of de advocaat de voorbereidingen voor de strafzaak na max. 110 dagen voorarrest nog niet heeft afgerond, volgt er een pro-formazitting. De rechter kan dan besluiten de verdachte nog langer in voorarrest te houden en de rechtszaak uit te stellen.




vervolging




De officier van justitie, die het OM vertegenwoordigt, beslist uiteindelijk of een zaak voor de rechter wordt gebracht (vervolgingsmonopolie). De officier kan ook een transactie (schikking) voorstellen, waarbij iemand akkoord gaat met een geldboete of een taakstraf en niet verder vervold wordt. Daarnaast kan de officier seponeren, besluiten om niet verder te vervolgen.




berechting




De verdachte ontvangt een dagvaarding na besluit tot strafvervolg. Hierin staat wanneer hij voor de rechter moet verschijnen en waarvan hij wordt geschudigd (tenlastelegging). Hij is niet verplicht op de zitting van zijn strafzaak te verschijnen. Een strafzaak begint bij de rechtbank en is in principe openbaar.



Op de terechtzitting hoort de rechter de verdachte en getuigen en kijkt hij kritisch naar het bewijs dat tegen de verdachte is aangevoerd. Aan het eind van de zitting houdt de officier van justitie zijn requisitoir en vraagt om een bepaalde straf, waanra de advocaar zijn pleidooi houdt. De verdachte heeft altijd recht op het laatste woord. De rechter doet uiterlijk 14 dagen na de terechtzitting uitspraak.




hoger beroep




Na het vonnis van de rechtbank is er hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof, waar de strafzaak helemaal wordt overgedaan. Als laatste kan iemand in cassatie gaan bij de Hoge Raad. Die kijkt uitsluitend of het recht juist is toegepast. De uitspraak van de Hoge Raad is bindend.




uitvoering van de opgelegde straf




Een opgelegde gevangenisstraf wordt uitgevoerd door de uitvoerende macht. Tijdens de straf blijft de officier van justitie verantwoordleijk voor de gang van zaken. De zorg voor gevangenen, vooral voor gestraften die meer dan 15 jaar moeten zitten, is geregeld in het recht voor gedetineerden. Ook als iemand veroordeeld is en een straf uitzit houdt hij rechten.



Gedetineerden hebben in principe recht op voorwaardelijke invrijheidstelling na het uitzitten van 2/3 van hun straf. Iemand komt dan op bepaalde voorwaarden vrij.



Ex-gedetineerden hebben recht op ondersteuning van de reclassering bij terugkeer naar de maatschappij.






§6 het strafrecht




Hoe zit het strafrecht in elkaar en op welke manier kan de rechter dit strafrecht gebruiken om verdachten rechtvaardig te straffen?




de strafbepaling




Het strafrecht ondersteunt de rechtsstaat met drie belangrijke uitgangspunten:



1.           art. 1 van het Wetboek van Strafrecht (WvS): geen feit is strafbaar dan op grond van een daaraan voorafgegane strafbepaling.



2.           art. 1 WvS: strafbepalingen (de omschrijving in de wet van srafbare handelingen) moeten duidelijk zijn omschreven zodat iedereen weet wat wel en niet mag.



3.           ne bis in idem-regel: je mag nooit twee keer vervolgd worden voor hetzelfde vergijp, ook al komen er nieuwe feiten naar boven.




wetboek van strafrecht




De meeste strafbepalingen zijn opgenomen in het WvS, dat is opgebouwd uit drie delen:



1.           bevat algemene bepalingen die antwoord geven op vragen als:



* Wanneer is sprake van een poging tot het plegen van een misdrijf?



* Waneer is iemand medeplichtig?



* Wanneer heeft iemand weliswaar een strafbaar feit begaan, maar treft hem geen schuld of is hij ontoerekeningsvatbaar?



* Welke soorten straffen zijn er?



2.           geeft een opsomming van alle misdrijven (de meer ernstige strafbare feiten).



3.           geeft een opsomming van alle overtredingen (de minder ernstige strafbare feiten).



Het verschil tussen overtredingen en misdrijven is belangrijk, omdat bij misdrijven de straffen gemiddeld hoger zijn. Bovendien blijven misdrijven in je justitiële documentatie (strafblad) veel langer geregistreerd staan.




het materiële strafrecht




De inhoud van alle strafbepalingen heet het materiële strafrecht.



