tijdvakken + historische contexten

Beoordeling 6.7
Foto van Maaike
  • Samenvatting door Maaike
  • 6e klas vwo | 17732 woorden
  • 1 mei 2016
  • 17 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.7
  • 17 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Geschiedenis aantekeningen 6 VWO






Tijdvak 1 – tijd van jagers en boeren



Tot 3000 voor Christus



Prehistorie






KA1 = De levenswijze van jagers-verzamelaars




  • Geen geschreven bronnen, dus we weten heel weinig

  • Archeologie houdt zich bezig met prehistorie





Levenswijze:




  • Overleven door:

    • Jagen à mannen?

    • Verzamelen à vrouwen?



  • Nomaden (geen vaste woonplaats)

  • Leven in niet al te grote groepen (10 personen)

  • Weinig bezit

  • Maken zelf gebruiksvoorwerpen en kunst

  • Godsdienst?





KA2 = het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen




  • Neolithische revolutie: de ontdekking van de landbouw

  • Landbouw = akkerbouw én veeteelt

  • Begint in het Midden-Oosten (de vruchtbare halve maan genoemd)

  • Verspreiding duurt duizenden jaren, maar het effect is groot, vandaar dat het een revolutie genoemd wordt





Kenmerken landbouwsamenleving:




  • Vaste woonplaats (nomadische levenswijze à “sedentaire”)

  • Stevigere huizen

  • Grote groepen à dorpen (50 mensen)

  • Nieuwe uitvindingen werden gedaan om landbouw te verbeteren à voorbeeld = de ploeg

  • Er kwam meer bezit à steeds meer potten = om eten te bewaren

  • Doden werden op een vaste plaats begraven à begraafplaats zoals hunebedden

  • Leven na de dood? Godsdienst?





KA3 = het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen




  • Langs het water (meestal rivieren) ontstaan de eerste steden





Kenmerken landbouwstedelijke samenleving:




  • Grootste gedeelte van de bevolking woont op het platteland, maar er zijn steden en daarom wordt het een landbouwstedelijkesamenleving genoemd

  • Specialisatie à taken worden verdeeld: eerst meer ieder voor zichzelf, nu is dit minder

  • Hiërarchie/grote sociale verschillen

  • Bestuur/complexe organisatie

  • Handel en nijverheid = grootste verschil tussen landbouwsamenleving en landbouwstedelijke samenleving





Uiteindelijk: ontstaan van het schrift. De uitvinding van het schrift is het einde van de prehistorie en het begin van de oudheid. De prehistorie eindigde dus in het Midden-Oosten veel eerder dan hier in Nederland. Omdat de verspreiding van het schrift natuurlijk niet erg snel ging.






Tijdvak 2 – de tijd van Grieken en Romeinen



3000 voor Christus – 500



De oudheid






KA4 = De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat





Wetenschappelijk denken:




  • Polytheïsme

  • Filosofen gingen wetenschappelijk denken

    • Beredeneren met verstand

    • Systematisch vragen stellen

    • Rationele verklaringen zoeken



  • Er ontstond steeds meer wetenschap



Let op: filosofie was destijds meer een verzamelterm voor alle wetenschap





3 filosofen:




  • Plato: ethiek (“Wat is goed?”)

  • Aristoteles: “hoe komt kennis tot stand?” (hij was meer een wetenschapper)

  • Socrates: “ik weet slechts één ding en dat is dat ik niets weet”





Het oude Griekenland:




  • Grieken woonden in verschillende stadstaten (polis/poleis) deze lagen ook buiten Griekenland (bijv. Napels/Marseille)

  • Kenmerken:

    • Stad en het omliggende land

    • Eigen leger

    • Eigen bestuur met eigen wetten (manier van besturen kon per stadstaat verschillen)







Bestuursvormen:




  1. Monarchie: staat met 1 vorst aan het hoofd

  2. Aristocratie: staat geleid door een groep aanzienlijken (bijv. mensen van adel)

  3. Oligarchie: staat geleid door een kleine groep (komt natuurlijker tot stand dan aristocratie)

  4. Tirannie: alleenheerser die onrechtmatig de macht heeft gegrepen (hierin moet je onderscheid maken tussen een monarchie en tirannie)

  5. Democratie: bestuur waarbij het volk beslist






  • In de Griekse tijd werd een Tiran absoluut niet als iets slechts gezien, maar meer als iemand die een slechte koning weg kon jagen. Een Tiran kon ook alleen aan de macht komen d.m.v. steun van het volk.






  • Burgers mogen meestemmen: wat is een burger?

    • Een man

    • 18+

    • Geen vreemdeling (dit houdt in dat beide ouders binnen de stadstaat geboren moesten zijn)

    • Hij moest vrij zijn

















KA5 = De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde.





Het Romeinse Rijk




  • Begon als monarchie

  • Rond 500 v. Chr. à Republiek (=staatsvorm zonder koning)

  • 44 v. Chr. à keizerrijk (voornamelijk in deze periode was er sprake van uitbreiding van het rijk)





Oorzaken Romeinse groei:




  • Sterk en goed georganiseerd leger

  • Goede wegen

  • Sterk bestuur

  • Economische bloei

  • De Romeinen respecteerden de cultuur en godsdienst van overwonnen volkeren





De Grieks-Romeinse cultuur:




  • Toen de Romeinen Griekenland veroverden, namen zij veel van de Griekse cultuur over (goden; verhalen; wetenschap; bouw etc.)

  • De Romeinen voegden dit aan hun eigen cultuur toe






  • Romanisering (belangrijk om te weten: wordt vaak letterlijk naar gevraagd)

    • De Grieks-Romeinse cultuur werd verspreid in de veroverde gebieden

    • Dit werkte twee kanten op: beide culturen nemen elkaar over. Dus de Romeinen namen ook dingen over van de volkeren die ze veroverden







KA6 = De vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur




  • Architectuur; beeldhouwkunst; aquaducten; geschriften; gladiatoren

  • De Romeinen nemen de cultuur van de Grieken over en voegen daar verbeteringen aan toe: marmer; bogen; beton; baksteen





KA7 = De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest Europa





Germanen




  • = verzamelnaam van alle mensen die ten noorden van de Romeinse grens woonden

  • Kennen zelf geen geschreven bronnen, dus alles wat we weten over de Germanen komt van geschreven bronnen van de Romeinen (alle informatie is dus gekleurd)

  • Landbouwsamenleving

  • Krijgskunst/dapperheid waren belangrijk: veel oorlogen. Ze voerden ook veel oorlogen onderling.





