Verlichtingsideeën en de democratische revoluties 1650-1848

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • vwo | 3157 woorden
  • 30 december 2014
  • 39 keer beoordeeld
Cijfer 7
39 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Maak jij weleens gebruik van de achteraf betalen-optie bij een webshop?

Voor veel jongeren is het de normaalste zaak van de wereld, maar het kan ook risico’s met zich meebrengen. Zo belandde Maura in de schulden: 'Wat begon met achteraf betalen eindigde met een schuld van zo’n 3.000 euro.'

Lees nu het interview

1 Verlichte ideeën over de ideale samenleving

 

De Wetenschappelijke Revolutie en het empirisme

Middeleeuwen: onderzoekers vaak geestelijken, onderwerpen vaak godsdienstig.

Renaissance: geen geestelijke onderzoekers, onderzoekers gingen zelf waarnemen en proeven doen, niet alleen onderwerpen die met godsdienst te maken hadden.

Gevolg: veel uitvindingen -> Wetenschappelijke Revolutie

 

Kenmerken Wetenschappelijke Revolutie:

  • Nieuwe manier van onderzoeken, observeren, experimenteren, redeneren.
  • Veranderingen in leven van mensen; vooruitgang medische zorg en nieuwe energiebronnen.
  • Gewelddadig verzet kerk, overheid en sommige bevolkingsgroepen.

 

Renaissance-onderzoekers: empirisme (waarneming, ervaring, experiment), In Oudheid ook al, maar in Renaissance systematischer.

Vesalius legde basis voor moderne westerse geneeskunde.


Verzet tegen de Wetenschappelijke Revolutie, vooral van de katholieke kerk

16e eeuw veel verzet: kerk verliest greep op wetenschap en kerkelijke opvattingen door onderzoek ondermijnd.

Giordano Bruno: Italiaanse geleerde, schreef boeken, aanhanger Copernicus en Luther, gelokt naar Venetië en vermoord omdat hij zijn opvattingen niet wou hervatten.

Galileo Galilei: bewees dat Copernicus gelijk had, veroordeeld, beloofd er niet meer over te schrijven, levenslang huisarrest, eind 20e eeuw Galilei door kerk in ere hersteld.

 

Vanaf eind 16e eeuw gaan regeringen de Wetenschappelijke Revolutie steunen

Eind 16e eeuw klimaat gunstiger, onderzoekers samenwerken in wetenschappelijke verenigingen, zij kregen steun van de regeringen. Door de uitvindingen had Europa een voorsprong.

Isaac Newton: leer van de zwaartekracht

Antoni van Leeuwenhoek: ontwerpen microscopen en ontdekte micro-organismen in water.
Door Wetenschappelijke Revolutie groeide het aantal mensen dat niet meer iets als waar aannam. Ook gingen mensen zich afvragen of ze wel op de goede manier met elkaar omgaan. Zo leidde de Wetenschappelijke Revolutie tot de Verlichting.

 

De Verlichting en rationalisme

18e eeuw: Verlichting, samenleving net als de natuur met verstand worden onderzocht, met deze kennis problemen in de samenleving oplossen -> Rationalisme. Dit leidde tot optimisme en de vooruitgangsgedachte.

 

 

 

 

 

Verlichters en sociale verhoudingen

Leven op aarde was net zo belangrijk als leven na de dood. Vrijheid en gelijkheid belangrijke begrippen.

Verschillen:

  • Taken van vrouwen: man en vrouw wel gelijk – biologische verschillen man en vrouw
  • Afschaffing slavernij: iedereen was gelijk, maar afschaffing ging voor velen een stap te ver.

 

Verlichters en godsdienst

Eens:

  • Religieuze tolerantie: verdraagzaamheid tegenover andere geloven.
  • Scheiding tussen kerk en staat: kerk: godsdienst, staat: bestuur en rechtspraak.

Verdeeldheid over de invloed van god op het dagelijkse leven:

  • Velen zagen god als schepper van de wereld, maar hij greep niet in in de wereld. Wereld wordt beheerst door natuurkrachten.
  • Anderen wisten niet of ze in goed moesten geloven, agnosten genoemd.

 

Verlichters en de economie

Belangrijke uitgangspunten:

  • Individu moet vrijheid hebben om eigenbelang na te streven, als iedereen dit doet, loopt dat vanzelf uit tot welvaart voor iedereen.
  • Economisch beleid: vrije markteconomie, vrijhandel en zo weinig mogelijk ingrijpen van de overheid.

