Hoofdstuk 9 + 10: bespiegeling

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 1371 woorden
  • 19 juli 2015
  • 10 keer beoordeeld
Cijfer 6.7
10 keer beoordeeld

1800 (19e eeuw)

Romantiek

In de 19e eeuw komt de Industriële Revolutie op. Fabrieken nemen de huisnijverheid over en arbeiders verkeren in slechte werkomstandigheden:

  • Lange werkdagen
  • Kinderarbeid
  • Slechte voeding en huisvesting

Karl Marx roep op tot verzet in zijn Communistisch Manifest. De Revolutie brengt ook verstedelijking met zich mee. Doordat iedereen nu in hetzelfde gebied woonde, verdween het individu in een anonieme massa. Kunstenaars vluchten in denkbeeldige werelden (sprookjes, mythen en sagen) en krijgen opnieuw belangstelling in het verleden. De natuur wordt geïdealiseerd en ook gevoel & sentiment krijgen meer aandacht.

 

William Turner is de eerste landschapsschilder. In zijn schilderijen staan emotie en beleving voorop. Hij maakt gebruik van:

  • Dynamische en asymmetrische composities met diverse schuine richtingen;
  • Sterke kleur en licht-donkercontrasten; soms clair-obscur
  • Repoussoir-effecten

John Constable is één van de eerste schilders die buiten werkt. Volgens hem is de hemel het belangrijkste werktuig van het gevoel.

 

De hand naar het verleden vinden we terug in de gothic revival. Volgens John Ruskin kunnen we veel leren van  deze stijl, omdat iedereen betrokken was bij het werk, wat zorgde voor enorme variatie en vernieuwingsdrang. De werkgemeenschap Morris & Company was opgericht door William Morris. Dit is een Arts & Craftsbeweging: om de scheiding tussen ontwerper en arbeider tegen te gaan kwamen er kleinere werkplaatsen. Kunst en ambacht gingen samen. Hierdoor zouden er kwaliteitsproducten geleverd worden. Dit droeg bij aan de scheiding tussen de rijken en de rest, want de producten waren erg duur. P.J.H. Cuypers volgt William Morris hierin na bij de bouw van het Rijksmuseum. Hij gebruikt in zijn ontwerp een eclectische stijl: een versmelting van verschillende denkwijzen, werkwijzen en stijlen.

 

Grand opéra is een spektakel waarbij de muziek een grote rol speelt, bijvoorbeeld Giacomo Meyerbeer (Les Hugenots). Het ontleent zijn thema’s aan de moderne tijd en de middeleeuwen. De wijze van uitbeelden is romantisch: kleurig en sprookjesachtig, volks en nationalistisch. Chromatiek: halve toonafstanden.

De Sylfide is het eerste romantische ballet. Hoofdrol: danseres van begin tot eind op spitzen wat een zwevend effect geeft.

Ballet blanc: ballet waarin het gaat om sprookjesachtige of bovennatuurlijke vrouwelijke wezens die de indruk wekken te kunnen zweven. Ze dragen witte tutu’s en het gaat om het uitbeelden van gevoels- en stemmingsbeelden.

In 1874 opening Opéra Garnier, gemaakt door Charles Garnier. De entree, het trappenhuis en de foyer overtreffen de zaal zelf. Dit was omdat het nu belangrijk was voor de opkomende burgerij om ‘te zien en gezien te worden’.

 

Carmen is een opera geschreven door Georges Bizet. Carmen is een femme fatale: een vrouw die haar schoonheid en seksualiteit gebruikt om mannen te verleiden. Typisch voorbeeld van exotisme: voorkeur voor het verre/vreemde, in dit geval Spanje. Carmen is een Spaanse zigeunerin die verliefd wordt op een soldaat, dit is verboden liefde. De soldaat verlangt naar Carmen, die ook verliefd wordt op een toreador, waarnaar de soldaat Carmen vermoord.

Richard Wagner:

  • Leidmotieven: een motief toegekend aan een persoon, kenmerkend.
  • Gesamtkunstwerk: eenheid van poëzie, decor, mise-en-scène (decor), handeling en muziek.
  • Das Festspielhaus bouwde hij zelf omdat volgens hem andere opera’s niet voldeden aan zijn eisen voor zijn muziek
  • Orkestbak: het orkest niet meer op het podium
  • Publiek in het donker: alle aandacht naar het podium, kon door het gaslicht.
  • Der Ring Des Nibelungen: tragedie van het menselijk lot. Het is een operacyclus, opgedeeld in 4 delen, van 18 uur. Thema’s: mythen, hebzucht, dood, verlangen en liefde.

 

Absolute muziek: muziek die geen verband houdt met een buitenmuzikaal gegeven, zoals literatuur, beeldende kunst, natuur.

Programmamuziek: instrumentale muziek met een buitenmuzikale inhoud. De inhoud bestaat bij voorkeur uit een opeenvolging van handelingen, situaties, beelden of gedachten, die de fantasie van de componist prikkelen en de luisteraar in een bepaalde richting leiden. Klankkleuren worden belangrijker, sommige hebben een associatieve betekenis.

Symfonisch gedicht: een ééndelige compositie voor orkest, gebaseerd op thema’s uit de literatuur, beeldende kunst of op eigen ervaringen. (Richard Strauss)

Fugathema: waarin alle twaalf tonen van de chromatische toonladder voorkomen.