Naast het WvS staan er ook strafbepalingen in aparte wetten zoals fraude, de Wegenverkeerswet en de Opiumwet (verbiedt het gebruik, invoeren en verhandelen van drugs).




geen straf: strafuitsluitingsgronden




Bij een strafbaar feit was de dader bij zijn volle verstand en uit eigen wil. Soms heeft iemand het feit wel gepleegd, maar krijgt hij door omstandigheden otch geen straf opgelegd (strafuitsluitingsgronden).






rechtvaardiging




Hier is het gepleegde feit in het licht van bijzondere omstandigheden niet meer strafbaar.



1.           noodweer: je verdedigt jezelf of een ander tegen geweld. Wel in verhouding tot het gevaar of de dreiging.



2.           overmacht-noodtoestand: je negeert een wet om jezelf of iemand te redden.



3.           ambtelijk bevel: het opvolgen van een bevel van een beambte, terwijl dit bevel tegen de wet in gaat.




niet schuldig




Hier is het feit wel strafbaar, maar heeft de dader geen schuld.



1.           psychische overmacht.



2.           noodweerexces: als je in een hevige gemoedstoestand, die direct een gevolg is van de aanval, de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschrijdt.



3.           ontoerekeningsvatbaar: als iemand echt niet verantwoordelijk gesteld kan worden bijv. bij een geestelijke stoornis of tijdleijke psychische buiten zinnen. Hij krijgt dan geen straf maar in een tbs-kliniek geplaatst.



4.           afwezigheid van schuld: als je iets bijdraagt aan het misdrijf/ de overtreding maar hier niets van af weet.




soorten straffen




In het WvS staan de verschillende soorten hoofdstraffen omschreven.



1.           geldboete: als iemand deze niet betaalt, moet hij in plaats daarvan naar de gevangenis. Dit geldt niet bij bekeuringen.



2.           taakstraf: ook wel alternatieve straf, omdat deze kan worden opgelegd i.p.v. een vrijheidsstraf of een geldboete. Het kan een werkstraf of een leerstraf zijn.



3.           vrijheidsstraf: bij overtredingen spreken we over een hechtenis (kan max. 1 jaar duren). Bij misdrijven spreken we van gevangenisstraf. Zwaarste straf in NL is levenslang. De zwaarste tijdelijke gevangenisstraf is 30 jaar.





Naast deze hoofdstraffen kan de rechter bijkomende straffen opleggen. Ten slotte kunnen zogenaamde strafrechtelijke maatregelen worden opgelegd, zoals schadevergoeding, verplichte behandeling, tbs of het ontnemen van door misdaad verkregen geld.




functies van straffen




We maken onderschied tussen 5 functies van straf.



1.           wraak en vergelding: misdaad mag niet lonen.



2.           afschrikking: burgers moeten ervan weerhouden worden misdaden te plegen.



3.           voorkomen van eigenrichting: als de overheid niet straft gaan mensen het zelf doen.



4.           resocialisatie: straf moet ervoor zorgen dat iemand zijn leven betert.



5.           beveiliging van de samenlevng: vooral bij ernstige geweld- en zedendelicten dienen lange celstraffen tevens om de maatschappij te beschermen tegen herhaling.




strafrecht voor minderjarigen




Kinderen onder de 12 kunnen niet vervolgd, maar krijgen met de Raad voor de Kinderbescherming te maken.



Voor jongeren tussen de 12-18 is er het jeugdstrafrecht. Kleine misdrijven worden afgedaan via een Haltbureau. Je krijgt dan een taakstraf en hoeft niet voor de rechter te verschijnen.



Bij zwaardere komen ze voor de kinderrechter. Deze kan jeugddetentie opggeven. Bij ernstige persoonlijke stoornissen kan de rechter ook een verblijf in een behandelcentrum opleggen. Het is sterk gericht op resocialisatie.



Anders dan in het volwassenenstrafrecht is de verdachte binnen het jeugdstrafrecht verplicht ter zitting te verschijnen.




het strafrecht in discussie




Binnen het rechtssysteem staat met name het strafrecht voortdurend ter discussie. Dit heeft ertoe geleid dat rechters hogere celstraffen zijn gaan opleggen. Het aantal tot levenslang veroordeelden steeg flink.



