Hoofdstuk 6, Criminaliteit als sociaal en politiek probleem



6.2 Hoofdstuk opening

Criminaliteit is een sociaal probleem  Het heeft materiële en immateriële schade als gevolg voor de samenleving.

Criminaliteit is ook een politiek probleem  Het sociale probleem vraagt om een oplossing, die de politiek moet brengen en waar de overheid zich mee bezig moet houden.



6.3 Criminaliteit als sociaal probleem: de materiële schade

Criminaliteit veroorzaakt materiële schade, vooral burgers de dupe:



- Bestrijding  Overheid moet een politieapparaat en justitieel apparaat betalen. Dit wordt via belastingen door de burgers betaald.

- Beveiliging  Burgers en bedrijven geven veel geld uit aan beveiliging van hun eigendommen. (Alarminstallaties, bewakingsdiensten enz.) Bedrijven rekenen hun kosten door in hun producten, dus uiteindelijk wordt alles duurder voor de burger.

- Verzekeringen  Hoe meer criminaliteit, des te meer uitkeringen voor verzekerings-maatschappijen en dus hogere verzekeringskosten.

- Zwartgeldcircuit  Overheid loopt belastinggelden en sociale premies mis. De burger moet daardoor meer belasting gaan betalen.



Materiële schade moeilijk te berekenen, doordat veel misdrijven niet of nauwelijks worden ontdekt. (belastingontduikingen, misbruik van sociale voorzieningen, fraude, enz.)



Een totaalbeeld van de kosten van criminaliteit bevat dus ook bestrijding-, beveiliging- en verzekeringskosten, preventie, opsporing, berechting en bestraffingkosten. Zo’n kostenberekening wordt zelden gemaakt.

In 1988 toch gedaan door Nederlands Economisch Instituut te Rotterdam. Schade: 35 miljard gulden per jaar. Dat is enkele duizenden gulden per inwoner.



6.4 Criminaliteit als sociaal probleem: de immateriële schade



Op geld waardeerbare schade is altijd te herstellen (materiële schade). Immateriële schade niet of moeilijk.

Immateriële schade = Schade aan de ziel.

Verschillende manieren waarop immateriële schade zich kan manifesteren:

- Slachtoffers van criminaliteit worden vaak bang en krijgen trauma’s.

- Criminaliteit veroorzaken verontwaardiging. Mensen winden zich op over misdaden.

- Gevoel van onveiligheid. Mensen worden in hun bewegingsvrijheid beperkt door bijv. beveiligingspoorten, bewakers en camera’s en worden bang alleen op straat te lopen.

- Eigenrichting = het recht in eigen handen nemen. Door het gevoel dat de overheid te weinig doet aan het bestrijden van criminaliteit, verzint men zelf hun eigen manieren voor beveiliging en preventie, zoals woningbeveiliging, particuliere bewakingsdiensten en technische hulpmiddelen bij winkels. Er is geen wettelijke bevoegdheid hiervoor, maar zolang de diensten hun eigen beperkingen kennen en zich terugophoudend opstellen, zijn er weinig bezwaren.

- Criminaliteit kan leiden tot vervaging van het normbesef. Als anderen handelingen verrichten die niet mogen en er niks tegen wordt gedaan, waarom zou ik dan nog wel me netjes aan de regels houden?

- Criminaliteit leidt tot verlies aan vertrouwen in mensen en organisaties.



6.5 De rol van de massamedia

De beeldvorming over criminaliteit wordt gevormd door de media. Door veel aandacht aan moord te besteden en maar weinig aan witteboordencriminaliteit, lijkt het eerste zich ook vaker voor te doen als het laatste, maar dat is zeker niet het geval!



Nadeel: Op deze manier kan een extra gevoel van onveiligheid worden gecreëerd.

Ook het beeld van misdadigers is stereotiep en mensen verwachten geen ‘normale mensen’ in staat tot het plegen van criminaliteit.



Bij het vormen van meningen speelt de massamedia ook een belangrijke rol. Zo worden er vaak mensen laten zien die vinden dat er strengere straffen moeten komen. Vervolgens neemt het publiek de mening over en vinden ze de straffen te laag.



Reden voor massamedia om een fout beeld te creëren: ernstige delicten leveren meer kijkcijfers op als kleine misdaden. Bij media is sensatie belangrijk.



Media die niet gericht is op hoge kijkcijfers, zijn vaak beter in berichtgeving.

Uit onderzoek is gebleken dat er een verband is tussen de ideeën van mensen en de media waardoor ze geïnformeerd worden.



