Mensbeelden

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 2692 woorden
  • 4 november 2003
  • 137 keer beoordeeld
Cijfer 6.4
137 keer beoordeeld

Samenvatting Hoofdstuk 2. Begrippen: MENSBEELD = een beeld van de mens, ze liggen niet vast en kunnen sterk verschillen. ANTROPOLOGIE= grieks: antropos=mens, logos=leer. INDIVIDU= een op zichzelf staand wezen. SOCIALE CONTRACT= het individu moet aan minimale verplichtingen worden gehouden, om nog zoiets als een samenleving mogelijk te laten zijn. Alles wordt beheerst door contract-denken, een denken dat de mens begrijpt. Bijv. huwelijk, arbeidsovereenkomst enz. MYTHE = komt van muthos = verhaal, gesproken woord. REDE = vertellen van bijv. verhalen
REFLECTIE = aandacht richten op argumentatie en redenering in het debat, er werd niet meer in mythe geloofd, maar ze wilden een verklaring. FEITEN = dingen die bewezen kunnen worden. RETORICA = redeneerkunst

SOFISTEN = zo noemden experts zichzelf, de wijzen. LICHAAM EN ZIEL = lichaam en de geest
HERINNERING = vermogen van de menselijke ziel om het contact met het ‘hogere’ in stand te houden. VORM EN MATERIE = ZELFSTANDIGHEID VAN DE MENS = de mens begrijpt zichzelf niet langer als afhankelijk van de natuur, maar ziet de natuur als door de mens te beheersen. OBJECTIVERING van de wereld = zonder mening
SUBJECTIVERING van de individu = het hebben van een éigen mening
TWIJFEL = Descartes zegt aan alles te kunnen twijfelen, behalve aan het feit van de twijfel zelf. MENS ALS REDELIJK WEZEN = de mens heeft een absolute waarde volgens Kant, de mens stelt zichzelf de wet. WAARDIGHEID VAN DE MENS = het vermogen om algemeen wetgevend te zijn, terwijl essentiel is dat de mens tegelijkertijd zelf onderworpen is aan die wetgeving. ARBEID = door arbeid (werk) is er spraken van ‘mens zijn’ VERVREEMDING = Als de mens niet zichzelf is, is hij vervreemd van zichzelf. RELIGIE = opium van het volk. CATEGORISCHE IMPERATIEF = de mens het hoogste wezen voor de mens is, en dat hij alle verhoudingen omver kan werpen, waarin de mens wordt vernederd, verlaten enz. EXISTENTIEFILOSOFIE = een stroming in de 20e eeuw die de mens centraal stelt. Grondleggers = Sören Kierkegaard (Deen) + Friedrich Nietzsche (Duitser) VRIJHEID = het doen wat een mens zelf wil
POSTMODERNISME = een stroming in de filosofie waarin gesteld wordt dat er een einde is gekomen aan het vooruitgangsoptimisme, aan de idealen van de Verlichting en aan de onbegrensde mogelijkheden van de Rede. ONEINDIGE ANDER = (god) door de mens niet kan worden omvat en begrepen. Hij ontstijgt de menselijke kennis. DUALISME = de mens bestaat uit twee heel verschillende dingen; een fysisch organisme en een zuiver geestelijke ziel. De ziel is dan op zo’n manier met het lichaam verbonden dat ze elkaar kunnen beïnvloeden. MONISME = verschillende combinaties, maar van dezelfde elementen. INDIVIDUALISME = de zelfstandigheid van de mens. VERANTWOORDELIJKHEID= in staan voor de gevolgen van je eigen daden. NATUUR= het milieu, de wereld zoals die is zonder dat de mens er aan heeft gezeten maar ook erfelijke dingen. CULTUUR = alles wat de mens gevormd heeft, maar ook opvoeding
HEDONISME = als iets leuk is, dan is het goed. Hedone = genot. NATURALISME = terug naar de natuur, gevoel is belangrijk. EINDIGHEID -ONEINDIGHEID = met of zonder eind. Menselijke kennis: eindig= de menselijke kennis zal altijd beperkt blijven. EUDAIMONIA= geluk, de mens streeft van nature naar geluk. UTILISME = afgeleid van het woord ‘nut’. MENSELIJKE WAARDIGHEID = de waardigheid van de mens. MAAKBAARHEID = ergens iets van kunnen maken, nog niet bepaald. VERLICHTINGSDENKERS + ROMANTISCHE DENKERS= een liberale stroming. TOLERANTIE = de zekerheid van je eigen standpunt ter discussie stellen. KRITISCH PLURALISME = alle s is waar, of niets. Het standpunt dat in het belang van het zoeken naar waarheid elke theorie tot concurrentie met andere theorieën moet worden toegelaten. Socrates

