Verlichting en revoluties

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 2756 woorden
  • 15 oktober 2016
  • 12 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.9
  • 12 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Hoofdstuk 4 verlichting en revoluties (1650-1848)

§4.1 De verlichting (1650-1789)

Locke: Sociaal contract: mensen stonden een deel van hun vrijheid af aan de overheid. In ruil daarvoor moest de overheid hun leven, bezit en vrijheid beschermen en optreden als neutrale rechter. Wanneer dit niet gebeurde mochten de burger een nieuwe regering aanstellen. Ook was hij voor een scheiding tussen kerk en staat, omdat hij vond dat de staat niet kon uitmaken wat het ware geloof was, maar dar de mensen dat zelfstandig konden bepalen.

Rousseau: Sociaal contract: de mensen dragen de vrijheid over aan de staat. Het volk was soeverein en de staat moest de algemene wil van de samenleving vertegenwoordigen. De mensen mochten niet hun eigen belangen doorzetten maar ze moesten zich onderwerpen aan de wetten die in overeenstemming waren met de algemene wil.


Voltaire: Voltaire geloofde dat God de wereld had geschapen, maar dat God zich er daarna niet meer mee bemoeide. De wereld zou zich ontwikkelen door natuurwetten die bij Gods plan hoorden. (deïst).

Ook was hij gematigd verlichtdenker. Omdat God de wereld geschapen had dacht hij dat de ongelijkheid van de standenmaatschappij erbij hoorde. De meeste mensen moesten zwoegen om in leven te blijven, dit was volgens hem maar goed ook, want dan hadden geen tijd om ongelukkig en opstandig te zijn. Het was gevaarlijk het geloof weg te nemen, want een straffende God was de enige manier om ze in toom te houden.

Kant: Volgens Kant was de verlichting de bevrijding van de mens uit de onmondigheid. Hiermee bedoelde hij dat het belangrijk was zelfstandig je verstand te gebruiken en te durven denken. Hij was een gematigd verlichtdenker. Wanneer er alleen maar rationele ideeën werden doorgevoerd zou dit leiden tot waanzin. Daarom moest er een universele morele wet komen die ieder moest gehoorzamen.

Spinoza: God en de natuur waren gelijk, omdat ze beide rationeel waren. Geloof in God was onwetendheid. Spinoza was een radicaal verlichtdenker. Iedereen was volgens de radicale verlichtdenkers gelijk. Daarom moest de standenmaatschappij vervangen worden door een democratie.

Smith: Volgens Smith moest iedereen zijn eigen voordeel na streven. Zo zou de wereld er het beste uit komen te zien. Ook bedacht hij de wet van vraag en aanbod. Wanneer de vraag stijgt, stijgt het aanbod enz. 'Laissez faire'

Montesquieu: trias politica

Vanaf 1650 kwamen oude inzichten over traditie en geloof tot discussie. Twee filosofische stromingen, het empirisme en het rationalisme, stelden dat traditie en geloof plaats moesten maken voor waarneming en rede. Het empirisme stelde dat kennis voorkomt uit ervaring en waarneming. Het rationalisme stelde dat de rede, het menselijk denkvermogen, de voornaamste bron van kennis is.

De verlichte denkers vonden dat de samenleving niet gebaseerd moest zijn op erfelijke rechten en plichten of religieuze ideeën, maar op de rede. Veel verlichte denkers verwierpen de standenmaatschappij en absolutisme. Ze streden tegen godsdienstige intolerantie en kerkelijke dwang, machtsmisbruik door kerk en staat en onafhankelijke rechtspraak.


De ideeën van Locke en Rousseau over het sociaal contract waren in strijd met de traditionele ideeën, omdat bij beide het volk voor een deel macht had. Traditioneel gezien hadden de vorsten/staat de macht van God gekregen en waren zij hierdoor oppermachtig.