Ook door agendavorming ontstaan bepaalde ideeën. Zo verschillen de meningen over bijv. zwaardere straffen van mensen die geïnformeerd door bepaalde bladen en omroepen.

Men gebruikt massamedia ook vaak als bevestiging van hun mening: mensen horen iets wat in hun straatje past en luisteren niet meer naar de rest. Hun mening is al bevestigd voor hen.



Voorlichtingsproject Delinquentie en Samenleving probeert de verkeerde beeldvorming en stigmatisering tegen te gaan. Hierin zitten ex-gedetineerden en familieleden van hen.



6.6 Criminaliteit als politiek probleem

Basisfuncties van overheid: - handhaven van de openbare orde

- verschaffen van veiligheid voor de burgers.

Criminaliteit soms gezien als bedreiging voor de rechtsorde.

Rechtsorde = alle leefregels die in een gemeenschap gelden voor zover die bepaald worden door rechtsregels.

Als men hieraan gaat knutselen kan zelfs de rechtsstaat bedreigd worden.



6.7 De rechtsstaat

Rechtsstaat = een gemeenschap waarbinnen de verhouding tussen overheid en burger en tussen burgers onderling in wetten wordt geregeld.

De rechtsorde die hierdoor ontstaat wordt door iedereen geëerbiedigd.

Rechtsstaatgedachte = burger moet beschermd worden tegen de willekeur van de overheid.



Alle overheidshandelen moeten dus gebaseerd zijn op wetgeving.

Dit geldt ook voor de middelen die de overheid heeft om de rechtsorde te handhaven.



Rechtsstaatgedachte komt ook voor in de internationale verdragen waarin klassieke mensenrechten worden geregeld, zoals:

- Europese Conventie tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

- Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (BUPO)



Kenmerken van een rechtsstaat:

- Er is een grondwet die de betrekkingen tussen overheid en burgers regelt en deze zal gerespecteerd worden (rechtszekerheid).

- De overheid moet de rechtsorde handhaven met de middelen die de wet de overheid geeft. Legaliteitsbeginsel = het verbonden zijn aan de wet.

- Er is een duidelijke scheiding van machten.

- Democratische rechtsstaat = Wetgeving komt tot stand in samenwerking met de volksvertegenwoordiging (wetgevende macht).

- De regering (uitvoerende macht) moet zich houden aan de voorschriften van de wet.

- Een onafhankelijke rechter beslist in geschillen tussen burgers onderling en tussen burgers en overheid (rechtelijke macht).

- Grond- of vrijheidsrechten van burgers zijn omschreven en gewaarborgd.



6.8 Criminaliteit en de staat

Manieren waarop de overheid betrokken kan zijn bij het probleem van de criminaliteit:

- Wetgevende macht  Stelt vast wat strafbaar is en langs welke wegen strafvervolging dient plaats te vinden. Daarnaast zetten regering en parlement criminaliteit op de politieke agenda en bepalen dat het een beleidsprobleem is.

- Uitvoerende macht  Politiek en Openbaar Ministerie (OM) vallen hieronder en zij zijn verantwoordelijk onder de minister van Justitie voor het opsporen van strafbaar gedrag. Ook is het OM verantwoordelijk voor het vervolgen van strafbare feiten. De burgemeester mag opdrachten geven aan politie en wordt gecontroleerd door de gemeenteraad.

- Rechtelijke macht  Belast met de onafhankelijke rechtspraak = onpartijdig.



6.9 Spanningen binnen de rechtsstaat

1996 parlementaire enquête: OM had georganiseerde misdaad bestreden door gebruik te maken van infiltranten, zonder daar een wettelijke basis voor te hebben (legaliteitsbeginsel).

Discussie: misdaden kunnen nooit effectief bestreden worden als OM en politie zich altijd aan strenge regels moeten houden, terwijl criminele organisaties dat niet doen.



Andere spanningen:

- Als door fouten van OM, misdadigers moeten worden vrijgelaten. Rechtszekerheid is dan belangrijker als het straffen van misdadigers.

- Minister van Justitie kan wettelijk gezien OM opdragen bepaalde mensen wel/niet te vervolgen. Toch, als hij dat doet kan een individu op willekeur zich ermee bemoeien en dat kan tot oneerlijke gevolgen leiden.



Hoofdstuk 7, Het strafrecht




7.2 Hoofdstuk opening

Wetgeving over criminaliteit valt uiteen in onderdelen:

- Strafrecht. Er wrodt beschreven welke gedragingen beschouwd worden als strafbaar, onder welke voorwaarden deze gedragingen ook werkelijk afgestraft kunnen worden en welke straffen er zijn.