Hij zag zichzelf als een horzel die de samenleving opriep tot zelfbezinning en tot het afleggen van verantwoording over de grondslagen van de staat. Kern van zijn leer was de vraag welke handelingen goed en rechtvaardig zijn. Plato
Hij plaatst de wereld van het zintuiglijk waarneembare, voor hem de schijnwereld, tegenover de onveranderlijke zijnde: de onzichtbare wereld van de ideeën. De mens zit enerzijds vast aan zijn lichamelijkheid, en is daarmee verankerd aan deze wereld van schijn, anderzijds heeft de mens deel aan de wereld der ideeën in zijn begeerte naar kennis. Lichaam en ziel komen tegenover elkaar te staan. Hij plaatst ziel tussen lichaam en de hoger ideeën. Aristoteles
Aristoteles is het oneens met Plato dat de ziel als het ware aan het lichaam wordt gekoppeld en dat de ziel vervolgens haar bestemming heeft boven het lichamelijke uit. Aristoteles zoekt het wezen of de bestemming van dingen binnen de concrete dingen zelf. D.w.z. het wezen van de mens ligt in de concrete mens zelf. Het vermogen = de ziel. Zowel de levenloze materie als de levende wezens verklaart hij op dezelfde manier, een samen gaan van vorm en materie. lichaam = instrument, ziel = kunde. Aristotels gelooft niet in de intrek van de ziel in een lichaam. Een levend wezen is een samenstelsel van vorm (ziel) en materie (lichaam) Descartes
Was een waarheidszoeker. Descartes meende aan alles te kunnen twijfelen, behalve aan de twijfel zelf. Het is de ervaring van de twijfel, de ervaring van het bewustzijn die Descartes zijn zeker en onwrikbaar uitgangspunt van denken oplevert. Beroemde woorden van hem: Ik denk, dus ik ben. Dualisme en het individualisme zijn kenmerkend voor het begrijp van de mens in de moderne tijd. Kant
Hij vatte zijn filosofie samen in 3 vragen: Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? En Wat mag ik hopen? Samengevoegd: Wat is de mens? Hij zag de mens als redelijk wezen, de mens stelt zichzelf de wet. Hij is grondlegger van ethiek in moderne tijd. Hij vindt dat het niet zo zeer gaat om de theorie maar om het goede handelen. Marx
Volgens Karl Marx vormt de mens onderdeel van de natuur, maar kan de mens de natuur ook omvormen tot cultuur. De mens handelt zelf, een dier volgt z’n instincten. De mens treedt bewust handelend op. Door arbeid is er sprake van Mens-Zijn. Het is een maatschappelijke activiteit, want mensen werken van nature samen. In arbeid ontplooit men zichzelf. Het geheel van de productieverhoudingen vormt de eco. Basis van de maatschappij (onderbouw) en die bepaalt op haar beurt weer de verschillende vormen van menselijk maatschappelijk bewustzijn (bovenbouw) De vervreemding van de mens kent verschillende kanten, de mens is zowel vervreemd in religieus als in politiek, sociaal economisch opzicht. Hij ging niet alleen voor opheffing van de religieuze vervreemding, maar om de opheffing van alle vervreemding. Zijn ideeën zijn misbruikt, er ontstond een marxisme dat eerder een vorm van staatskapitalisme dan van communisme was. er ontstond neo-marxisme: 1 het marxisme met een menselijk gezicht door Adam Schaff en Leszek Kolakowski

