Hoofdstuk 2: Waarden en normen

Normen: geven concreet aan hoe je je in bepaalde situaties moet gedragen.

Waarden: opvattingen over wat in het leven belangrijk is bijv. rechtvaardigheid, eerlijkheid en respect

Rechtsregels of rechtsnormen: regels over de manier waarop overtredingen kunnen worden tegengegaan, hoe mensen kunnen worden gedwongen de normen na te leven of hoe ze kunnen worden gestraft wanneer ze dat niet doen. Er zijn ook ongeschreven rechtsregels.



Codificatie: Het vastleggen van regels door de overheid.



Wetten: Regels die op deze manier door de overheid zijn vastgelegd.

Positieve recht: Het recht dat in een samenleving geld.



Soorten normen:

* Religieuze normen --> elke godsdienst stelt eigen normen

* Morele normen --> De meeste mensen hebben morele principes

* Fatsoensnormen --> Ongeschreven omgangsvormen.



Het verschil tussen rechtsnormen en de andere normen is dat:

1. Iedereen zich aan de rechtsnormen moet houden

2. D overheid officieel straf kan geven, als je deze overtreedt

3. Ze voor gaan op andere normen.



Doel en betekenis van rechtsregels (wetten) kunnen zijn:

1. Ze geven mensen zekerheid, mensen kunnen zich op wetten beroepen.

2. Ze hebben het doel de samenleving zo doelmatig mogelijk te ordenen.



3. Ze maken onafhankelijke rechtspraak mogelijk. Rechters kunnen daardoor hun werk doen.

4. Ze kunnen conflicten voorkomen of ze op vreedzame wijze beslechten.

5. Ze kunnen de rechtvaardigheid bevorderen.

6. Ze maken, evenals andere normen, gedrag voorspelbaar. (bijv. auto's rijden rechts)

7. Ze dragen bij aan het voortbestaan van de groep of samenleving.



De rechtnormen (wetten) die te maken hebben met criminaliteit:

* Gewoonterecht: Het recht dat niet is gecodificeerd, valt hier niet onder. Het zijn de regels die niet vast liggen in de wet, maar wel normaal zijn voor de mensen.

* Privaatrecht: Regelt vooral welke verplichtingen mensen te opzichte van elkaar hebben wanneer ze afspraken willen maken enz.

* Publiekrecht: Regelt vooral de relatie tussen de overheid en de burger. Hieronder vallen het staats-en bestuursrecht (parlement, verkiezingen, verhouding burger-gemeente enz) en het strafrecht.



Hoofdstuk 3: Wat is criminaliteit?

Strafbaar: Een daad die een straf ten gevolge heeft

Strafwaardig: Men zou er voor gestraft moeten worden

Criminaliteit: Alle strafbaar gestelde gedragingen. Het verschilt per plaats en tijd: de wetten zijn in elk land verschillend en ze worden aangepast aan de samenleving.

Legaliteitsbeginsel: Houdt in dat iemand alleen gestraft mag worden op grond van strafbepalingen die opgeschreven staan in door de overheid vastgestelde wetten. Ookwel: het gebonden zijn aan de wet.

Hoge Raad: Het hoogste rechtscollege in Nederland. Als deze in een arrest een uitspraak heeft gedaan kan die als wet beschouwd worden. Na hoger beroep kom je uiteindelijk bij de Hoge Raad uit.

Arrest: De beslissing van de Hoge Raad in een zaak die haar is voorgelegd

Jurisprudentie: Uitspraken van rechters die gevolgen kunnen hebben voor toekomstige rechtszaken.



Strafbare gedragingen zijn te onderscheiden in:

* Overtredingen -> dat zijn minder ernstige schendingen (rijden door rood e.d.)

* Misdrijven -> strafbare gedragingen die als onaanvaardbaar worden beschouwd (moord e.d.)



