Waarden: normen - religeuze normen

(datgene dat gedragsregels - morele normen

nastrevenswaardig - fatsoensnormen

is) - rechtsnormen = wettelijk (positief recht.)



= niet geschreven (gewoon recht)

= gecodificeerd(vastgelegd door de overheid)



Privaatrecht: regelt verplichtingen tussen burgers onderling.

Publiekrecht: idem. Burgers en overheid.: - staats en bestuursrecht

- strafrecht (criminaliteit)





betekenis van rechtsregels

- rechtsregels geven zekerheid.

- rechtsregels hebben ook de pretentie de samenleving zo doelmatig mogelijk te ordenen.

- rechtsregels maken onafhankelijke rechtspraak mogelijk.

- rechtsregels kunnen conflicten voorkomen of beslechten.

- rechtsregels kunnen rechtvaardigheid bevorderen.

- rechtsregels dragen bij aan het voortbestaan van de groep of samenleving.



Wetboek van Strafrecht:

Reden om wetten in het wetboek te veranderen:

- normen en waarden van de bevolking veranderen

- onze samenleving wordt complexer (vroeger kon je nog niet rijden onder invloed want er was én nauwelijks verkeer én er waren nog nauwelijks auto’s)

De wetten worden veranderd zodat ze beter na te streven zijn. Men zou niet naar de wetten luisteren als ze té streng waren.





Criminaliteit: alle gedrag dat volgens de wet strafbaar is.

Strafbaar: alles wat volgens de wet verboden is.

Strafwaardig: wat volgens een individu afgestraft zou moeten worden.

Overtreding: criminele handeling volgens boek 3 WVS.

Misdrijf: criminaliteit volbens boek 2 WVS.

Legatiteitsbeginsel: het uitgangspunt dat alleen gestraft mag worden wat in de wet

verboden is.

Arrest: uitspraak van de rechter

Jurisprudentie: uitspraak van een rechter waarmee andere rechters in latere zaken rekenig

Houden.



Soorten criminaliteit



1 agressieve criminaliteit: criminaliteit dat gepaard gaat met geweld en vernieling.

2 sexuele criminaliteit: afdwingen van sexuele handelingen tegen de zin van het slachtoffer.

3 Vermogenscriminaliteit: criminaliteit waarbij het gaat om materieel gewin.

4 verkeerscriminaliteit: zondigen tegen verkeersregels.

5 overige: alles wat onder de vorige vier viel.



Kleine criminaliteit: veel voorkomende criminaliteit.



Statistieken:

Misdrijfstatistieken: deze zijn niet zo betrouwbaar om de volgende redenen:

- ze geven alleen een beeld van de geregistreerde criminaliteit omdat:

 niet iedereen aangifte doet (bijv. iemand doet geen aangifte als zijn of haar fiets gestolen is omdat hij of zij er toch niet vanuit gaat dat de fiets weer gevonden wordt. Ook kan het zijn dat iemand het niet aangeeft omdat het misdrijf wat gepleegd is tot een taboe behoord zoals bij incest soms het geval is.)

 niet alle misdrijven worden ontdekt. Zo kan iemand een hele rit gereden hebben terwijl hij onder invloed van alcohol of drugs was, maar die iemand is niet aangehouden en heeft geen ongelukken gemaakt.

 niet alle misdrijven worden geregistreerd omdat de formulieren niet altijd goed ingevuld worden,

 als er meer gesurveilleerd wordt, worden er ook meer misdrijven ontdekt,

 een agent kan subjectief geoordeeld hebben zodat het misdrijf niet waarheidsgetrouw op papier staat.



Slachtofferenquête: nadelen:

- de metingen van slachtofferenquêtes zijn subjectief en dus onbetrouwbaar,

- er worden te weinig van zulk soort enquêtes gehouden zodat ernstige misdrijven, zoals moord, er soms geheel niet in voor kan komen terwijl er natuurlijk wel moorden gepleegd zijn,

- slachtofferloze misdrijven zijn er wel (vuilnis storten) maar zullen nooit op een slachtofferenquête ingevuld worden.

Daderenquêtes: zijn ook niet betrouwbaar omdat:

- daders durven niet altijd de waarheid te vertellen,

- zeker bij harder criminaliteit, zal een dader dat (haast) nooit invullen.