2 Het neo marxisme van de Frankfurter Schule. Opvallend is dat zij niet zo zeer arbeid als wel dialoog en communicatie centraal stellen. Door het neo-marxisme blijft de invloed van Marx werkzaam tot in onze dagen. Existentiefilosofie
stelt de mens centraal. Zij gaven aan het filosoferen over de mens, aan de antropologie, een wending door de mens niet langer als bestaand uit ziel en een lichaam te begrijpen, maar als de eenheid die ik zelf ben. Sartre: Sartre vond dat iedere mens een vrij persoon was, iemand die voor zichzelf mag kiezen. Niets is van te voren bepaald, de mens kiest wat hij gaat doen. Hetgeen wat de mens wordt, is wat diegene er zelf van gemaakt heeft. Iedereen is vrij, en mag een eigen mening hebben, en mag zelf kiezen. Daarin verschilt een mens van andere wezens. Postmodernisme: Ontstond als nieuwe stroming in de literatuur en de architectuur. Is een stroming waarin gesteld wordt dat er een einde is gekomen aan het vooruitgangsoptimisme. Levinas
Hij heeft ideeën van Plato, Descartes en Kant op een originele manier met elkaar verbonden. Hij ziet de mens gesteld tegenover God. Dat heeft hij van Plato, maar bij Plato was het niet persoonlijk gericht, bij hem wel. Hij was gericht op transcendente ideeen van het goede, het ware en het schone. God is een oneindige ander. De mens heeft een idee van de oneindige, hij heeft een idee die eindig en onvolmaakt is van de Oneindige. Het idee shiet altijd tekort met betrekking tot zijn object. Dit heeft hij van Descartes. Het denke en zijn (De werkelijkheid) zijn van elkaar gescheiden. Desondanks vormt het denken zich een idee van de wereld, hoe onvolkomen het ook mag zijn. Van Kant heeft hij categorische imperatief. Alleen dan niet op de autonome persoon zelf opgelegd, maar de mens wordt door de Ander (God) ter verantwoording geroep en wordt bevolen verantwoordelijkheid op zich te nemen. In de heteronomiegedachte van Levinas moet de verantwoordelijkheid opgeroepen persoon goed doen aan de hulpbehoevende; de mens moet door een ander worden wakker geschud, de mens moet ontwaken uit de bewusteloosheid van ongevoeligheid omzijn verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de wereld. Hij noemt het de filosofie van de Ander: de Ander, God en mens. Behandel de ander zo, dat hij altijd wordt beschouwd óók als doel en niet alleen als middel. Hij onderscheidt 3 stadia van de ontwikkeling van ‘ik’ - de anonieme macht waarmee het individu geheel versmolten is. - - de mens rijst op uit de anonimiteit door te werken, te wonen en te genieten. - Dan laat de persoon zich kennen als een zelfstandig wezen. Het recht om te genieten en te bezitten is zelf ook weer gefundeerd in een hogere wet: ik is pas gerechtvaardigd als het de verantwoordelijkheid voor de ander op zich heeft genomen. Kennis is macht, dat geldt NIET volgens hem. Hedonisme
Voor overtuiging en voor de systematische uitgewerkte leer die stelt dat de mens als genotzoeker wordt geboren. Het onmiddellijke genieten als hoogste vervulling van het menselijk leven. Hindoeïsme: 2 richtingen: streng monistisch tot dualisme. Monisme is de leer die zegt dat er uiteindelijk slechts 1 realiteit is, namelijk brahman. De mens streeft de mens naar eenwording met brahman, het onpersoonlijke goddelijke. Dualisme stelt daarentegen dat er aan de bron van alles 2 principes liggen: purusha (ziel) en prakrti (De natuur) Door de samenwerking van deze beide