 

Verlichters en politiek

Belangrijke uitgangspunten:

  • Volkssoevereiniteit: degenen die de macht uitoefenen, ontlenen hun macht aan het volk en zijn daarom verantwoording schuldig aan het volk. Samenleving op rede gebaseerd.
  • Het sociaal contract tussen vorst en volk of burgers onderling: door contract voorkomen dat er nieuwe oorlogen uitbreken. Burgers moeten bepaalde taken, zoals rechtspraak, overdragen aan overheid. Overheid waarborgt de rechten van de burgers d.m.v. wetgeving.
  • Scheiding van de machten in een staat: wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht moeten gescheiden zijn. Drie machten mogen niet in 1 hand zijn.

Gematigde stromingen: evenwicht tussen rede en traditie.

Radicale stromingen: braken geheel met traditie in hun tijd.

 

Verbreiding van de Verlichting

  • Boeken, tijdschriften en bibliotheken; belangrijkste boek was de encyclopedie, door de Wetenschappelijke Revolutie en de Verlichting was de hoeveelheid kennis van de mensen enorm toegenomen.
  • Salons en koffiehuizen; salon: bijeenkomst in het huis van meestal een vrouw uit de bovenlaag van de bevolking, zij nodigde mensen uit, alles mocht hier gezegd worden. In Engeland gebeurde hetzelfde in de koffiehuizen.
  • Toneel; rondreizende gezelschappen verbreidden de ideeën van de Verlichting.

Kerk en Staat oefenden in heel Europa censuur uit op redevoeringen en publicaties, behalve in Engeland en de Republiek.

 

 

 

 

 

Censuur ontduiken door:

  • Kritiek niet direct te uiten, maar door te schrijven over fictieve personages en andere volken.
  • Dubbelzinnige formuleringen, zodat je er alle kanten mee op kon.
  • Boeken illegaal of in het buitenland uit te geven.

 

2 absolutisme gaat in de Europese politiek de toon aangeven

 

1660-1789 Ancien Régieme, het oude bewind. Absolute macht van de Franse koning en een ongekende pracht en praal aan het hof. Frans werd belangrijk in de literatuur, mode en kookkunst. Velen leerden Frans spreken.

 

De vorsten gaan hun macht uitbreiden

Vanaf 14e eeuw veranderde de lappendeken van door edelen bestuurde domeinen in grotere bestuurlijke eenheden, met een koning aan het hoofd.

Absolutisme; vorst heeft alle macht in handen, vorst is door God aangesteld (Droit devin) en was alleen aan God verantwoording verschuldigd.

 

Uitbreiding op politiek gebied

Steden sloten een overeenkomst met de vorst om zicht te bevrijden van de macht van de edelen. Hiermee en met een andere krijgstactiek dan de edelen gewend waren, slaagde de koning erin de edelen aan zijn macht te onderwerpen.

Steden werkten niet nauw samen, waardoor de vorst zijn centralisatiebeleid ook aan hen kon opleggen.

De vorst bouwde ook een ambtenarenapparaat, waarin een deel van de adel nieuwe functies kreeg. Andere deel bleef de militaire tradities trouw. Ambtenarenapparaat werd aangevuld met burgers.

 

Uitbreiding op economisch gebied

Vorsten mochten als enige economisch beleid en belastingheffing regelen. Gekenmerkt door mercantilisme (subsidies en invoerrechten) en zorgen voor een gunstige handelsbalans.

 

Uitbreiding op militair gebied

Vorsten hadden geweldsmonopolie (zeggenschap over politie en leger). Vorst maakte gebruik van huurlegers, niet meer de edelen nodig. Lodewijk XIV richtte een eigen leger op dat altijd beschikbaar was, staand leger.

 

Uitbreiding op godsdienstig gebied

1 godsdienst in staat toe gestaan, om eigen godsdienstige overtuiging of godsdienstoorlogen te voorkomen. Willem van Oranje en Hendrik IV uitzondering, waren voor godsdienstverdraagzaamheid. Vrede van Augsburg; Karel V moest Duitse vorsten toestaan zelf hun godsdienst in hun gebied te bepalen.

 

Engeland en de Republiek als uitzonderingen

Republiek; Tijdens de Opstand in de Nederlanden werd trouw aan vorst opgezegd. 1588 ontstond de Republiek, een bond van zelfstandige gewesten.

Engeland; Magna Charta: koning gedwongen te ondertekenen, koning kon geen belastingen opleggen zonder toestemming van de adel, geestelijkheid en de burgerij. Later kwam er een parlement en Magna Charta werd beschouwd als begin van een grondwet.