De Trias politica (scheiding der machten) zorgt ervoor dat overheidsorganen op verschillende manieren bij het probleem van criminaliteit in de samenleving betrokken zijn:

* Wetgevende macht (regering en parlement): stelt vast wat strafbaar is, hoe strafvervolging dient plaats te vinden, en ze plaatsen criminaliteit als beleidprobleem op de politieke agenda.

* Uitvoerende macht (regering): Kent verschillende organen onder verantwoordelijkheid van minister(s):

- Politie en Openbaar Ministerie (OM), onder verantwoordelijkheid van minister van Justitie, sporen strafbaar gedrag op.

- De burgemeester, onder verantwoording van minister van binnenlandse zaken, zorgt voor handhaving van de openbare orde.

* Rechtsprekende macht (rechters): is belast met de onafhankelijke rechtspraak. Deze onafhankelijkheid is belangrijk omdat de burger er op moet kunnen vertrouwen dat de rechter bij het vellen van een oordeel onpartijdig te werk gaat.



5 verschillende vormen van criminaliteit:

* Agressieve criminaliteit --> Mishandeling, moord, vernieling enz.

* Seksuele criminaliteit --> Aanranding, verkrachting, incest, pedofilie enz.

* Vermogenscriminaliteit --> Diefstal, heling, fraude, belastingontduiking enz.

* Verkeerscriminaliteit --> Rijden onder invloed, doorrijden na een ongeval enz.

* Overige criminaliteit --> Drugshandel, verboden wapenbezit, milieudelicten enz.

Deze vormen kunnen ook in elkaar overlopen (verkrachting & agressie, diefstal & agressie enz)



In de media wordt vaak onderscheid gemaakt tussen kleine criminaliteit (bedreigingen, vechtpartijen, inbraak enz) en zware criminaliteit (moord e.d.). De overheid noemt kleine criminaliteit ook wel veelvoorkomende criminaliteit om verkeerde suggesties te voorkomen.



Hoofdstuk 6: Criminaliteit als sociaal en politiek probleem

Criminaliteit is een sociaal probleem (een probleem van de hele samenleving) omdat:

* De samenleving materiële en immateriële schade ondervindt

* Waarden en normen door criminaliteit bedreigd worden

Het op de publieke agenda staat, d.w.z. mensen praten over de criminaliteit en over de oplossing daarvan.



Criminaliteit heeft de volgende gevolgen voor burger en samenleving op materieel vlak:

* Financiële schade aan omgeving

* Burgers en bedrijven geven veel geld uit aan beveiliging van de eigendommen

* Bedrijven rekenen de kosten van de beveiliging en de schade veroorzaakt door criminaliteit door aan hun klanten

* Verzekeren voor de gevolgen van criminaliteit door bedrijven

* Er ontstaat een zwartgeldcircuit waardoor de overheid belastinggelden en sociale premies mist



Criminaliteit heeft de volgende gevolgen voor burger en samenleving op immaterieel vlak:

* Ontstaan van angst en trauma's

* Er ontstaat morele verontwaardiging, mensen winden zich op over misdaden

* Burgers voelen zich in hun bewegingsvrijheid beperkt, overal hangen camera's e.d.

* Gevaar voor eigenrichting. (het recht in eigen handen nemen)

* Vervaging van normbesef

* Verlies aan vertrouwen in mensen en organisaties



Beeldvorming die er door de massamedia leggen nadruk op:

* Zware criminaliteit -> mensen zijn banger om 's avonds over straat te lopen dan om op een drukke straat te fietsen.

* Bepaald stereotiep beeld van misdadigers

* Nut van strenge straffen

* Overdrijving van de omvang van misdaadstatistieken



Gevolg van deze beeldvorming door burgers: ze versterken…

* Het beeld van te veel agressieve criminaliteit;

* Het stereotiep;

* Omvang van criminaliteit.



Criminaliteit is een politiek probleem, omdat

* Handhaven van de openbare orde en het verschaffen van veiligheid voor de burgers basistaken van de staat zijn

* Het voortdurend op de politieke agenda staat

* Criminaliteit wordt gezien als bedreiging voor de rechtsorde. (alle leefregels die in een gemeenschap gelden voor zover die bepaald worden door rechtsregels)



Rechtsstaat: Een staat waarbinnen de verhoudingen tussen overheid en burgers, en ook de verhouding tussen burgers onderling, in wetten is geregeld.



