ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis

Middeleeuwen

 

Dit is een periode van verval, onwetendheid en barbaarsheid. Feodaliteit: machtige heren hadden vazallen die hem trouw en bescherming beloofden. In ruil daarvoor kregen zij een stuk grond te leen (feodum). Dit is het eerste leenstelsel. De beroemdste vorst was Karel de Grote (786-814). Hij wou een eenheid stimuleren door al zijn onderworpen volken tot het Christendom te bekeren. Er werden vele chansons de geste (heldendicht) over hem geschreven. Ze werden ook wel Frankische of Karelromans genoemd.

 

Kenmerken van de middeleeuwen:

  • Memento Mori
  • Oudste Oudnederlands: Hebban Olla Vogala nestas
  • Angst voor de dood en het hiernamaals
  • Verlangen naar de dood om de ellendigheid op aarde te ontsnappen
  • Geconcentreerd op God
  • Onverklaarbare verschijnselen werden in verband met het Goddelijke gebracht
  • Bijbelse geschriften zijn de kennisbron
  • Jeruzalem was het middelpunt van de aarde

 

Er was geen culturele eenheid. Schrijvers waren anoniem en kopieerden elkaars werk. Een voorbeeld hiervan is het toneelstuk Elckerlyc (Everyman in het Engels en Jedermann in het Duits). Dit is een moraliteit, een spel met godsdienstig of moreel probleem. Teksten werden met de hand geschreven tot de boekdrukkunst ontstond in 1450. Het schrijven werd gedaan in het scriptorium van een klooster. De uitgebreide versiersels van de hoofdletters worden ook wel miniaturen genoemd.

 

Het heldendicht is van oorsprong Frans. De gedichten werden aangepast aan de plaatselijke situatie bij vertalingen. Deze gedichten moesten de macht van de Koning bewijzen. Het belangrijkste thema: conflicten tussen de Koning en zijn vazallen. Voorbeelden: het Duitse Nibelungenlied, het Engelse Beowolf en het Franse Chanson de Roland.

 

Er ontstaan Arthurromans over de Engelse koning, die gaan over een queeste: een avonturentocht die de held de zelfkennis verschafte om uit te groeien tot hoofse ridder. Hoofse ridders richtten zich op verfijnde omgangsvormen als teken van echte adel. Ze worden ook wel Britse romans genoemd. Bekende verhalen gaan over Walewein, Perceval, Lancelot of Keye. Een laat voorbeeld is Le Morte Darthur van Sir Thomas Malory, omdat in zijn tijd de ridderlijkheid was verdwenen.

 

Humor werd belangrijkrijk. Vrolijkheid werd gezien als een bestrijdingsmiddel van melancholie (duivels). In een Abel Spel (Abel = verheven) werden de motieven uit een ridderroman in een toneelstuk verwerkt. Ze eindigden met een sotternie, een stuk in de normale taal over alledaagse taferelen.  François Villon was een spottende dichter die een poëtisch testament opstelde. En Geoffrey Chaucer schreef The Canterbury Tales, een raamvertelling: een aantal verhalen binnen een ander verhaal.

 

Het faustthema: in Faustverhalen gaat het altijd om een man die zich boven de ellende van zijn tijd wil verheffenen zijn ziel aan de duivel verkoopt, als losprijs voor bovenmenselijke kennis of macht. Dr. Faustus was een middeleeuwse figuur, een waarzegger, een magiër.

Voorbeelden zijn The Tragical History of Dr. Faustus en de bekendste Faust van Goethe.