 

Marius Petipa is de grondlegger van de Frans-Russische balletstijl met De Schone Slaapster (gewerkt met Tsjaikovsky). Divertissement: ballet intermezzo in opera’s. De amusementswaarde staat voorop. Klassieke pas de deux: een duet tussen de soliste en haar partner bij een divertissement, met veel techniek.

 

Genie: uitblinker als instrumentale solist. In de romantiek stond het individu centraal. Voorbeeld: Niccolò Paganini (violist)

Melodrama: verhaal waar, na veel spanning en sensatie, het goede het kwade overwint. Gebruik gemaakt van overdadige decors en effecten, dans, actie en muziek.

Vaudeville: kort toneelspel met zang en orkestbegeleiding, soort circus.

Wals was de volksdans op dat moment, maar werd ongepast gevonden.

 

Franz Schubert vond dat een kunstenaar zich alleen in volledige artistieke vrijheid kan ontplooien. Hij baseert zijn liederencyclus op gedichten van Wilhem Müller.

Caspar David Friedrich richt zich op de innerlijke wereld van de geest.

 

Realisme

Industrie beidt nieuwe materialen, als ijzer en staal. Er ontstaat een infrastructuur en behoefte aan gebouwen die nog niet bestonden daarvoor. Parijs wordt het voorbeeld.

Jacques Offenbach is een cellovirtuoos en componeert opera’s waarin hij spot met de maatschappij en kritiek levert op het regime.

Operettes: kleine komische opera waarin veel wordt gezongen en gedanst.

Salon: door de Franse staat georganiseerde kunsttentoonstelling, toegankelijk voor iedere bevolkingslaag.

 

Schilders van Barbizon schilderden landschappen die niet geïdealiseerd zijn. ze schilderen in de buitenlucht, wat nu kon door de ontwikkeling van de verftube (o.a. Jean-François Millet)

Realisme: alledaagse werkelijkheid. Gustave Courbet maakte hier een hele tentoonstelling over.

 

Verisme (realisme in de muziek) is een reactie op het belcanto (lyrische zangstijl met nadruk op klankschoonheid, virtuositeit en volle toon) en gaat over alledaagse onderwerpen.

Giuseppe Verdi zet in zijn opera’s mensen neer van vlees en bloed, wat hem erg populair maakt. Hij is een nationalist (ieder volk zijn eigen muziek). Hij schreef oa Nabucco.

 

1851 – eerste wereldtentoonstelling in Londen, waarin men kon kennismaken met allerlei culturen. Tentoongesteld in Crystal Palace, gemaakt door Joseph Paxton.

Thonet ontwierp stoelen gemaakt van gebogen hout. Ze zijn eenvoudig en goedkoop, wat ze erg populair maakte. Het zuinige materiaalgebruik maakte massaproductie mogelijk.

1889 – wereldtentoonstelling in Parijs. Hiervoor wordt de Eiffeltoren gemaakt door Gustave Eiffel om de ongekende mogelijkheden van staalconstructies te tonen.

 

Edouard Manet schildert realistisch, doelgericht en seksuele met brede penseelstreken en scherpe contrasten.

Claude Monet vindt het onderwerp niet belangrijk, zolang kleur en licht schitteren. Hij schildert ter plaatse en, vanwege de snel veranderende weersituaties, met weinig detail. Men noemt hem een impressionist.

Impressionisme: voorkeur geven aan licht en kleur zoals ze in de natuur verschijnen.

Auguste Renoir is een impressionist van alledaagse taferelen.

 

Vanaf 1850 ontwikkelt de fotografie zich. Foto’s lieten de werkelijkheid zien van een moment (zon/schaduw, beweging). Impressionisten introduceerden de beeldtaal van de fotografie: afwijkende standpunten, merkwaardige afsnijdingen en harde licht-donker contrasten.

Nog een inspiratie is Japanse kleurenhoutsnede:

  • Afwijkende composities
  • Kalligrafische contourlijnen
  • Hard kleurgebruik

Dit beïnvloedt Edgar Degas.

 

Impressionistische muziek werd gemaakt door Claude Debussy. Hij liet zich inspireren door exotisme en het werk van schilders. Dit werk heeft geen thema en toonsoorten worden door elkaar heen gebruikt. Klankkleur is belangrijk.

 

 

Paul Cézanne slaat een andere richting in: hij verdraait composities en laat perspectief achterwege. Ook blijft hij orde scheppen.

Georges Seurat introduceert het pointillisme: verf ongemengd in stippen naast elkaar op het doek aanbrengen, zodat het lichtverlies geëlimineerd wordt.

Vincent van Gogh was één van de eerste expressionisten, gebruikte het pointillisme maar met streepjes in plaats van stippen.

Auguste Rodin is een impressionistische beeldhouwer: alles overlaten aan de verbeelding.

Symbolisme: niet-waarneembare ervaringen (ideeën, dromen, fantasieën) te symboliseren in een waarneembare vorm.

Paul Gauguin introduceerde het primitivisme: kijken naar uitdrukkingswijze van primitieve volkeren.

 

1890 – Jugendstil (art-nouveau/modern style): integratie van moderne materialen als ijzer, staal en glas. Kenmerken:

  • Asymmetrisch
  • Vloeiende lijnen, rondingen
  • Gerelateerd aan de natuur
  • Hoektorens, topgevels, dakkapellen, balkons, grote kozijnen

 

Nationalisme stond centraal.

Naturalisme: uit het dagelijks leven. Er kwamen realistische dialogen, realistische en eenvoudige decors en elektrisch licht.

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.