Ben jij weleens opgelicht?

Wij doen onderzoek naar online oplichting onder jongeren. Vul de vragenlijst in (ca 5 min) en maak kans op een Bol.com bon van 25 euro (echt waar!)

Hoofdstuk 1 t/m 7: De cultuur van de kerk

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1878 woorden
  • 25 januari 2016
  • 9 keer beoordeeld
Cijfer 6.9
9 keer beoordeeld

Hoofdstuk 1 Algemene inleiding

De middeleeuwen is de periode na het uiteenvallen van het Romeinse rijk en de Renaissance, rond 1500. Doordat er geen centraal gezag is, vind er volksverhuizingen plaats en is er oorlog en geweld waardoor er veel kunst, cultuur en kennis verloren gaat.  

Invloed van de kerk

In de middeleeuwen had de kerk veel invloed, door goed te leven (ora et labora) kon je alleen in de hemel komen. Monniken en kluizenaars bekerden in Ierland mensen tot het christendom à succesvol stichting kerken& kloosters.

Kerk had bijna alle macht en was een bindende factor in Europa. Ook werden er pelgrimstochten georganiseerd en werden relikwieën van heiligen mee teruggenomen.

Kruistochten

- Kruistochten werden georganiseerd om heilige plaatsen te bevrijden of voor handel.

- Deze tochten waren over het algemeen geen succes, ze zorgen alleen wel voor kennis en nieuwe handelsroutes met het Midden-Oosten.

Feodale Stelsel

1e stand, geestelijkheid: naast de godsdienst hielden ze zich ook bezig  met onderwijs en wetenschap.

2e stand, adel: beschermde andere, kregen grond van de koning in ruil voor helpen tijdens oorlogen.

3e stand, boeren (horigen): 80% van de bevolking werkte op het land van de heer of waren burgers uit de groeiende steden.

Economische bloei

- Door bevolkingsgroei was er meer vraag naar voedsel, was mogelijk door: o.a. de overgang van het twee- naar het drieslagstelsel en andere uitvindingen à voedseloverschotten.  

- Door de kruistochten was er meen handel en ontstonden er nieuwe machtige steden

- De steden kregen stadsrechten en in de steden ontstonden de gilden.

Deze economische opbloei was het begin van de ‘hoge’ middeleeuwen.

De ‘hoge’ middeleeuwen

- Het einde van het feodale stelsel en de economische en culturele bloei had gevolgen:

            - universiteiten opgericht

            - meer aandacht voor architectuur, romaanse & gotische bouwstijl

            - bloei op toneelgebied; liturgische gezangen, werd wereldrijk bekend

Hoofdstuk 2 De kerk

Het christelijk geloof had zich vanuit het Midden-Oosten over Europa verspreid en groeide daarna aan vanuit de kloosters als plaatselijke groeikern om in de vierde eeuw al te zijn uitgegroeid tot ‘staatsgodsdienst’ waartoe ook de binnenvallende stammen zich meestal bekeerden.

Na het ineenstorten va het Romeinse Rijk groeiden Het Grieks-christelijke deel in Constantinopel / Byzantium onder leiding van de patriarch en het Latijns-christelijke deel in Rome onder leiding van de paus steeds verder uit elkaar. In 1054 kwam het tot een officiële breuk. en het westen groeide met name door de combinatie van politieke en religieuze macht.

Scholing in handen van de kerk

Om de grotendeels ongeletterde bevolking te onderwijzen werden de verhalen uit de bijbel verbeeld in muurschilderingen en gebrandschilderde ramen, later ook in toneelstukken op hoogtijdagen en in mysteriespelen, waarin verhalen uit de bijbel werden gedramatiseerd.

Jonge mannen werden opgeleid in kloosterscholen. Paus Gregorius gaf de aanzet tot oprichting van kathedraalscholen waarin naast de zeven ‘Artes Liberalis” ook geneeskunde, recht, kerkgeschiedenis en theologie werd onderwezen.

Kerkbouw en kerkelijke kunst

Naar voorbeeld de kloosters van Cluny, ontstonden vanaf het jaar 1000 overal in Europa romaanse gebouwen. Veel regionale verschillen maar overal wel zware muren, ronde bogen en kleine ramen.

De kerken werden in het tympaan boven de ingang vaak voorzien van afbeeldingen van Het Laatste Oordeel, verder veel afbeeldingen van heiligen om gelovigen aan te zetten tot gebed.