Daarnaast is de maximale tijdelijke straf wettelijk verhoogd van 20 naar 30 jaar. Verder wordt er gediscussieerd over de invoering van minimumstraffen voor recidive bij zware misdrijvne en over de invoering van een apart adolescentenstrafrecht, zodat jongeren tussen 15 en 18 zwaarder kunnen worden gestraft.



Verder staan de taakstraffen ter discussie. Veroordelen zouden er te makkelijk mee wegkomen. Een vergelijkbare discussie is over tbs.




§7 burgerlijk recht en bestuursrecht




Het grootste deel van de rechtszaken gaat over burgerlijk recht (burger – burger) of bestuursrecht (burger – overheid).



Hoe verloopt een zaak in het burgerlijk recht en hoe kun je als burger je recht halen als je tegenover de overheid staat?




burgerlijk recht




Iedereen vanaf 18 jaar kan een conflict met een andere partij voorleggen aan ene onafhankelijke rechter. In het burgerlijk recht staat altijd een eiser tegenover een gedaagde. De eiser is degene die de zaak aan de rechter voorlegt. De gedaagde is de persoon van wie iets wordt geëist en die daarom voor de rechter wordt gedaagd.



Binnen het burgerlijk recht verstaan we onder burgers niet alleen mensen maar ook rechtspersonen (stichtingen en bv’s). Zelfs de overheid treedt regelmatig ‘als burger’ op.




verschil tussen publiekrecht en burgerlijk recht




In het strafrecht is de verticale verhouding tussen burger en overheid aan de orde. Het initiafief ligt bij de voerheid als openbare aanklager. De rechter heeft een actieve rol en bewaakt daarmee de positie van de verdachte, die veel minder machtig is dan de overheid.



In het burgerlijk recht gaat het om de horizontale verhouding tussen burgers onderling. De burgers beginnen een rechtszaak. De rechter heeft daarbij een meer passieve rol. Hij weegt de aangedragen argumenten en bewijzen tegen elkaar af en zoekt niet zelf naar bewijzen.




verloop burgerlijke rechtszaak




De zaak begint wanneer de eiser door een deurwaarder aan de gedaagde een dagvaarding laat sturen. Een dagvaarding bevat altijd:



1.           de naam van de eiser



2.           de eis



3.           de motivatie van de eis



4.           tijdstip en plaats van de rechtszaak



In zaken bij de kantonrechter hoeven jij en de tegenpartij geen advocaat als vertegenwoordiger te hebben. Bij grote of ingewikkelde zaken ben je verplicht je te laten vertegenwoordigen door een procureur. Vaak treden advocaten op als procureur.



Bij de burgerlijke rechtszaak hoeft de gedaagde niet bij de rechtszaak aanwezig te zijn en mag zijn reactie ook opsturen.




uitspraak




De rechter heeft verschillene megelijkheden om de verliezende partij te veroordelen. Zo kan hij beslissen dat de verliezer bepaalde afspraken moet nakomen en elke keer dat dat niet wordt gedaan moet de verliezer betalen. Betaal je de dwangsom niet, dan zal in het uiterste geval de deurwaarder beslag leggen op zijn goederen en dezen verkopen om zo aan het geld te komen.



De rechter kan ook beslissen dat de verliezende partij een schadevergoeding moet betalen. Als deze die niet kan of wil betalen, zal hij de deurwaarder in actie laten komen. Die kan beslag leggen op goederen of regelen dat iedere maand automatisch een deel van het inkomen wordt betaald aan de winnaar, tot deze schadeloos is gesteld. Dit heet loonbeslag.




kort geding




In sommige zaken is het belangrijk dat er snel uitspraak wordt gedaan. Iemand kan dan een kort geding aanspannen. Dit is een versnelde en vereenvoudigde procedure die wordt behandeld door een zogneaamde voorzieningenrechter. Deze rechter doet in zijn eentje uitspraak en geeft altijd een voorlopig oordeel in afwachting van een difinitieve uitspraak in het normale burgerlijke proces, de zogenaamde bodemprocedure.




bestuursrecht: bezwaar en beroep




Rechtsbescherming tegen de overheid betekend dat de overheid niet zomaar allerlei lasten kan opleggen aan burgers: zij moeten daar bezwaar tegen kunnen maken. Blijft het besluit gehandhaafd, dan kun je in beroep gaan bij de rechter en eventueel nog in hoger beroep.




de praktijk




Hieronder de 4 terreinen waarop het bestuurlijk recht een grote rol speelt:



1.           het geven van vergunningen



2.           het verstrekken van uitkeringen en subsidies maar ook het toekennen en beëindigen van subsidies en toeslagen is aan strenge regels gebonden.



