ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis

Kunst-algemeen – examen - samenvattingen

Romantiek

Inleiding Romantiek en Realisme

19eeuw tijdsbeeld

  1. Sociale revolutie: (n.a.v. Franse revolutie 1789)
    • Liberalisme : economische vrijhandel, geen overheidsbemoeienis
    • Socialisme : particulier winstbejag ten koste van gemeenschap is onrechtvaardig ; wel overheidsbemoeienis.
  2. Industriële revolutie: (Vanaf 18e eeuw) machines ipv handwerk. Positieve gevolgen: verbeterde infrastructuur. Negatieve gevolgen: Slechte arbeidsomstandigheden voor massa + grote verschillen tussen arm en rijk. Urbanisatie.
  3. Rationele revolutie: (Vanaf 18e eeuw) wetenschap en techniek verdere ontwikkeling. Medische ontdekkingen, uitvinding telefoon en fotografie, krant beïnvloedt publieke opinie.
  4. Nationalisme: Trots op eigen volk en (nieuwe ontstane) land.
  5. Modern imperialisme: (1870 – 1914) kolonisatie door sterk industrialiserende landen opzoek naar niewe afzetgebieden + grondstofvoorziening.
  6. Wereldtentoonstelling: (Londen, Crystal Palace, 1851) nieuwe westerse producten + kunst expositie + niet-westerse , primitieve voorwerpen. Doel: Versterken van positie Britse rijk als handels- en industrienatie. Tentoonstelling invloed op alle kunstvormen.
  7. Vrouwbeeld: Ongeemancipeerd.

19e eeuw: eeuw van veranderingen en mondernisering.

Romantiek (ca. 1800-1850)

  • Tegenreactie op rationele verlichting en afstandelijke neoclassicisme
  • Filosofen: Goethe en Rousseau: Gevoel belangrijker dan verstand.
  • Kunstenaar ontvluchtten alledaagse werkelijkheid.
  •  Romanticus eigen weg, gedreven door eigen gevoel.
  • Gezien als geniaal (verheven, profetisch) maar ook wereldvreemd (kloof met grote publiek).
  • Vrijheid van vormgeving,
  • l’art pour l’art.

 

Kenmerken

  • Escapisme (vluchten uit alledaagse, grimmige werkelijkheid
  • Gevoel ipv verstand
  • Natuur ipv techniek en steden (niet aan rationalisme onderworpen, plaats voor grote emoties)
  • Handwerk en vakmanschap ipv industrie
  • Geromantiseerde werkelijkheid (dramatisch, symbolisch en tragisch)
  • Exotisme (respect en interesse vreemde landen en culturen)
  • Nationalisme (interesse in eigen verleden, sprookjes, erfgoed)
  • Belangstelling voor bovennatuurlijke en religieuze

De Salon

  • Jury beoordeeld > positief -> opgehangen in expositie
  • Conservatief
  • Onmisbare stap voor kunstenaar opweg naar roem
  • Toegankelijk voor massa
  • Bourgeoisie veilig kopen
  • Veel naakt (i.t.t. dagelijks leven)

Bouwkunst

  • Eclecticisme: mixen van historische (neo)stijlen (nostalgie, nationalisme en escapisme)
    • Neoclassicisme
    • ‘Gothic revival’
    • Etc.
      • Stijlpluralisme (allerlei stijlen naast elkaar gebruikt, maar niet in hetzelfde gebouw)
  • Bouwstijl aangepast op functie en doelgroep
  • Fantasie (sprookjes en legendes)
  • Exotisme door koloniale invloeden
    • Bizarre gebouwen
    • Wintertuin, oranjerie, kas
  • Skeletbouw en gietijzer maken gebruik van veel glas mogelijk (nieuwe materialen)
  • Engelse landschapstuin

Neostijlen:

  • Follie > neoklassiek

Eclecticisme:

  • Houses of parliament > Gothic revival
  • Rijksmuseum > Neogotiek en neorenaissance
  • Centraal station Antwerpen. Stations: Tempels van industriële revolutie. Ieder land wil spoorweg.
  • Opera Garnier > Neobarok

Fantasie:

  • Neuschwanstein

Exotisme:

