Van Nederlands-indie tot Indonesie

Beoordeling 5.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 4142 woorden
  • 28 mei 2004
  • 48 keer beoordeeld
Cijfer 5.7
48 keer beoordeeld

Hoofdstuk 1 Van VOC-koopman tot bestuursambtenaar. 1.1 Java was, voordat de Nederlanders er waren, een ontwikkeld gebied met sawa’s (rijstmethode) en desa’s. (Dorpsgemeenschappen onder gezag van adellijk bestuur en daarboven vorst) Ze vormen grote en kleine staten. Vorst -> grote familie -> hoofd + bijvrouwen -> grote hofhouding. Volk onderhield de vorst. 1/10 van de oogst + dienstplichten leveren. Ruil = hulp bij tegenslagen. Vorst in verbinding met goden + bovenmenselijke gaven. -> Kwam voort uit Adat. Langs kusten van de eilanden; havenvorstendommen. Veel internationale contacten. Ze hadden al handelsboekhouding en navigatie-instrumenten. De macht in deze vorstendommen beruste bij de havenvorst, adellijk bestuur en internationaal gezelschap van cargadoors. Ze maakten hun stad tot stapelmarkt dwz dwongen daar te verkopen. Na eerste expeditie in 1596 kwam handel op gang. Maar felle concurrentie -> oprichting VOC. Ze kregen alleenrecht van Staten-Generaal voor de handel op Indonesië. Zij mochten daar verdragen sluiten, oorlog voeren en nederzettingen stichten. Versterkten positie door vredesverdragen, list of militaire kracht. Daarnaast kennis van markten, prijzen, concurrenten en productiegebieden -> behoefte aan bestuur in Indonesië. In 1610 functie Gouverneur-generaal ingesteld + Raad van Indië, Batavia herrees. VOC politiek middelpunt. Jan Pieterszoon Coen was belangrijk voor de ontwikkeling van de VOC. Hij legde de basis voor VOC-monopolie op handel in kruidnagels en nootmuskaat. Dat ging op een erg gewelddadige manier -> bevolking weigerde -> moordde een deel uit. Coens ideaal: een compagnie die de handel tussen India, de Indonesische archipel en de Chinese zee zou beheersen. Dit vereiste een sterke militaire macht + geschoold compagniepersoneel. Zijn ideeën -> grote bloei voor de VOC. 1.2 Loop 18de eeuw -> Frankrijk + Engeland machtiger in Europa. Republiek der 7 verenigde Nederlanden macht nam af. 1780–1784 oorlog met Engeland. -> Blokkade direct verbinding tussen Nederland – Indonesische archipel + VOC bestuur in Batavia in geldnood, omdat voorraden niet op vrije markt mochten verkopen. Verovering van Nederland in 1795 door Frankrijk -> Frankrijk-Nederland-verdrag. Nederland kwam aan Franse kant in de oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Willem V (pro-Engels) ballingschap Engeland -> stuurde Brieven van Kew. Als erfelijk opperbewindvoerder van de VOC had hij dat recht -> gevolg = veel gebieden Indonesische archipel in Engelse handen. 24 december 1795 Staten-Generaal besluiten voc op te heffen en over te dragen aan waarnemend comité. 1 maart 1796 compagnie houdt op te bestaan. 1795 -> Nederland wordt Bataafse Republiek -> geloofde sterk in idealen v/d Franse revolutie -> ook in vroegere voc-gebieden? -> 1. in de republiek wel 2. in Batavia dachten van niet. In 1802 commissie wil grondwet maken. In de commissie 2 stromingen 1) conservatieven -> verdedigt positie Nederland. 2) vooruitstrevenden -> maatschappelijke hervormen + meer oog voor Indonesiërs. 1) wonnen. Toch verandering. Voc niet langer leiding maar Bataafse republiek (dus politiek niet handel) 1806 einde Bataafse republiek -> koninkrijk Holland (door Napoleon) Napoleon zocht voor overgebleven gebieden krachtige leider. Dat werd Herman Willem Daendels. 