De achtergrond van de rechtsstaatgedachte is: dat de burgers beschermd wordt.

De rechtsstaatgedachte is verankerd in de Grondwet en internationale verdragen.



Kenmerken van de rechtsstaat zijn:

* Er is een grondwet die betrekkingen tussen overheid en burgers regelt

* De overheid moet de rechtsorde handhaven met de middelen die de wet de overheid geeft. Hierbij moeten de rechten van de burgers gerespecteerd worden.

* Er is een duidelijke scheiding van machten.

* De wetgeving komt tot stand in samenwerking met de volksvertegenwoordiging (wetgevende macht). We spreken van democratische rechtsstaat.

* De regering als uitvoerende macht moet zich houden aan de voorschriften van de wet.

* Een rechter beslist in geschillen tussen burgers onderling en tussen burgers en overheid (rechterlijke macht)

* Grond- of vrijheidsrechte van burgers zijn omschreven en gewaarborgd.



Hoofdstuk 7: Het strafrecht

Wetgeving over criminaliteit valt uiteen in

* Het strafrecht: daarin wordt beschreven welke gedragingen beschouwd moeten worden als strafbaar, onder welke voorwaarden deze gedragingen ook werkelijk gestraft kunnen worden en welke straffen;

* Het strafprocesrecht: daarin worden de procedures beschreven die door politie en justitie gevolgd moeten worden om tot een veroordeling van een verdachte te kunnen komen.



Om te kijken wat strafbaar is in Nederland, kijken we in verschillende bronnen (wetboeken, wetten en jurisprudentie)

De allerbelangrijkste bronnen kunnen we noemen:

* het Wetboek van Strafrecht (W.v.S.), ingevoerd in 1886

* het Wetboek van Strafvordering (W.v.Sv.), ingevoerd in 1886

* de Opiumwet, ingevoerd in 1928

* de Wegenverkeerswet, ingevoerd in 1935

* de Wet op de economische delicten, ingevoerd in 1950

* de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, ingevoerd in 1959

* verschillende milieuwetten

* de Vuurwapenwet



Het Wetboek van Strafrecht is het belangrijkst, daar staan de uitgangspunten van ons strafrecht in.

Dit Wetboek van Strafrecht bestaat uit 3 boeken:

* Algemene Bepalingen (uitgangspunten voor strafrecht)

* Misdrijven (concreet geformuleerde strafbare gedragingen)

* Overtredingen (concreet geformuleerde strafbare gedragingen)



Enkele principes van het eerste boek:

* Legaliteitsbeginsel (houd in dat iemand alleen veroordeelt en gestraft mag worden op grond van duidelijke geformuleerde regels. Elk wetsartikel uit het strafrecht bestaat uit delictsomschrijving en strafmaximum)

* ne bis in idem-principe: niemand kan twee keer voor hetzelfde vergrijp gestraft worden

* Verjaring: na verloop van tijd kan iemand niet meer vervolgd worden omdat de overtreding of het misdrijf ‘verjaard’ is.

* De verjaringstermijnen hangen af van de zwaarte van het delict; minimaal 2 jaar, maximaal 18 jaar. Voor minderjarigen worden ze met een derde bekort.



Straf: de dader laten boeten. Ze zijn te verdelen in 2 categorieën:

* Hoofdstraffen:

- Gevangenisstraffen; (minimaal 2 dag, maximaal 20 jaar)

- Hechtenis; (min 1 dag, max 1 jaar + 4 mnd), minder zware vorm van gevangenisstraf

- Geldboetes; (min f5,-, maximale hangt samen met indeling in 6 schijven. Laagste

schijf kent maximum van f500,-, de hoogste heeft een maximum van f1.000.000-)

- Taakstraffen; onbetaalde arbeid ten algemene nutte (ookwel alternatieve straf)

Maximaal 240 uur i.p.v. 6 maanden gevangenis. Kunnen ook leerstraffen zijn.