  • Sezincote House
  • Royal pavilion: Indiase Gotiek. Combinatie van gotische, Moorse, Indiase en Chinese bouwstijlen.
    • Uivormige koepels
    • Minaretachtige torens
    • Kantwerkachtig beeldhouwwerk
    • Hoefijzervormige bogen
    • Sprookjesachtig interieur
    •  

Engelse Landschapstuin

Franse landschapstuin

Lijkt ongerepte natuur, maar is aangelegd

Geometrie

Assymetrisch

Symmetrie

Water

 

Folllies

 

Weinig beeldhouwwerk

Overdadig beeldhouwwerk

Doel:

Doel:

  • Laten zien dat natuur niet beheersbaar is door mens
  • Laten zien dat de mens de natuur kan beheersen
  • Mensen ontvluchtten industriesteden

 

Schilderkunst

Kenmerken:

  • Overdrijving:  Werkelijkheid indrukwekkender en mooer maken.
  • Individualisme: Eigen mentaliteit, emotie en religie centraal
  • Natuur: Als spiegel van eigen (fraaie en minder fraaie) emoties. Enerzijds geïdealiseerd (ondanks gruwelijkheid tafereel), anderzijds woest en wreed. Symbolisch. Nietige mens tegenover almachtige God. Niet de mens maar de natuur is het onderwerp.
  • Bovennatuurlijke: Interesse in mystiek en occultisme. Nachtmerries.
  • Exotisme: Belangstelling voor nietwesterse culturen. Eerst fantasierijke kunst door overlevering, daarna ook echt zelf landen bezoeken.
  • Nationalisme: Eigen geschiedenis en oude vertellingen als inspiratiebron. Op dramatische wijze weergegevwn. Politiek beladen.

! Geen eenduidige stijl. Wel voorliefde voor veel kleuren en grote licht-donkercontrasten.

Turner – Natuuren Nationalisme

Natuur:

  • Onderwerp: beleving van ongrijpbare en grootse natuur
  • Nadruk op kleur en lichteffecten
  • Symboliek en omstreden onderwerpen (bijv. Slavenhandel)
  • Heldere, frisse kleuren.
      • Voorloper impressionisten en abstracte kunst.

Nationalisme:

  • Historische gebeurtenissen symbolisch verbeeld

Friedrich – Natuur

  • Zwaarmoedig werk: sfeer van eenzaamheid en verlatenheid
  • Religieuze natuurbeleving (goddelijke en bovennatuurlijke zijn in natuur zichtbaar)
  • Symboliek in de titel

Goya – Bovennatuurlijke en Nationalisme

Bovennatuurlijke:

  • Voorbeelden: Los Desastros de la Guerra
  • Zwarte schilderijen: Nachtmerrieachtige taferelen

Nationalisme:

  • Politieke aanklacht

Fuseli – Bovennatuurlijke

  • Boze dromen en hallucinaties

Delacroix – Exotisme en Nationalisme

  • Exotisme: Alledaagse, exotische werkelijkheid
  • Nationalisme: Verheerlijking van heldendom

Gericault – Nationalisme

  • Aanklacht tegen misstanden

Prerafaelieten – kenmerken

GB, Victoriaans tijdperk. Wortels in Romantiek. Anti-academisch gezelschap. Terugkeer nar vroege Renaissancekunst.

  • Eenvoudige composities
  • Waardige, betekenisvolle onderwerpen (religieus, historisch, literair)
  • Symboliek
  • Morele boodschap
  • Nauwkeurige, realistische werkwijze
  • Fel, contrasterend kleurgebruik
  • Voorbeeld:
    • Millais, Ophelia
    • Millais, Christus in het huis van zijn ouders
    • Waterhouse, The lady of Shalott
    • Leighton, God Speed
    • Rosetti, Beate Beatrix

Beeldhouwkunst

Kenmerken:

Weinig ruimte voor vernieuwing:

  • Beeldhouwkunst lagere status > handwerk
  • Kostbare materialen > Klandizie: conservatieve bourgeoisie
  • Voorbeeld:
    • Rude, Napolitaanse vissersjongen
    • Rude, de Marseillaise

Carpeaux

Decoratie voor Opera Garnier in Parijs

  • Klassieke thematiek (dansende nimfen rondom Bacchus)
  • Romantische uitvoering (emotie en dynamiek) > schandaal
  • Voorbeeld: de Dans

