Eindexamens 2024

Wij helpen je er doorheen ›

Hoofdstuk 6: Produceren maar

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vmbo | 341 woorden
  • 30 mei 2022
  • nog niet beoordeeld
Cijfer
nog niet beoordeeld

ADVERTENTIE
3 redenen waarom je echt never nooit niet in het buitenland moet studeren

Studeren in het buitenland, de ultieme droom van veel mensen, toch? Nou,
vergeet het maar! Waarom zou je jezelf onderdompelen in nieuwe culturen,
talen en ervaringen als je ook gewoon thuis in je onesie op de bank kunt
blijven zitten?

Check het hier
  • 6.1: hoe produceer je?

Voor productie heb je 4 productiefactoren nodig:

  • Kapitaal
  • Arbeid
  • Natuur
  • Ondernemerschap

Als er veel met de hand wordt gedaan, noem je dit arbeidsintensief. Als er machines worden gebruikt noem je dat kapitaalintensief. Het gebruik van steeds meer machines en computers is het gevolg van technologische ontwikkeling.

Als bedrijven nieuwe kapitaalgoederen kopen, heet dat investeren. Het bedrag waar je aan het eind van de gebruiksperiode een kapitaalgoed kan verkopen, is de restwaarde.

De jaarlijkse waardevermindering is de afschrijving. Die berken je zo:

(Aanschafprijs – restwaarde)/ aantal gebruiksjaren.

Tijdens de productie voegen verschillende bedrijven iets aan een product toe. Dat heet de restwaarde. Deze bedrijven samen vormen de bedrijfskolom.

  • 6.2: van alle markten thuis?

Bij economie gebruik je het woord markt voor vraag en aanbod. Als er veel bedrijven goederen verkopen op dezelfde markt, dan is er concurrentie.

Om te weten hoe je bedrijf het doet vergeleken met andere bedrijven, kun je je marktaandeel berekenen. Dat doe je zo:

 Eigen afzet/ totale afzet * 100%

  • 6.3: hoe maak je winst?

Het aantal verkochte producten is je afzet. Het bedrag dat je voor de verkochte producten ontvangt, is je omzet (opbrengst verkopen). De kosten die je maakt om iets te produceren zijn je bedrijfskosten. De verkoopprijs is niet de prijs die de consument betaalt. De winkelier telt er nog btw bij de verkoopprijs op.

Omzet= afzet*verkoopprijs

Inkoopwaarde= afzet*inkoopprijs

Brutowinst= omzet – inkoopwaarde

Nettoresultaat= brutowinst – bedrijfskosten

Verkoopprijs= inkoopprijs= inkoopprijs + brutowinstmarge

Consumentprijs= verkoopprijs + btw

  • 6.4: is meer productie goed?

Het maximaal aantal producten dat een bedrijf kan maken, is de productcapaciteit. Die hangt af van het aantal werknemers dat bij het bedrijf werkt, het aantal werken en kapitaalgoederen zoals machines. Als het bedrijf meer werk aankan, is er onderbezetting. Als er te veel werk is, dan is er overbezetting. De productie van een werknemer in een bepaalde tijd noem je arbeidsproductiviteit.

Je kunt deze productie vergroten door verschillende maatregelen, waaronder specialisatie of arbeidsverdeling.

Meer productie heeft voordelen voor de samenleving. Je noemt dat maatschappelijke opbrengsten. Door maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) proberen bedrijven rekening te houden met Mens & Milieu

Bijlagen

hs6.docx

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.