1808 reorganisatie ambtenarenapparaat + Java nieuwe politieke en bestuurlijke indeling. Hij bemoeide zich rechtstreeks met Javaanse bestuurders en ontnam hen gezag. Legde de ‘grote postweg’ aan dmv herendiensten. Was bedoeld om aan- en afvoer van verdedigingstroepen mogelijk te maken. Daendels maakte zich gehaat door zijn geldzucht en grootheidswan. Vijanden overtuigden Lodewijk + Napoleon ervan Daendels af te laten treden. 1811 einde. 1811 Java -> Engelsen namen het over -> Thomas Stamford Raffles -> koloniale overheid had macht van alle Indonesische grond; Hij vond dat de individuele boer een jaarlijkse pachtprijs aan die overheid moest betalen. De hoogte hing af van: A. oppvl. B. grondsoort. C. gewassoort. Willekeur was hierbij uitgesloten + Javaanse bestuurders geen deel meer in eigen zak. Maar sloot niet aan bij desa’s -> gemeenschappelijke belasting heffing. In praktijk betekende het landrentesysteem voor de boeren een lastenverzwaring. In 1814 kwamen Engeland en Nederland tot overeenkomst waarbij het nieuwe koninkrijk der Nederland het beheer over de voormalige overzeese bezittingen terugkreeg. 1.3 1816 koloniaal gezag herstelt. Op de Molukken felste verzet, want Engelsen waren soepel. 16 mei 1817. Molukkers olv Thomas Matoelesia (Pattimoera) veroverden fort Duurstede + doodden bezetters + resident. Pas in november breekt verzet door schout-bij-nacht-Buyskens. Hij reorganiseerde + verhardde het bestuur. Pattimoera werd opgehangen. 1816-1830 basis werd gelegd v/h koloniale beleid voor 19de en 20ste eeuw. Volgens bestuur kon bestuur bevolking geen welvaart, want vorsten buitte bevolking uit -> Nederlands bestuur meer bemoeien. 1 v/d aanleidingen voor Java-oorlog (5 jaar) Ook verzet bij volk tegen bestuur (koos voor de vorst) -> leider = Dipanegara. (Was achtergesteld bij troonopvolging door Nederland) Zijn verzet eerst succes door goede gevechtstechniek. Strijd eindigde door generaal de Kock -> nam hem gevangen tijdens onderhandelingen. Na deze oorlog werd de Javaanse bestuursadel versneld aan het Nederlandse gezag onderworpen. 1.4 in 1819 goede inkomsten van kolonie -> later kostte meer geld -> Roer om! 1830 -> op Java cultuurstelsel (CS) ingesteld; dit hield in dat grote delen v/d Javaanse boerenbevolking verplicht werden agrarische exportproducten te verbouwen voor de Nederlandse markt. 1/5 deel van zijn land + deel van arbeid in ruil voor een vergoeding, het zogenaamde plantloon. Bij misoogst -> schadeloosstelling. Tot 1850 niet veel van terecht. Nog ander last -> bij CS, transport van productie aanleg + onderhoud wegennet noodzakelijk -> herendiensten. Toch nam welvaart zelfs toe. In CS was goudmijn 30% v/h totale staatsinkomen. Toch kritiek op CS. Nederlandse publiek beter geïnformeerd over de druk op Javaanse volk. Economische kritiek; liberalen zagen meer in vrije arbeid dan in dwangcultuur -> dan nog hogere opbrengsten. 1870 agrarische wet. Gaf particulieren ondernemers gelegenheid zich in kolonie te vestigen. 1890 definitief einde aan verplichte verbouw van suikerriet. Alleen koffie tot 1915 verplicht. 1.5 Tussen 1816 en 1910 vestigde Nederland zijn gezag in Nederlands-Indië -> dat bestuur = bron 8. Nederlands-Indië was opgedeeld in 6 gouvernementen, elk bestuurt door een gouverneur-> verantwoording aan gouverneur-generaal. De regent had direct gezag over de bevolking -> regentschap opgedeeld in districten. Plaatsvervangende regent was de patih. Het Indisch bestuur dankte zijn positie aan strenge gezagsverhoudingen en aan de eerbied die het volk voor dat gezag had. Het had een stand op te houden tegenover zijn onderdanen -> kostte geld -> te laag inkomen? -> Adat -> onbetaalde werk + eigendommen