De heiligen werden allen gestileerd en gelijkvormig afgebeeld en, om ze van elkaar te onderscheiden, van vaste ‘persoonlijke’ symbolen. Eenvormigheid was een kenmerk van de romaanse kunst, evenals het groter afbeelden van belangrijker mensen. Pas in de gotiek krijgen mensen pas een meer persoonlijke uitdrukking en emotie.

Opdrachtgevers.

Opdrachtgevers waren de koning, adel en geestelijkheid, later ook de gilden en het stadsbestuur.

Muziek was een belangrijk onderdeel in de liturgie. Paus Gregorius stelde in de 6e eeuw een vaste liturgie voor - ‘het Gregoriaans’ - van waaruit de meerstemmige kerkmuziek zich kon ontwikkelen.

DE MACHT VAN HET BEELD

Om de ongeletterde bevolking iets te kunnen bijbrengen moest de kerk gebruik maken van kunstenaars en zij konden hiervan profiteren. Heel wat anders was het, dat de kerk geen enkele beperking kende in de inzet van kostbare stoffen, edelstenen (‘goddelijk licht’) en goud om de ‘goddelijke pracht’ over te brengen. Het was logisch dat hiertegen verzet kwam van o.m. de Fransicaner orde die zich tegen de decadentie van de Benedictijnen verzette.

Er was bijna geen uitzondering op de regel dat alleen kerken, vorsten en stadsbesturen opdrachten verstrekten. Eén uitzondering was de Scrovegni-kapel in Padua die tussen 1304 en 1313 met fresco’s werd beschilderd door Giotto di Bondone in opdracht van Enrico Scrovegni, een rijke zakenman die boete wilde doen voor de woekerpraktijken van zijn vader.

HAAT-LIEFDE: KERK EN TONEEL

Aan de ene kant verzette de kerk zich tegen het toneel, aan de andere kant was het juist de kerk die binnen de liturgie delen van de Romeinse toneeltradities toeliet en in stand hield.

Liturgisch drama

Vanaf het einde van de 6e eeuw werden in de eredienst liederen gezongen. In de 8e en 9e eeuw werden daaraan gezongen dialogen, zgn. ‘tropen’ rondom het paasfeest toegevoegd, toen nog letterlijke weergave van de bijbeltekst en in het latijn.

Deze tropen werden daarna uitgebreid met verschillende scenes van het verhaal (bv. graf, tuin, markt) die werden gespeeld in de zijbeuken rondom het middenschip, waar zich het speelvlak bevond. De tropen werden opgeschreven in tekstboeken, de zgn. ‘troparia’.

Naast de paasspelen werden stukken gespeeld rond het kerstverhaal en rond de voorspellingen in de bijbel over de komst van Christus, de zgn. ‘profetenspelen’.

Verdere ontwikkeling waren de invoering van de volkstaal en de deelname van leken in het toneelspel, dat tevens steeds ‘volkser’, luchtiger en komischer werd. Hiertegen werd dan weer opgetreden door de kerkleiding die de stukken verplaatste naar de middag ná de mis.

Toen de stukken in de kerk steeds meer uitgroeiden tot ware spektakels die de eredienst gingen overschaduwen verbood paus Innocentius III in 1216 het toneelspel in de kerk en de bijbelverhalen.

De stukken werden daarom alleen nog in de open lucht op het voorplein van de kerk gespeeld en de ontwikkeling naar meer complexiteit en meer verhalen ging door: er kwamen stukken over heiligen en over de talloze legendes rondom Maria; de zgn. ‘mirakelspelen’. Verschillende verhalen werden vervolgens samengevoegd in een meerdaags spektakel, uitgevoerd op sacramentsdag, het ‘Corpus-Christifeest’. Hiervoor werd ook gebruik gemaakt van verschillende podia en grote decors.

Dans is de duivels

Op dans reageerde de kerk nog sterker dan op toneel. Dans was volgens de kerk teveel lichamelijk en leidde af van het hogere doel.

Oorspronkelijk was het gewoon in de kerk te dansen, maar daar kwam vanaf de 6e eeuw verandering in. Steeds meer nam het gesproken woord een plaats in de eredienst en alleen ingetogen dansvormen bleven over zoals de cirkel- of reidans waarbij hymnen en psalmen werden gezongen. Alleen mannen mochten dit doen – de bewegingen van het vrouwelijk lichaam zouden de mannen teveel blootstellen aan verleidingen.

In 1024 werden zelfs de reidansen door het Concilie van Worms althans tijdelijk verboden. Wat er daarna nog overbleef waren de processies, vooral tijdens moeilijke tijden. Tijdens deze processies werd dan af en toe gedanst.