* Bijkomende straffen zijn straffen die naast de hoofdstraf kunnen worden opgelegd en die direct met de aard van het delict te maken hebben. (verkiezingsfraude --> stemrecht kwijtraken, onder invloed rijden --> rijbewijs en/of auto kwijtraken)



Maatregel: dader niet laten boeten maar de samenleving tegen de dader of de dader tegen zichzelf beschermen. De belangrijkste maatregelen zijn terbeschikkingstelling (tbs, de dader wordt dan behandeld in een inrichting), plaatsing in een inrichting en onder toezichtstelling. TBS duurt zo lang als de rechter behandeling nodig vindt, is dus voor onbepaalde tijd.

Maatregelen worden vooral opgelegd in geval van ontoerekenbaarheid, kunnen in combi met straf.



Voorwaardelijke straf: De straf/maatregel wordt niet uitgevoerd als de veroordeelde binnen afgesproken proeftijd geen strafbaar feit pleegt en zijn afspraken (boete betalen e.d.) nakomt.



Of gedrag strafbaar is, hangt af van de volgende voorwaarden:

* Alleen menselijk gedrag is strafbaar (dus geen gedachten en gevoelens)

* Alle bestanddelen uit de delictsomschrijving moeten zijn bewezen

* Het gedrag moet wederrechtelijk (in strijd met het rechtorde) zijn, d.w.z. er moet geen sprake zijn van een rechtvaardigingsgrond. (dader noemt goede redenen om niet gestraft zou moeten worden, als rechter akkoord gaat wordt hij 'ontslagen van rechtsvervolging' d.w.z. geen straf.

Rechtvaardigingsgronden zijn:

- Noodweer: is sprake van als iemand geprobeerd heeft lijf en goederen te verdedigen tegen aanvallen

- Overmacht: (is sprake van wanneer de verdachte op een of andere manier tot het strafbaar feit werd "gedrongen", soms kan de verdachte daar zelf helemaal niets aan doen)

- soms moest de verdachte kiezen tussen twee kwaden (relatieve overmacht, noodtoestand). In veel gevallen zal het hier gaan om mensen die humanitaire overwegingen zwaarder lieten tellen dat de letter van de wet.

* Schuldbeginsel (de dader moet schuldig zijn) Soms kan een delict worden gepleegd zonder dat de dader aangerekend kan worden, dan kan de dader zich beroepen op schulduitsluitingsgrond en zal niet worden gestraft. Nederlands strafrecht --> Geen schuld, geen straf.

Schulduitsluitingsgronden zijn:

- Ontoerekenbaarheid; Geestelijk gestoorde weet niet wat hij doet en heeft dus geen schuld

- Noodweerexces; Iemand hanteert hardere verdedigingsmiddelen dan noodzakelijk zou zijn.

- Psychische overmacht/overmachtexces; Als iemand onder zware psychische druk een misdrijf pleegt, 'iedereen' zou dat dan gedaan hebben.

- Afwezigheid van alle schuld; Iemand kan een delict plegen zonder dat hij dat weet.



Schulduitsluitingsgronden en rechtvaardigingsgronden zijn strafuitsluitingsgronden; er zijn wel strafbare feiten gepleegd, maar er wordt geen straf gegeven.



Hoe hoog of laag de straf bepaald wordt door de rechter, hangt van de volgende factoren af

* De ernst van het delict

* Omstandigheden waaronder het delict is gepleegd, 2 soorten:

- de subjectieve omstandigheden: hebben te maken met de dader:

'Heeft de dader echt met opzet gehandeld of was er slechts spraken van nalatigheid?'

- de objectieve omstandigheden: de rechter kijkt nu naar omstandigheden, bijv. naar de gevolgen van de daad. Zijn deze gevolgen ernstig, dan zal de straf hoger uitvallen dan wanneer de gevolgen minder ernstig zijn. Naast de ernst van de gevolgen kan ook gekeken worden naar zgn. "bijkomende omstandigheden" (bijv. inbraak bij diefstal e.d.)