v/d bevolking. Nederland schafte dit niet af -> controle volk had niet te zwaar -> praktijk = volk meer diensten Indisch bestuur moeilijke positie; 1) gezag uitstralen tov het volk. 2) oppergezag Nederland aanvaarden. Ook Nederlandse normen & waarden afstemmen aan Indische normen en waarden. Van Europees bestuursambtenaar werd geëist dat hij aloes (beschaafd), adil (rechtvaardig) en sabar (geduldig) was. Hoofdstuk 2 Ondernemers, ethici en nationalisten. Inleiding Het was juist het westerse onderwijs aan Indonesiërs waardoor dat gezag uiteindelijk zou verdwijnen. Door hun toegenomen kennis kregen de Indonesiërs een scherper oog voor hun 2de rangspositie in de koloniale maatschappij en beseften zij dat die pas zou verdwijnen als ze zich hadden bevrijdt v/d Nederlandse overheersing. Hoe ontwikkelde het Indonesische nationalisme zich? 2.1 Omstreeks 1870 kregen particuliere kapitaalbezitters interesse voor beleggen in Nederlands-Indië -> landbouwondernemingen + fabrieken opgericht -> personeel nodig -> Nederlanders voor geschoold en Indonesiërs voor het ongeschoolde werk. Nederlands-Indië belangrijke afzet en exploitatiegebied. Olv Van Heutsz (1904-1909) grote militaire ontplooiing (koninklijk Nederlands-Indië leger) In 1910 was Nederlands-Indië als staatkundig geheel praktisch voltooid. 1 centraal bestuur. 2 bestuurstalen; Nederlands en Maleis. Kenmerk westerse expansie: opkomst vrije ondernemer. Gaf maatschappij dynamische & zakelijker gezicht. Overheidsondernemingen gingen over in particuliere handen. In het sultanaat Deli op Noord-Sumatra ontwikkelde zich een zeer winstgevende tabakscultuur. Voor de verspreiding van westerse producten werd in 1891 de koninklijke Pakketvaart Maatschappij opgericht. Het groeide uit tot de grote vervoerder in Nederlands-Indië. De nieuwe ondernemers trokken goedkope arbeidskrachten aan uit de plaatselijke dorpen, maar in dunbevolkte streken was dat een probleem. J.Nienhuys was de eerste die Chinese koelies uit Malakka wierf. Later ook Javaanse. Ze werden als vee behandeld en waren zware lichamelijke straffen en vrijheidsberoving heel gewoon. Deze periode leidde tot uitbreiding van allerlei overheidstaken. De overheidspolitiek was liberaal. Dwz bevordering van particuliere bedrijfsleven. Sommige bedrijven kregen behoefte aan geschoold Indonesisch personeel dus ging de overheidsaandacht naar de verbetering v/h onderwijs aan Indonesiërs. Hetzelfde gold voor de gezondheidszorg; behoefte aan gezond personeel. Bovendien wilde veel Europeanen niet in Nederlands-Indië werden als de gezondheidszorg daar minder was. 2.2 tegen 1900 kreeg de liberale overheidspolitiek een steeds ethischer karakter. Het was een gevolg v/d veranderende samenleving. Door de verbeterde economische vooruitzichten en de ‘westerse’ modernisering v/d maatschappij vonden steeds meer hoogopgeleide Nederlanders werk in Nederlands-Indië. Naar hun vaste overtuiging moest Nederland zijn schuld aan de Indonesiërs aflossen; een schuld van eeuwen onderdrukking en uitbuiting. Daarom streefden zij naar deelname van Indonesiërs aan de westerse technische en geestelijke vooruitgang. Ze moesten bevrijdt worden uit hun positie en onder zorgzame Nederlandse leiding tot ontwikkelde mensen worden opgevoed. De overtuiging werd overgenomen omdat er een brede maatschappelijke steun was en veel ethische plannen in het belang waren v/d ondernemers in Nederlands-Indië. Voor de ethici was westers onderwijs het middel om de traditionele Indonesische maatschappij toegankelijk te maken voor westerse ideeën en vernieuwingen. Voor de elite was