De Romantiek

 

De Franse revolutie (1789), het bewind van Napoleon (1795 – 1814) en de Industriële revolutie leidden tot de Romantiek. Kunst staat niet los van de maatschappij, maar reageert op veranderende inzichten. Het genie van de kunstenaar zou de weg wijzen. Het ontstaan van nieuwe politieke ideeën was mogelijk door een cultuur waarbij eigenaren van ondernemingen ook bestuurders waren, terwijl de macht van koningen steeds meer werd beperkt. Huisnijverheid maakte plaats voor fabrieken. Mensen moesten lang werken voor een laag loon. Er ontstond een nieuwe bevolkingsgroep: het fabrieksproletariaat.  Er was een vrije markt, met veel concurrentie. Dit zorgde ervoor dat er een geleidelijke juridische erkenning van individuele staatsburger plaats vond. De Franse revolutie moest een einde maken aan het absolutisme en de burgerij moest meer macht krijgen. Er ontstonden meer revoluties. Het doel was ofwel verzet tegen het absolutisme, ofwel het zich losmaken van buitenlandse overheersers. Het nationale gevoel ging daarbij een steeds grotere rol spelen.   

 

Het woord ‘romantisch’ heeft betekenisontwikkeling doorgemaakt. Allereerst verwees het ‘rommant’ naar verhalen in de Romaanse taal. Vervolgens verwees het ‘romantic’ naar ridder- en herdersromans (ook wel pastorales/ arcadia) waarin het ging om herders en herderinnen die elkaar het hof maakten. In de 18e eeuw betekende het eerst onwaarschijnlijk en onwerkelijk, maar eind 18e eeuw werd het woord gekoppeld aan magisch, nostalgisch en verbeelding.

 

In Nederland kwamen ze in aanraking met de Romantiek door een vertaling van A Sentimental Journey van Laurence Sterne. Zijn sentimentaliteit was een reactie op het rationalisme. Rousseau is een grondlegger van de Romantiek. Belangrijk kenmerken:

  • Verzet
  • Strijden voor gelijke rechten en dekolonisatie (Max Havelaar met Multatuli)
  • Gevoel
  • Individu
  • Fantasie
  • Originaliteit (niet meer overschrijven en naar bepaalde richtlijnen)
  • Streven naar de hoogste werkelijkheid/ het oneindige

De hoogste werkelijkheid konden alleen dichters bereiken, vond Victor Hugo.

 

Specifieke thema’s van deze tijd zijn:

  • Het verleden

Romantici vluchtte uit het alledaagse. Ze vluchtten naar de tijd van toernooien en jonkvrouwen. Bekende historische schrijvers: Sir Walter Scott (Ivanhoe) en Jacob van Lennep (De lotgevallen van Ferdinand Huyck)

  • Griezel & Gruwel (zwarte romantici)

Dit begon in Engeland met de gothic novel. De uitbeelding van het gruwelijke werd populair. Gotiek verwees naar de donkere Middeleeuwen. Voornaamste schrijvers: Edgar Poe (The Pit & The Pendulum) en Mary Shelley (Frankenstein). Ook ontstonden er detectiveverhalen waarbij Marquis de Sade belangrijk was.

  • Natuur

Vrije natuur is een grote inspiratiebron. Het gaat om de schoonheidservaring van de natuur. Voorbeeld: William Wordsworth

 

 

  • Het noodlot

Het leven is een avontuur vol gevaren. Tegenover het noodlot ben je machteloos. De term voor dichters die in hun gedichten door het noodlot achtervolgd worden, is poëtes maudits (vervloekte dichters). Hiertoe behoorden Charles Baudelaire (Les Fleurs du mal), Rimbaud, Mallarmé en Verlaine.

  • Het religieuze gevoel

Ze gingen zich verzetten tegen de traditionele opvattingen omtrent het geloof. Geloof uitte zich in persoonlijke verhouding die de mens tot het Opperwezen kan hebben. Men vond de religieuze beleving in de natuur. Voorbeelden: Emily Dickinson, Guido Gezelle & Alphonse de Lamartine.

  • Humor

Humor werd mogelijk door betrekkelijkheid. Ware kunst bestond niet meer. Met humor moet je ook kunnen lachen om droevige zaken. Ironie: het tegenovergestelde van wat je zegt, bedoelen. Voorbeelden in dit genre zijn: E.T.A Hoffman, Hildebrand (Camera Obscura), François HaverSchmidt (Piet Paaltjes) en Mark Twain (Humor verschilt per land).