Voor jongeren beneden de 18 jaar gelden een aantal andere regels:

* Kinderen jonger dan twaalf jaar kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd;

* Kinderen tussen twaalf en achttien jaar kunnen alleen terecht staan voor de kinderrechter;

* De rechtszittingen zijn niet openbaar;

* Andere straffen en maatregelen: tuchtschool, HALT-taakstraffen, aanstelling gezinsvoogd.

In sommige gevallen worden jongeren wél als volwassenen berecht, bijv. een 17-jarige in een bende van volwassenen.



- Het tweede boek: een aantal gedragingen zoals moord, mishandeling, verkrachting, meineed, diefstal en bedrog wordt door iedereen als "misdadiger" ervaren, zelfs al zou er geen wet zijn die zegt dat deze gedragingen misdadig zijn. Iedereen begrijpt dat dit soort handelingen onrechtvaardig is en niet door de beugel kan. Deze gedragingen worden door de wetgever misdrijven genoemd.

- Het derde boek: ook gedragingen waarvan iedereen wel aanvoelt dat ze niet door de beugel kunnen, maar waarvan ook iedereen vindt dat ze niet zo vreselijk laakbaar zijn noemen we overtredingen.



Verschil tussen overtredingen en misdrijven als we kijken naar de gevolgen die voortvloeien uit het plegen van een delict:

Misdrijven:

- Voor misdrijven krijgt men meestal wel een strafblad

- De meeste misdrijven worden door arrondissementsrechtbanken behandeld

- Bij misdrijven wordt als vrijheidsstraf meestal gevangenisstraf gegeven

Overtredingen:

- Overtredingen worden altijd door de kantonrechter afgehandeld

- Maatregelen kunnen bij overtredingen nooit worden opgelegd

- Voor overtredingen krijgt men meestal geen strafblad



Het hebben van een strafblad kan betekenen dat men voor bepaalde overheidsfuncties niet meer in aanmerking komt.



Hoofdstuk 8: Het strafproces

Actoren: personen die een bepaalde rol spelen

Van alle actoren in het strafproces recht duidelijk vast gelegd wat zij moeten doen, om willekeur te voorkomen.

Daarom is een verdachte ook altijd onschuldig totdat hij door de rechter schuldig is bevonden en veroordeeld.

Daarom mag iemand ook niet onbeperkt in voorlopige hechtenis worden gehouden.

Voorlopige hechtenis: opsluiting in afwachting van het proces.



Nederland heeft geen juryrechtspraak, de VS, Groot-Brittannië, Frankrijk en België wel.

Aanklagers en verdedigers moeten met pleidooien de ondeskundige jury bewerken.

De rechter is voorzitter en bepaald de hoogte van de straf.

Voordeel juryrechtspraak:

- Jury kan beter weergeven wat de volksovertuiging is

- Jury kan zich beter in de positie van verdachte en slachtoffer plaatsen dan beroepsrechter



Nederlandse strafprocesrecht vooral beschreven in het Wetboek van Strafvordering uit 1926:

Rechter zit het proces voor en bepaald of de verdachte schuldig is en welke straf hij krijgt.

Rechterlijke macht is onafhankelijk, dus niemand kan hem dwingen tot beslissingen.

Rechters formeel bij Koninklijk Besluit voor de duur van het leven benoemd

* Officier van Justitie (ovj) beslist of verdachte voor rechter moet verschijnen zo ja, dan heeft de officier tot taak de tenlastelegging (een aanklacht gebaseerd op wettelijke bepalingen) te formuleren. Tijdens het proces moet hij ervoor zorgen dat de bewijzen tegen de verdachte aan de rechter(s) worden overlegd. Hij doet dat door getuigen, deskundigen en verdachte te ondervragen.

In zijn requisitoir (slotpleidooi) eist de officier van justitie een bepaalde straf.