Het vertrouwen in de rede leidde tot optimisme. Vanaf 1750 hingen bijna alle verlichtingsdenkers de vooruitgangsgedachte aan. Er kwam meer vrijheid en tolerantie en er waren verbeteringen zichtbaar op alle terreinen. Ze dachten dat ook de maatschappij door het gebruik van de rede beter zou worden.

Het verschil tussen de gematigde en radicale verlichte denkers ligt bij het stuk dat de gematigde verlichte denker een balans zoekt tussen de rede en traditie en de radicale verlichte denker alleen voor de rede is.

Frederik II en Jozef II waren beide verlicht despoot/verlicht absolutisme, omdat zij niet geloofden dat zij hun macht van God hadden gekregen, maar dienaren waren voor het algemene belang. Ze vergrootten de persvrijheid, werkten aan tolerantie, onderwijs en bestreden godsdienstig fanatisme. Wel hielden ze vast aan de absolute macht en de standenmaatschappij.

De Franse koningen hielden de verspreiding van radicale ideeën in de gaten en probeerden critici van het ancien régime monddood te maken door boeken te verbieden en te verbranden. Dit was nier erg succes vol, omdat de boeken in Amsterdam gedrukt werden en stiekem Frankrijk werden binnengesmokkeld en hierdoor  nog aantrekkelijker werden om te lezen.

Door de verspreiding van de verlichte ideeën onder eigenlijk de hele maatschappij moesten in de loop van de tijd vorsten rekening houden met de publieke opinie in alle lagen van de bevolking.

§4.2 De Franse revolutie (1789-1815)

Onder gezag van koning Lodewijk XVI kwam Frankrijk in een crisis terecht. Rijke burgers waren ontevreden over het gebrek aan politieke invloed en arme burgers wilden een beter bestaan. Door de verlichte kritiek werd het gevaarlijker, want zo waren er geregeld opstanden. Alle arme mensen leden onder het belastingstelsel. Adel en geestelijkheid legden eigen belastingen op en betaalden zelf nauwelijks belasting. Het grootste deel van het staatsinkomen kwam uit belastingen en dan vooral op voedsel. Hierdoor werd voedsel duur en het leverde niet eens genoeg op voor de staat. Door oorlogen liep de staatsschuld nog verder op.

Om uit de financiële crisis te komen besloot Lodewijk XVI om de staten-generaal bijeen te roepen om zo in ruil voor concessies afspraken te maken. Hierbij deed de koning afstand van zijn absolute macht en dat was al een concessie, maar daar bleef het niet bij. Er volgende twee revoluties waarbij in de eerste Frankrijk een constitutionele monarchie werd en in de twee een democratische republiek zou worden.

Van februari tot en met april 1789 werden de verkiezingen voor de Staten-Generaal gehouden. Tijdens de kiesvergaderingen (aparte verkiezingen voor de vertegenwoordigers vanuit alle standen) werden cahiers de doléances (klaagbrief) opgesteld. Lodewijk XVI had hierom gevraagd omdat hij wilde weten wat er onder het volk leefde. Helemaal representatief waren de brieven niet. Aan de kiesvergadering van de derde stand mochten alleen mannen van 25 jaar of ouder mee doen die belasting betaalden. Bovendien werden de cahier de doléances geschreven door de bourgeoisie, waardoor vooral hun wensen naar voren kwamen.

De verlichtingsideeën waren op invloed op de cahiers, omdat vooral wensen als: een wet die de macht van de koning beperkte, een nationaal parlement met wetgevende en controlerende bevoegdheden, burgerlijke vrijheden en een verklaring van de rechten van de burger en de mens.

Het verloop van de eerste revolutie:

1. Op 5 mei 1789 komt de Staten-Generaal voor het eerst bijeen.

2. De koning wilde de standen in aparte ruimtes laten vergaderen over een agenda die opgesteld was door ambtenaren. Hier was de derde stand het niet mee eens en stapte uit de Staten-Generaal en richtten de Nationale Vergadering op.