  • Nationale element

Nationalisme ontstond na de Franse Revolutie. Men ging op zoek naar een eigen identiteit. De aandacht werd gericht op gewoonten en gebruiken, sprookjes en volksmuziek. Het cultuursprookje ontstond: literaire sprookjes geschreven door één persoon. En ook ontstond de streekroman: een roman gekenmerkt door schilderachtige beschrijvingen in eigen dialect over boerenproblemen. Voorbeelden zijn de gebroeders Grimm en Hendrik Conscience.

Moderne Literatuur 1850 -1914

Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw kwam het liberalisme, socialisme en nationalisme op. Er was nog geen sprake van een Europese samenwerking. Er kwamen wel regeringen met ministers. De arbeidersklasse kwam op en was ontevreden. Over kwesties als kinderarbeid schreef Charles Dickens (Oliver Twist). Dit was de aanleiding voor het socialisme van Karl Marx. In Europa zag men elkaar als concurrente onder andere op het gebied van koloniën. Vooral de tegenstellingen tussen het liberalisme en het socialisme zorgde voor onrust. Van 1870 tot 1871 was de Frans-Duitse oorlog, waarin Frankrijk werd verslagen en zich gingen richten op wraak.

 

We noemen literatuur en kunst vanaf 1850 modern, wanneer we daarin ideeën en problemen tegenkomen die ons nu nog steeds bezighouden. Belangrijke kenmerken van de moderne literatuur zijn:

  • De werkelijkheid

De nadruk van jezelf uitdrukken verschoof naar het verkennen en onderzoeken wat buiten je ligt. Het verwoorden van het levensgevoel. Volgens Mallarmé was de taal niet in staat om alles te kunnen omschrijven.

  • Niet meer verbonden met religie
  • Kunst en literatuur is autonoom, verwijst naar zichzelf

Théophile Gautier: kunstenaars zijn alleen verantwoording schuldig aan artistieke wetten. Dit liep uit op abstracte, non-figuratieve kunst en autonome poëzie.

  • Fin de siècle (eind van de 19e eeuw)

Het optimisme van de vorige eeuw maakte plaats voor levensmoeheid, onzekerheid, angst en een onbestemd gevoel van ondergang.

  • Dandy

Een persoon die voornamelijk niets doet, tijdverdrijven met kunst, literatuur en uiterlijk. Dandy’s komen we tegen in werk van Honoré de Balzac, Oscar Wilde en Louis Couperus.

 

  • Realisme

Gustave Courbet: alleen schilderen wat hij zelf heeft geobserveerd. Het schilderen van alledaagse taferelen, personages uit alle lagen van de bevolking en waarheidsgetrouw. Maar wat is de werkelijkheid? Het nieuwe werkelijkheidsbesef was beïnvloed door de studie van de natuurwetenschappen (nauwkeurige observatie). Voorbeelden zijn Hildebrand, Charles Dickens, Gottfried Keller en Gustave Flaubert.

  • Naturalisme

Emile Zola (Le Roman Expérimental) zei dat een kunstwerk een stukje natuur is. Charles Darwin en Claude Bernard beïnvloedden de denkwijze. De natuurwetenschappen werden ook toegepast op de beschrijving van romanfiguren. Determinisme: gedrag van de personages werd verklaard uit erfelijke eigenschappen en invloed van de omgeving. Het leven is al voor je uitgestippeld. Voorbeelden: Louis Couperus, Gerhart Hauptmann en Thomas Hardy.

  • Impressionisme

Deze stroming ontstaat in 1874 en de term is afkomstig van een schilderij van Monet. Het impressionisme in de kunst heeft te maken met zintuigelijke ervaringen: horen, zien, ruiken, voelen en proeven. Impressionistische schilderijen zijn een momentopname van een voortdurend veranderende werkelijkheid. De techniek: verfstippen losse penseelstreken en schetsmatige afbeeldingen. Schrijvers werden hierdoor beïnvloed. Schrijvers kregen meer oog voor detail en het uitbeelden van stemmingen. Schrijvers gaven veel nuanceringen met nieuwe combinaties. Typerend is het overvloedig gebruik van vaak originele bijvoeglijk naamwoorden. Voorbeelden zijn Paul Verlaine en Herman Gorter.

