Dichterlijke technieken

Beoordeling 5.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 1350 woorden
  • 21 augustus 2008
  • 17 keer beoordeeld
Cijfer 5.7
17 keer beoordeeld

Letterkunde

Soort          Basiseenheid      Reek basiseenheden    Groter geheel
Proza         Zin                       Alinea                            Hoofdstuk
Poëzie        Versregel            Strofe
Toneel       Dialoog                 Scène                            Bedrijf

- Epiek; alle teksten, zowel in poëzie als proza, waarin het verhaal de hoofdzaak uitmaakt, verhalende literatuur

- Lyriek; alle teksten, zowel in poëzie als proza, waarin het vooral gaat om de uitdrukking van een emotie
- Dramatiek; alle teksten, zowel in poëzie als proza, waarin het gaat om uitbeelding van de handeling
Epiek Verhalend
Lyriek Gevoel
Dramatiek handeling

- thema; zeer ,korte samenvatting van de betekenis van een tekst
- idee; datgene wat een schrijver met een gedicht bedoelt of wilt, in 1 zin
- betekeniseenheid; aantal regels of strofes die op grond van inhoud een geheel vormen

- rijm is een herhaling van klanken in beklemtoonde lettergrepen
- volrijm; de klinker en de eventueel daarop volgende klanken rijmen: ga/sta, man/Jan, kopen/lopen, fluisteren/luisteren, wandelaar/handelaar
- rijkrijm; lettergreep herhalen boot/boot, dans/cadans

- assonantie of klinkerrijm; alleen de klinker rijmt. De daarop volgende klanken rijmen niet of slechts gedeeltelijk: lief/diep, lichten/blinken, luisteren/duikelen
- alliteratie of medeklinkerrijm; de medeklinkers aan het begin van twee woorden rijmen : rode/rozen, kleine/kleren. Een eerste lettergreep van een woord kan hierbij wel eens buiten beschouwing gelaten worden, zeker als er geen klemtoon op valt: zich droevig (be)drinken.

- staand rijm; de rijmende, beklemtoonde lettergreep is de laatste lettergreep van het woord: sta/ga, bestaan/vergaan (ook wel mannelijk rijm genoemd)
- slepend rijm: na de rijmende beklemtoonde lettergreep komt nog een andere, zwak beklemtoonde lettergreep: kopen/lopen, beven/zweven (ook wel vrouwelijk rijm)
Volrijm Assonantie Alliteratie
Staand Sta/ga Blik/wit Man/muis
Slepend Lopen/kopen Lichten/blinken Kleine/kleren

- voorrijm; de rijmende woorden staan aan het begin van de regels
klagend trekt de wind door de bomen
vragend om een onderkomen
- middenrijm; de rijmende woorden staan middenin de regels
we liepen samen verder
zij riepen ons terug.
- binnenrijm: de rijmende woorden staan in een regel
de wolken schoven boven ons voorbij
- eindrijm; de rijmende woorden staan aan het eind van de regels.

sint zat te denken
wat hij jou moest schenken
- gepaard rijm; a a/b b/c c/d d enz.
gekruist rijm; a b a b/c d c d enz.
omarmendrijm; a b b a/c d d c enz.
gebroken rijm; a b c b/d e f e enz.
slagrijm; a a a a
- enjambement; aan het einde van een versregel meteen doorlezen naar de volgende
- rijmloze of blanke verzen; gedichten zonder eindrijm

- ritme; de combinatie van afwisseling in klemtoon, tempo en toonhoogte
- definitie; de natuurlijke en daardoor onregelmatige afwisseling van sterk en zwak beklemtoonde lettergrepen noemen we ritme. De regelmatige afwisseling van sterk en zwak beklemtoonde lettergrepen noemen we de maat. Het vreemde woord daarvoor is metrum

- versvoeten zijn vaste en steeds terugkerende combinaties en kunnen uit twee, drie of vier lettergrepen bestaan.

Jambe = zwak-sterk
trochee sterk-zwak

- elisie; dichters gebruiken daarbij vaak een middel om overbodige zwakbeklemtoonde lettergrepen kwijt te raken. Bijv. luisteren word Luist’ren
- antimetrie; soms wijkt een dichter bewust af van een eenmaal gekozen maat. Het effect ervan is meestal dat de betekenis van een woord extra goed tot de lezer doordringt. Bijv. Languit
ik droeg|nog klei-|ne kle-|ren en|ik lag|
Lang-uit|met moe-|der in|de war-|me hei.
- Enjambement; is een ander veel gebruikt middel om aan monotonie te ontkomen. Dat wil zeggen dat de dichter de zin aan het eind van de versregel laat doorlopen
bijv. Toen ging een schooldeur open en daaruit
Kwamen een stoet van kinderen, geruit..

- Distichon strofe van twee regels
- Terzine strofe van drie regels
- Kwatrijn strofe van vier regels
- Quintet (4), sextet(6), septet (7), octaaf (8)


- Dichtvorm; wil zeggen dat er afspraken bestaan waaraan een gedicht moet voldoen
- Limerick; een dichtvorm die vrijwel uitsluitend gehanteerd wordt om een humoristisch effect te bereiken. En heeft 5 regels met het rijmschema aabba
- Traditioneel gedicht; regellengte, strofe gelijk, interpunctie
- Modern gedicht; geen regelmaat in de strofenopbouw, niet in de lengte van de versregels, geen vaste maat, geen rijmschema, geen interpunctie en hoofdletters.