Barye

  • Dieren
  • Klassiek: thematiek
  • Romantisch: dramatiek

Pradier

  • Klassiek: Naakt
  • Romantisch: exotisch thema

Chapu

  • Klassiek: perfectie
  • Romantisch: nationalistisch thema (Jeanne d’Arc)

Theater

Kenmerken:

  • Veel aandacht voor visuele aspecten toneel, bijv. kostuums, decors en toneeleffecten.
  • Weinig inhoudelijke diepgang. “Hoge kunst” geïnspireerd door bijv. mythologie 
  • Laat Aristotelische principes achterwege (eenheid van plaats, tijd en handeling).
  • Theatervormen spelen in op smaak publiek:
    • Rijken willen hoge kunst -> opera, ballet, komedies, tragedies.
    • Normale man wil lage kunst -> vermaak -> melodrama, vaudeville

Victor Hugo - Melodrama

  • Volkstheater: kunst toegankelijk maken voor hele volk
  • Onderwerpen: dagelijkse problemen uit samenleving, sociale onrechtvaardigheid
  • Geen eenheid van plaats en tijd
  • Melodrama: humor + ernst ineen
    • Doel: vermaak
    • Spektakel door toneelmachinerie
    • Staat dicht bij leven, minder literair
    • Weinig censuur
    • Nadrukkelijke speelstijl en hard stemgeluid
    • Muziek en dans versterken dramatische actie op toneel
    • Na vele intriges overwint goed op kwaad
  • Spreektaal
  • Strijd tussen romantici en conservatieven
  • Voorbeelden:
    • Hernani
    • Les Miserables

Vaudeville

  • Vermaak voor lagere klasse
  • Populair muziektheater
  • Verschillende acts volgen erlkaar op + samen een show > geen doorlopend verhaal
  • Alles en iedereen op de hak genomen
  • Ordinair karakter, pikante liedjes

Revue

  • Amusementstheater
  • Actualiteit tegen het licht
  • Losse stukjes dans, zang- en woordkunst rondom 1 maatschappelijk thema

Muziek

Kenmerken:

Reactie op rationele classicistische muziek

  • Thema’s:
    • Natuur
    • Exotische
    • Bovennatuurlijke
    • Volkverhalen
    • Nationalisme
    • Verleden
  • Weergave emotie door ingewikkelde melodieën, ritmes en samenklanken en nieuwe klankkleuren > instrumenten
  • Individualiteit, muzikale vrijheid (componist als bohemien(( artiest die in zijn levenswijze zorgeloosheid en onverschilligheid t.o.v. conventie toont)))
  • Dramatiek (verschil in toonhoogten en dynamiek)
  • Programmamuziek: muziek die een interpretatie geeft van bijv.  een gedicht, verhaal of schilderij
  • Symfonieorkest: Wat is het verschil tussen een sonate en een symfonie? Een sonate heft dezelfde opbouw als een symfonie, maar is geschreven voor piano of een kleine combinatie, bijvoorbeeld viool en piano
    • Dirigent heeft leiding
    • Basis:
      • Violen, altviolen, cello’s, contrabassen
      • Piano
      • Houtblazers (piccolo’s en fagotten)
      • Trompetten, hoorns, trombones, tuba
      • Slagwerk
    • Expressie door grootte orkest
    • Voorbeeld:
      • Ungarischen Tanze door Brahms
      • Symfonie Fantastique door Berlioz
  • Diversiteit aan muzieksoorten, nieuwe genres
  • Virtuositeit: meesterschap
  • Componisten:
    • Schubert
    • Chopin
    • Tsjaikovsky
    • Smetana

Nationalisme

  • Vaderland als onderwerp van symfonische gedichten en programmamuziek
  • Gebaseerd op en verwerking van volksmuziek in muzikale thema’s (Peer Gynt)
  • Inspiratie uit sprookjes, sagen en legenden
  • Muziek met boodschap. Voorbeeld
    • Finlandia door Sibelius moet de ‘buren’ afschrikken

Natuur

Liefde voor en vertolkin g van de natuur

  • Ma Vlast door Smetana

Bovennatuurlijke

  • Beschrijving van liefelijke bovennatuur, zoals elfjes en feeën. Voorbeeld:
    • Ouverture Midzomernachtdroom door Mendelssohn-Bartholdy
  • Beschrijving van sombere bovennatuur, zoals onderwereld. Voorbeeld:
    • Zwaan van Tuonela door Sibelius