Tijdens de pestepidemieën kwam als reactie de dodendans weer op; een extatische en obscene dans die omstanders deed geloven dat men door de duivel was bezeten.

Gregoriaanse muziek

Wel geaccepteerd was muziek in de eredienst. De oorsprong van de kerkmuziek lag in de mondelinge overlevering van de muziek uit de joodse synagoge uit het Midden-Oosten (Syrië, Byzantium en Palestina).

Paus Gregorius (540 – 604) bracht grote veranderingen. Hij liet alle kerkmuziek, zo’n 300 melodieën, verzamelen en ordenen, en zo ontstond de

Gregoriaanse muziek.

Deze muziek ontwikkelde zich tussen de 6e en 9e eeuw van eenstemmig naar meerstemmig, maar de opkomst in de 9e eeuw van de mythe dat Gregorius zijn verzameling had ingefluisterd gekregen door de heilige geest zelf zorgde ervoor dat daarmee de verzameling heilig werd verklaard en dus ook niet meer mocht worden veranderd en de verzameling is daarna eeuwenlang hetzelfde gebleven.

Met behulp van eenvoudige notatie, de zgn. ‘neumen’ werd de grotendeels eenstemmige muziek vastgelegd en per gewone eredienst (‘missa ordinarium’) was er een vaste set standaard gezangen (de Kyrie, Gloria, Sanctus, Agnus Dei en Itte Missa Est) evenals voor de vaste monnikengebeden en bijzondere diensten zoals de dienst ter nagedachtenis (het Requiem).

Meestal werd deze muziek dus eenstemmig en met één toon per lettergreep gezongen (syllabisch), maar ook mogelijk was meerdere tonen per lettergreep (melismatisch) of met beide vormen (neumatisch).

Daarnaast werd de muziek ofwel gezongen door een voorganger, in wisselzang tussen voorganger en koor (responsoriaal) of in wisselzang tussen twee koren (antifonaal).

è In feite markeert het pontificaat van Gregorius het begin van de West-Europese cultuur. Oorspronkelijk diplomaat van de kerk in Constantinopel werd hij in 590 gekozen tot paus Gregorius I. Vanwege de opkomende macht van de Arabische machthebbers richtte hij zijn blik op het westen. Vanaf dat moment ging de Latijnse kerk haar eigen weg en zette Gregorius alles in het werk om het christendom in het westen uit te breiden en Europa tot en (christelijke) eenheid te smeden.

De Kerk en het (boven)natuurlijke

In het wereldbeeld was God de bedenker en constructeur van de wereld die alles in perfect evenwicht had ontworpen wat helaas werd verstoord door de zondeval in het Paradijs. Alles wat er gebeurde had dus met God te maken, of het nu positieve dingen waren of rampen en epidemieën. Aangewakkerd door de kerk was er een grote angst voor de dood en de mogelijkheid in het vagevuur te belanden.

In de klassieke oudheid werden beelden onder meer gebruikt om de glorie van keizers te verbeelden die, zo geloofden velen uiteindelijk waren terechtgekomen in de kring van goden rondom Jupiter.

De kerk moest niets van deze ideeën hebben en de beelden die daarmee werden geassocieerd en hield zich aan de regel uit de Bijbel “zich geen gesneden beelden te maken”.

Dit veranderde pas nadat de Noord-Afrikaanse theoloog en kerkvader Augustinus rond het jaar 400 betoogde dat afbeeldingen juist werktuigen zouden kunnen zijn in de verspreiding van het geloof en het licht van God. Kunstenaars verbeeldden scenes uit de bijbel en zagen zichzelf daarin als werktuig van God en de kerk. Er werd nog weer anders tegen deze afbeeldingen aangekeken toen er verhalen de ronde deden dat sommige beelden oorzaak van wonderbaarlijke genezing bleken te zijn geweest..!

Vanaf dat moment waren heksen en sjamanen ineens verdacht als ‘werktuig van de duivel’. Toen de kerk ook de vervolging ketters en afvalligen uitbesteedde aan de Inquisitie kwamen de vervolging van deze en andere ‘afvalligen’ op gang. Een pauselijke verklaring, de verschijning van de Heksenhamer (de ‘Malleus maleficiarum’) in 1485 eeuw en de uitvinding van de boekdrukkunst deden de rest. Zo werden de Katharen, naamgevers van de term ‘ketter’ op grote schaal vervolgd, met name omdat zij zichzelf als de ‘ware christenen’ zagen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.