Toch kunnen we uit een aantal cijfers bepaalde conclusies trekken:

 groep van probleem jongeren.

- sociale problemen.

- nauwelijks perspectief op sociale mobiliteit.

- slecht ontwikkeld gevoel voor waarden en normen.

- Ze beschikken niet over genoeg sociale vaardigheden.

 etnische afkomst.

 locatie

 criminaliteit is inzekere zin ook milieugebonden.

 georganiseerde misdaad is toegenomen.

 meisjes zijn toegetreden tot het criminaliteitswereldje.



Klasieke school: criminaliteit is het gevolg van slecte leefomstandigheden. (diefstal uit armoede)

Antropologische school: criminaliteit is erfelijk bepaalt (Lombroso)

Sociologische school: criminaliteit is het gevol van sociale ongelijkheid.

|

|_ nuance verschillen.

- criminaliteit is het gevolg van weinig binding met de samenleving.

- Weinig scholing, laag op de maatschappelijke ladder, niet verantwoordelijk



Sociaal-psychologische school: criminaliteit is het gevolg van het milieu waarin men opgroeit.

Multi-causale benadering: criminaliteits oorzaken zijn zowle aangeleerd als aangeboren.

(nurture; nature).

Nature:

- gen afwijkingen

- hersen afwijkingen

- hormoonafwijkingen

- nuro-fysiologische reacties ( hoe men reageert op onveilige situaties)



Nurture

- opvoeding

- leeftijdgenoten

- sociale klasse



erfelijkheid 30%

aangeleerdheid 70%



criminaltiteit is zowel een poliek- als een sociaalprobleem.

Schade word meestal in geld uitgedruk maar er kan ook schade zijn aan een ziel. Deze schade is maar beperkt te repareren. Deze schade manifisteert zich op allerlei manieren:

- slachtoffer van criminaliteit.

- criminaltiteit veroorzaakt morele verontwaardiging.

- Mensen worden in hun bewegingsvrijheid beperkt.

- Mensen krijgen de neiging om hun eigen zaakjes op te gaan lossen.

(eigenrichting; recht in eigen handen nemen.

- Crimninaliteit kan leiden tot vervaging van het normbesef.

- Criminaliteit leidt tot verlies aan vertouwen in mensen en organisaties.



Criminaliteit wordt soms gezien als bedreiging van der rechtsorde; alle leefregels die in een gemeenschap gelden voorzover die bepaald worden door rechtsregels.



Rechtstaat is te herkennen aan de volgende zaken:

- grondwet

- legaliteitsbeginsel

- duidelijke scheiding van machten (trias politica)

- democratie

- regering als uitvoerende macht

- onafhankelijke rechter als rechterlijke macht

- grond- of vrijheidsrechten van burgers zijn omschreven en gewaarborgd.



Wetgeving over criminaliteit strafrecht valt onder het wetboek van strafrecht.

Inhoud: - welk gedrag is strafbaar

- welke staffen zijn er



A boek 1 algemene bepalingen

Kenmerken:

- legaliteitsbeginsel: alleen straffen of grond van duidelijke regels.

- Ne bis in idem: iemand kan niet 2x voor het zelfde gestraft worden.

- Verjaring: na bepaalde tijd kan iemand niet meer vervolgd worden.

Straffen:

- hoofdstraffen: gevangenis, hechtenis, taakstraf

- bijkomende straffen: inbeslagname

- maatregelen: TBS

- voorwaardelijke straf

strafbaarheid:

- menselijk gedrag

- voldoen aan delicts omschrijving (voldoende bewijs)

- wederrechtelijk

- schuldbeginsel

Hoogte van de straf:

- straf maximum

- subjectieve omstandigheden

- objectieve omstandigheden

vermindering van de staf:

- poging of deelneming



B boek 2

Misdrijven: gevangenis, wel strafbaar.



C boek 3

Overtredingen: hectenis, geen strafblad



Strafprocesrecht: hierbij gaat het om procedures om tot een veroordeling te komen.



Enkele belangrijke visies uit het verleden

In het Oude Testament, Nieuwe Testament en Koran al uitgangspunten voor straf te vinden.

Thomas More (1478-1535): is het geven van straf door de overheid ooit te rechtvaardigen als diezelfde overheid, door de burgers te onderdrukken en te bestelen, de veroorzaker is van veel criminaliteit?