- Strafprocesrecht. De procedures worden beschreven die door politie en justitie gevogld meoten owrden om tot een veroordeling van een verdachte te kunnen komen.



7.3 De bronnen van het strafrecht

Bronnen = wetboeken, wetten en jurisprudentie.

Wetboek = een verzameling samenhangende wetten.



Belangrijkste bronnen:

- Wetboek van Strafrecht (W.v.S.), ingevoerd in 1886.

- Wetboek van Strafvordering (W.v.Sv.), ingevoerd in 1926.

- Opiumwet, ingevoerd in 1928.

- Wegenverkeerswet, ingevoerd in 1935.

- Wet op de economischedelicten, ingevoerd in 1950.

- Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, ingevoerd in 1959.

- Verschillende milieuwetten.

- Vuurwapenwet, ingevoerd in 1919.



Jurisprudentie (met name van Hoge Raad) ook erg belangrijk.

Wetboek van Strafrecht belangrijkst, omdat daar de algeme uitgangspunten van ons strafrecht in staan.

7.4 Algemene uitgangspunten

Wetboek van Strafrecht ingedeeld in drie boeken:

- Algemene Bepalingen  Aantal uitgangspunten voor het strafrecht geregeld.

- Misdrijven  Concreet geformuleerde strafbare gedragingen.

- Overtredingen  Concreet geformuleerde strafbare gedragingen.



Principes uit eerste boek:

- Legaliteitsbeginsel. Hierdoor bestaat praktisch elk wetsartikel uit het strafrecht uit een delictsomschrijving en een strafmaximum.

Delictsomschrijving = beschrijving van de strafbare handeling.

Strafmaximum = de maximumstraf die de rechter voor dit delict mag geven.

- ‘ne bis in idem’ principe (art. 68). Dit houdt in dat niemand twee keer voor hetzelfde vergrijp gestraf kan worden.

- Verjaring (art. 70 en volgende). Iemand kan na een bepaalde tijd niet meer worden vervolgd voor een overtreding of misdrijf omdat het dan ‘verjaard’ is.

Verjaringstermijnen hangen van zwaarte van het delict:

- Overtredingen  2 jaar

- Misdrijven met straf geldboete, hechtenis of gevangenisstraf tot 3 jaar  6 jaar

- Misdrijven met gevangenisstraf vanaf 3 jaar  12 jaar

- Misdrijven waarop levenslang staat  18 jaar.

Bij minderjarigen wordt de verjaringstermijn met een derde bekort.



7.5 Straffen en maatregelen

In het eerste boek ook aangegeven welke straffen kunnen worden opgelegd.

Straffen  bedoeld om de dader te laten boeten voor zijn vergrijp.

Twee categorieën: hoofdstraffen en bijkomende straffen.



Hoofdstraffen:

- gevangenisstraffen (min. 1 dag, max. 20 jaar)

- hechtenis (min. 1 dag, max. 16 maanden)  minder zware vorm van gevangisstraf.

- Geldboetes (min. fl. 5,- en max. fl. 500,- voor arme mensen en fl.1.000.000,- voor rijken. De maximale straf is opgedeeld in zes schijven)

- Taakstraffen = onbetaalde arbeid ten algemene nutte = alternatieve straf.

Straf van max. 6 maanden gevangenis kan worden omgezet in taakstraf met toestemming van de verdachte. Max. 240 uur. Ook leerstraffen mogelijk.



Bijkomende straffen = straffen die naast de hoofdstraf kunnen worden ogelegd en direct met de aard van het delict te maken hebben. Voorbeelden:

- Iemand van verkiezingsfraude raakt stemrecht kwijt.

- Iemand onder invloed gereden raakt rijbewijs en auto kwijt.

- Iemands naam wordt gepubliceerd zodat iedereen weet wat hij heeft misdaan.



Maatregelen  niet bedoeld om dader te laten boeten maar om samenleving tegen de dader te beschermen of de dader tegen zichzelf.

Belangrijkste maatregelen = terbeschikkingstelling (tbs), plaatsing in een inrichting en onder toezichtstelling.

Terbeschikkingstelling = de dader wordt dan behandeld in een inrichting. De duur van TBS is aan de keuze van de rechter. Plaatsing is voor onbepaalde tijd.



Maatregelen vaak bij ontoerekenbaarheid en kunnen samen met straf worden opgelegd.