Ovj werkt nauw samen met politie. Alle Ovj’s samen = Openbaar Ministerie. Worden benoemd door Minister van Justitie.

Of bepaalde misdrijven wel en andere misdrijven niet snel vervolgd en voor de rechter gebracht worden kan

afhankelijk zijn van de politieke visie van de minister.

* Elke verdachte heeft recht op een professionele verdediging. Als hij die niet kan betalen krijgt hij een advocaat toegewezen = pro-deo-advocaat. Wordt betaald door overheid. Taak advocaat = belangen van de verdachte verdedigen en best doen de bewijzen van ovj te ontkrachten voor vrijspraak of een zo laag mogelijke straf. Advocaat mag ook getuigen, deskundigen en verdachte verhoren. Pleidooi advocaat komt na het requisitoir van ovj en daarin zal de advocaat pleiten voor vrijspraak of voor lagere straf de geëiste door de ovj. Advocaat heeft geheimhoudingsplicht.

* Getuigen: Deskundigen of mensen die informatie hebben over de zaak. Vragen moeten onder ede beantwoord worden en dus moet dat de waarheid zijn.

Verdachte hoeft niks te zeggen en hoeft niet mee te werken. Medewerking kan wel lagere straf opleveren. Verdachte mag eigen verdediging voeren en getuigen en deskundigen ondervragen, behalve voor de Hoge Raad. Toch wordt meestal advocaat ingeschakeld.

Verdachte heeft recht op laatste woord.

Verdachte alleen veroordeelt als strafbare feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

Slachtoffer speelt nauwelijks een rol, kan als getuige worden gehoord.



Veel verschillende rechters in Nederland. Verschillende competenties = bevoegdheden:

* Relatieve competentie: De bevoegdheid van een bepaalde rechter in een bepaalde streek. Als een strafbaar feit zich heeft plaats gevonden in bepaalde streek, moet de rechter van dat gebied een oordeel vellen.

* Absolute competentie: De bevoegdheid om te oordelen in bepaalde delicten:

Delicten worden door verschillende soorten rechters behandeld:

- Overtredingen door kantonrechter. Hij vonnist alleen.

- Misdrijven door (arrondissements)rechtbanken.

- Eenvoudige zaak door alleenrechtsprekende politierechter.

- Ingewikkelde zaak door meervoudige kamer (college van drie rechters).

- Zaak van jongeren door kinderrechter



Als een verdachte of ovj het niet eens is met de uitspraak kunnen ze in hoger beroep gaan = de zaak wordt voorgedaan aan een hogere rechter.



Het Hof behandelt alleen beroepszaken.

Beroep bij Hoge Raad, het hoogste rechtsorgaan van ons land, heet cassatie (in cassatie gaan). De Hoge Raad kijkt of de rechter de wetgeving op de juiste manier heeft toegepast. Soms moet de Hoge Raad dan een uitspraak doen over een onduidelijke bepaling in de wet. Er ontstaat dan jurisprudentie.



Vonnis: Een uitspraak van kantonrechter of arrondissementrechter.

Arrest: Een uitspraak van het Hof en van de Hoge Raad.

Raadsheren: Rechters van het Hof en Hoge Raad.

Er zijn ook burgerlijke, administratieve en tuchtrechters.



Bij elke rechtszitting is een lid van het OM de aanklager:

Bij 't kantongerecht en arrondissementsrechtbank: officier van justitie

Bij het Hof en Hoge Raad: procureur-generaal

Voor verkeersdelicten bij kanton- of arrondissementsrechtbank: verkeersschout



Openbaar Ministerie heeft 3 belangrijke taken:

* Leiden van het opsporingsonderzoek. Nauwe samenwerking met politie.

Het vervolgen van strafbare feiten. het vervolgen van strafbare feiten (bij een aantal gevallen zal de officier van justitie beslissen dat een verdachte niet voor de rechter hoeft te verschijnen: seponeren

Seponeren: dat de officier van justitie besluit een zaak niet voor de rechter te brengen, zodat de verdachte niet veroordeeld kan worden, motieven daarvoor:

*hij vindt het door de politie aangedragen bewijsmateriaal onvoldoende.