  • Symbolisme

Een decadente kunstenaar, ook wel spleen of ennui, voelde voortdurend de pijn van het leven. De poëzie leek de meest geschikte kunst om in de hogere werkelijkheid door te dringen. Ze zochten naar nieuwe symbolen en bedachten woorden en zinnen om dit het best te beschrijven. De dichters moesten beschikken over uiterst verfijnde zintuigen en zich openstellen voor de natuur waarin verband tussen de mens en het goddelijke zich via symbolen openbaart. Voorbeelden zijn Mallarmé en Rimbaud.

  • Neoromantiek

Herwaardering van fantasie en dromen. De harde werkelijkheid werd minder belangrijk dan een droomwereld. Voorbeelden zijn Arthur van Schendel en Alain-Fournier.

Moderne Literatuur 1914 – 1940

Aan het begin van de 20e eeuw brak er een oorlog uit waarbij de machtigste landen van de wereld betrokken waren: Duitsland, Engeland, Frankrijk en later de VS. De massale vernietiging tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918) vond plaats na een tijdperk van vrede, toenemende welvaart en uitvindingen. De politici in de betrokken landen hadden alleen oog voor hun eigen machtspositie. Het was een eer voor het vaderland te sterven. De landen hadden begin 1900 alle drie te maken met een snelle, economische modernisering zonder al te veel politieke hervorming. Maar het socialisme was inmiddels uitgegroeid tot een sterke, goed georganiseerde internationale beweging. Grote groepen mensen werden er zich steeds meer van bewust dat maatschappelijke ongelijkheid niet zo vanzelfsprekend is. In de toegenomen concurrentie tussen de grootmachten hadden de machthebbers weinig behoefte aan sociale onrust van arbeidersbewegingen. De bestaande orde moest worden gehandhaafd en als oorlog een geschikt middel was tegen het opkomend socialisme, werd er niet lang geaarzeld.

Aan het begin van de 20e eeuw brak er een oorlog uit waarbij de machtigste landen van de wereld betrokken waren: Duitsland, Engeland, Frankrijk en later de VS. De massale vernietiging tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918) vond plaats na een tijdperk van vrede, toenemende welvaart en uitvindingen. De politici in de betrokken landen hadden alleen oog voor hun eigen machtspositie. Het was een eer voor het vaderland te sterven. De landen hadden begin 1900 alle drie te maken met een snelle, economische modernisering zonder al te veel politieke hervorming. Maar het socialisme was inmiddels uitgegroeid tot een sterke, goed georganiseerde internationale beweging. Grote groepen mensen werden er zich steeds meer van bewust dat maatschappelijke ongelijkheid niet zo vanzelfsprekend is. In de toegenomen concurrentie tussen de grootmachten hadden de machthebbers weinig behoefte aan sociale onrust van arbeidersbewegingen. De bestaande orde moest worden gehandhaafd en als oorlog een geschikt middel was tegen het opkomend socialisme, werd er niet lang geaarzeld.

In de eerste fase van de oorlog was iedereen nog enthousiast. Er werd “reclame” gemaakt voor de oorlog met woorden als eer, offer en vaderland. In de 2e fase werd iedereen geconfronteerd met de werkelijkheid. Er werden korte gedichten geschreven om de directe ervaring van de strijd weer te geven. Siegfried Sassoon schreef vanaf het moment dat hij in een loopgraaf is geweest anti-oorlogsgedichten. Andere voorbeelden zijn Ernest Hemingway, Louis Céline en Erich Remarque.

De impressionisten gaven een beeld van verbrokkeling en versplintering weer. Ze waren de voorlopers van de avant-garde en modernisme. Dit was een verzamelnaam voor het expressionisme, dadaïsme, surrealisme, futurisme en kubisme. De oorlog zorgde voor een omslag. Alles waarin men tot dan toe heilig geloofde, was vernietigd. In de literatuur ontstond er een wantrouwen. Dichters wilden de taal ontdoen van wat zij taalvervuiling noemden en terugkeren naar een soort elementaire poëzie. Na 1914 was er sprake van bewuste misvorming van de werkelijkheid. Alles ging draaien om harde, confronterende verschrikkingen. Voorbeeld: Picasso.