Verleden

  • Geïnspireerd op verleden of andere kunstuiting over verleden. Voorbeeld:
    • Danse Macabre door Saint-Saens

 

Instrumenten

  • Bestaande instrumenten technisch verbeterd voor betere bruikbaarheid, groter volume en meer klankkleur
  • Nieuwe instrumenten > nieuwe klankkleuren (saxooon, accordeon, piano)
  • Piano brengt muzikale dynamiek. Populair bij bourgeoisie.
     

Nieuwe genres

  • Emotioneler
  • Lied doorgecomponeerd, verliest typisch refreincouplet structuur
  • Ouverture als zelfstandig symfonisch gedicht
  • Nieuwe vormen door gebruik piano: Etude, mazurka, polonaise, nocturne, prelude, wals.

 

Het lied

Populair expressiemiddel -> iedereen meedoen.

 

Volkslied

Kunstlied/balade

Melodie

Eenvoudige, herkenbare motieven

Minder voor de hand liggend

Tekst

Ongekunsteld, recht voor zijn raap

Literair geïnspireerd, meer diepgang, kunstzinnig

Stem

Direct, non-vibrato, kleine omvang

Geschoolde stem

Begeleiding

Simpel, veel herhaling

Complex, even belangrijk als de zang

Vorm

Herhalingen, korte even lange zinnen, coupletlied

Coupletlied, gevarieerd coupletlied of doorgecomponeerd

Uitvoering

A capella of boudon of akkoorden, vooral zang, instrumenten vrij te kiezen maar eenvoudig te bespelen.

Enkele zang met piano of orkest

Voor wie?

Iedereen, zonder pretenties of scholing

Voor geschoolde luisteraar.

 

Opera

Muzikaal theater dat populair is bij gegoede burgerij. Pronken.

  • Populaire thema’s:
    • Exotisme -> exotische kostuums, decors en instrumenten. Westers vs exotisch.
    • Legenden
    •  Volksverhalen 
    • Romans -> eigentijdse verhalen met actuele onderwerpen
    •  verleden,
    • nationalisme
  • Gevoelvolle muziek
  • Solisten zingen aria’s (uiten van gevoelens en gedachten) en duetten
  • Koor reageert op handelingen
  • Recitatieven (deel verhaal wordt verteld in zangvorm)
  • Opent met ouverture (muziekstuk dat vooruitwijst naar het werk)
  • Kijkspektakel (prachtige decors, kostuums, balletten)
  • Duurt urenlang
  • Opera buffa (komisch)                <>                        Opera seria (serieus, tragisch)
  • Verdi grootste operacomponist allertijden
  • Opera als menselijk drama, vol emotie.
 

 

Dans

Kenmerken:

  • Thema’s: bovennatuurlijke, historische verhalen, sprookjes (escapisme)
  • Voornamelijk ballerina’s
  • Natuur als decor
  • Bovennatuurlijke thematiek en uitstraling
  • Gewichtloosheid
  • Verhalend (mime) en divertissement (abstract)
  • Ballet blanc:
    • Podium bevolkt door danseressen in witte tutu’s
    • Verbeelding bovennatuurlijke wezens
    • Divertissement
  • Romantische motieven (strijd van goed tegen kwaad, onbereikbare liefde, exotisme)
  • Voorbeeld:
    • Het Zwanenmeer

Ballet – natuur

  • Natuur als decor
  • Geïdealiseerde, onbedorven personages in bij en hoofdrollen
  • Volksdansen

Ballet – bovennatuurlijke

  • Bovennatuurlijke wezens in de hoofdrol
  • Zwevend / vliegend voortbewegen
    • Verticaal gericht, gewichtloosheid
    • Uiterlijk dansers: slank, rank, lang
    • Pointes dans (spitzen, op toppen van tenen)
    • Hoge en verre zweefsprongen
    • Lift
    • Pirouettes
    • Kleding: spitzen, maillots en tutu’s
    • Technische middelen: takels, liftmechanismen en vloerluiken.
  • Geheimzinnige, nachtelijke sfeer
  • Voorbeeld:
    • Giselle door Coralli en Perrot

Ballet – divertissement

  • Dans om de dans (abstract)
  • Virtuositeit
  • Onderbreking van het verhaal
  • Hoe minder danseressen, hoe hoger status ballerina
    • Prima ballerina: hoofdrol, middelpunt ballet
    • Pas de deux: duet met mannelijke hoofdpersoon

 

 

 

Realisme (ca 1840-1880) / 2e helft 19e eeuw

Tegenreactie op Romantiek. Beaudelaire: In je eigen tijd staan. Tevens verzet tegen Academie en Salon.