*vind zaak in relatie tot andere zaken onbelangrijk.

*vind dat verdachte nog een kan moet krijgen om onder veroordeel uit te komen.

Opportuniteitsbeginsel: speelt een rol bij de beslissing om wel of niet te seponeren: het

algemeen belang weegt zwaarder dan de vervolging van een verdachte. Nadeel seponeren: kan

leiden tot rechtsongelijkheid of willekeur.

* Het doen uitvoeren van de opgelegde vonnissen (het Openbaar Ministerie zorgt ervoor dat veroordeelden tot gevangenisstraf hun straf ondergaan, in opgelegde geldboetes enz.)



Taken politie:

- openbare orde handhaven

- hulp verlenen

- strafbare feiten opsporen



Voor strafbare feiten opsporen voor OM heeft politie bepaalde bevoegdheden:

- Politie mag een persoon staande houden en vragen naar persoonlijke gegevens (naam, adres).

De persoon moet wel verdacht worden van een strafbaar feit. Dus niet willekeurig!

- Politie mag een verdachte aanhouden en meenemen naar bureau voor een verhoor. Maximaal 6

uur, excl. de nachtelijke uren tussen 24.00 en 9.00.

- Politie mag verdachte vasthouden onder bepaalde voorwaarden = inverzekeringstelling.

Ovj moet altijd toestemming geven. Dat doet hij als de politie meer tijd nodig heeft voor het onderzoek als

het om een zwaar misdrijf gaat.

Inverzekeringstelling: duurt max. 6 dagen op politiebureau.

Als een rechter-commissaris of de rechtbank akkoord gaat kan de verdachte voor max. 102 dagen in

voorlopige hechtenis worden gehouden.

Rechter-commissaris: lid van de rechtbank die bewijsmateriaal verzamelt ter voorbereiding van de

rechtszitting.

- Politie mag onder bepaalde voorwaarden zaken in beslag nemen, mensen fouilleren, huiszoeking doen, telefoons aftappen, enz.

- Politie mag door aanbieden van een schikking de straf op bepaalde overtredingen zelf afhandelen.



Rechten van politie nauwkeurig beschreven. Als de politie buiten het boekje gaat krijgt de verdachte het voordeel van de twijfel. Reden: anders zou de politie zich niet meer aan regels hoeven houden.



Hoofdstuk 9: De discussie over straf

Functies en doelen van straf:

* Generale preventie: Wanneer het dreigen van straffen mensen afschrikt van criminaliteit. Ook als men denkt dat de pakkans van een delict hoog is, schrikt dat diegene af.

* Speciale preventie: Het geven van straf met bedoeling herhaling van een misdrijf voorkomen, iemand die in de gevangenis heeft gezeten moet daar zo van onder de indruk zijn dat hij het wel zal laten om de misdrijf nog een keer te plegen. Recidiveren: Enkele malen voor hetzelfde delict terugkomen.

* Handhaving van de rechtsorde: Door te straffen voorkom je dat burgers het recht in eigen hand gaan nemen, waardoor het een puinhoop zal worden.

* Vergelding: Niemand zou het begrijpen wanneer een zware misdaad ongestraft zou blijven omdat het toch niks uithaalt en geen nut heeft voor de samenleving.

* Resocialisatie: De straf word dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van gedetineerde in het maatschappelijk leven.

* Beveiliging van de maatschappij en burgers: Wanneer een moordenaar achter tralies zit kan hij niemand meer wat doen.

* Genoegdoening: Om aan de wensen van het slachtoffer tegemoet te komen.