3. Terwijl de Nationale Vergadering over de grondwet vergaderde, braken in heel Frankrijk opstanden tegen de bevoorrechte standen uit.

4. Om dit tot bedaren te brengen besluit de Nationale Vergadering in de nacht van 4 op 5 augusten om de privileges van de adel en de geestelijkheid op te heffen.

5. Drie weken later neemt de Nationale Vergadering de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger aan.

6. Vervolgens werden de kerkelijke landerijen verkocht en in beslag genomen en hiervan werd de staatsschuld afgelost.

7. Later in 1791 staakten timmerlieden voor meer loon en wordt de wet van Le Chapelier aangenomen. Hiermee werden alle gilden, vakbonden en stakingen verboden. De Nationale Vergadering nam de wet aan omdat ze vrijheid voor ondernemers belangrijker vonden dan de vrijheid van vereniging en vergadering van arbeiders.

De bourgeoisie was toonaangevend in de Nationale Vergadering. Ze profiteerden van de besluiten van de Nationale Vergadering. Na het aflossen van de staatsschuld kwamen de bourgeoisie in aanmerking voor overheidsfuncties terwijl de armere burgers verplichtingen moesten afkopen aan de rijkere heren. Ook de wet van Le Chapelier was gunstig voor de bourgeoisie.

De Nationale Vergadering wilde een constitutionele monarchie, maar Lodewijk voelde hier weinig voor. Hij werd gedwongen uit Versailles te vertrekken en ging naar het Tuilerieënpaleis in Parijs. In juli 1791 vluchtte Lodewijk naar Oostenrijk in de hoop de revolutie terug te draaien met behulp van zijn zwager, de keizer van Oostenrijk. Maar al voor hij er arriveerde werd hij herkend, gearresteerd en teruggebracht naar Parijs. Dit had weinig gevolgen voor Lodewijk, omdat de meesten in de Nationale Vergadering voorstanders bleven van een constitutionele monarchie. Lodewijk bleef koning met de uitvoerende macht. Hiermee was de eerste revolutie voltooid. Wel zou de koning worden gecontroleerd door de Wetgevende Vergadering die werd gekozen met censuskiesrecht.

De Wetgevende Vergadering bestond vooral uit ontwikkelde burgers en was verdeeld in politieke clubs. De grootste club was die van de Jacobijnen. Ze wilde een tweede revolutie waarbij de constitutionele monarchie werd afgeschaft, de volksinvloed werd vergroot, het bezit van de gevluchte edelen afpakken en de revolutie over heel Europa verspreiden. Doordat de koning niet meewerkte met het parlement kregen de Jacobijnen meer en meer macht in de Wetgevende Vergadering.

Toen Frankrijk in 1792 met Oostenrijk en Pruisen in oorlog raakte begon de tweede revolutie. Het verloop van de tweede revolutie:

1. De Jacobijnen nemen het stadsbestuur in Parijs over en arresteren de koning.

2. De Wetgevende Vergadering wordt opgeheven en er wordt met algemeen mannenkiesrecht een nieuw parlement gekozen: de Nationale Conventie.

3. De Nationale Conventie roept op 21 september 1792 meteen de republiek uit. Het parlement had nu de wetgevende en uitvoerende macht.  Het Comité van Algemeen Welzijn vormde de regering.

4. Iedereen moest zichzelf burger noemen.

5. In Lodewijk zijn paleis worden brieven gevonden waaruit blijkt dat hij buitenlandse hulp had gezocht. Er begint een rechtszaak tegen burger Lodewijk Capet. Hij wordt door de Nationale Conventie berecht en unaniem schuldig bevonden aan hoogverraad. Daarna wordt hij door de Nationale Conventie tot dood veroordeeld.