er natuurlijk al onderwijs, nu de massa nog. Behalve lager en middelbaar onderwijs werden vormen van beroepsonderwijs opgezet. Sommige van die opleidingen gaven toegang tot Nederlands universitair onderwijs. In Batavia ontstonden de Rechtshogeschool, de Medische Hogeschool en andere faculteiten. De ethische periode werd gekenmerkt door enorme dadendrang en goede wil. De praktijk was moeilijker. Ontwikkeling en welvaart v/d Indonesische massa bleken niet in het belang van landbouwondernemingen met een arbeidsintensieve productie. De winst kon alleen behouden worden door goedkope arbeidskrachten, door opleiding werden ze duurder. Zo heerste een voortdurend spel van krachten en tegenkrachten. De overheid kreeg steeds meer de rol van scheidsrechter. Zij werd heen en weer geslingerd tussen haar ethische uitgangspunt en haar gebondenheid aan het Nederlands belang. 2.3 Na 1900 begon de Indonesische samenleving te reageren op de ethische maatregelen. Vooral het westerse onderwijs sloeg aan. -> gevolg = nieuwe klasse. Daarmee nam ook de ontevredenheid toe over de Nederlandse overheersing. Dat ontwikkelde zich tot nationalisme. Ook te danken aan voorbeelden uit het buitenland. Japan was voor deze Indonesiërs ook het bewijs dat eenheid macht maakt. De WO 1 maakte duidelijk dat ‘het beschavende voorbeeld dat Europa in Azië gaf’ niet veel overbleef. Een andere inspiratiebron was de Russische revolutie. De vereniging boedi oetomo (het schone streven) (1908) streefde naar gelijkmatige ontwikkeling v/d Javaanse bevolking dmv een combinatie van westerse kennis en Javaanse cultuur. Belangrijk waren ook de Indische partij (1911) en de sarekat islam (islamitisch verbond, 1911) De Indische partij streefde naar gelijkheid en samenwerking tussen alle bevolkingsgroepen om het ‘Indisch vaderland’ te ontwikkelen tot een zelfstandige staat binnen een gemenebest met Nederland. Nadat de partij zich kritisch had geuit over het koloniale gezag, werden haar 3 leiders verbannen naar Nederland. Soerjaningrat was 1 van die leiders, toen hij terugkwam stichtte hij de taman-siswascholen. Ze behoorden tot de groeiende groep non-coöperatieve of wilde scholen, die zo genoemd werden omdat ze weigerden aan de onderwijseisen v/d koloniale overheid te voldoen. De Sarakat Islam groeide uit tot een politieke stroming met meer dan een miljoen leden. Ze werden anti-overheid en antikapitalistisch. De grote en roerige achterban joeg de overheid en de Europese bevolking angst aan. Daarom probeerde ze de politieke activiteiten met verboden te beperken. Rond 1919 ontstond binnen de partij een scheuring tussen marxisten en overtuigde islamieten, die deze massabeweging enorm verzwakte. De isdv (Indisch Sociaal-democratische Vereniging, 1914 door Nederlander Sneevliet) werd opgericht om de socialisten te verenigen en om propaganda te maken binnen andere nationalistische verenigingen en partijen. In 1920 omgedoopt in pki (Partai Kommunis Indonesia) Dat was de eerste communistische partij in Azië. Zonder het te willen versterkte de koloniale overheid met haar beleid het radicale Indonesische nationalisme. De ethische plannen wekten bij veel nationalisten verwachtingen die in de praktijk moeilijk waar waren te maken. Bv de belofte op een volksraad. Door sterke conservatieve Nederlandse tegenstand bleef het echter bij beloften en kwam v/e invloedrijke Volksraad niets terecht. De wereldcrisis v/d jaren ’30 maakte een einde aan de welvaart en bewees hoe kwetsbaar de economische positie van Nederlands-Indië was. Ethische verwachtingen en ideeën verdwenen. Niet alleen het bedrijfsleven zwaar getroffen, ook gevolgen voor de overheid. De kampioen v/d bezuinigingen in die tijd was gouverneur-generaal. Hij was een starre handhaver van ‘rust en orde’. In de praktijk: scherpe controle v/d nationalistische beweging en perscensuur. Dit alles leidde dat bij bijna bij iedere bevolkingsgroep ontevredenheid heerste. 