Voorwaardelijk straf = Straf of maatregel hoeft niet worden uitgevoerd als veroordeelde bin-nen een afgesproken proeftijd geen strafbaar feit pleegt of andere afspraken wel nakomt.



7.6 De strafbaarheid van gedrag

Naast dat een gedrag aan de delictsomdschrijving moet voldoen, moet het ook aan nog vier voorwaarden te voldoen om strafbaar te zijn:

- Alleen menselijk gedrag is strafbaar. Gedachten en gevoelens kunnen dus niet bestraft worden. Ook dieren niet. Bij BV’s, verenigingen enz. is degene die aanzet tot strafbaar gedrag degene die gestraft wordt voor een bepaalde handeling.

- Alle bestanddelen uit de delictsomschrijving moeten zijn bewezen.

- Het gedrag moet wederrechterlijk zijn. Wederrechterlijk = in strijd met de rechtsorde. Wanneer er een goede reden wordt aangevoerd waarom hij voor het plegen van het delict niet gestraft zou moeten worden kan de dader ‘ontslagen van rechtsvervolging’ worden. Hij wordt dan niet gestraft. Rechtvaardigheidsgronden zijn:

- Noodweer = Als iemand geprobeerd heeft lijf en goederen te verdedigen tegen aanvallen.

- Overmacht = Als de verdachte werd gedwongen tot het strafbaar feit.

- Relatieve overmacht of noodtoestand = Als een verdachte moest kiezen tussen twee kwaden.

- Het schuldbeginsel = de dader moet schuldig zijn.



Soms kan een delict worden gepleegd zonder dat het de dader aangerekend kan worden, ook al zijn aan alle voorwaarden ervoor vervuld. De dader kan zich dan beroepen op een schulduitsluitingsgrond. De dader wordt dan niet gestraft. De schulduitsluitingsgronden zijn:

- Ontoerekenbaarheid van de dader. Hij weet dan niet wat hij doet en heeft geen schuld.

- Noodweerexces. Wanneer iemand uit emotie een hander verdedigingsmiddel hanteert als noodzakelijk. Hangt samen met noodweer.

- Psychische overmacht / overmachtexces. Als iemand door zware psychische druk een misdrijf pleegt. De druk moet zo groot zijn dat anderen hetzelfde zouden hebben gedaan.

- Afwezigheid van alle schuld. Wanneer iemand een delict pleegt zonder het te weten.



Strafuitsluitingsgronden = rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden  wel een delict, geen straf.



7.7 Het bepalen van de strafmaat

Het eerste boek geeft ook de criteria de de rechter moet hanteren bij het kiezen van de hoogte van de straf:

- De ernst van het delict. De rechter mag nooit een hogere straf geven als de maximale straf die voor het delict is bepaald.

- De omstandigheden waaronder het delict is gepleegd. Hierbij zijn er twee soorten:

- Subjectieve omstandigheden  hebben te maken met de dader. Was er opzet in het spel, werden bewust risico’s genomen of waren er belangrijke redenen?

- Objectieve omstandigheden  buiten de dader. Wat zijn de gevolgen van het delict?

Ook bijkomende omstandigheden  was bij bijv. diefstal ook sprake van geweld?



Toch straffen van verschillende rechters altijd wel anders. Maar ook: geen zaak is identiek!



Bij poging tot plegen van een delict wordt de maximumstrafmaat met eenderde verminderd.

Poging = wanneer iemand begonnen is met het uitvoeren van de misdaad, maar om een andere reden buiten zichzelf, het misdrijf niet afmaakt.



Bij deelnemen aan een misdrijf kan de medepleger het ook het strafmaximum krijgen.

Medepleger = je pleegt een misdxrijf samen emt een ander.



Bij medeplichtigheid kan het strafmaximum met eenderde worden verminderd.

Medeplichtigheid = een misdrijf uitlokken of hulp verlenen bij het misdrijf.



7.8 Bijzondere bepalingen voor minderjarigen

Aantal uitzonderingen voor jongeren:

- Kinderen jonger dan 12 jaar kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd.

- Kinderen tussen 12 en 18 kunnen alleen terechtstaan voor de kinderrechter.

- De rechtzittingen zijn niet openbaar.

- Er gelden andere straffen en maatregelen:

- Jeugdigen geen gevangenisstraf, wel periode tot max. 6 maanden naar tuchtschool.

- Speciale taakstraffen door HALT-project (Het ALTernatief)

- Onder toezicht stelling van een jongere  gezinsvoogd aangewezen.