De revolutie werd steeds radicaler. De Girondijnen (gematigde Jacobijnen) werden uit de Jacobijnenclub gezet en later uit de Nationale Conventie gejaagd. Het Comité van Algemeen Welzijn kwam onder leiding van Robespierre. Hij liet alle vijanden van 'de algemene wil' en radicalen die hij niet vertrouwde ter dood veroordelen. Uiteindelijk werd hij zelf onthoofd.

De Girondijnen namen de macht over. Ze maakten een eind aan het schrikbewind en in 1795 kwam er een grondwet die de democratie beperkte. Het parlement bestond uit twee kamers, gekozen door censuskiesrecht. De uitvoerende macht kwam in handen van het Directoire.

In 1799 kwam er een eind aan onrust en chaos toen Napoleon een staatsgreep pleegde. In 1804 liet hij zich kronen tot keizer, maar hij hield vast aan de verlichtingsideeën (wetboeken en er kwam geen standenmaatschappij). De Code van Napoleon was een van die wetboeken. Dit paste bij ideeën uit de Verlichting, omdat het gebaseerd was op het idee dat alle Franse mannen als burger gelijke rechten hadden en dat het niet meer verplicht was om in de kerk te trouwen. De Napoleontische wetboeken werden algemeen in Europa, omdat Napoleon na 1804 grote delen van Europa veroverde.

§4.3 Na Napoleon (1815-1848)

Om na Napoleon de orde in heel Europa weer te herstellen, werd het Congres van Wenen (1814-1815) georganiseerd. De stabiele orde werd gevormd door de situatie van voor de Franse revolutie zo veel mogelijk te herstellen en de politieke gevolgen van de verlichting zo veel mogelijk ongedaan te maken. Zo werd Frankrijk weer een constitutionele monarchie met een parlement en godsdienst- en persvrijheid, maar deze waren beperkt. Verder werd de stabiliteit bevorderd door een machtsevenwicht te creëren. Frankrijk werd weer zoals voor Napoleon en de Zuidelijke Nederlanden kwamen bij het nieuwe koninkrijk der Nederlanden.

Vanaf 1818 werd Frankrijk lid van het Concert van Europa (de samenwerking tussen de 5 mogendheden, Rusland, Groot-Brittanië, Oostenrijk, Pruisen en Frankrijk, om internationale kwesties op te lossen).

In 1822 werd het Congres van Verona gehouden. Hier in werd Spanje besproken, de Spaanse koning had na Napoleon in 1814 belooft zich te houden aan de grondwet, maar al snel herstelde hij het absolutisme en de standenmaatschappij. In 1820 dwongen militairen hem om de grondwet te aanvaarden, maar dit bleef lastig en vandaar dat in het Congres van Verona Spanje werd besproken.

De vijf mogendheden konden het niet eens worden tijdens het Congres van Verona. Frankrijk wou de kwestie is Spanje oplossen door er militairen heen te sturen met diplomatieke steun van Oostenrijk en Pruisen, Rusland was het hier mee eens. Groot-Brittanië werkte niet mee. Zij vonden de constitutionele monarchie niet eens erg en ze erkenden de onafhankelijkheid van de nieuwe staten in Midden- en Zuid-Amerika, want dit was goed voor de handel van Groot-Brittanië.

In 1823 trok een Frans leger Spanje binnen en versloeg de Spaanse troepen. Na de invasie publiceerde een Britse krant 'het geheime verdrag van Verona'. Hierin stond dat Frankrijk, Rusland, Oostenrijk en Pruisen een eind wilden maken aan de persvrijheid en volksvertegenwoordiging en dat ze met de paus de macht van de kerk wilden versterken. Veel kranten namen dit over en dit leidde tot verzet tegen de restauratie.

Als reactie op de restauratie ontstonden politieke stromingen die zich op verlichte idealen baseerden.