Confrontatie (dit hield allerlei manieren van contact in: dus niet altijd negatief)




  • Oorlog

  • Bondgenootschappen (voorbeeld = de Bataven)

    • Een voordeel van deze bondgenootschappen was dat de leiders burgerrecht kregen, het voornaamste voordeel hiervan was dat ze als ze een misdaad gepleegd hadden, eerst een proces kregen i.p.v. meteen berecht te worden.



  • Romanisering (dus ook buiten het rijk)











KA8 = De ontwikkeling van het Jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten





Polytheïsme bij de Romeinen



Verschillende soorten goden:




  • Algemene goden

  • Familiegoden

  • Beroepsgoden

  • Staatsgoden






  • De keizer was de opperpriester van de staatsgodsdienst: genaamd pontifex maximus en werd zelf als god vereerd

  • Er heerste godsdienstige verdraagzaamheid en romanisering





Monotheïsme




  • Er is maar één god

  • De keizer kan niet als god worden vereerd, dus monotheïstische godsdiensten raakten in conflict met Romeinse keizers.





Jodendom




  • Één god: Jahweh

  • Heilig schrift: Tenach

  • Aartsvader: Abraham

  • Diaspora = de verspreiding van het Jodendom (komt voornamelijk door verschillende conflicten die de joden door de eeuwen heen met andere volkeren gehad hebben.)





Christendom




  • Komt voort uit het Jodendom: geloof dat er een Messias komt die het Joodse rijk zal herstellen = Jezus

  • Na de dood van Jezus verspreidden Paulus, Petrus en de andere apostelen het geloof

  • Conflict met Romeinse keizers: op het moment dat Paulus en Petrus Rome bereikten (brandstapel)

  • Geloof was aantrekkelijk voor lagere sociale groepen: vrouwen, slaven en armen (het geloof in de dood gaf hoop en het idee dat in de hemel iedereen gelijk zou zijn)

  • Bijbel: Tenach (oude testament) + nieuwe testament





Christendom in het Romeinse Rijk:




  • Eerste vervolgingen

  • 313: keizer Constantijn wordt Christen

  • 380: keizer Theodosius maakt het christendom tot staatsgodsdienst à het wordt verplicht om christen te zijn






























Tijdvak 3 – de tijd van monniken en ridders



500 – 1000



Middeleeuwen






KA9 = De verspreiding van het christendom in geheel Europa




  • Dit was een gevolg van KA8






  • Na de val van het Romeinse Rijk bleef de Rooms-katholieke kerk bestaan, met o.a.:

    • De paus in Rome

    • De bisschop die per bisdom de lagere geestelijken benoemde

    • Monniken en nonen in kloosters (scholing & wetenschap die ervoor zorgden dat het schrift kon voortbestaan)







De kerstening van heel Europa




  • Missionarissen worden naar allerlei plaatsen gestuurd om het geloof te verspreiden (op verschillende manieren)

  • Zij richten zich op vorsten/vooraanstaanden

  • Heidense gebruiken worden overgenomen (om mensen te vriend te houden)





KA10 = De opkomst en de verspreiding van de islam




  • Monotheïstische godsdienst

  • Jihad: het streven naar uitbreiding van de islam (belangrijk: in die tijd was dit niet iets negatiefs, in onze tijd wordt dit vaak wel als iets negatiefs gezien)

  • Mohammed: wereldlijk heerser, verover van het halve Arabische schiereiland

    • Na zijn dood kwamen er opvolgers (“kalief” genoemd à zij veroverden ook steeds meer land, deze stukken werden kalifaten genoemd)








  • De Moslims kregen meerdere conflicten met christenen

  • De islam vond cultuur heel belangrijk: zoals stedenbouw; architectuur; geschriften van de Grieken en Romeinen; wetenschap. à veel van wat wij uit die tijd nog weten, weten we dus mede dankzij de islam





Overige aantekeningen die niet perse aansluiten bij één KA, maar wel handig zijn om een beeld te krijgen van de Middeleeuwen:





Hofstelsel en feodaalstelsel:



Val van het Romeinse Rijk had tot gevolg dat er:




  • Geen centraal bestuur was

  • Geen wegen waren

  • Geen handel meer plaatsvond (op grote schaal)

  • Geen gebruik meer werd gemaakt van geld





De middeleeuwse samenleving:




  • Standenmaatschappij:



1 – Eerste stand = geestelijken (mensen die werkten voor de kerk, dus niet alle gelovigen)



2 – Tweede stand = edelen (ridders & grootgrondbezitters)



3 – Derde stand = boeren en burgers (boeren: platteland; burgers: stad)




  • Stand 1 en 2 hadden altijd privileges: konden grond bezitten en hoefden geen belasting te betalen

  • Enige manier hoe je van stand kon veranderen was als je een edelman was en het klooster in ging.

  • Let op: er zijn wel een aantal burgers geweest wie het wel gelukt is om een geestelijke functie te verkrijgen, maar omdat dit er zo weinig waren, wordt hier nooit veel aandacht aan besteed



KA11 = De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarische urbane cultuur door een zelfvoorzienend agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.




  • Het hofstelsel wordt ook wel domeinstelsel genoemd

  • Men ging terug van een landbouwstedelijke samenleving naar een landbouw samenleving

  • Oorzaak = er was geen handel meer

  • Sociaaleconomisch stelsel

  • Doel = autarkisch (zelfvoorzienend) zijn








  • Horigen = werkten op de landbouwgrond van de heer.



Zij kregen: onderdak, voedsel en bescherming



Zij moesten: werken op het land van de heer




  • Vrije boeren = hadden hun eigen land



Zij kregen: vrijheid



Zij moesten: belasting betalen (in natura) en deelnemen in het leger




  • Het dorp was meestal omringd door bos, ook wel de woeste gronden genoemd. Dit was gebied waar de bewoners van de dorpen liever niet doorheen gingen en dit was dan ook de reden dat ze meestal hun hele leven in hun dorp bleven wonen en ook niet de behoefte hadden om naar een ander dorp te gaan.

  • De vrije boeren moesten herendiensten leveren en in het leger vechten, probleem hiervan is dat ze niet genoeg geld hadden voor hun uitrusting. Dit had tot gevolg dat vrije boeren uiteindelijk vaak horigen werden, omdat dit voor hun voordeliger was.