 

  • Modernisme in de poëzie

Er is sprake van een wisselend gezichtspunt. Een ander kenmerk is de dubbelzinnigheid van het gedicht. Ook worden er meerdere stijlmiddelen in één gedicht verwerkt en schrijven ze in alledaags taalgebruik. Er kunnen ook verwijzingen van wereldliteratuur in verwerkt worden. Voorbeelden zijn Guillaume Apollinaire en T.S. Elliot

  • Modernisme in de roman

De bestaande uitdrukkingsvormen zij niet geschikt om de werkelijkheid onder woorden te brengen. Alles krijgt een voorlopig karakter. Er is geen alwetende verteller. Het gezichtspunt ligt bij een personage dat zijn gedachten en associaties de vrije loop laat. De lezer zal moeten proberen daar een touw aan vast te knopen, want de schrijver legt niets uit. Het weergeven van een ongeordende gedachtestroom noemt men stream of consciousness. De psychologie speelt ook een belangrijkere rol. De inzichten over het onbewuste van Sigmund Freud zette veel schrijvers aan het denken. Voorbeelden: James Joyce en Virginia Woolf, Robert Musil, Anna Blaman en Simon Vestdijk.

  • Expressionisme

Het ging de expressionistische schilder om het uitdrukken van het eigen innerlijk. Daarvan zijn Vincent van Gogh, Cézanne en Matisse een goed voorbeeld. Het expressionistische taalgebruik kenmerkt zich door korte zinnen zonder duidelijke samenhang. De beeldspraak werd ontleend aan het dynamische leven in een grote stad en moest uiting geven aan een gevoel van intens leven. De thema’s die daarnaar verwijzen werden verbonden met woorden als instinct, roes, drift en razernij. De idealen gaan na de Eerste Wereldoorlog liggen op het gebied van zoeken naar geluk, vrede en verbroedering. Nederlandse expressionisten zijn Paul van Ostaijen en Hendrik Marsman.

  • Dadaïsme

Jonge kunstenaars vormden in 1916 de beweging ‘dada’ waarmee ze wilden laten zien dat verstandelijke, logisch overwegingen de westerse beschaving niet veel verder had gebracht. Zij zochten expres naar woorden die niets betekenden. In de meest zuivere vorm werd de taal losgemaakt van elke betekenis en bleven er alleen klanken over: het klankgedicht. Het dadaïsme maakte in de ogen van deze dichters een nieuw soort poëzie mogelijk, een poëzie van willekeur en vrijheid. In het creatieve proces speelde het toeval daarom een grote rol. Voorbeelden: Hugo Ball, Tristan Tzara en Marcel Duchamp.

  • Surrealisme

Surrealisten wilden het leven veranderen: ze werkten aan een nieuwe wetenschap met als object de verhouding tussen mens en kunst. Ze bestudeerden het onbewuste om op die manier door te kunnen dringen in een hogere werkelijkheid. Een methode hievoor was de écriture automatique. Een andere methode was het maken van collages. Voorbeelden zijn Salvador Dalí, Magritte en Delvaux.      

  • Nieuwe zakelijkheid (neorealisme)

Paul Cézanne was tot het inzicht gekomen dat alle vormen in de natuur zijn gebaseerd op de kegel, de bol en de cilinder. Het schilderen van natuur met behulp van wiskundige vormen, wordt als een vorm van abstractie gezien. Het tijdschrift ‘De Stijl’ was een beweging van beeldende kunstenaars met het scheppen van een wereld van totale harmonie als doel. De schrijvers hanteren de taal dan ook zakelijk en sober, zonder onnodige versieringen. Voorbeelden zijn Piet Mondriaan, F. Bordewijk en Alfred Döblin.

                                  

 

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.