Soms toch het volwassenen strafrecht voor jongere tussen 12 en 18 jaar. De minderjarige wordt dan geacht als volwassene gehandeld te hebben. Voorbeeld:

Als een zeventienjarige in een bende van volwassenen meedraait.



7.9 Het tweede en derde boek

Misdrijven = Gedragingen die door iedereen als misdadig worden ervaren.

Overtredingen = Gedragingen waarvan iedereen wel aanvoelt dat ze niet door de beugel kunnen, maar waarvan ook iedereen vindt dat ze niet zo vreselijk laakbaar zijn.



Overtredingen  altijd behandeld door kantonrechter.

Misdrijven  meestal door arrondisementsrechtbank behandeld.



Bij overtreding wordt als vrijheidsstraf hechtenis toegepast, uitgezeten in Huis van Bewaring.

Bij misdrijf wordt als vrijheidsstraf meestal gevangenisstraf gegeven.

Maatregelen kunnen bij overtredingen nooit worden opgelegd.



Voor overtreding meestal geen strafblad. Misdrijf wel.

Daardoor kan men voor bepaalde overheidsfuncties niet meer in aanmerking komen.



Hoofdstuk 8, Het strafproces



8.2 Hoofdstukopening

Actoren = personen die een bepaalde rol spelen

Van alle actoren in het strafproces recht duidelijk vast gelegd wat zij moeten doen, om willekeur te voorkomen.

Daarom is een verdachte ook altijd onschuldig totdat hij door de rechter schuldig is bevonden en veroordeeld.

Daarom mag iemand ook niet onbeperkt in voorlopige hechtenis worden gehouden.

Voorlopige hechtenis = opsluiting in afwachting van het proces.



8.3 Het strafproces

Nederland heeft geen juryrechtspraak.

De VS, Groot-Brittannië, Frankrijk en België wel.

Aanklagers en verdedigers moeten met pleidooien de ondeskundige jury bewerken.

De rechter is voorzitter en bepaald de hoogte van de straf.

Voordeel juryrechtspraak:

- Jury kan beter weergeven wat de volksovertuiging is

- Jury kan zich beter in de positie van verdachte en slachtoffer plaatsen als beroepsrechter



Nederlandse strafprocesrecht vooral beschreven in het Wetboek van Strafvordering uit 1926:

- Rechter zit het proces voor  bepaald of de verdachte schuldig is en welke straf hij krijgt.

Rechterlijke macht onafhankelijk, dus niemand kan hem dwingen tot beslissingen.

Rechters formeel bij Koninklijk Besluit voor de duur van het leven benoemd (art. 117)

- Officier van Justitie (ovj) beslist of verdachte voor de rechter moet verschijnen  zo ja, dan heeft de officier tot taak de tenlastelegging te formuleren.

Tenlastelegging = een aanklacht gebaseerd op wettelijke bepalingen.

Tijdens het proces moet hij ervoor zorgen dat de bewijzen tegen de verdachte aan de rechter(s) worden overlegd. Hij doet dat door getuigen, deskundigen en verdachte te ondervragen.

In zijn requisitoir (slotpleidooi) eist de officier van justitie een bepaalde straf.

Ovj werkt nou samen met politie. Alle Ovj’s samen = Openbaar Ministerie. Worden benoemd door Minister van Justitie.

Of bepaalde misdrijven wel en andere misdrijven niet snel vervolgd en voor de rechter gebracht worden kan afhankelijk zijn van de politieke visie van de minister.

- Advocaat  Elke verdachte heeft recht op een professionele verdediging. Als hij die niet kan betalen krijgt hij een advocaat toegewezen = pro-deo-advocaat. Wordt betaald door overheid.

Taak advocaat = belangen van de verdachte verdedigen en best doen de bewijzen van ovj te ontkrachten voor vrijspraak of een zo laag mogelijke straf.

Advocaat mag ook getuigen, deskundigen en verdachte verhoren. Pleidooi advocaat komt na het requisitoir van ovj en daarin zal de advocaat pleiten voor vrijspraak of voor lagere straf de geëiste door de ovj. Advocaat heeft geheimhoudingsplicht.

- Getuigen  Deskundigen of mensen die informatie hebben over de zaak.

Vragen moeten onder ede beantwoord worden en dus moet dat de waarheid zijn.

- Verdachte  Hoeft niks te zeggen en hoeft niet mee te werken. Kan wel lagere straf opleveren. Verdachte mag eigen verdediging voeren en getuigen en deskundigen ondervragen, behalve voor de Hoge Raad. Toch meestal advocaat ingeschakeld.

Verdachte heeft recht op laatste woord.