17e eeuw oorlog in Engeland tussen aanhangers van de koning en van het parlement. Parlement won. Willem III werd koning van Engeland en stemde in met de Bill of Rights (1689), waarin rechten van het parlement werden uitgebreid. Parlement goedkeuring voor wetten geven. Enkele grondrechten werden er ook in vastgelegd (bijv. vrije verkiezingen).

 

Verlicht absolutisme en verlichte despoten

Absolutisme viel samen met Wetenschappelijke Revolutie en Verlichting. Vaak conflicten tussen verlichters en vorsten. Absolute vorsten stonden vaak een beperkte vrijheid toe aan de verlichters. Sommigen gingen ideeën verlichting uitvoeren. Verlicht absolutisme; vorsten hielden wel alle macht in handen, maar hielden meer rekening met de belangen van de bevolking. Frederik de Grote, koning van Pruisen, was hier een voorbeeld van.

 

3 De Franse Revolutie

 

Indirecte oorzaken van de Franse Revolutie

Franse samenleving vanaf de Middeleeuwen verdeeld in drie bevolkingslagen.

Eerste Stand: Geestelijken

Tweede Stand: Edelen

Derde Stand: Gegoede burgers in de steden en de gegoede boeren.

Arme bevolking werd niet meegeteld.

 

  • De geestelijkheid en de adel hadden het veel beter
    Kerk, 1% vd bevolking, bezat 10% van Frans land. Geen belasting betalen. Volk betaalde wel belasting aan de kerk.
    Adel, 1,5% vd bevolking, bezat 20% van Frans land. Bijna geen belasting betalen. Kregen belangrijkste functies in de Kerk, in het leger en in het bestuur van het land.
  • Ontevredenheid onder andere bevolkingsgroepen
    Boer, 80% vd bevolking, wilden meer grond en eerlijker belastingen, geen herendiensten meer.
    Nijverheid, 2% vd bevolking, te lang en te hard werken onder slechte omstandigheden. Laag loon.
    Klein deel van de burgers was zeer rijk, maar vonden niet eerlijk dat alleen edelen belangrijke functies konden krijgen. Ook vonden ze de belastingverdeling niet eerlijk. Ze wouden vrijheid van meningsuiting en drukpersvrijheid.
  • Het land wordt slecht bestuurd
    Regering had grote schulden door de vele oorlogen. Hoge functies werden gekocht waardoor hier mensen zaten die er niet geschikt voor waren. Rechtspraak was oneerlijk; Derde Stand strenger gestraft, je kon zomaar in de gevangenis komen.

 

Het verloop van de Franse Revolutie

Derde stand komt in verzet

Koning wou adel en geestelijkheid meer belasting laten betalen. Edelen wouden dit niet, Staten-Generaal om toestemming vragen (vergadering 3 standen o.l.v. koning). Voor eerst sinds 1614 weer bij elkaar geroepen in 1789. 3 standen kregen mogelijkheid klachten en wensen te formuleren in Cahiers des doléances. Per stand gestemd niet per persoon.

De Derde Stand riep Nationale Vergadering uit en gingen apart vergaderen. Zij besloten dat Frankrijk een grondwet moest krijgen. Derde Stand kreeg steun van lage geestelijkheid en enkele edelen.

 

De reactie van de koning leidt tot de bestorming van de Bastille en de eerste revolutie

Koning boos, verbood Nationale Vergadering, verbod ingetrokken, maar lieten troepen naar de rand van Parijs komen. Parijse bevolking bang voor soldaten en bestormden de Bastille. Soldaten weggehaald, maar te laat. Verhaal rondverteld op platteland dat edelen soldaten aan het verzamelen waren om boeren te vermoorden. Paniek, landgoederen van edelen plunderen, edelen vluchtten land uit.

Andere steden ook kant van Nationale Vergadering, menigte Parijse burgers trok naar Versailles om koning en Nationale Vergadering over te halen naar Parijs te verhuizen, dit lukte.

Uit angst voor nieuwe problemen keurde koning alle besluiten van NV goed, werden grotendeels opgenomen in eerste Franse grondwet:

  • Afschaffing voorrechten van de edelen en geestelijken.
  • Openstelling van alle ambten in de regering, in de Kerk en in het leger voor iedereen.
  • Toestemming aan rijke burgers en boeren grond te kopen die van de Kerk was afgenomen.
  • Sterke beperking macht van koning -> constitutionele monarchie.
  • Invoering Trias Politica (Montesquieu).
  • Invoering beperkt kiesrecht, zodat macht vooral in handen van gegoede burgers viel.