  • Nieuwe kunstvorm vanwege concurrentie Salon
  • Fotografie als concurrent en bevrijder
  • Wetenschappelijk empirisme
  • Industriële en maatschappelijke ontwikkelingen: aandacht voor realiteit van heden.

Kenmerken:

  • Weergave (maatschappelijke) werkelijkheid
  • Onderwerp: dagelijks leven
  • Helden: arbeiders en boeren
  • Wereld weergegeven zoals zij is
  • Nieuwe, industriële materialen

Bouwkunst

Kenmerken:

  • Nieuwe industriële materialen: gietijzer, gietstaal, glas > grote overspanningen, skeletbouw, hoogdbouw, prefab
  • Ornamenten
  • Samenwerking architecten (gevels) en ingenieurs (constructies)
  • Nieuw type bouwwerken (spoorbruggen, stations, grote kassen, industriehallen)

Crystal Palace

Wereldtentoonstelling, Londen, 1851

Producten industriële revolutie aan wereld tonen, superioriteit tonen.

Eiffeltoren (1989)

Wereldtentoonstelling, Parij, 1989

Ingenieursbouw. Tijdelijk. Bedoeld om belang van staal aan te tonen.

Chicago school

Sullivan: “Form follows function” -> basis functionalisme

Nog wel gedecoreerd.

  • Staal als bouwmateriaal
  • Beton of staalskeletbouw (skelet draagt vloeren en plafonds, ruimtes ingedeeld via systeemwanden)
  • Prefab wanddelen
  • Hoge constructies (wolkenkrabbers)

Europa

  • Staalskeletbouw voornamelijk toegepast in dakconstructies met glas
  • Traditionele (eclectische) vormgeving
  • Voorbeeld: Oxford University Museum for Natural History, Bibliotheque National de France, beurs van Berlage (revolutionair > geen ornamenten)

 

Toegepaste kunst 2e helft 19e eeuw

Industriële vormgeving – kenmerken:

Industriële revolutie -> einde ambachtelijk handwerk en arbeidsplezier

  • Goedkoop
  • Massaproductie
  • Vormgeving zonder visie
  • Ornamenten uit verleden
  • Lelijk

Art-And-Crafts – kenmerken

Protest tegen leilijke massaproductie o.l.v. Morris

  • Mooie, verantwoorde vormgeving
  • Vormgeving voor iedereen (maar te kostbaar)
  • Hang naar verleden
  • Vakmanschap (via middeleeuwse gilden)
  • Arbeidsplezier
  • Organische vormen
  • Natuurlijke materialen (hout)
  • Plant, bloem- en diermotieven
  • Voorbeelden:
    • Mackintosh, Glasgow school of arts

Beeldende kunst

Stromingen:

Kunst die de werkelijke wereld weergeeft.

  • Realisme: Maatschappelijke ellende en ware helden (arbeiders en boeren) als onderwerp.
  • Impressionisme: De natuur zoals die echt is als onderwerp

Realisme – schilderkunst – kenmerken

  • Eigentijdse werkelijkheid/ dagelijks leven als onderwerp
  • Helden: boer en arbeider
  • Wereld wordt niet mooier weergegeven dan hij is
  • Daad van verzet tegen academie en Salon
  • Vooruitstrevende avantgarde kunst

School van Barbizon

  • Vredige natuur (soms mooier gemaakt)
  • Boerenlui
  • En plein air (snel schilderen, verftube, veldezel)
  • Voorbeelden:
    • Millet
    • Corot

Courbet

  • Weergave werkelijke wereld
  • Gewone mensen
  • Lagen dikke verf
  • Grote contrasten
      • Pavillon Du Realisme

Manet

Provocerend:

  • Klassiek onderwerp in eigentijdse context
  • Nietacademische vormgeving
  • Salon des Refuses
  • “Schilderij is geen venster waardoor een fotorealistische wereld te zien moet zijn.”