2.4 Omstreeks 1927 nieuwe groep nationalisten met 3 doelstellingen; 1. alle nationalistische stroming tot 1 beweging. 2. iedere medewerking aan de koloniale overheid weigeren. 3. de onafhankelijkheid van Indonesië doorvoeren. Belangrijk hierbij is de pni (de Indonesische nationale partij) olv Mohammed Hatta en Soekarno. Soekarno was de onbetwiste leider. Hij was een kenner v/d westerse politiek en maatschappelijke denkbeelden dat combineerden hij met elementen uit de populaire wayang. Het bleek een feilloze manier om het volk voor het nationalisme te winnen. De pni had een non-coöperatieve opstelling. Ze deden ook aan propaganda. In 1929 werd Soekarno en andere leden opgepakt en veroordeeld. Dat richtte schade aan in de pni, maar maakte Soekarno ook tot martelaar. Terug uit de gevangenis richtte hij zich op het herstel v/d pni en heette voortaan Partindo. Maar hij had ook concurrentie gekregen van de pni-baroe (de nieuwe pni) olv Soetan Sjahrir. Hij legde de nadruk op de opbouw v/e stevige nationalistische organisatie, terwijl Soekarno meer heil verwachtte van massa-acties. Van 1932 tot 1933 maakte gouverneur-generaal De Jonge met harde hand een einde aan de acties v/d belangrijkste nationalisten en verbanden ze naar boven-digoel. Vanaf toen mocht alleen binnen de ruimte die de overheid toestond politiek worden bedreven. Daardoor verdween het nationalisme niet. De gematigden kregen nu hun kansen. De veranderde nationalistische koers bleek ook uit de petitie-soetardjo in de Volksraad (1936) Radicaal kon je de petitie dus niet noemen. De volksraad nam de petitie aan, maar de termijn van 10 jaar werd geschrapt. Zij vond dat Indië nog niet rijp was voor zelfstandigheid. De nationalisten voelden zich gegriefd door de starheid en onderschatting. Ze reageerden daarom in 1939 door de gapi op te richten. Een federatief verbond van Indonesische organisaties dat propaganda voerde voor een volwaardig Indonesisch parlementair bestuur. Ze wilde zich hiermee versterken. Sjahrir en Hatta spraken zich uit over het fascisme van Duitsland en Japan. Het maakte het Nederlandse gezag niet welwillender. 2.5 Sinds de 2de helft v/d 19de eeuw ontwikkelde Japan zich tot een economisch en militair krachtige staat die voortdurend streefde zijn invloed in Azië te vergroten, langs de economische en militairen weg. Die dreiging werd ook in Nederlands-Indië voortdurende gevoeld. De Japanners lieten in hun nationalistische propaganda duidelijk doorschemeren dat het delfstoffenrijke Nederlands-Indië deel zou moeten uitmaken v/e door Japan gedomineerd Zuidoorst-Azië. De Japanse aanvallen op 7 december 1941 betekende voor Nederlands-Indië het begin v/d oorlog. Nederland verklaarde Japan de oorlog als blijk van solidariteit. Ze hoopten daarbij op zoveel mogelijk steun. In 1942 beheersten Japan het grootste deel van Zuidoost-Azië. Het offensief tegen Nederlands-Indië werd in een tangbeweging via 3 routes opgezet. Door de slag om de Javazee op 27 januari te winnen, maakte de Japanse marine de weg vrij voor landingen op Java. Op 8 maart gaf het KNIL zich over. Midden maart 1942 was geheel Nederlands-Indië, muv het binnenland van Nieuw-Guinea, in Japanse handen. Daarmee was een definitief einde gekomen aan Nederlands-Indië.