3.           de behandeling van asielaanvragen en verblijfsvergunningen. Vluchtelingen die in ons land een verblijfsvergunning aanvragen, hebben recht op een gratis advocaat en een tolk. Bij afwijzing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kunnen zij naar de rechter stappen en daarna in beroep gaan bij de Raad van State.




4.           het opleggen en innen van belastingen waarbij elke soort belasting wordt geregeld in een aparte wet.





trias politica


















Rechtspraak



Hoge Raad



Openbaar Ministerie





















Lokaal bestuur



Politie



Regering



Openbaar Ministerie























Gemeenteraad



Provinciale Staten



Regering






















rechtbank en rechters





























       
   
 
 






















begrippenlijst



--- 1:



democratische rechtstaat = een staat met vrije en geheime verkiezingen en waar burgers worden beschermd tegen macht en willekeur van de overheid



sociaal contract = afspraak tussen overheid en burger om zich allebij aan de regels en wetten te houden.



absolute macht = alleenheerschappij door een leider



montesquieu = frans filosoof, grondlegger van de Trias Politica.



constitutionele monarchie = wanneer de koning(in) aan de grondwet gebonden is



grondrechten = rechten die zo fundamenteel zijn voor de vrijheid, ontplooiing, het welzijn en de bescherming van het individu en groepen dat ze in de grondwet zijn vastgelegd.



legaliteitsbeginsel = de overheid mag alleen beperkingen opleggen aan de vrijheid van burgers als die beperkingen in wetten zijn vastgelegd en voor iedereen gelden.



maat en regel= bestuurders zijn gebonden aan wetten (regel) en kunnen niet zomaar buitensporige straffen opleggen zonder tussenkomst van een onafhankelijke rechter (maat)



dictatuur = staat met één persoon of partij als alleenheerser



UVRM = Universele Verklaring van de Rechten van de Mens



EVRM = Europees Verdrag van de Rechten van de Mens



mensenrechten = de fundamentele rechten en vrijheden die alle mensen zouden moeten hebben.



--- 2:



grondwet= de belangrijkste wet



constitutie = grondwet



gelijkheid = gelijke gevallen worden gelijk behandeld en ongelijke gevallen worden ongelijk behandeld



constitutionele monarchie= monarchie waarbij de macht van de vorst in de grondwet staat



ministriele verantwoordelijkheid = ministers waren verantwoordelijk voor beleid en niet meer de koning



censuskiesrecht = stemrecht dat is bepaald op het wel of niet en in bepaalde hoeveelheid betalen van belasting



klassieke grondrechten = grondrechten die een beperking inhouden van overheidsbevoegdheden tegenover hun burgers



sociale grondrechten = grondrechten die een actief optreden van de overheid vereisen.



horizontale werking = grondrechten die betrekking hebben op de relatie tussen burgers onderling



verticale werking = grondrechten die betrekking hebben op de relatie tussen burger en overheid



botsing grondrechten = wanneer de grondrechterlijke belangen van burgers met elkaar in conflict komen



grondrechterlijke belangen van burgers= welke voor of nadelen burgers hebben bij de handhaving van bepaalde grondrechten



--- 3:



trias politica = scheiding der machten in een wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht



wetgevende macht = macht die de taak heeft wetten te maken, te wijzigen of in te trekken



uitvoerende macht = macht die de taak heeft wetten toe te passen



rechterlijke macht = macht die in geval van ongenigheden moet oordelen over wetten en rechtspreken



checks and balances = wanneer de drie machten elkaar weerhouden te veel macht te veroveren, en door controle elkaar wel in balans houden.



staatsorgaan = andere term voor de drie machten van de trias politica.