Impressionisme – kenmerken – schilderkunst

Bronnen:

  • Courbet
  • En plein air
  • Manet
  • Uitvinding fotografie
    • Ongewoon standpunt
    • Afsnijding
    • Niet-geposeerd
  • Japanse prentkunst
    • Heldere kleuren
    • Strakke lijnen
    • Geen perspectief
    • Afsnijding
    • Awijkend visueel standpunt
    • Voorbeelden:
      • Hiroshige
      • Van Gogh
  • Onderwerp: Werking van licht en kleur
  • Schilderen in de buitenlucht
  • Snelle werkwijze > sfeer momentopname vangen in kleur op doek
  • Felle, ongemengde kleuren (mengen zich op afstand in oog kijker)
  • Snapshot effect
  • Geen details
  • Objectief> niet letten op wat je weet, maar op wat je ziet.
  • Voorbeelden:
    • Monet
    • Renoir
    • Degas

Fotografie

  1. Concurrentie schilderkunst: realistische weergave werkelijkheid
  2. Bevrijding schilderkunst: Hoeft niet meer realistisch te zijn.

Foto’s als voorbeeld voor correcte weergave mens/dier in beweging. Fotosequenties.

Beeldhouwkunst – 2e helft 19e eeuw

Kenmerken:

  • Conservatief (want rijke, conservatieve opdrachtgevers en afhankelijk van oordeel Salon)
  • Vaderlandslievende onderwerpen (want overheid als opdrachtgever
  • Moderne kunst alleen mogelijk door compromis, bijv. geidealiseerde arbeiders.

 

Degas

Kritiek:

  • ‘Was’ ipv brons
  • Echt textiel en haar
  • Armoedig ‘achterbuurt’ model
  • Niet geïdealiseerd
  • Momentopname

Impressionisme – Rodin

  • Gemodelleerd in klei / was > schetsmatig
  • Vervolgens in brons gegoten
  • Lichtval op onregelmatig oppervlak
  • Ontstaansproces zichtbaar
  • Vluchtig en onaf karkater > voorbijgaand moment -> impressie
  • Geen sokkel, betrokkenheid publiek
  • Klassieke thema’s (niet impressionistisch)

Theater

Ibsen – Realisme (scandinavië)

  • Onderwerp: sociale problematiek
  • Natuurgetrouwe emoties
  • Nationalistisch
  • Personages ontleend aan noorse sagen
  • Voorbeeld:
    • Peer Gynt

Charles Dickens – Realisme (Groot-Brittannie)

  • Sociale drama’s
  • ‘Sentimenteel’
  • Karikaturale karakters
  • Voorbeeld:
    • A christmas carol

Heijermans – Realisme  (Nederland)

  • Sociaal betrokken toneelstukken
  • Voorbeeld:
    • Op Hoop van Zegen

Strindberg – Naturalisme  (zweden)

  • Literair realisme: ‘meer dan een blik op het dagelijks leven’
  • Psychologisch: speelt zich af in hoofden van figuren
  • Voorbeeld:
    • Froken Julie

 

 

Muziek

Opera

  • Opera vera (realistische opera)
  • Helden: gewone mensen
  • Dagelijkse omgeving
  • Gebeurtenis over de dood wordt bezongen door omstanders ipv in aria door stervende zelf
  • Voorbeeld:
    • Carmen door Bizet

Operette

  • Lichtvoetig libretto (tekst)
  • Gesproken tekst en acteerwerk
  • Conflict: eenvoudige man tegenover bourgeoisie
  • Licht, vrolijk amusement
  • (Pikante) dans, zoals de cancan
  • Voorloper van musical
  • Voorbeeld:
    • Orpheus in de onderwereld door Offenbach
    • Die Fledermaus door Strauss

 


 

Fin de siecle/Belle epoque (ca. 1890-1914)

Sfeer : melancholisch (zwaarmoedigheid, droefgeestigheid) tegenover laatste uitbarsting van levenslust, luxe en overvloed (‘prachtig tijdperk’).