- Sonnet bestaat uit: * 14 regels verdeeld in 2 kwatrijnen en 2 terzetten
* 2 rijmklanken in het octaaf en 2 of 3 andere in het sextet
* wending tussen octaaf en sextet (bijv. algemeen-persoonlijk)

- Figuurlijk taalgebruik betekend niet dat we iets ander zeggen dat we bedoelen. Als we iemand een ‘ezel’ noemen, bedoelen we dat we hem dom vinden
- De genoemde vormen van figuurlijk taalgebruik noemen we beeldspraak

- metaforen; zijn vormen van beeldspraak die berusten op een overeenkomst tussen het beeld en het object. Bijv. domkop&ezel

- metonymia; zijn vormen van beeldspraak die berusten op een ander verband dan overeenkomst tussen beeld en object bijv. hand&huwelijk

- metaforen kun je onderscheiden in verschillende vormen
1. vergelijking met verbindingswoord: beeld en object word beide genoemd en verbonden met een koppelwerkwoord bijv. een vrouw als een engel
2. vergelijking zonder verbindingswoord: beeld en object worden beide genoemd zonder verbindinswoord bijv. die vrouw, een engel
3. homerische vergelijking: een zeer uitvoerige vergelijking met ‘als’
bijv. zoals wanneer…………zo was ook……………….
4. eigenlijke metafoor of metafoor in engere zin: alleen het beeld word genoemd bijv. er kwam een engel de kamer in
5. allegorie: een heel gedicht, verhaal of zelfds een hele roman is gebouwd op één, consequent metafoor bijv. De gelijkenis van de verloren zoon
6. personificatie: iets abstracts of een levenloos ding wordt voorgesteld als persoon bijv. de wind zucht in de hanenbalken
7. synesthesie: ervaringen van verschillende zintuigen worden gecombineerd. Bijv. bitterer woorden (alsof je woorden die je hoort kunt proeven.)


- metonymia word alleen het beeld genoemd

Mag ik jouw UB40 lenen? Een Rembrandt is vrijwel onbetaalbaar Maker i.p.v gemaakte
Hij schoot het leer in de touwen. Zij kreeg zilver voor haar prestatie Materiaal i.p.v voorwerp
Dat is al je achtste glas! Nog één kopje dan. Voorwerp dat iets bevat i.p.v inhoud
De visser had een net vol zilvergullit kreeg geel. Kleur i.p.v voorwerp
Nederland verloor van pakistande School heeft vakantie Geheel i.p.v deel
Vele monden moeten gevoed worden Wat een bleekneusje loopt daar Deel i.p.v geheel
Alle gebroken benen liggen daar gezellig bij elkaar Lichaamsdeel i.p.v persoon

- kenmerkend voor een symbool is dat er geen overeenkomst hoeft te zijn tussen het ‘beeld’ en het ‘object’ en ook geen ander logisch verband.
- Bekende symbolen zijn: hartje-liefde, duif-vrede en kruis-geloof

- Soms is er een begrijpelijk verband tussen symbool en betekenis: storm-onrust, woestijn-dood

- Stijlfiguren; bepaalde vormen van bijzonder taalgebruik
1. herhaling: een woord, groep woorden of zin
bijv. brand, brand!

2. tautologie: een woord wordt met een synoniem herhaald
bijv. pais en vree, nooit of te nimmer

3. pleonasme: overbodig woord wordt gebruikt, betekend iets wat al in de zin staat
bijv. ik zal ’t nog is herhalen, sinterklaas reed op een witte schimmel

4. parallellisme: een aantal zinnen is op dezelfde manier opgebouwd
bijv. wie had dat ooit gedacht?

5. opsomming: een reeks van verschillende elementen wordt genoemd.
*climax (tien, twintig, dertig)
*anticlimax (geen tientje, geen vijf gulden, geen 2…)

*polysyndetische opsomming (ik werk en zwoeg en ploeter en..)
*asyndetische opsomming (ik werk, zwoeg, ploeter,..)

6. tegenstelling (antithesis): zaken staan scherp tegenover elkaar
bijv. ’s Nachts is het hier ijskoud, overdag smoorheet

7. ironie en sarcasme: spotten door het tegengestelde te zeggen van wat je bedoelt.
bijv. Nou, dat heb je weer mooi voor elkaar!

8. litotes: sterke bevestiging door ontkenning van het omgekeerde
bijv. het feest was beslist niet saai

9. paradox: opzettelijke tegenspraak
bijv. nog één zo’n overwinning en ik ben verloren!

10. hyperbool: schromelijke overdrijving
bijv. ik sta al een eeuwigheid te wachten

11. understatement: tegendeel van overdrijving
bijv. die kan er wel mee door (na ’t scoren van een prachtig doelpunt)


12. eufemisme: verzachtende uitdrukking
bijv. mag ik even naar achteren

13. inversie: door een ander zinsdeel dan onderwerp of persoonvorm voorop te zetten word de normale volgorde van zinnen omgekeerd bijv. zuinig is die man!

14. chiasme (kruisstelling): 2 bij elkaar horende zinnen of delen van zinnen staan wat woordvolgorde betreft omgekeerd bijv. Mijn broer is verstandig, dom is mijn zus

15. retorische vraag: mededeling in vorm van een vraag
bijv. Wie houd er niet van z’n vaderland

16. woordspelling: er wordt gebruik gemaakt van de verschillende betekenissen die een woord heeft bijv. wat is ’t verschil tussen een nietmachine en een naaimachine? Een nietmachine niet en een naaimachine niet.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.