De liberalen gingen net als de socialisten uit van de maakbaarheid van de samenleving. Zo waren ze beide voor volkssoevereiniteit en gelijke rechten voor iedereen. Maar ook hier over hadden ze een verschillende mening. Zo vonden de liberalen dat de volkssoevereiniteit voor ontwikkelde man bedoeld was, terwijl de socialisten vonden dat kiesrecht voor iedere man was. De socialisten wilden niet alleen gelijke rechten maar ook sociaaleconomische gelijkheid.

Voor de liberalen was de vrijheid van het individu, die ze wilden beschermen tegen de regelzucht van de staat het belangrijkste. Volgens hen kon dit het bete naar voren komen in een constitutionele monarchie met burgerlijke vrijheden. Een typisch voorbeeld van een verlicht idee. Ook de denkwijze van Smith komt hier naar voren, omdat het de vrijheid van het individu centraal staat.

In tegenstelling tot het liberalisme, vonden de socialisten het belangrijk dat iedereen gelijk was en dat de overheid een sterke staat was die door middel van bezit en inkomen te verkleinen bestaanszekerheid garandeerde. Dit was volgens hen mogelijk door een republiek met algemeen mannenkiesrecht.

Uit volkssoevereiniteit volgde nationalisme. Het idee dat het soevereine volk de mensen met dezelfde taal, cultuur en geschiedenis was. De nationalisten wilden een eenheid van het volk versterken, ze wilden een natiestaat. Leiders van een natiestaat gebruikte het nationalisme om de eensgezindheid van het volk te vergroten. Bij volken die nog geen natiestaat hadden, leidde het nationalisme tot verzet tegen restauratie.

De machthebbers die de verlichte ideeën probeerden te onderdrukken, kregen het steeds moeilijker, omdat de publieke opinie steeds belangrijker werd. Hierdoor brak ik 1830 in Parijs een revolutie uit. Nadat de koning het kiesrecht beperkt had, riep de belangrijkste liberale krant het volk op in opstand te komen. Ze stelden een nieuwe liberale burgerkoning op, de hertog van Orléans, die beloofde de burgerlijke vrijheden te respecteren (gericht tegen de restauratie).

Als gevolg brak er in de Zuidelijke Nederlanden opstand uit. Ze vonden dat de Noordelijke Nederlanders meer invloed hadden en ze eisten persvrijheid, minder macht van de koning en meer invloed van het parlement en ze waren tegen het verplichte gebruik van Nederlands in het onderwijs. Vervolgens braken er ook protesten uit in Brussel, Luik, enzovoort. De liberalen grepen hun kans en wilden concessies van Willem I, maar die stuurde er een leger op af. Terwijl vormden opstandelingen een regering die van België een onafhankelijke staat maakte. Willem I kreeg geen steun van de mogendheden. België koos als koning de zwager, Leopold, van de koning van Groot-Brittanië. Willem I probeerde nog een keer België terug te winnen, maar faalde.

In 1848 brak opnieuw een revolutie uit in Parijs. Er werd een democratische republiek met mannenkiesrecht uitgeroepen.

Als gevolg kwamen volksopstanden in heel Europa. In Duitsland eisten liberalen en nationalisten een eenheidsstaat met een parlement. 1 mei 1848 werd in heel Duitsland een grondwetgevend nationaal parlement gekozen, maar toen het Frankfurter parlement pas op 28 maart 1849 klaar was met discussiëren was de schrik van de opstanden bij de vorsten al weg en faalde het parlement.

In beide revoluties hadden de socialisten weinig te vertellen. Vooral de liberalen hadden veel macht. In 1848 kwam de Duitse socialist Karl Marx tot de conclusie dat de arbeiders hun lot in eigen hand moeten nemen. In het communistisch manifest stelt hij dat de bourgeoisie en het proletariaat tegen over elkaar waren komen te staan door de industrialisatie. Er was een klassenstrijd tussen deze twee, die volgens Marx kon worden opgelost door dat het proletariaat met een revolutie de macht zou overnemen en de productiemiddelen in handen van de gemeenschap zou brengen.

 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.