principes kunnen alle verschijnselen in de wereld, materiele en psychische, ontstaan. Voor dualisten is toewijding aan God een voorwaarde om door God bevrijd te worden. God is immers altijd barmhartig voor de mensen om hen te bevrijden uit de onwetendheid. in 1e instantie gaat het om kennis of inzicht in de ware aard van de realiteit om de onwetendheid. Leeft de mens in onwetendheid,, dan is het beeld van de wereld die van schijn. De opdracht aan de mens is dan ook om die waas van schijn weg te halen en dat kan alleen door inzicht in de ware aard van de werkelijkheid te verwerven. Boeddhisme
Boeddha maakte nooit aanspraak op de status van een godheid. Hij was gewoon een mens. Het boeddhisme tracht mensen te leiden naar een dergelijk inzicht, en als gevolg daarvan, naar de verlossing van angst en lijden. De boeddhistische leerstellingen zijn in alle richtingen ervan terug te voeren op de leer van de ‘vier edele waarheden’. 1. het leven brengt lijden met zich mee. 2. begeerte, door bezit en afgunst menselijk ellende. 3. nirvana, een toestand waarin alle lijden als sneeuw voor de zon verwijnt. 4. de weg die naar de opheffing van het lijden voert, die weg bestaat uit acht paden. - juiste inzicht, juiste bedoeling, juiste spreken, juiste handelen, juiste levenswijze, juiste inspanning, juiste waakzaamheid en de juiste concentratie. Daaruit blijkt dat het boeddhisme de inzet van de hele persoon eist, op het niveau van denken, spreken en handelen. Jodendom, Christendom en islam. Gaan uit van het bestaan van god als ‘persoon’, god is de schepper. Behalve wijsheid bezit God ook een wil. De mens kan geboden uit bijbel, toran en koran niet ter discussie stellen want god heeft ze in al zijn wijsheid vastgesteld en voorgeschreven aan de mens. Christenen vinden dat de regels moeten worden nageleefd, maar vinden dat er wel te veel regels zijn. Daarom teruggevoerd op: bemin god en de naaste gelijk uzelf. Iedere keer weer moet er door de persoon zelf een afweging geworden gemaakt of een handeling overeenkomt met de genoemde stelregel of niet. De persoon moet steeds verstandelijk en gevoelsmatig nagaan of een handeling wel passend is in een bepaalde situatie. Dit is de kern. In jodendom en islam speelt daarbij een rol, dat de individuele mens ook een onlosmakelijk deel van de gemeenschap is: de individuele persoon ontvangt de voorschriften via de gemeenschap met God. Bij christenen ligt nadruk wat meer op het individu. Bij RK gemeenschappelijke belangrijker. De mens moet niet de pretentie hebben goddelijke oneindigheid te bezitten en menen dat het leven maakbaar zou zijn. God wordt meer gezocht buiten en boven de mens. De mens is in deze godsdiensten op zoek naar de godheid in de mens zelf. De nadruk ligt op de immanentie van het goddelijke principe in de menselijke persoon. Liberalisme
De mens wordt gezien als vrij wezen. Scheiding tussen publieke en prive-sfeer is noodzakelijk. De individuele persoon wordt beschermd tegenover de staat. Reactie op de geweldig grote macht van de staat. Ook de macht van de kerk willen ze beperken. 