Verdachte alleen veroordeeld als strafbare feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

- Slachtoffer  Nauwelijks een rol, kan als getuige worden gehoord.



8.4 De organisatie van de rechterlijke macht

Veel verschillende rechters in Nederland. Verschillende competenties = bevoegdheden:

- Relatieve competentie = de bevoegdheid van een bepaalde rechter in een bepaalde streek. Als een strafbaar feit zich heeft plaats gevonden in bepaalde streek, moet de rechter van dat gebied een oordeel vellen.

- Absolute competentie = de bevoegdheid om te oordelen in bepaalde delicten:

- Overtredingen  kantonrechter. Hij vonnist alleen.

- Misdrijven  (arrondissements)rechtbanken.

Eenvoudige zaak  alleenrechtsprekende politierechter.

Ingewikkelde zaak  meervoudige kamer = college van drie rechters.

Zaak van jongeren  Kinderrechter.



Als een verdachte of ovj het niet eens is met de uitspraak kunnen ze in hoger beroep gaan = de zaak wordt voorgedaan aan een hogere rechter.

Kantonrechter  Arrondissementsrechtbank  het Hof  Hoge Raad.



Het Hof behandelt alleen beroepszaken.

Beroep bij Hoge Raad heet cassatie (in cassatie gaan). De Hoge Raad kijkt of de rechter de wetgeving op de juiste manier heeft toegepast. Soms moet de Hoge Raad dan een uitspraak doen over een onduidelijke bepaling in de wet. Er ontstaat dan jurisprudentie.



Een uitspraak van kantonrechter of arrondissementrechter = vonnis.

Een uitspraak van het Hof en van de Hoge Raad = arrest.

Rechters van het Hof en Hoge Raad = raadsheren.



Er zijn ook burgerlijke, administratieve en tuchtrechters.



8.5 Het Openbaar Ministerie

Bij elke rechtszitting is een lid van het OM de aanklager:

Kantongerecht en arrondissementsrechtbank  officier van justitie.

Hof en Hoge Raad  procureur-generaal.



Voor verkeersdelicten bij kanton- of arrondissementsrechtbank  verkeersschout.



OM heeft 3 belangrijke taken:

- Leiden van het opsporingsonderzoek. Nauwe samenwerking met politie.

- Vervolgen van strafbare feiten of beslissen tot seponeren = een zaak niet voor de rechter brengen, zodat de verdachte niet veroordeeld kan worden. Motieven voor seponeren:

- Te weinig bewijsmateriaal.

- Te onbelangrijk in relatie tot andere zaken.

- De verdachte moet nog een kans krijgen om onder een veroordeling uit te komen.

- Soms volgt ovj de richtlijnen van het ministerie van Justitie.

Belangrijk bij beslissen tot seponeren  opportuniteitsbeginsel. Opportuniteitsbeginsel = het algemeen belang weegt zwaarder dan de vervolging van een verdachte.

Nadeel seponeren = kan leiden tot rechtsongelijkheid of willekeur.

- Ervoor zorgen dat de vonnissen uitgevoerd worden.



8.6 Taken en bevoegdheden van de politie

Taken politie:

- openbare orde handhaven

- hulp verlenen

- strafbare feiten opsporen



Voor strafbare feiten opsporen voor OM heeft politie bepaalde bevoegdheden:

- Politie mag een persoon staande houden en vragen naar persoonlijke gegevens (naam, adres). De persoon moet wel verdacht worden van een strafbaar feit. Dus niet willekeurig!

- Politie mag een verdachte aanhouden en meenemen naar bureau voor een verhoor. Maximaal 6 uur, excl. de nachtelijke uren tussen 24.00 en 9.00.

- Politie mag verdachte vasthouden onder bepaalde voorwaarden = inverzekeringstelling.

Ovj moet altijd toestemming geven. Dat doet hij als de politie meer tijd nodig heeft voor het onderzoek als het om een zwaar misdrijf gaat.

Inverzekeringstelling duurt max. 6 dagen op politiebureau.

Als een rechter-commissaris of de rechtbank akkoord gaat kan de verdachte voor max. 102 dagen in voorlopige hechtenis worden gehouden.

Rechter-commissaris = lid van de rechtbank die bewijsmateriaal verzamelt ter voorbereiding van de rechtszitting.

- Politie mag onder bepaalde voorwaarden zaken in beslag nemen, mensen fouilleren, huiszoeking doen, telefoons aftappen, enz.

- Politie mag door aanbieden van een schikking de straf op bepaalde overtredingen zelf afhandelen.