tweede en eerste kamer = de volksvertegenwoordiging of het parlement



minister = hoofd van een ministerie, verantwoordelijk voor de vormgeving en uitvoering van wetsvoorstellen



vierde macht = het ambtenarenapparaat waar de ministers de verantwoordelijkheid over dragen



jurisprudentie = het geheel van uitspraken door rechters



dualistisch stelsel = stelsel waarin het parlement de regering controleert



--- 4:



legaliteitsbeginsel = de overheid mag alleen beperkingen opleggen aan de vrijheid van burgers als deze is vastgelegd in wetten en voor iedereen gelden



rechtsorde = het geheel rechtsregels, rechtsbeginselen en de manier waarop het recht is ingericht



rechtsregels= gedragsregels die wettelijk door de overheid zijn vastgelegd



sociale regels = regels die een beoordeling geven van gedrag in termen van wel of niet rekening met elkaar houden



morele regels = regels die een beoordeling geven van gedrag in termen van goed en kwaad



privaatrecht= regelt de horizontale relaties



publiekrecht= regelt de de verticale relaties



horizontale relatie= relatie tussen burgers onderling



verticale relatie= relatie tussen burgers en overheid



staatsrecht= regelt de inrichting van de Nederlandse staat



bestuursrecht= regelt de bestuursactiviteiten (vergunningen, belastingrecht)



strafrecht= waarin alle wettelijke strafbepalingen staan



--- 5:



onschuldvermoeden = een verdachte is onschuldig tot het tegendeel is bewezen



advocaat = iemand die de verdachte bijstaat ter verdediging



legaliteitsbeginsel= niemand mag zonder vorm van proces de gevangenis in



wetboek van strafvordering = wetboek waarin de procesregels voor alle fasen van de opsporing en berechting van strafbare feiten staan beschreven.



strafprocesrecht = alle regels waaraan de handelingen van politie, rechercheurs, officieren van justitie en rechters zijn gebonden.



staande houden = een verdachte laten stilstaan en vragen naar personalia



aanhouden = een verdachte arresteren en meenemen naar het politiebureau



verhoor = het ondervragen van een gedachte



dwangmiddelen = middelen die de politie mag inzetten tijdens het opsporingsonderzoek



machtiging tot binnentreding = toestemming voor de politie om een woning binnen te gaan



huiszoekingsbevel = toestemming een woning niet enkel binnen te gaan, maar ook grondig te doorzoeken



speciale persoonsgegevens = bankrekeningnummers, telefoonverkeer en internetgedrag



infiltratie = wanneer de politie probeert om bijvoorbeeld bij een crimineel netwerk binnen te dringen door zich voor te doen als crimineel



voorarrest = de periode dat een verdachte zijn vrijheid wordt ontnomen voordat de berechting plaatsvindt.



officier van justitie = persoon die namens de samenleving bewijzen zoekt tegen een verdachte en een straf tegen hem kan eisen



openbaar ministerie = alle openbare aanklagers/officieren van justitie bij elkaar



vervolgingsmonopolie = het alleenrecht van de officier van justitie of een zaak uiteindelijk voor de rechter wordt gebracht



seponeren = besluiten om een verdachte niet te vervolgen



dagvaarding = een brief waarin staat wanneer een verdachte voor de rechter moet verschijnen en waarvan hij/zij beschuldigd wordt



tenlastelegging = het gene waarvan ieand beschuldigd wordt



pleidooi = verhaal van de advocaat waarin deze de verdachte verdedigd in hoop op strafvermindering of vrijspraak



hoger beroep= als je het niet eens bent na het vonnis van de rechtbank



Hoge Raad= als je het niet eens bent na het vonnis van het gerechtshof



requistitoir = verhaal van de officier van justitie waarin deze probeert aan te tonen waarom de verdachte schuldig is en wat de straf zou moeten zijn



gerechtshof = hof waarin hoger beroep gegaan kan worden wanneer één van beide partijen het niet eens is met het vonnis van de rechtbank



cassatie = een zaak bij de hoge raad laten voorkomen



gedetineerdenrecht = regels rond de behandeling van gevangenen



voorwaardelijke invrijheidstelling = het recht van gedetineerden om na het uitzitten van 2/3 van hun straf onder bepaalde voorwaarden vrij te komen



reclassering = de ondersteuning waar gedetineerden recht op hebben bij terugkeer in de maatschappij