KA12 = Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur




  • Het feodaal stelsel wordt ook wel leenstelsel genoemd














  • Ontstaan door: wegvallen centraal bestuur

  • Grootste probleem: veel vijanden, van binnen en buiten

  • Doel = land besturen

  • Koning: leent land uit (leenheer)

  • Leenman: leent land, zweert trouw en biedt bescherming

  • Vazal = als iemand zowel leenheer als leenman is

  • De laagste leenman was altijd de hoogste heer van het hofstelsel







Tijdvak 4 – de tijd van steden en staten



1000 – 1500



Middeleeuwen






KA13 = De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving




  • Direct gevolg van het hofstelsel





De samenlevingen



Tijdvak 3: landbouwsamenleving (agrarische samenleving)



Tijdvak 4: landbouwstedelijke samenleving (agrarisch-urbane samenleving)





Oorzaken voor het ontstaan van nieuwe steden




  • Minder oorlogen en invasies (à voornamelijk Vikingen)

  • Landbouw verbeterd (= drieslagstelsel: 3 velden à 2 met gewassen en 1 braak liggend)

  • Bevolkingsgroei

  • Ontginningen (= grond die bijvoorbeeld moeras was en droog gelegd werd voor landbouw)





Effecten




  • Landbouwoverschot à zorgde voor handel

  • Specialisatie à resulteerde in ambachten

  • De steden groeien à er worden markten gehouden

  • Er ontstond weer een geldeconomie

    • Al deze effecten versterken elkaar







KA14 = De opkomst van de steden en toenemende zelfstandigheid van de steden.




  • Derde stand van de boeren en burgers wordt steeds rijker





Stadsrechten




  • Steden kregen van de heer bepaalde privileges:



Recht op à zelfbestuur; eigen rechtspraak; stadsmuren (stad werd onafhankelijker hierdoor); markten (konden vaker georganiseerd worden waardoor stad nog meer groeide); het heffen van tol




  • Deze privileges kreeg men in ruil voor belasting





Meer vrijheid in de steden




  • Alleen voor burgers

    • Burgerrecht kon je kopen (als je 1 jaar en 1 dag in de stad verbleef)

    • Recht op rechtspraak

    • Recht op deelname aan de schutterij

    • Recht op lidmaatschap van een gilde



  • Veel horigen vluchtten naar de stad, verbleven hier een jaar en een dag en kochten toe het burgerrecht





Gilde




  • Lidmaatschap verplicht voor het uitoefenen van een beroep

  • Kwaliteit en prijzen worden gecontroleerd

  • Scholing en opleiding (1: stagiair 2: hoofd 3: meester (meesterproef))

  • Sociaal vangnet, d.m.v.: pensioen; begrafeniskosten en vrij op feestdagen









KA15 = Het begin van staatsvorming en centralisatie




  • Macht van de vorsten wordt minder





Feodaal systeem:




  • Leenmannen worden steeds machtiger (door betere vervoersmiddelen en andere eden van trouw)

  • Het leen wordt erfelijk: de opvolging staat dus vast

    • Dit verkleint de macht van de leenheer, want:



  • Mensen gaan minder hun best doen voor de leenheer

  • Men weet niet wat ze aan de opvolgers hebben.



Oplossing = leenheren stellen bisschoppen aan als leenmannen à hiermee wordt de tweede stand buitenspel gezet




  • Geldeconomie wordt belangrijk:



Handel en ambacht (steden) zorgde er ook voor dat de vorst minder macht kreeg





OPLOSSING: staatsvorming en centralisatie



Centralisatie:




  • Centraal gestuurde staat, door: één godsdienst, één taal, centrale wetten en één belastingsysteem

  • Bestuur vanuit één punt: de hoofdstad





Staatsvorming




  • Het vormen van een overheid met ambtenaren en een leger (deal met burgers, geldeconomie!)

  • Zorgt er ook voor dat de adel buitenspel wordt gezet

  • Hiervoor worden burgers gekozen omdat: burgers ontslagen konden worden à vergroot de macht van de vorst à vorst kon groot en betrouwbaar leger opstellen





KA16 = Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben





Twee zwaardenleer:




  • Er zijn twee soorten machten: de geestelijke en wereldlijke, deze moeten gescheiden zijn (in theorie, in de praktijk was dit soms anders)





Feodaal stelsel:




  • Leen werd erfelijk à bisschoppen aangesteld à beide machten door elkaar (PROBLEEM 1)

  • Koningen willen garantie dat hun leen bij hen terugkeert dus benoemen zij de bisschoppen. Het benoemen van bisschoppen noem je investituur

  • De paus is het hier niet mee eens: bisschop zijn is een geestelijke functie en mag dus niet door een koning benoemd worden (PROBLEEM 2)





Investituurstrijd:




  • Strijd tussen Hendrik IV en paus Gregorius (verhaal van de gang naar Canossa)

  • Uiteindelijk won de paus, uitkomst = bisschoppen mochten wel leenman blijven, maar de vorst mocht geen bisschoppen meer benoemen.

















KA17 = De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe




  • Vindt nu ook plaats buiten Europa






  • Kruistochten

  • Uitbreiding van het geloof in Scandinavië en Oost-Europa

  • Reconquista = gevolg op de verspreiding van de islam. Reconquista is de “herovering” van Spanje à gebied wat teruggewonnen werd op de Moren






Tijdvak 5 – de tijd van ontdekkers en hervormers



1500 – 1600



Vroegmoderne tijd







  • 3 onderdelen:

    • Renaissance

    • Ontdekkingsreizigers

    • Kerkhervormers







KA18 = Het begin van de Europese overzeese expansie




  • Bewust zijn van het feit dat dit KA vanuit het oogpunt van de Europeanen is





Expansie




  • Er vond al handel plaats met het oosten à vooral over het land (zijde route)

  • Nadeel = veel winst voor tussenhandelaren, waardoor het product dus ook heel duur werd





Eigen vaarroutes




  • 15e eeuw = Spanje en Portugal

  • 16e eeuw = Nederland, Frankrijk en Engeland






  • Doel van deze landen was handel, dus niet op de eerste plaats kolonisatie (politieke overheersing) à dit was namelijk pas vanaf tijdvak 8





Waarom gebeurde dit nu?