Tijperk v.d bourgeoisie. Kapitaalkrachtige, leidende klasse maatschappij. Bedreigd door socialisme -> weglachen door kunst, feesten en luxe-uitgaven.

Kenmerken

  • Thema’s: femme fatale en onderbewuste (Freud)
  • Art Nouveau/Jugendstil: Rijk gedecoreerd en ambachtelijk vervaardigd, kostbaar.

 

Bouwkunst - Fin de siecle

Jugendstil / Art Nouveau – kenmerken

Synthese tussen architectuur + ingenieurskunst. Nieuwe, op het industrieel productieproces gerichte vormgeving.

  • Nieuwe, moderne technieken (ijzer is goed buigzaam)
  • Organische vormen (gestileerde natuurmotieven)
  • Vloeiende lijnen
  • Asymmetrie
  • Kostbaar: Dure materialen en veel handwerk
  • Voorbeelden:
    • Gaudi, Casa Mila
    • Gaudi, Sagrada Familia

 

Toegepaste kunst – Fin de Siecle

 Jugendstil- kenmerken

Ontstaat n.a.v. Arts-and-Crafts.

  • Inspiratie: Japanse kunst
  • Natuurlijke motieven (bloemen, vogels, insecten en vrouwen)
  • Gestileerde (vereenvoudigde) , sierlijke vormen
  • Vloeiende, zweepslaglijnen
  • Functionaliteit ondergeschikt aan vorm
  • Ambachtelijk vervaardigd
  • Toegepaste vormgeving, bijv. Meubilair, sieraden, affiches en illustraties.
  • Voorbeelden:
    • Pauwenkamer, James Abott McNeill Whistler -> inspiratie voor Art Nouveau
    • Beardsley
    • Mucha
    • Lalique (samengaan ambacht en industrie. Goed ontworpen maar industrieel vervaardigd. Betaalbaar)
    • Thonet: Industriëel ontworpen:
      • Seriematig te produceren
      • Originele vormgeving
      • Functioneel
      • Gedacht vanuit materiaal -> gestoomd out > voorloper buisstoel Bauhaus

Houtgravure

Begin 19e eeuw -> reproductietechniek

  • Grote oplagen
  • Geen grote afbeeldingen mogelijk
  • Graveur moet vakman zijn.

Verdwijnt met intrede lithografie

Voorbeeld: Dore

 

Lithografie

Tekening/foto wordt via chemisch procede op steen gefixeerd.

  • Grote oplagen in korte tijd
  • Grote afmetingen mogelijk (affiches)
  • Meerkleurendruk
  • Voorbeeld:
    • Toulouse-Lautrec (zelfkant maatschappij, Parijse nachtleven. Zonder boodschap of commentaar)

Beeldende kunst

Schilderkunst - Stromingen

Symbolisme (typisch voor tijdperk)                       <>                        Postimpressionisme (avant-garde)

  • Kunst als emotionele ervaring, gevoel                                Verschillende stijlen die zich

ontwikkelen vanuit (onvrede met)

impressionisme

  • Betekenis achter waarneming, symbolen
  • Literaire thema’s
  • Femme fatale

Symbolisme – Voorbeelden :

  • Klimt
  • Moreau
  • Khnopff
  • Von Stuck

Postimpressionisme

  1. Impressionisme teveel momentopname, te weinig goede vorm.
  2. Impressionisme gaat nergens over: gevoelloos en toevallig

Kunstenaar:

  • Seurat: Pointillisme:
    • Wetenschappelijk: stippen kleur vloeien samen in oog beschouwer
    • Doordacht en arbeidsintensief
    • Statische composities
  • Cezanne – Postimpressionisme:
    • Zoektocht naar harmonie van vorm en kleur
    • Geen registratie werkelijkheid (geen kloppend perspectief, niet kloppende kleuren etc.)
    • Diepte door verandering kleur
    • Voorloper kubisme
  • Gaugain – Postimpressionisme:
    • Kunst moet zinvol zijn, betekenis hebben (symbolist)
    • Gevoel dmv (niet perse) kloppende kleuren
    • Primitivisme/exotisme (westerse wetenschap leidt to zondeval)
  • Van Gogh – Postimpressionisme:
    • Realisme ondergeschikt aan emotie
    • Inspiratie: Japanse prentkunst (frisse kleuren, sterke contouren, stevige toetsen)
    • Voorloper Expressionisme.