--- 6:



strafrecht = hierin staan alle wettelijke strafbepalingen opgenomen



ne bis in idem-regel = regel die verklaart dat je nooit twee keer voor hetzelfde vergrijp vervolgd kan worden, ook al komen er nieuwe feiten naar boven.



wetboek van strafrecht = wetboek waarin bijna alle wettelijke strafbepalingen zijn opgenomen



misdrijven = de meer ernstige strafbare feiten



overtredingen = de minder ernstige strafbare feiten



justitiele documentatie = nieuwe term voor het strafblad dat een persoon krijgt na het plegen van een strafbaar feit



strafuitsluitingsgronden = redenen/omstandigheden waardoor het plegen van een strafbaar feit niet tot vervolging zal leiden



rechtvaardigingsgronden = wanneer een gepleegd strafbaar feit in het licht van bijzondere omstandigheden niet meer strafbaar is



noodweer = zelfverdediging bij ernstige bedreiging



overmacht-noodtoestand = wanneer het plegen van een strafbaar feit noodzakelijk was of niet te vermijden



ambtelijk bevel = wanneer je door iemand van de overheid gedwongen wordt om regels te overtreden



schulduitsluitingsgronden = wanneer een feit wel strafbaar is, maar de dader toch geen schuld heeft



psychische overmacht = wanneer van een gedachte simpelweg niet mocht worden gevraagd anders te handelen vanwege grote psychische druk



noodweerexces = wanneer iemand in een noodsituatie meer geweld gebruikt dan strikt noodzakelijk om zich te verdedigen



ontoerekeningsvatbaarheid = wanner iemand vanwege geestelijke omstandighede niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn of haar daden



afwezigheid van schuld= de mensen die de verdachte hielpen maar daar niks vanaf wisten.



hoofdstraffen = de drie vormen van straffen die een rechter voor een strafbaar feit kan opleggen



geldboete = een te betalen geldbedrag vanwege een gepleegd strafbaar feit



taakstraf = werk of cursussen die de veroordeelde moet volgen vanwege een gepleegd strafbaar feit



vrijheidsstraf = hechtenis of gevangenisstraf



hechtenis = vrijheidsstraf naar aanleiding van een overtreding (max. 1 jaar)



bijkomende straffen = extra straf die kan worden opgelegd naast de hoofdstraf die meestal een relatie hebben met het gepleegde delict



tbs = een strafrechterlijke bepaling waarbij iemand verplicht onder behandeling wordt geplaatst



strafrechterlijke maatregelen = strafrechterlijke bepalingen die kunnen worden opgelegd en die als doel hebben om de samenleving te beschermen of te herstellen.



wraak en vergelding = functie van straf met als uitgangspunt 'oog om oog, tand om tand'



afschrikking = als de functie van een straf het doel heeft om burgers te weerhouden om strafbaar gedrag te vertonen



eigenrichting = wanneer slachtoffers of getuigen het recht in eigen handen nemen



resocialisatie = heropvoeding



haltbureau = instelling die zich bezichhoudt met 12 tot 18 jarigen en die jongeren op die manier uit de rechtbank houden



--- 7:



burgerlijk recht= het gaat om de horizonale verhouding (Eiser - gedaagde). Burgers zelf beginnen de rechtszaak waarbij de rechter een meer passieve rol heeft



bestuursrecht= het gaat om de verticale verhouding. Overheid begint de rechtszaak meestal waarbij de rechter een meer actieve rol heeft



eiser= degene die de zaak aan de rechter voorlegt



gedaagde= de persoon van wie iets wordt geëist en die daaom voor de rechter wordt gedaag



rechtspersoon= bijv. stichtingen en bv's



dagvaarding= hierin staat de naam van de eiser; de eis; de motivatie van de eis; tijdstip en plaats rechtszaak.



procureur= vertegenwoordiger, vaak een advocaat



dwangsom= geldboete voor iedere keer dat je je niet aan de beslissing van de rechter



loonbeslag= maandelijkse afbetaling van de schadevergoeding



kort geding= kortere rechtszaak voor zaken die snel moeten



bodemprocedure= De normale civielrechtelijke procedure, in tegenstelling tot het kort geding



beroep= als je bezwaar maakt maar geen gelijk krijgt in de rechtszaak kun je in beroep gaan.



hoger beroep= als je bezwaar maakt maar je geen gelijk kreeg bij de rechter kun je in hoger beroep gaan


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Marit