In 1789 NV verklaring van de rechten van de mens en burger geschreven, ging nu fungeren als inleiding van de grondwet.

 

Tweede Revolutie: Frankrijk wordt een republiek en de radicalen verslaan hun vijanden

20 juni 1791, Lodewijk XVI probeert met Marie Antoinette en kinderen te vluchten naar buitenland, rekende op steun daar, onderweg herkend en gevangen genomen.

April 1792, Frankrijk verklaard oorlog aan Oostenrijk (geboorteland Marie Antoinette).

Oostenrijk kreeg steun van Pruisen, samen vallen zij Frankrijk binnen.

10 augustus 1792, Lodewijk afgezet, nadat volksmenigte zijn verblijfplaats in Parijs had bestormd. Opstand heet ook wel de tweede revolutie.

September 1792, republiek uitgeroepen.

Januari 1793, Lodewijk door parlement ter dood veroordeeld.

 

Jacobijnen, radicale parlementsleden, o.l.v. Robespierre.

Girondijnen, gematigde parlementsleden.

Radicalen wouden stemrecht voor iedereen, verhoging van de lonen en verlaging van de prijzen. Kregen steun van de armen onder de Parijse bevolking. In juni 1793 omsingelden zij het parlementsgebouw en wouden 29 Girondijnen gevangen nemen, 8 ontsnapten, rest werd gearresteerd. Radicalen nu de baas.

Radicalen begonnen o.l.v. de Robespierre de Terreur. Wie niet met ze eens was, kwam onder de guillotine. Onder andere Marie Antoinette. Totaal 35.216 mensen gedood.

Radicalen organiseerden de staat en het leger goed. Kwamen met allerlei maatregelen (bijv. minimumprijzen). Als eerste land voerde het algemene dienstplicht in. Officier kon je worden als je daarvoor geschikt was en niet meer alleen als je van adel was.

Radicalen wouden een nieuwe grondwet, vastleggen: kiesrecht voor iedereen, recht op onderwijs voor iedereen en overheidszorg voor armen. Grondwet kwam er niet.

Juli 1794, opstand, radicale leiders afgezet en onthoofd. ‘

 

Het Directoire, een periode van onrust en chaos

Na Terreur kregen gematigde revolutioneren weer de macht. November 17955 personen, de directeuren, de leiding. Jaarlijks 1 van hen vervangen. 1795-1799 periode van het Directoire. Bourgeoisie tijdens Directoire niets meer voelen voor de ideeën van de radicalen voor een nieuwe grondwet. Wanneer je bepaalde hoeveelheid belasting betaalde, mocht je stemmen. Gegoede burgerij dacht vooral aan zichzelf en niet aan wat goed was voor Frankrijk.

Directoire moeilijk op te lossen problemen:

  • Een grote hongersnood, vooral voor de armen.
  • Frankrijk bleef in oorlog met buitenlandse vijanden.
  • Franse adel probeerde met geweld de regering omver te werpen.

Opstand adel neergeslagen door troepen o.l.v. officier Napoleon Bonaparte, werd na enkele jaren generaal.

 

Napoleon wordt de nieuwe heerser van Frankrijk

Bleef onrustig in Frankrijk, buitenland begon weer met aanvallen. 1799 Napoleon grijpt de macht, rekenen op steun van soldaten. 1797-1812 een groot deel van Europa veroverd. 1812 Rusland binnenvallen, terugtrekken door strenge winter, begin ondergang. 1815 slag bij Waterloo definitief verslagen.

In veroverde landen nieuwe wetgeving ingevoerd, Code Napoléon. Verbreidde sommige ideeën Verlichting:

  • Iedereen was gelijk voor de wet. Adel geen voorrang.
  • Niemand gevangen genomen, zonder dat er een rechtszaak volgde. Rechtszaak openbaar en je moest je kunnen verdedigen. Een jury van burgers sprak vonnis uit.

 

4 De invloed van de Verlichting op de politieke cultuur tussen 1815 en 1848

 

Restauratie na de val van Napoleon

Idealen Franse Revolutie veel weerklank gevonden, maar niet alleen enthousiasme gewekt. Tijdens revolutie veel doden, bezit adel en kerk onteigend, geestelijkheid vervolgd, christendom proberen te vervangen (nieuwe kalender zonder christelijke zondag), uitgelopen tot militaire dictatuur van Napoleon. Revolutie was voor velen een spookbeeld geworden, wouden iets dergelijks voorkomen. Zagen in macht van de vorsten beste garantie.