Rechten van politie nauwkeurig beschreven. Als de politie buiten het boekje gaat krijgt de verdachte het voordeel van de twijfel. Reden: anders zou de politie zich niet meer aan regels hoeven houden.



8.7 De verdachte

Rechten verdachte:

- Recht om te weten waarvan hij verdacht wordt.

- Recht op hulp van een advocaat of raadsman en evt. een pro-deo-advocaat, vanaf de in verzekeringstelling. Politie moet hem wijzen op deze rechten.

- Verdachte hoeft niet mee te werken aan eigen veroordeling. Recht om te zwijgen.

Wel verplicht om mee te werken aan zijn identificatie. Politie moet hem hierop wijzen.

- Verdachte mag maar voor een beperkte tijd worden vastgehouden.

- Meestal het recht om in hoger beroep te gaan.

8.8 De reclassering

Reclassering = een aantal particuliere, door de overheid gesubsidieerde instellingen die belangrijke taken vervullen bij het strafproces.

Doel reclassering = zich inspannen voor de maatschappelijke (her)inpassing van mensen die met het strafrecht in aanraking komen, herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen en overlast te verminderen.

Reclassering probeert doel te bereiken door:

- Verlenen van vroeghulp. Bijv. voorstellen doen voor alternatieve straffen.

- Verzorgen van voorlichtingsrapportages ten behoeve van de rechter. Ze stellen een rapport op over de omstandigheden van de verdachte (bijv. thuissituatie enz.)

- Voorbereiden en begeleiden van de uitvoering van taakstraffen: projecten werven, projectenbank beheren, dienstverleningsvoorstellen voorbereiden en veroordeelde begeleiden.



Ook begeleiden ze ex-gedetineerden bij hun terugkeer in de maatschappij en verzorgen ze voorlichting over het gevangeniswezen.



8.9 Het slachtoffer

Slachtoffer = mogelijke getuige.

Raar: weinig extra steun of hulp voor slachtoffers. Daarom extra organisaties.



Vergoeding voor geleden materiële of immateriële schade slachtoffer via een procedure voor de burgerlijke rechter te verkrijgen. Lukt meestal niet als de dader arm is, de buit in veiligheid gebracht is of als de dader alles heeft opgemaakt.

Ook daarom extra organisaties, zoals de Landelijke Organisatie Slachtofferhulp (1984). Al bereikt: de dader moet in sommige gevallen verplicht worden om de slachtoffers (of nabestaanden) van zijn misdrijf schadeloos te stellen.

Op veel plaatsen opgericht door Landelijke Organisatie Slachtofferhulp: Bureaus Slachtofferhulp.

Ook door de overheid opgericht: Schadefonds Geweldmisdrijven. Slachtoffers van ernstige geweldmisdrijven kunnen hierop een beroep doen.



Hoofdstuk 9, De discussie over straf



9.3 Enkele belangrijke visies uit het verleden

In het Oude Testament, Nieuwe Testament en Koran al uitgangspunten voor straf te vinden.

Thomas More (1478-1535): is het geven van straf door de overheid ooit te rechtvaardigen als diezelfde overheid, door de burgers te onderdrukken en te bestelen, de veroorzaker is van veel criminaliteit?

In 1919, Nederlanders Boeke en Wichman met dezelfde mening als Thomas More. Zij beschuldigden de overheid ervan een ongelijkwaardige samenleving in stant te houden.

Russische schrijver Tolstoi verzette zich op religieuze gronden tegen straf: heb je naasten, ook je vijanden, lief.



Verdragstheorie:

Hugo de Groot, Jean-Jacques Rousseau en Cesare Beccaria zagen misdaad als een niet nakomen van een contract dat alle mensen met elkaar gesloten hadden (lidmaatschap)

Straf was bedoeld om overtreders in gelegenheid te stellen het lidmaatschap weer te krijgen.

Vooral Beccaria hierom tegen doodstraf: een overtreder zou nooit meer lid kunnen worden.



Duitse filosoof Nietzsche (1844-1900) vond: overwin het kwade door het goede.

Toch niet tegen straf, maar straf moest een doel hebben, bijvoorbeeld: beschermen van rechtsgoederen of voorkomen van nieuwe misdaden door afschrikwekkende straf.



Nationaal-socialisten in Hitler-Duitsland misbruikten de opvatting. Joden, homo’s, zigeuners enz. moesten vermoord voor een ‘betere samenleving’, vonden zij.



Meeste juristen tegenwoordig vinden ook dat straf een doel moet hebben. Maar: straf en doel moeten in redelijke verhouding tot elkaar staan.