  • Nieuwe mens- en wereldbeeld (voorbeeld = de wereld was rond)

  • Begin van nieuwe wetenschappelijke belangstelling

    • Expansie en nieuwe wetenschappelijke belangstelling versterken elkaar want:

    • Door expansie ontdekken ze meer gebied waar ze bijvoorbeeld de natuur gaan bestuderen

    • Door wetenschappelijke ideeën als “de wereld is rond” gaat men meer varen







KA19 = Het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling





Renaissance



4 onderdelen:




  1. Renaissance (wedergeboorte)

    • Wedergeboorte van de klassieke oudheid, anderzijds voelen mensen zich herboren

    • In deze tijd kwam er een nieuwe benaming voor de tijd tussen oudheid en renaissance: middeleeuwen/dark ages

    • Middeleeuwen = Europese term, want: Romeinse Rijk eindigde in 1453 in Constantinopel, in het oosten gingen ze dus meteen door van de oudheid naar de renaissance










  1. Veranderende mensbeeld

    • Van memento mori naar carpe diem

    • Humanisme: de mens was een individu en moest verstandig en mondig zijn (= de homo universalis) à voorheen was dit meer gemeenschappelijk

    • Er is weer aandacht voor het menselijk lichaam, bijvoorbeeld in de kunst

      • In de renaissance: portretten; in de middeleeuwen: religieuze voorstellingen










  1. Veranderende wereldbeeld

    • Letterlijk: “de wereld is rond”

    • Maar ook: de wereld is niet het centrum van het heelal (letterlijk en figuurlijk)








  1. Nieuwe wetenschappelijke belangstelling

    • Wetenschappers worden leergieriger en kritischer

    • Meer onderzoek met behulp van klassieke bronnen, want de middeleeuwse bronnen vonden ze teveel gericht op het christendom

    • Nadruk komt meer op bewijs/argumenten te leggen (vervolg tijdvak 6)








  • Belang van de kerk moet niet onderschat worden: iedereen is nog steeds gelovig, maar de mensen gaan steeds kritischer naar dingen kijken





KA20 = De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid



Klassieke oudheid wordt weer een voorbeeld, wat betreft: architectuur; literatuur; wetenschappelijke teksten; kunst





KA21 = De protestantse Reformatie die de splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had




  • Kritiek op de kerk, NIET op het geloof





Kritiek op de kerk door hervormers




  • Erasmus


    • Vergeleek als humanist de Griekse originele Bijbelteksten met de Latijnse vertaling. Vulgaat staat vol met fouten: eigen vertaling

    • Hoge geestelijken leiden een luxe leven

    • Hij had wel kritiek, maar breekt niet met de kerk








  • Luther


    • Kritiek op luxe leven geestelijken

    • Aflaten (vagevuur) à geld werd gebruikt voor bouw kerken (Sint Pieter)

    • Heiligen en relikwieën zijn afgoderij

    • Geloof moet alleen gebaseerd zijn op de Bijbel

    • Een gelovige mag niet in opstand komen tegen een vorst à vorst stond nog steeds boven de kerk








  • Calvijn


    • Bijbel is de enige bron van het geloof

    • De mens is zondig en slecht: predestinatie (reden 1 waarom Calvijn anders was dan Luther)

    • Als een overheid is niet het ware geloof predikt, mag een onderdaan in opstand komen = heel belangrijk, voor bijvoorbeeld Nederlandse opstand (reden 2 waarom Calvijn anders was dan Luther)







Reformatie (scheuring van de katholieke kerk)




  • Het christendom bestaat nu uit katholieken en protestanten (= allerlei verschillende stromingen) à let op: dus niet protestanten zelfde noemen als christenen



KA22 = Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat





Oorzaken opstand (vervolg in historische contexten)




  • Centralisatie VS privileges voor gewesten

  • Katholicisme VS protestantisme (calvinisme)



Doel à geloof en politiek verbinden om zo een sterkere staat te creëren




  • Kettervervolgingen à ook katholieken die hier tegen waren






Tijdvak 6 – de tijd van regenten en vorsten



1600 – 1700



Vroegmoderne tijd       






KA23 = Het streven van vorsten naar absolute macht





Kenmerken absoluut vorst




  • Alle macht in handen

  • Op alle vlakken bepalen: politiek; cultureel; economisch

  • “L’etat c’est moi”

  • Droit divin: macht gekregen van god





Lodewijk XIV




  • Politiek


    • Alle adel aan het hof (zodat hij de controle had)

    • Benoemt eigen minister (wel mensen van adel)

    • Ambtenaren doen belangrijke taken (leger controleren, belasting innen etc.) = derde stand



  • Cultureel

    • Intrekking edict van Nantes à hugenoten mochten niet meer hun eigen geloof navolgen. Het katholicisme wordt de staatsgodsdienst)

    • Academie van wetenschappen



  • Economisch

    • Mercantilisme à Lodewijk bepaalt welke producten er verhandeld mochten worden







KA24 = De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek




  • Gaat specifiek over Nederland






  • Staatkundig


    • Nederland was de eerste Republiek

    • Het land wordt geheel bestuurd door de Staten-Generaal, maar de gewestelijke staten hebben veel privileges

    • De macht is in handen van regenten

    • Belangrijke functies:

      • Stadhouder (opperbevelhebber leger en vloot)

      • Raadspensionaris (voorzitter staten van Holland, belangrijkste man in de Staten-Generaal) = eigenlijk belangrijkste persoon Republiek





  • Economisch

    • Nederlandse Gouden Eeuw: handel; Amsterdam als stapelmarkt; VOC; val van Antwerpen (haven stort in, veel handelaren komen naar Amsterdam)



  • Cultureel

    • Rijke burgers waren de belangrijkste kopers van kunst: lieten zichzelf portretteren







KA25 = Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie





Wereldeconomie




  • De economie raakt steeds meer met elkaar verbonden

    • Gevolg ontdekkingsreizen

    • Handelsposten werden gevestigd

    • Wereldwijde handelscontacten

    • Amsterdam/VOC







Handelskapitalisme




  • Koopman-ondernemers hielden zich bezig met handel en nijverheid en stoppen een gedeelte van de winst in hun eigen onderneming

  • Eigenaren gaven niet altijd leiding, want er waren mensen die aandelen hadden in de VOC

  • De VOC kreeg van regering op bepaalde fronten de leiding om bijvoorbeeld te bepalen tegen wie ze oorlog gingen voeren





KA26 = De wetenschappelijke revolutie






  • TV5: nieuwe wetenschappelijke belangstelling, wel groot ontzag voor klassieke auteurs

  • Deze ontwikkeling gaat door: heel veel nieuwe uitvindingen (vandaar revolutie)

  • Er wordt veel kritischer gekregen naar bronnen: vooral op basis van waarneming à klassieke auteurs werden minder belangrijk





Uitvindingen




  • Galilei bewijst dat de aarde om de zon draait (zorgt voor een conflict in de kerk)

  • Kepier berekent omloopsnelheid planeten

  • Newton ontdekt de zwaartekracht

  • Huygens maakt het eerste vuurwerk en onderzoekt slingerbeweging

  • Van leeuwenhoek maakt telescoop

  • De groot: ‘Mare Liberum’ = boek over regels voor de zee






  • Link leggen tussen absolute vorsten en wetenschappen (versterken elkaar)