Hoofdstuk 3 Nederlands-Indië wordt Indonesië. Inleiding Toen de Japanners de oorlog tegen de geallieerden begonnen te verliezen, beloofden zij de Indonesiërs onafhankelijkheid. Die kwam in 1945, na Japanse overgave. Maar Nederland gaf zijn kolonie niet zomaar prijs. Pas na 4 jaar oorlog voeren en onderhandelen droeg Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit over aan de VSI en begonnen beide landen een kwetsbare relatie. 3.1 Voor de Japanners was het Indonesische nationalisme ondergeschikt aan hen eigen ideaal. Dat ideaal was het leiderschap van Japan over Azië. De Indonesiërs mochten wel beperkte politieke activiteiten ontplooien o.v.d zij aan de Japanse propaganda meewerkten. Zo probeerden ze meer steun te krijgen. Zo kwamen er mensen die een dubbelrol speelden met gevolgen voor landgenoten die tot slavenarbeid voor de Japanners werden overgehaald. (Romoesja’s) Maar al snel bleek dat het olv de Japanners ook geen welvaart opbracht. Zoals in de propaganda was beloofd. Doordat de Nederlanders gevangen werden de open banen opgevuld door Indonesiërs, dat bleken ze goed te doen, het Indonesische zelfvertrouwen groeide. KNIL-militairen werden op den duur vrijgelaten, maar de Zuid-Molukkers niet, zij werden gezien als handlangers v/d Nederlanders. Ook de Indo-europeanen. Mannelijke en vrouwelijke gevangenen werden apart ondergebracht. Jongens vanaf 10 jaar naar mannenkamp. De medische zorg was minimaal + zware straffen. Eind ’43 kwamen ook de kampen voor burgers onder beheer v/h Japanse leger. Gevangenen steeds meer opeengepakt. Erbarmelijke omstandigheden daarom hebben veel het niet overleefd. 3.2 Premier Koiso van Japan (1944 aangetreden) had meer begrip voor de onafhankelijkheidsbewegingen dan zijn voorgangers. Op 7 augustus 1945 (dag na atoombom op Hirosjima) besloot Japan tot vorming van een comité ter voorbereiding v/d Indonesische onafhankelijkheid. Soekarno en Hatta worden tot voorzitter en vice-president benoemd. Ze kregen te horen dat Indonesië op 18 augustus onafhankelijk zou zijn. Daar kwam niks van terecht omdat Japan capituleerde. De geallieerde opperbevelhebber (MacArthur) stelde de Japanners verantwoordelijk voor de handhaving v/d orde en gezag in Indonesië tot de geallieerden kwamen. De Indonesiërs zenuwachtig, want geallieerden -> onafhankelijkheid ver weg, dus Pemoeda’s in actie. Maar andere nationalisten wilden de geallieerden niet op de proef stellen. Het was bovendien in strijd met de Japanse belofte om de status-quo te handhaven. Maar de pemoeda’s ontvoerden Soekarno en Hatta om ze tot proclamatie te dwingen. Uiteindelijk overeenstemming met Japan. De onafhankelijkheid kon worden uitgeroepen als je Japanners er officieel maar niets van wisten er orde en rust bleef gehandhaafd. Op 17 augustus 1945 proclameerde Soekarno de Repoeblik Indonesia. De pemoeda’s zorgden uit angst dat de onafhankelijkheid niet werd erkend door het westen de bersiap-periode. 3.3 De Nederlandse autoriteiten waren hierdoor verrast. Zij wilden hun gezag herstellen, maar waren afhankelijk v/d geallieerden. Pas eind ’45 kwamen de eerste Britse troepen in Batavia aan. In het tot Djakarta omgedoopte Batavia was viel anti-Nederlands en waren veel bewapende pemoeda’s. In deze chaos moesten de Nederlanders hun koers bepalen. Hard optreden was niet mogelijk, want de Nederlandse troepen mochten nog niet komen v/d Engelsen. De Engelsen stonden n.l positief tegenover het onafhankelijke Indonesië, maar erkende, omdat ze bij de geallieerden waren aangesloten, het Nederlandse gezag o.v.d de Nederlanders gingen onderhandelen over de toekomst. De VS wilde ook geen herstel, dat zou het communisme aanwakkeren. Als basis voor de onderhandelingen met de republikeinen gebruikte Van Mook een plan uit de jaren ’30. -> Nederland zou een federatie van deelstaten vormen, de VSI, waarover het tijdens de overgangsperiode het oppergezag zou uitoefenen. De