Conservatieven; aanhangers van vorsten, streven naar zeer trage veranderingen en voorzichtig doorvoeren, alles van waarde behouden. Macht van de vorst verdedigen.

Liberalen: macht van het parlement verdedigen.

Twee nieuwe kwesties: uitbreiding van het kiesrecht en de sociale kwestie.

Liberalen

Conservatieven

Voor uitbreiding kiesrecht

Tegen uitbreiding kiesrecht

Overheid macht aan de wil van het volk, volkssoevereiniteit.

Gezag kwam van boven, laatste instantie God

Overheid arbeiders in bescherming nemen, niet door rechten te geven, maar door als een vader voor ze te zorgen (paternalisme).

De conservatieven waren het hier niet mee eens.

 

Het Congres van Wenen

1814; na overwinning op Napoleon, overleg op Congres van Wenen, alle Europese Mogendheden (alle oorlogvoerende landen incl. Frankrijk). Onderhandelen op voet van gelijkheid, grotere landen hadden wel meer invloed. Bij onderhandelingen niet personen aan klagen of schuld geven, het ging om het regelen van de toekomst van Europa.

 

Restauratie; herstel van de periode vóór de Franse Revolutie.

 

 

 

 

 

Congres ging van 2 beginselen uit:

  • Legitimiteit van vorsten (wettige recht van vorsten op hun rijk).
  • Nastreven nieuw Europeesmachtsevenwicht, macht Frankrijk inperken, andere Europese Mogendheden vergroten.

 

Leidde tot herstel van oude en vorming nieuwe staten:

  • Napoleon bezette gebieden losgemaakt van Frankrijk, oorspronkelijke vorstenhuizen keren terug.
  • Bourbons, in Frankrijk, in koningschap hersteld.
  • Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden 1 staat, Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Luxemburg werd groothertogdom.

 

Andere besluiten:

  • Overwinnaars Rusland, Pruisen en Oostenrijk kregen gebiedsuitbreiding, Engeland mocht veroverde koloniën houden.
  • Duitse Bond opgericht, alle Duitstalige vorstendommen incl. Duitstalig Oostenrijk. 1834; tolverbod, tolheffingen tussen vorstendommen opgeheven, stimuleerde de onderlinge handel.

 

Heilige Alliantie; verbond tussen de meeste Europese vorsten. Gezag ontlenen aan god

-> recht op te treden tegen nationalistische en liberale onrust. Onderlinge vrede handhaven.

Grote Alliantie; kern Heilige Alliantie, Engeland, Pruisen, Oostenrijk, Rusland. 1818 ook Frankrijk in opgenomen, vredesorganisatie, Europese staten in harmonie samenwerken.

Crises werden in congressen besproken en door internationale samenwerking in bedwang gehouden (congres in Verona etc.).

Na Congres van Verona einde om via congressen vrede in Europa te handhaven.

 

Het liberalisme

Het ontstaan van het liberalisme

Eerste helft 19e eeuw, voor uit de ideeën van 18e eeuwse verlichters.

 

Kenmerken van het liberalisme

Vrijheid voor het individu op alle gebieden.

Economische gebied; reactie mercantilisme (overheidsbemoeienis), vrijheid van handel, productie en arbeid. Ieder individu vrijheid om eigen belang na te streven, geleid door een ‘onzichtbare hand’, zal welvaart voor allen opleveren.

 

Politiek gebied; volkssoevereiniteit, grondwet, parlement en uitbreiding van het kiesrecht. Grondwet: staatsinrichting en de vrijheden, rechten en plichten van de burgers. Parlement (volksvertegenwoordiging); belangrijkste orgaan staatsinrichting, wetgevende macht, regering controleren, gekozen door bevolking.

 

Staat zo min mogelijk ingrijpen, leidde tot 3 taken:

  • Burgers beschermen tegen buitenlandse vijanden.
  • Binnenlandse rechtsorde handhaven.
  • Openbare werken uitvoeren, om burgers gelegenheid te even voor productie en handel.

Ook wel nachtwakerstaat genoemd, wel belasting heffen om deze 3 taken te vervullen.