Tijdvak 7 – de tijd van pruiken en revoluties



1700 - 1800



Vroegmoderne tijd       






KA27 = Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst; politiek; economie en sociale verhoudingen






  • Rationeel optimisme = vooruitgangsgeloof

  • Verlicht denken = basisideeën: rationalisme; gelijkheid; vrijheid; onwetendheid verminderen





Godsdienst




  • Voltaire

    • Godsdiensttolerantie: “iedereen is gelijk”

    • Geen atheïst, maar deïst à deïsme



  • Let op: pas na WO2 minder gelovigen

    • Deïsme = god heeft de wereld geschapen, maar daarna heeft hij zijn handen ervanaf getrokken





Politiek




  • Locke

    • Koningin en regeringen krijgen hun macht niet van God, maar van hun burgers (sociaal contract)

    • Overheid moet zich aan de wet houden








  • Montesquieu

    • Trias politica

    • Antidemocratisch








  • Rousseau

    • Volkssoevereiniteit

    • Regering moet algemene wil uitvoeren







Economie




  • Smith:

    • Iedereen moet eigenbelang nastreven

    • Een ‘invisible hand’ zorgt voor balans tussen vraag en aanbod

    • Laisser faire = overheid moet zich niet bemoeien met de economie







Sociale verhoudingen




  • Rousseau

    • Mens is van nature goed

    • Er moet geen onderscheid zijn tussen mensen (bijv. standen)

    • Maakbare samenleving à heel nieuw idee “samenleving kan verbeterd worden”







KA28 = Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (=verlicht absolutisme)





Verlicht absolutisme




  • Vorst is absoluut

    • Alle macht in handen

    • Standenmaatschappij (ancien régime)







EN






  • Verlicht

    • Vorst is de dienaar van de staat: zorgen voor het volk

    • Vorst wil verlichte ideeën verspreiden: “opvoeden” (voorbeeld: musea openen/scholen beginnen)

    • “alles voor en niets door het volk”







KA29 = Uitbouw van de Europese overheersing met name in de vorm van plantagekolonies en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolutionisme.





Plantagekolonies




  • Plantages in zuid en Midden-Amerika waar bijv. tabak, koffie en katoen geproduceerd werden.

  • Let op: specerijen uit Azië moet je in dit geval niet noemen.











Abolutionisme




  • Onder invloed van de verlichting ontstaat het idee dat slavernij onmenselijk is

  • Afschaffing:

    • Slavenhandel (Groot Brittannië in 1807; NL in 1814)

    • Slavernij (Groot Brittannië in 1833; NL in 1863)







Groot Brittannië




  • Slavenhandel afgeschaft à men dacht dat slavernij automatisch op zou houden



Gevolg = mensen gingen slaven “fokken”, omdat het op deze manier dan geen handel was




  • Uiteindelijk slavernij afgeschaft





Nederland




  • Slavernij mensen hadden sterke hand in de politiek

    • Slavenhandel veel eerder afgeschaft dan slavernij



  • Er werd gediscussieerd over hoe de slavenhandelaren gecompenseerd moest worden, want zonder de slaven zouden ze verlies draaien





KA30 = De democratische revoluties in Westerse landen met als gevolg discussies over grondrechten, grondwetten en staatsburgerschap






  • Democratische revoluties: de Franse





Burgers komen in opstand tegen:




  • Standenmaatschappij

  • Absolute macht van de koning (terugblik naar TV6: absolutisme, TV7: ancien regime)

  • Slechte leefomstandigheden (misoogsten)

  • Leidt tot revolutionaire regering waarin conflict ontstaat, uiteindelijk Napoleon.






  • Democratische revoluties: de Amerikaanse





Burgers komen in opstand tegen:




  • Engelse overheersing

  • Geen inspraak in Engelse regering

  • Wel belasting (“no taxation without representation)

  • Leidt tot onafhankelijke staat met eerste grondwet en rechtsstaat (eerste echte verlichte document)





Discussies over grondrechten, grondwetten en staatsburgerschap:



Wat zijn grondrechten?; Hoe moet een grondwet eruit zien?; Wat is staatsburgerschap en wie krijgt dat?






Historische context: de Republiek 1515 - 1648




Tijdvak 4: centralisatie en reformatie



Tijdvak 5: de Nederlandse opstand



Tijdvak 6: de Gouden Eeuw



Tijdvak 7: de Republiek verliest voorsprong





Politiek à decentraal – centraal



Religie à vrijheid – staatsgeregeld



Economie à vrijhandel – handelsbelemmeringen





De Bourgondische Nederlanden (1369 – 1477)




  • Koppelen aan centralisatie en staatsvorming

  • Allemaal kleine gebiedjes veroverd en samen gevoegd





Karel de 5e




  • Onder Karel worden eigenlijk 3 landen met elkaar verbonden: Spaanse koninkrijk, Bourgondische erflanden, Oostenrijkse erflanden + Duitse rijk

  • Heer der Nederlanden 1515 – 1555

    • In deze tijd nog meer gecentraliseerd dan het al was: groter gemaakt (alle gewesten) en daarna centralisatie



  • Karel had Spanje en Portugal en dus ook al hun kolonies: “een rijk waar de zon nooit onder gaat”









Theorie: elk gewest kiest eigen stadhouder



Praktijk: gewesten kiezen allemaal één stadhouder





Collaterale Raden (1531) (geel = verplicht voorbeeld)




  • Raad van State

    • Taak: advies over alle grote en voorname zaken in de Nederlanden, landvoogdes moet verplicht advies vragen (niet verplicht dat landvoogdes hier ook echt naar luistert)

    • Leden: Nederlandse edelen



  • Geheime raad

    • Taak: wetten opstellen en toezicht houden op gewestelijke en plaatselijke besturen

    • Leden: rechtsgeleerden (Dus: burgers)



  • Raad van financiën

    • Taak: overleg over belastingen en toezicht op betaling hiervan

    • Leden: hoge edelen en deskundigen (dus: burgers)







Reden voor instellen van deze raden: centralisatie en dus minder gebruik te maken van de Staten-Generaal





Godsdienst in het rijk van Karel V




  • Reformatie (Luther in Worms, 1521)



Binnen het Duitse Rijk oorlog à veel verschillende gewestjes/vorsten: geloof voornaamste reden. Sommige gewesten hadden keurvorsten. Deze mochten de keizer kiezen.




  • 1555: Vrede van Augsburg: “cuius regio eius religo” betekent: vorst bepaalt het geloof à Karel moet een deel van zijn macht af staan. Veel mensen zeggen dat dit de reden was voor het aftreden van Karel.