VSI zou samen met Nederland deelgenoot worden in het koninkrijk. De geplande deelstaten waren Java, Sumatra, Borneo en Oost-Indonesië. In maart 1946 kwamen van Mook en de belangrijkste republikeinse onderhandelaar Sjahir naar Nederland voor overleg. Die mislukten door meningsverschillen over de positie van Indonesië binnen de federatie en de angst v/d Nederlandse regering om teveel toe te zeggen. Daardoor verslechterde de verhouding. Van Mook begon zijn deelstatenplan uit te voeren. Op 7 december 1946 werd in Den Pasar de deelstaat Oost-Indonesië opgericht. De hervatte onderhandelingen in oktober 1946 tussen Nederland en Indonesië leverden ten slotte het akkoord van Linggadjati op (15 november) Daarin stond dat Nederland het gezag in Indonesië erkende en ging samenwerken bij de vorming v/d VSI. Daarbij zou de VSI bestaan uit: de Republiek, Borneo en Oost-Indonesië. Nederland, Suriname, Curaçao en de VSI zouden samen een unie gaan vormen met aan het hoofd de Nederlandse koningin. De Nederlandse regering wilde het bereikte akkoord niet tekenen voordat was overlegd met de Nederlandse onderhandelaars. Aan de Indonesische kant groeide het wantrouwen, maar ze gingen toch akkoord met de uitvoering van Linggadjati. Maar dat uitvoeren duurde nog wel even. De Nederlanders twijfelden of de Indonesiërs Linggadjati wel uit wilde voeren. De troepenmachten kostte onderhand veel geld en de economische toestand in de Nederlandse gebieden was beroerd. Daarom besloten tot een militaire actie tegen de Republiek: de eerste politionele actie (21 juli–4 augustus) Daarbij werd geprobeerd de export weer op gang te krijgen en weer wat geld te verdienen. Dat lukte. Maar de regering verbood Yogyakarta te veroveren want dat zou een breuk veroorzaken tussen bepaalde politieke partijen en dat was dit niet waard. Daarom 4 augustus wapenstilstand. De VN stelden een commissie van goede diensten in die moest bemiddelen. Daarin speelde de VS een steeds belangrijkere rol. Dat leidde tot een nieuwe overeenkomst (17 januari 1984) NL-VS op schip ‘Renville’. Daarbij kon Nederland nieuwe deelstaten vormen. Van Mook installeerde een voorlopige federale regering waarin de Republiek niet werd opgenomen. De Nederlandse minister van buitenlandse zaken (Stikker (VVD))was het daar niet mee eens. Hij vreesde een groot militaire conflict. Maar regering vond dat de Republiek eerst hun schendingen v/d wapenstilstand moesten beëindigen. Regeringsdelegatie moest druk uitoefenen maar mislukte. -> gevolg: Renville-overeenkomst werd opgezet en 2de politionele actie werd ingezet (19 december-3 januari) Daarbij viel de hoofdstad Djokjakarta en Soekarno, Hatta en Sjahir werden gevangen genomen. Maar ondanks alles verzwakte de internationale positie van Nederland. Na de 2de politionele actie ontstond een patstelling tussen Nederlandse en Indonesische troepen. Het Indonesische leger slaagde er niet in de Nederlandse troepen te verdrijven en die – op hun beurt – zagen geen kans de sterker wordende Indonesische guerrilla te beteugelen. Gevolg: aan Nederlandse kant steeds meer vliegtuigen en artillerie in de strijd werden geworpen. 3.4 Onder internationale druk moest Nederland wel opnieuw gaan onderhandelen en de Indonesische leiders vrijlaten. Olv de United Nations Commission For Indonesia (UNCI), opvolgster v/d CGD, volgden besprekingen tussen de Nederlandse diplomaat Van Royen en zijn Indonesische collega Roem. Deze leidden uiteindelijk tot een akkoord. Besloten werd een rondetafelconferentie (RTC) in Den Haag gehouden. Daarbij zou de onvoorwaardelijke soevereiniteit aan de VSI worden overgedragen. 