In 1919, Nederlanders Boeke en Wichman met dezelfde mening als Thomas More. Zij beschuldigden de overheid ervan een ongelijkwaardige samenleving in stant te houden.

Russische schrijver Tolstoi verzette zich op religieuze gronden tegen straf: heb je naasten, ook je vijanden, lief.



Verdragstheorie:

Hugo de Groot, Jean-Jacques Rousseau en Cesare Beccaria zagen misdaad als een niet nakomen van een contract dat alle mensen met elkaar gesloten hadden (lidmaatschap)

Straf was bedoeld om overtreders in gelegenheid te stellen het lidmaatschap weer te krijgen.

Vooral Beccaria hierom tegen doodstraf: een overtreder zou nooit meer lid kunnen worden.



Duitse filosoof Nietzsche (1844-1900) vond: overwin het kwade door het goede.

Toch niet tegen straf, maar straf moest een doel hebben, bijvoorbeeld: beschermen van rechtsgoederen of voorkomen van nieuwe misdaden door afschrikwekkende straf.



Nationaal-socialisten in Hitler-Duitsland misbruikten de opvatting. Joden, homo’s, zigeuners enz. moesten vermoord voor een ‘betere samenleving’, vonden zij.



Meeste juristen tegenwoordig vinden ook dat straf een doel moet hebben. Maar: straf en doel moeten in redelijke verhouding tot elkaar staan.



De ideeën van de abolitionisten

tegenstanders van straf, zijn voorAbolitionisten civielrechtelijke benadering van misdaad.

Hierbij lossen slachtoffer en dader onder deskundige leiding zelf hun conflict op door een regeling te treffen = dading.

Voordeel dader: geen strafblad.

Voordeel slachtoffer: makkelijker als rechtzaak en beide partijen tevreden.

Resultaten van experimenten bemoedigend.

Lukt dading niet, dan als nog strafrechtelijke zaak.



De doelen en functies van straf

Belangrijke functies en doelen van straf:

- Generale preventie

- Speciale preventie

- Handhaven van de rechtsorde.

- Vergelding

- Resocialisatie

- Beveiliging van maatschappij en burgers.

- Genoegdoening.



De overheid kan criminaliteit ook aanpakken dmv een repressiefbeleid (er word opgetreden als er criminaliteit geschied) of een preventiefbeleid (er wordt iets gedaan aan het voorkomen van misdaad).

De minister van Justitie is hoofd van het OM. Hij is verantwoordelijk voor zowel het opsporings- als het vervolgbeleid.

Bij opsporingsbeleid gaat het om de vraag welke vormen van misdaad speciale aandacht vedienen dus er moeten prioriteiten gesteld worden.



Ook in het vervolgingsbeleid wodren steeds prioriteiten gesteld. Zo kan de minister aangeven weke delicten aandacht moeten krijgen bij het OM.

Miscrijven die gepleegd zijn door mesnen uit een bepaalde klasse krijgen meer aandacht; klassejustitie. Dit komt o.a door:

- verschil in inkomen, opleiding, scholing en cultuur.

- Bepaalde sociale milieus zijn crimineler en agresiever.



De pakkans ( kans dat de dader gepakt word) is afhankelijk van 3 zaken:

- aangifte bereidheid van de burger

- de zichtbaarheid van het delict

- selectieve opsporingsbeleid van de politie



Het resocialisatiebeginsel is in de wet opgenomen.



Maatschappelijke ontwikkelingen die vorband houden met de toename van criminaliteit:

- werkloosheid, metname onder jongeren

- sterkgestegen welvaart, meer gelegenheid tot diefstal

- toegenome alcohol- en drugsgebruik

- afnemende betekenis van het maatschappelijke middenveld als gevolg van induvidualisering.

- Afneming van het normen en waarden besef

- Het onbestraft laten van overtredingen

- Verminderen van informele sociale controle

- De marginalisering van bepaalde groepen allochtochen (preventieve maatregelen)



Mogelijkheden voor oplossingen:

- aanpassen van de bebouwde omgeving, het bevorderen van ‘sociale veiligheid’.

- Vergroten van sociale controle dmv functionele toezicht.

- Versterken van de binding van de jeugd met de samenleving

- Voorlichting

- Structureel verbeteren van de leefomstandigheden.

- Veranderen van de wetgeving.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.