Vanaf 1522: inquisitie in de Nederlanden




  • Begin dat Karel het katholieke geloof op ging leggen. Er werd gekeken naar:



1 – of je geen ketter was



2 – of je een goede katholiek was





Instelling bloedplakkaten: 1550




  • Doodstraf en inbeslagname van alle goederen voor:

    1. Het drukken, schrijven, verspreiden en bezitten van ketterse boeken en afbeeldingen

    2. Het bijwonen van ketterse bijeenkomsten

    3. Het prediken van een tegendraadse religie

    4. Het huisvesten van ketters







“Wat is een ketters boek? Wat is een ketterse bijeenkomst?” à inquisitie bepaalde altijd





Weerstand tegen Karel V groeit in de Nederlanden



Oorzaak 1: centralisatiepolitiek (schoot bij burgers in het verkeerde keelgat)



Oorzaak 2: godsdienstpolitiek (Karel wilde het geloof opleggen)



Oorzaak 3: inquisitie (was zo heftig dat ook katholieken ertegen werden, gevolg: verbroedering onder de burgers)





1555: Karel V gaat met pensioen, hij gaat kiezen aan wie hij zijn rijk nalaat:




  1. Maximiliaan (broer van Karel) krijgt Duitsland

  2. Fillips (= zoon van Karel)

  3. Bijzonder = voor het eerst dat een koning met pensioen gaat (voorheen altijd tot de dood)

    • Fillips II droeg het bestuur over aan zijn halfzus Margaretha van Parma (landvoogdes)







Vanaf 1560: Calvinisme verspreidt zich in de Nederlanden



Luther:



Gelovigen moeten altijd de overheid gehoorzamen en mogen zich niet organiseren zonder toestemming van de overheid




  • Deze mening kwam mede doordat hij beschermd werd door de vorst van Saksen





Calvijn:



Gelovigen mogen zo nodig zonder toestemming van de overheid, kerken vormen en zelfs in opstand komen tegen een goddeloze overheid




  • Het geloof gaf dus extra steun om in opstand te komen





1566: het smeekschrift




  • Hoge edelen gaan naar Margaretha toe om te vragen of ze de inquisitie iets kan beperken

  • Granvelle (hoge bisschop) zei toen: “het zijn maar zwervers” à hieruit voort kwamen uiteindelijk de geuzen

  • Willem van Oranje heeft eerste propagandaoorlog gevoerd à vooral veel pamfletten





1560 – 1566: de Hagenpreken




  • Openbare illegale bijeenkomsten van het calvinisme

  • Werden groter nadat Margaretha toegezegd had de inquisitie te dempen





1566: de Beeldenstorm




  • Vond vooral plaats in het zuiden.

  • Was niet per definitie dat alle kunst gesloopt werd, vaak werden kerken ook gewoon leeggehaald.





Alva: de ijzeren hertog




  • Stelde raad van beroerten/Bloedraad in: tot doel om de inquisitie goed aan te pakken

  • 1100 doodvonnissen uitgevoerd

  • 10.000 bij verstek veroordeeld à wel doodvonnis gekregen, maar deze zijn niet uitgevoerd

    • Binnen die 1100 doodvonnissen waren grote verschillen: 2 graven die niet hard genoeg in waren gegaan tegen de calvinisten

    • Hier ontstonden de eerste scheuren tussen Fillips en de hoge edelen







1533 – 1584: Willem van Oranje




  • Groot gebracht aan het hof van Fillips in Madrid (ze waren in eerste instantie zelfs vrienden)

  • Na het smeekschrift escaleerde dit en werden ze vijanden

  • Willem trok zich terug in zijn kasteel Dillenburg in Duitsland, om hier zijn plan te bedenken.

    • Vanuit het kasteel heeft hij geprobeerd een leger te verzamelen en de Nederlanden aan te vallen (1568). Deze aanval is mislukt, maar wordt wel gezien als het begin van de 80 jarige oorlog.



  • Nadat de invasie mislukt was besloot men dat er vanaf zee aangevallen moest worden

  • 1 april 1572: inname Den Briel door de Watergeuzen

  • Watergeuzen waren vaak mensen die hun doodvonnis probeerden te ontlopen





1574: Het ontzet van Leiden




  • Spanjaarden omsingelden de stad

  • Uiteindelijk trokken de Spanjaarden zich terug, omdat de dijken doorgebroken werden en de kampen van de Spanjaarden onderliepen

  • Vervolgens kwamen de Geuzen binnen met eten

    • Dit is een voorbeeld van hoe er in de 80 jarige oorlog gevochten werd om steden (voornamelijk omdat steden destijds nog stadsmuren hadden)







Spaans leger krijgt financiële problemen




  • Het leger voerde meerdere oorlogen tegelijk, o.a. tegen het Ottomaanse Rijk

  • De soldaten kregen geen soldij uitbetaald, dus gingen ze muiten (in opstand tegen eigen regering). Ze gingen ook plunderen, gevolg = veel onrust = dit leidt tot:



De zuidelijke gewesten die de Spaanse soldaten tot vijand verklaren en starten onderhandelingen met Oranje





1576: de Pacificatie van Gent




  • Probleem tussen noord en zuid: het geloof. Met de pacificatie kwam er een overeenkomst over godsdiensttolerantie.

  • Afspraak van de zuidelijke gewesten met Holland en Zeeland om de Spaanse troepen te verdrijven

  • Gewetensvrijheid (= men mocht denken wat hij/zij wilde), maar katholicisme bleef de staatsgodsdienst

  • Let op: Fillips was nog steeds koning en het volk was dus ook nog steeds pro Fillips, MAAR het volk was tegen het Spaanse leger.





1578: de Alteratie van Amsterdam




  • Het stadsbestuur van Amsterdam werd protestants

  • Amsterdam had een van de laatste besturen die overgingen

  • Dit gebeurde zo laat, want: Amsterdam was een grote handelsstad, het bestuur dacht dat Fillips de handel zou blokkeren als zij protestants zouden worden

  • Het gebeurde nu wel, want: bijna heel Nederland was eigenlijk protestants geworden

  • Er was nog steeds inquisitie, maar het Spaanse leger had dit niet meer als prioriteit



De pacificatie mislukt




  • Radicale calvinisten grijpen de macht in Gent en veroveren andere steden (Antwerpen, Brugge) à dit kwam doordat de calvinisten het gevoel hadden veel vrijheid te hebben

  • In het zuiden ontstaat steeds grotere angst voor calvinistische overheersing, men was zelfs bereid om vrede te sluiten met Fillips II (wat later ook gebeurde)





1579: Unie van Atrecht en Utrecht




  • Splitsing in het oude rijk

  • De zuidelijke gewesten splitsen zich af in Unie van Atrecht

  • De Unie van Utrecht was een reactie op de Unie van Atrecht, de Unie van Utrecht werd gezien als schuld van Willem van Oranje.