1 v/d belangrijkste onderwerpen op de RTC was de externe zelfbeschikking. Hierbij ging het voornamelijk om Minahasa en Zuid-Molukken. Maar de andere Indonesische delegaties wilde dat niet toestaan. Toch lukte het Nederland om Nieuw-Guinea buiten de soevereiniteitsoverdracht te houden. Dat had te maken met de chu en de VVD. Zij waren tegen de overdracht aan Indonesië. Door Nieuw-Guinea af te zonderen v/d overdracht kreeg de regering de steun van beide partijen om de grondwet te wijzigen. De wijziging was nodig om de soevereiniteit aan de VSI over te dragen. De strijd tussen Nederland en Indonesië was pas over in 1962 toen Nederland ook afstand deed van Nieuw-Guinea. Dat duurde zolang uit onvrede over het verlies van Nederlands-Indië en het beleid dat de eerste president (Soekarno) voerde. De Nieuw-Guinea zaak groeide uit tot een groot conflict. De VS was bang dat de Sovjetunie zich ermee zou gaan bemoeien en greep in. Onder hun druk stond Nederland in 1962 het bestuur over Nieuw-Guinea af aan de VN, die het binnen een jaar teruggaf aan Indonesië. Na die overdracht herstelden Nederland en Indonesië in 1963 hun diplomatieke betrekkingen. 3.5 De soevereiniteitsoverdracht bracht in Indonesië bepaalde bevolkingsgroepen in de problemen, waaronder de Zuid-Molukkers. Hun gebied maakte deel uit v/d deelstaat Oost-Indonesië. Na de overdracht plaatste de regering in Djakarta in hoog tempo de deelstaten onder haar gezag. De VSI werden een eenheidsdeelstaat. In 1950 werd de deelstaat Oost-Indonesië opgeheven. Een groot deel v/d Zuid-Molukse bevolking was overtuigd dat Djakarta over het gebied wilde overheersen. Ze voelden zich in de steek gelaten door Nederland. Zij hadden nl altijd het gezag verdedigd en hadden daarvoor zwaar moeten boeten tijdens de Japanse bezetting en de bersiap-periode. Daar mocht wel wat tegenover staan vonden ze. Maar tijdens de RTC was daar niets van te merken geweest. Op Ambon Op 25 april 1950 riepen ze de Repoeblik Maloekoe Selatan (RMS) (de republiek der Zuid-Molukken) uit, dat was een uiterste poging het zelfbeschikkingsrecht voor de Zuid-Molukken zelf af te dwingen. Pas in november dat jaar lukte het de Indonesische legers het terug te veroveren. In juli 1950 werd het KNIL opgeheven en moesten ook de Zuid-Molukse KNIL-militairen kiezen tussen demobiliseren of overgaan naar het Indonesische regeringsleger. Ze wilden demobiliseren maar dat werd tegengehouden door de Indonesische regering. Daarop was hun reactie de dienst te verlaten, te weigeren. De Zuid-Molukse militairen spanden een kortgeding aan tegen de Nederlandse staat, om te voorkomen dat zij onvrijwillig zouden worden gedemobiliseerd binnen Indonesië. Dat wonnen ze. Gevolg -> ze gingen met hun gezinnen naar Nederland. Hun verblijf (niet gewild) werd gezien als tijdelijk, later bleek dat het permanent zou wezen. Bij velen is het ideaal v/e vrije RMS echter niet verdwenen en bleef de band met het land van herkomst bijzonder hecht. Ook de Indo-Europeanen kwamen tussen wal en schip. Door de ellendige ervaringen tijdens de bersiap-periode en hun slechte maatschappelijke vooruitzichten in het nieuwe Indonesië, kwamen zij ook naar Nederland. Ze probeerden zich zo goed mogelijk aan te passen. Maar veel begrip voor de positie en achtergronden was er niet. Gevolg was dat de generatie zweeg om het niet nog moeilijker te maken dan het al was. De pas 2de of 3de generatie begon erover, nieuwsgierig naar de eigen ‘roots’. Het koloniale verleden speelt nog steeds een rol in Nederland en regelmatig laaien de emoties erover hoog op. In Indonesië lijkt het verleden minder pijnlijk aanwezig. Lijkt, maar is er nog steeds. Het koloniale verleden speelt in beide landen ook nu nog een belangrijke rol en dat maakt de verhouding tussen Nederland en Indonesië niet alleen apart maar ook gevoelig.

REACTIES

A.

A.

uuhh.. waar kan ik iets vinden over de bevolkinsdichtheid,, want ik heb dit nu al 3x gelezen en er staat niks in over de bevolkingsdichtheid maar dat heb ik wel nodig want morgen is het s.o ! dus zou iemand me even willen helpen met een site waar ik het eventueel zou kunnen vinden

xxamber

13 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.