Beeldhouwkunst

Symbolisme

  • Combi tussen symbolisme en Jugendstil
  • Sierlijk en decoratie
  • Kleurgebruik
  • Combi van verschillende materialen
  • Literaire thema’s:  betekenis

Muziek

Hoogromantiek

  • Uitdrukking persoonlijke gevoelens door stem en instrumenten (invloed Symbolisme)
  • Tekst en muziek vallen samen
  • Voorbeeld:
    • Also sprach Zarathustra door Strauss

Wagner

  • Grote orkesten
  • Mythologie
  • Operacyclus
  • Loslaten bestaande operastructuur, vrije vermeningen aria’s en recitatieven
  • Stem gebruikt als instrument
  • Leidmotiv(belangrijke personages en objecten worden voorzien van eigen muzikaal thema, ter verduidelijking en voor weergave stemming/gemoedstoestand)
  • Gesamtkunstwerk (totaal en gelijkwaardig samengaan van verschillende kunstvormen)
  • Publiek ondergeschikt aan productie
  • Theater maximaal ten dienst van opera, theater in Bayreuth
  • Orkestbak
  • Zwevende tonaliteit (loslaten tonaliteit, oneindige melodieën zonder logische afronding, muziek volgt tekst, weergave dramatische en expressieve stemmingen)

Mahler

  • Thema: zijn eigen leven
  • Symbolische teksten
  • Dramatische en expressieve stemmingen door zwevende tonaliteit
  • Symfonieën lang en kolossaal
  • Chromatisch systeem
  • Tekst en muziek gaan samen
      • Brug tussen 19e en 20e eeuwse muziek

Impressionisme

  • (impressie van een) sfeer belangrijker dan emotie
  • Pentatoniek (reeks van 5, gelijkwaardige tonen)
  • Minder duidelijk ritme
  • Geïnspireerd oor vroege, Amerikaanse jazzcultuur

Dans

Westers en Russisch ballet

  • Westers: Raakt vanaf 2e helft 19e eeuw in verval. Wordt op commerciële wijze aangepast aan de smaak van de massa
  • Russisch: komt tot bloei
    • Componist: Tsjaikovski
    • Choreografen: Petipa en Ivanov

Frans-Russisch ballet – kenmerken

  • Gebaseerd op sprookjes of verhalen/romans
  • Spektakel
  • Veel en technisch hoogstaande divertissementen
  • Verhaallijn niet altijd duidelijk
  • Sfeer
  • Expressiviteit (venieuwend!)
  • Dramatische handeling
  • Muziek: Combinatie (begeleidende) dansmuziek en (moeilik dansbare) orkestmuziek
  • Exotisme
  • Voorbeelden samengaan divertissementen en expressie;
    • Het Zwanenmeer
    • De Schone Slaapster
    • De Notenkraker

 

 

Begrippen enzo uit Syllabus

Accenten binnen het onderwerp:

  • Liederencyclus; een reeks liederen op een centraal themgesamt
  •  opera; Wagner, Bayreuth, Gesamtkunstwerk
  • Melodrama
  • Fotografie en het streven naar realiteit in de beeldende kunst;
  • Ballet;
  • Wereldtentoonstellingen;
  • Openbare concertzalen (Concertgebouw);

Specificaties van het onderwerp vanuit domein B invalshoeken voor reflectie:

Kunst en religie, levensbeschouwing

  • Visies op geschiedenis: een voortgaand lineair proces (met verschillende uitkomsten)

Kunst en esthetica

  • Lyriek en dramatiek
  • Verhevigde gevoelsuiting
  • Originaliteit vs traditie: je eigen tijd reflecteren; individualisme en idee van de geniale kunstenaar; soms virtuositeit

Kunstenaar en opdrachtgever; politieke en economische macht

  • Opleiding: toneel, dans-, kunstacademies en conservatoria: kunstenaars gaan zelf ook op zoek naar leermeesters (historische voorbeelden of natuur zelf)
  • Opdrachtgevers: vrije markt, de staat koopt kunst.
  • Organisatie samenleving: nationaal bewustzijn; naties, staat > streven naar vrije wereldhandel; concurrentie

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.