  • Gevolg = 1580: Oranje wordt vogelvrij verklaard (betekende dat hij door iedereen vermoord mocht worden)





1581: Acte van Verlatinghe




  • Amerikaanse grondwet is zelfs gebaseerd op dit document

  • Argument voor het afzetten = vorst zorgt niet goed voor zijn onderdanen (=eigenlijk een verlicht idee à bijzonder want verlichting was pas 200 jaar later)

  • Verlichte ideeën die in het plakkaat stonden:

    • Vorst moest goed zijn volk zorgen (vorst is geen vorst zonder zijn onderdanen)

    • Als de vorst niet goed voor zijn volk zorgde, had het volk het recht om zijn volk af te zetten

    • Volk mocht de nieuwe vorst kiezen à volk wilde dus niet meteen een republiek worden





Gevolg = Staten-Generaal ging op zoek naar nieuwe vorst (dit lukte niet en dus kwam er uiteindelijk toch een republiek)




  • Gevolg staatkundig gezien =







1584: De moord op Oranje




  • Balthazar Gerards is de moordenaar





1585: de val van Antwerpen




  • Spanjaarden gingen Antwerpen veroveren, het is dus een val vanuit Nederlands perspectief want Nederland raakte Antwerpen als handelsstad kwijt

  • Gevolg = de Geuzen sluiten de Schelde af, waardoor er geen handel meer plaats kon vinden en de handelaren vanuit Antwerpen naar Amsterdam toe gingen





1588: de Armada




  • De Spaanse Armada was de Spaanse oorlogsvloot die zowel tegen de Republiek als Engeland moest gaan vechten

  • 2 redenen waarom de Armada niet wint:

    • De schepen moesten contact houden met Parma (de opvolger van Alva en neef van Margaretha van Parma). Het gevolg was dat de geuzen gingen proberen deze communicatie te doen mislukken

    • Armada komt in een storm terecht











1588: het begin van de republiek




  • Er was eerst geprobeerd om een koning aan te wijzen, dit lukt niet en dus gaan ze verder als republiek

  • De republiek werd nog lang niet door alle landen erkend als republiek, bijvoorbeeld nog niet door Engeland





Staatsinrichting:




  • 7 zelfstandige gewesten

  • Gewestelijke staten (wetgeving, rechtspraak, belasting)

  • Staten-Generaal (buitenlandse en militaire republiek en later de VOC en generaliteitslanden)

  • Samenstelling Staten-Generaal vond plaats aan de hand van hoeveel inwoners een gewest had

  • Generaliteitslanden = hebben geen eigen bestuur, worden geplaatst onder het bestuur van het hele land. Dus: geen eigen gewestelijke staten





Financiën:




  • Kosten worden betaald door de gewesten

  • Holland betaalt ruim 80% van de kosten, dus: Holland had veel invloed

  • Beslissingen worden unaniem genomen dus iedereen moest het ermee eens zijn





Belangrijkste functies:




  • Raadspensionaris of landsadvocaat (POLITIEK)

  • Was van Oldenbarnevelt

  • Voorzitter van de gewestelijke staten van Holland

  • Afgevaardigde van Holland in de Staten-Generaal

  • Adviseur van de Hollandse staten

  • Politiek leider van Holland à dingen die hij wil zijn dus vaak goed voor de handel






  • Stadhouder (MILITAIR)

  • Was Mauritz (zoon van Willem van Oranje)

  • Opperbevelhebber van het staatse leger, dus van het leger van de Staten-Generaal

  • In dienst van gewestelijke staten:

    • In theorie: ieder gewest mocht eigen stadhouder kiezen

    • In praktijk: stadhouder was bijna altijd van Holland, andere gewesten kozen meestal die van Holland



  • Meestal een oranje

  • Beide functies hebben elkaar nodig, dus dit zorgt ervoor een spreiding van de machten

  • Stadhouder heeft raadspensionaris nodig want: de stadhouder heeft geld nodig voor zijn leger

  • Raadspensionaris heeft stadhouder nodig want: de raadspensionaris heeft een veilig gebied nodig voor zijn handel





1609 – 1621: twaalfjarig bestand




  • Beide vijanden wilden even rust, gevolg = er ontstonden tegenstellingen in de republiek

  • Raadspensionaris

    • Steunt minder orthodoxe calvinisten (rekkelijken, remonstranten, arminianen)

    • Wil vrede (want handel)

    • Staatsgezind: “Staten-Generaal moet eindverantwoordelijkheid hebben”



  • Stadhouder

    • Steunt orthodoxe calvinisten (preciezen, contrademonstranten, gomaristen)

    • Wil oorlog (want eigen positie)

    • Prinsgezind: “stadhouder moet eindverantwoordelijke zijn”



  • Geloof werd gebruikt als politiek argument

  • Landelijk gaan mensen zich bezig houden over of het land staatsgezind of prinsgezind moet zijn





Conflict tussen beide




  • Staten van Holland vormen eigen leger (onder leiding van de raadspensionaris) om zo zichzelf te beschermen

  • Oldenbarnevelt geeft steden toestemming om soldaten in dienst te nemen (niet alleen gewestelijk leger, maar ook stedelijk)

  • Mauritz arresteert van Oldenbarnevelt

  • Mauritz vervangt de regenten in steden door zijn eigen aanhangers

  • Beschuldigingen à hoogverraad (want hij had de rust in het land verstoord) en landverraad (samenzwering met Spanje)





1619: Johan van Oldenbarnevelt onthoofd





Gouden eeuw in de Republiek



Redenen voor de groei in de Republiek:




  • Na 1576 minder oorlog in Holland en Zeeland (als gevolg van de pacificatie van Gent. Door deze pacificatie was er tijdelijke godsdiensttolerantie om met elkaar de Spaanse soldaten te verdrijven)

  • Moedernegotie

  • Ontbreken feodale traditie

  • Gespecialiseerde en commerciële landbouw (konden ontstaan door de moedernegotie)

  • Val van Antwerpen à kooplieden vluchten naar Antwerpen à handel verplaatst zich à vluchtelingen (oorlog- en geloof-)





1619: Coen verplaatst het bestuurscentrum van de VOC naar Batavia




  • De VOC (1602) werd opgericht om onderlinge concurrentie te laten verdwijnen

  • Burgers konden aandelen kopen in de VOC (het was dus eigenlijk een soort multinational)