Hoofdstuk 10: Het overheidsbeleid

Voor het aanpakken van het criminaliteitsprobleem kan de overheid kiezen tussen repressief beleid waarbij wordt opgetreden als de criminaliteit is geschied, of voor een preventief beleid dat gericht is op et voorkomen van criminaliteit. Voor het aanpakken van de criminaliteit kan de overheid haar aandacht richten op een aantal terreinen:

De wetgeving

De wetgever kan beslissen wat een crimineel is, maar ook over de hoogte en de aard van de straf. Een overheid die generale preventie als belangrijke functie van straf ziet, zal zorgen voor hoge strafmaxima. Een overheid die straf vooral ziet als middelen om te resocialiseren, zal juist de mogelijkheden voor alternatieve straffen via de wetgeving willen uitbreiden.

Het opsporings- en vervolgingsbeleid

De minister van Justitie is verantwoordelijk voor het opsporings en vervolgingsbeleid. Bij het opsporingsbeleid gaat het om de vraag welke vormen van misdaad speciale aandacht verdienen. Ook bij het vervolgingsbeleid gaat het om prioriteiten stellen. Zo kan de minister aangeven welke delicten meer aandacht van het Openbaar Ministerie moeten krijgen en welke minder. Het openbaar ministerie probeert ook de pakkans te verhogen, met goed resultaat. De pakkans (de kans dat een dader van een delict door de politie word opgespoord) is afhankelijk van drie zaken:

- De aangiftebereidheid van de burger

- De zichtbaarheid van het delict

- Het selectieve opsporingsbeleid van de politie, waar stelt men zijn prioriteiten.

Het gevangenisbeleid

Door de jaren heen is het resocialisatiebeginsel in de wet opgenomen (Beginselenwet Gevangeniswezen). De regering zal moeten afwegen of er meer cellen bij moeten komen en of er meer geld moet worden vrijgemaakt voor gevangenissen, om hier problemen op te lossen.

Preventie

In de nota Samenleving en Criminaliteit die in 1985 door de Commissie-Roethoff werd gepubliceerd, wordt een aantal maatschappelijke ontwikkelingen geschetst die verband houden met de toename van criminaliteit:

- De werkeloosheid

- De sterk gestegen welvaart, waardoor er meer gelegenheid tot diefstal is gekomen.

- Toegenomen alcohol en drugs gebruik

- Afnemend gezag van de overheid

- Vervagen van normen en waarden

- Onbestraft laten van misdrijven en overtredingen

- Verminderen van de informele sociale controle

- De marginalisering van bepaalde groepen allochtonen



Mogelijkheden die kunnen dienen ter preventie van criminaliteit kunnen zijn:

• Aanpassing van de bebouwde omgeving, bevordering van sociale veiligheid

• Vergroten van de (sociale) controle en het functionele toezicht

• Bindingen met de samenleving versterken

• Voorlichting en onderwijs

• Het structureel verbeteren van leefomstandigheden van mensen

• Veranderen van de wetgeving of het vervolgingsbeleid. Denk daarbij aan de invoering van snelrecht bij vandalisme en aan het lik-op-stuk-beleid (direct betalen bij een geconstateerd delict), de pakkans vergroten, decriminaliseren (bijvoorbeeld softdrugs toestaan)



De aanpak van georganiseerde misdaad

De georganiseerde misdaad voorziet in de maatschappelijke behoefte aan illegale goederen en diensten. Ook lost het maatschappelijke en economische problemen op waarvoor de overheid geen betaalbare of voor de betrokkenen aanvaardbare oplossingen kan bieden.

Bij een georganiseerde misdaad zijn meestal veel mensen betrokken die een goede taakverdeling hebben. De commissie Van Traa adviseerde om vooral mensen met economische kennis te gaan betrekken bij het bestrijden van de georganiseerde misdaad.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

Hoi Rianne,

Ik heb je werkstuk gelezen over Criminaliteit en vond het erg goed. Ik ben een betoog aan het schrijven zou jij je menig erover willen geven. Wat vind jij? Zijn alternatieven straffen beter dan gevangenisstraffen? Ik ben er tegen. Want ze zitten hun straf uit en komen er makkelijk van af. En in de gevangenis krijgen ze alles het is er trouwens nu nog luxer als eerst. Wat vind jij ?

15 jaar geleden