9.4 De klassieke stroming

Aan ons strafrecht veel ideeën van klassieke stroming ten grondslag.

Klassieke school  niet-deterministisch mensbeeld: mens is vrij om het goede te doen en het kwade te laten. Mens verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag incl. schuld aan misdaad.

Mens ook rationeel en in staat om afwegingen te maken tussen lust en last.

Aantal conclusies van klassieke school met betrekking tot het strafrecht:

- Schuldbeginsel. Een dader zonder schuld mag niet gestraft.

- Proportionele vergelding. Op zwaar misdrijf moet meer straf staan als licht misdrijf.

- Gelijkheidsbeginsel. Alle mensen voor de wet gelijk. Hierdoor dadenstrafrecht ipv daderstrafrecht. Er wordt dus straf gegeven voor de daad, niet voor dader.

- Personaliteitsbeginsel. Opgelegde straf mag alleen dader treffen, niet zijn familie.

- Legaliteitsbeginsel. In de wet moet te vinden zijn wat strafbaar is.



9.5 De moderne stroming

Onder invloed van wetenschappelijke inzichten, moderne stroming over strafrecht.

Moderne stroming  deterministisch mensbeeld: gedrag ook bepaald door biologische en sociale factoren. Ook hiervan uitgangspunten in ons strafrecht te vinden:

- Straf mag niet gegeven, puur omdat de schuld bij iemand ligt. Kan namelijk dat mens door biologische of sociale factoren niet vrij in keuze is.

- Daderstrafrecht ipv dadenstrafrecht. Er moet gekeken worden naar de gevaarlijkheid van de misdadiger en op die basis straf worden gegeven.

- Bij erfelijke afwijkingen moet crimineel worden behandeld of op andere manier onschadelijk worden gemaakt.

- Bij sociale factoren als oorzaak van criminaliteit, zoals armoede, moeten er sociale maatregelen worden genomen om criminaliteit te voorkomen (preventie). Ook sociale beveiliging, samenleving moet beschermd worden door bijv. dwangarbeid als therapie te laten doen.



Moderne school: tegen celstraf en tegen korte vrijheidstraffen  daardoor geen heropvoeding.

Moderne school accepteert wel beginsel van rechtszekerheid en legaliteitsbeginsel.



9.6 De ideeën van de abolitionisten

Abolitionisten  tegenstanders van straf, zijn voor civielrechtelijke benadering van misdaad.

Hierbij lossen slachtoffer en dader onder deskundige leiding zelf hun conflict op door een regeling te treffen = dading.

Voordeel dader: geen strafblad.

Voordeel slachtoffer: makkelijker als rechtzaak en beide partijen tevreden.

Resultaten van experimenten bemoedigend.

Lukt dading niet, dan als nog strafrechtelijke zaak.



Coornhert-liga  willen andere straf, liever nuttig werk en scholing ipv gevangenisstraf.

Taakstraffen komen voornamelijk van Coornhert-liga.



9.7 De doelen en functies van straf

Belangrijke functies en doelen van straf:

- Generale preventie = mensen afschrikken door dreigen met straffen.

Volgens onderzoek is hoogte straf weinig remmend. Wel van belang: pakkans.

- Speciale preventie = geven van straf met bedoeling herhaling van misdrijf te voorkomen.

Bedoeling: daders moeten zó onder indruk zijn van hun straf, dat ze het niet nog een keer zullen doe = recidiveren. Toch weinig effect.

- Handhaven van de rechtsorde. Samenleving beschermen en voorkomen dat mensen recht in eigen handen nemen.

- Vergelding = opzettelijk en gerechtvaardigd leed toevoegen aan een misdadiger, wraak nemen. Misdadigers moegen niet ongestraft blijven.

- Resocialisatie, is wettelijk vastgesteld in art. 26 van de Beginselenwet Gevangeniswezen. De ten uitvoerlegging van de straf moet dienstbaar worden gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in de maatschappij.

- Beveiliging van maatschappij en burgers. Gevaarlijke misdadigers achter slot en grendel zodat de burger geen gevaar loopt voor hen.

- Genoegdoening. Tegemoet komen aan wensen van slachtoffer, bijv. schadevergoeding of smartegeld, straatverbod of verplichting te verhuizen. Ook privaatrecht hier gebruikt.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

Hartstikke bedankt ik kan het zeer goed gebruiken voor mijn toets over 2 weken. Ik zal misschien wat bij moeten vullen. Maar scheelt veel werk

17 jaar geleden