2 liberale stromingen: verlichtingsdenkers en de romantische denkers. Verlichtingsdenken gaat erom de universele wetmatigheden van de ziel en die van een samenleving bloot te leggen. De mens doet dat wat zijn gevoel van geluk maximaliseert en zijn gevoel v. pijn minimaliseerd. Romantisch denken wijzen de generaliserende van wetmatigheden af. Zij zoeken de waarde van de persoon in zijn uniciteit, vrijheid volgende deze traditie is autonomie, een bepaling door de persoon zelf. Socialisme: Is ontstaan uit bezorgdheid van enkele mensen in het begin van de 19e eeuw. De verhouding tussen staat en individu, die in het liberalisme uitviel ten gunste van het individu, wordt binnen het socialisme omgedraaid in die zin dat staatsingrijpen noodzakelijk is. Vrijheid was voor socialisten een leeg begrip geworden voor de armoede levende mens. Het individu werd in de sociale armoede volkomen gebonden aan zijn werkgever. Het individu werd niet door de staat, maar door de allerlei maatschappel;ijke situaties tot slaaf gemaakt. De staat werd nu tot instantie die maatschappelijke ontwikkeling moest gaan reguleren, zodat iedereen gelijke kansen zou krijgen. De mens kan zijn lot volledig in eigen handen nemen. De mens wordt gekenmerkt door een sterke wilshouding. Pluralisme en tolerantie: Karl Popper was van mening dat we moeten blijven zoeken naar de waarheid. Kritisch pluralisme: relativisme is het standpunt dat men alles kan beweren, of bijna alles en daarom niets. Alles is waar, of niets. De huidige filosofie is een pluralistisch geheel. Dat komt omdat we in een wereld leven met veel waarheden. Tolerantie wordt als principe gehanteerd. INTERNET: Het marxisme is de naam die gegeven is aan de ideeën van Karl Marx. Enkele ideeën van Marx: - Hij geloofde dat de geschiedenis bepaald werd door de productieverhoudingen, want de macht in elke samenleving is steeds in handen van degene die de productiemiddelen bezitten (grond en fabrieken). - In de 19e eeuw was er een opmars van natuurwetenschappen, een opkomst van het atheïsme, dit beïnvloedde Marx en hij begon hier over na te denken (atheïsme is het ontkennen van het bestaan van God). - Volgens Marx is het geloof en de Godsdienst een verzinsel van het volk, om een uitweg te vinden in moeilijke tijden. Volgens Marx ontstaat door deze factoren ook de Godsdienst. - Marx wilde afschaffing van de klassenmaatschappij, zodat elk individu zich kan ontwikkelen, en dan was volgens hem het einddoel van de geschiedenis bereikt. - De economische verhoudingen maken uit wie in een samenleving de macht heeft en wat de cultuur van die samenleving is. KANT: Als je moreel juist wilt handelen, moet je om te beginnen van goede wil zijn. Nu is de 'goede wil' een tamelijk vaag begrip. Vandaar dat Immanuel op zoek ging naar keiharde criteria voor goed gedrag. Hij zocht regels die voor iedereen zouden gelden, dat wil zeggen , voor iedereen die een beetje na kon denken. Het zou dom en inconsequent zijn om bepaald gedrag van jezelf te tolereren en goed te praten, terwijl je datzelfde gedrag van anderen niet zou pikken, constateerde hij. De argumenten die je voor je eigen gedrag aanvoert, moeten dus veralgemeniseerbaar zijn. Vandaar dat Kant een aantal regels formuleerde die uitgaan van deze gewenste veralgemeniseerbaarheid. Een van de bekendste luidt: ' Beschouw de ander nooit alleen als middel, maar altijd ook als doel op zich.

REACTIES

R.

R.

Tnx!
Ik had het niet beter kunnen doen!
:p

mzl RiCk

20 jaar geleden

M.

M.

Dank je!!
Zonder deze samenvating was ik echt uren bezig geweest om er zelf een te maken!

14 jaar geleden

K.

K.

heeft mij echt geholpen!
kei bedankt :P

12 jaar geleden

P.

P.

ziek goed enzo

10 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.