 

Liberalen spanden zich in het bijzonder in voor:

  • Vrijheid van godsdienst, scheiding kerk en staat.
  • Vrijheid van meningsuiting en drukpers, afschaffing censuur.
  • Vrijheid voor wetenschap en kunst.
  • Afschaffing slavernij

Meningsverschillen onder liberalen over staatstaken

19e eeuw, industriële revolutie, maatschappij veranderde, negatieve gevolgen IR zichtbaar. Vrijheid op economisch gebied leidde tot uitbuiten en armoede arbeiders. Staat niet meer alleen een nachtwakersstaat, meer taken op zich nemen, zwakken beschermen, vormen van sociale wetgeving.

 

Meningsverschillen onder liberalen over het kiesrecht

Volk vertegenwoordigers kiezen. Voor 1870 alleen zelfstandige mannen (bezit) hadden kiesrecht. Conservatieve liberalen kiesrecht niet sterk uitbreiden, radicale liberalen wouden algemeen kiesrecht.

 

Het socialisme

Wat is socialisme?

Tijden industrialisatie nam ongelijkheid toe, huidige kapitalistische stelsel niet in staat problemen op te lossen, vervangen door socialisme (de gemeenschap bezit de belangrijkste productiemiddelen en de opbrengt wordt eerlijk verdeeld). Marxisme een vorm van socialisme.

 

Uitgangspunten van het marxisme

Economische verhoudingen bepalen de samenleving. Twee bevolkingsgroepen: rijke bovenlaag en onderdrukte benedenlaag, plaats in samenleving te danken aan economische positie, bovenlaag wordt steeds kleiner en rijker, benedenlaag steeds groter en armer -> klassenstrijd -> revolutie -> nieuwe klasseloze samenleving.

 

Herziening van het marxisme

Eind 19e eeuw iets beter met arbeiders, niet meer wachten op revolutie, door algemeen kiesrecht hervormingen via parlement doorvoeren. Vanaf eind 19e eeuw kozen grote West-Europese partijen voor parlementaire democratie, een evolutie, deze wijziging heet het revisionisme, zij werden socialisten of sociaaldemocraten genoemd. Kleinere partijen werden communisten genoemd.

 

Nationalisme

Factoren die het ontstaan van nationalisme bevorderen

Nationalisme; het gevoel van saamhorigheid van een groep mensen die samen een staat vormen of willen vormen.

Noodzakelijke voorwaarden:

  • Gemeenschappelijke ervaringen (geschiedenis etc.).
  • Besef gemeenschappelijke belangen te hebben, zoals een oorlog winnen.
  • Dezelfde taal, godsdienst en hetzelfde vorstenhuis erkennen.

 

Sterke groei van nationalisme vanaf het begin van de 19e eeuw

Factoren, sterke groei nationalisme in Europa:

  • Franse overheersing door Napoleon; bewustwording dat Fransen tot een volk hoorden met eigen taal etc., kwam door Franse overheersing, invoering dienstplicht en ontstaan massalegers. Politiek werd aangelegenheid hele volk, sloot aan bij stroming Romantiek, eind 18e eeuw.
  • Congres van Wenen; Europa ingedeeld volgens legitimiteit van vorsten, hiertegenover stelden nationalisten het zelfbeschikkingsrecht en volkssoevereiniteit. Er was bij de verdeling geen rekening gehouden met de verschillende culturen in 1 staat, deze culturen streefden naar zelfstandigheid.
  • Turkse overheersing op de Balkan; ….

 

Begin 19e werden er steeds meer nieuwe nationale staten gevormd.

1848: revoluties in Europa

Begon in Frankrijk, arbeiders en burgers uit middenlaag in actie, door allerlei uitvindingen waren de revolutionairen snel op de hoogte wat er overal in Europa gebeurde, geen samenwerkingen tussen revolutionairen uit verschillende landen.

 

Socialisten doen mee en bereiken niets.

In Frankrijk deden 2 socialisten mee, maar bereikten niks. Het communistisch manifest werd gepubliceerd in 1848, maar werd na revoluties pas belangrijk, want de revoluties ontstonden niet door de industrialisatie, maar door werkloosheid en voedselproblemen.

Ook liberalen en nationalisten bereiken weinig

Liberalen eerst wel succes, maar door conservatieve regeringen weer ongedaan gemaakt. Door verschillende doelen, werd er weinig bereikt.

(Zie boek blz. 167)

 

REACTIES

D.

D.

Je hebt iets omgedraaid.. Komt gebeuren!
Conservatieven wilden juist dat er gezorgd wordt voor de minderen door middel van paternalisme. De liberalen vonden dit minder belangrijk.

7 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.