  • VOC was zowel de oorzaak als gevolg van de economische bloei van de Republiek. à de handelsbelangen stonden altijd voorop: tolerantie ten opzichte van migranten en gewetensvrijheid in plaats van godsdienstvrijheid

  • In eerste instantie was het een staatsbedrijf (het kreeg de toestemming van de Staten-Generaal) om “heren 17” de VOC op te laten richten

  • Eerst zat het bestuur in Amsterdam en Middelburg, dit bleek lastig te zijn en dus kwam het bestuurscentrum in Batavia te zitten. Gevolg = er kon sneller besloten worden of er: kolonies gesticht konden worden; handelsverdragen gesloten; forten gebouwd; oorlog gevoerd mocht worden

  • Het bedrijf krijgt zo rechten die normaal gesproken alleen door de Staten-Generaal goedgekeurd mochten worden. Het gevolg hiervan is dat de VOC erg rijk wordt.





1639: Bouw van de Portugees-joodse synagoge in Amsterdam




  • Eerste synagoge in Europa die openlijk gebouwd mocht worden





1648: Vrede van Münster




  • 80 jarige oorlog officieel afgelopen

  • Afgesproken dat zuidelijke staten eerst nog bij Spanje bleven, later eigen bestuur en dus bleef het een Republiek

  • Gevolg = Republiek wordt nu pas erkend, door bijv. Engeland en Frankrijk. Het gevolg hiervan is dat andere landen “last” krijgen van de Republiek







1672: Rampjaar




  • De Republiek werd van twee kanten aangevallen: Engeland over zee en Frankrijk over land.

  • Gevolg = verschillende oorlogen werden gevoerd = duur = einde Gouden Eeuw




De verlichting 1700 – 1800




Verlichte (basis)ideeën:




  • Empirisme: elk onderzoek wordt gebaseerd op waarneming, ervaring en experiment.



Dit kun je koppelen aan empirisme in de renaissance: toen werd er onderzoek gedaan, ook gebaseerd op waarneming, maar met als basis de waarnemingen uit de oudheid.



In de verlichting werd ALLES in twijfel getrokken, dus ook vragen als “klopt het wel wat er in de Bijbel staat?”




  • Rationalisme: onderzoek moet gedaan worden op basis van de reden, het verstand. Door kennis zouden problemen opgelost kunnen worden.



Rationalisme in de renaissance: mensen zijn heel vel tegenover de kerk. In de renaissance vond men dat de middeleeuwen een slechte en zwarte periode was.



Rationalisme in de verlichting: men ging kritisch kijken naar de Middeleeuwen, maar op een rationalistische manier.




  • Rationeel optimisme: alle problemen kunnen worden opgelost (mits je je verstand gebruikt). Dit idee kun je zien als de oorzaak dat er nu ook eindelijk actie werd ondernomen, i.p.v. alleen nagedacht over alles

  • Vooruitgangsdenken: de samenleving verbetert en gaat vooruit (men dacht als volgt: “onze kinderen hebben een beter leven dan wij, dankzij nieuwe uitvindingen etc.”)



Men ging geloven in een maakbare samenleving. En nadenken over vragen als: “hoeveel keuze vrijheid heb je zelf en hoeveel bepaalt god?”




  • Gelijkheidsdenken: de mens is van nature gelijk (wordt gelijk geboren). Dit ging alleen over mannen en ging niet over gelijk zijn, maar om gelijk geboren worden






  • Dit zijn basisideeën, dus niet alle filosofen waren het hiermee eens.





Verschillende terreinen waarop de verlichting werd toegepast:



Economie; politiek; godsdienst; sociale verhoudingen






  • Verlichtingsdenkers proberen een ideale samenleving vorm te geven






  • Verschillende ideeën van de verschillende denkers:





Grofweg waren er 2 stromingen:




  • De gematigden: zij zoeken een evenwicht tussen rede en traditie (willen de samenleving langzaam veranderen, maar pas nadat ze eerst goed de “oude” samenleving geanalyseerd hadden)

  • De radicalen: willen de samenleving (radicaal) aanpassen aan universele waarden als gelijkheid, democratie en vrijheid van meningsuiting. Deze universele waarden moesten per definitie voor iedereen ingesteld worden, want iedereen werd hier beter van






  • Begin verlichting: meer gematigd dan radicaal, later meer radicaal en minder gematigd. Gevolg = de opstand

  • Één persoon kan zowel ideeën hebben van beide stromingen, door bijvoorbeeld te vinden dat godsdienst langzaam aangepast moest worden, maar er wel per direct een monarchie afgeschaft moest worden









Imannuel Kant (1724 – 1804)



·       Verlichting is het uittreden van de mens uit zijn onmondigheid, waaraan hij zelf schuldig is (…) “durf te denken”



·       Pleidooi voor onbegrensde vrijheid (van meningstuiting) en het gebruik van eigen verstand. Onbegrensd à radicaal idee



·       Combineert rationalisme en empirisme (kennis is een combinatie van rede en ervaring) = gematigd idee





è Kant was aan de late kant (ha ha ha) in deze periode van verlichting



è Hij wordt nu gezien als hoe wij nu denken over de verlichting



è Kwam uit een bijzondere plek, namelijk wat nu Polen is, dus toen het Duitse rijk



è Iedereen kan Kant zijn ideeën gebruiken, omdat de ideeën nogal vaag waren en iedereen zich ermee kon identificeren





John Locke (1632 – 1704)




  • Tégen het absolutisme (hij was de eerste man die dit was)

  • Ieder mens (radicaal idee) is gelijk en door God geschapen (veelvoorkomend idee). De mens is gelijk geschapen, maar heeft wel andere kansen. Mensen hebben zich te gedragen naar God zijn wil.

  • Regering moet vrijheid van de burgers verdedigen op basis van een grondwet/een contract

  • Godsdiensttolerantie: omdat er niet onderzocht kon worden hoe het precies zat met de verschillende geloven, moest er maar gewoon godsdiensttolerantie komen.






  • (1680) = revolutie in Engeland: ontstaan Parlement

  • Wel tegen absolutisme, niet tegen een koning. Dus hij is voor het systeem wat tijdens zijn leven in Engeland ingevoerd werd.

  • De vorst moet de wil van het volk uitvoeren, maar hij is tegen democratie





Jean-Jacques Rousseau (1712 – 1778)




  • Grondlegger van het idee van volkssoevereiniteit (=de hoogste macht moet bij het volk zelf liggen)

  • Een volksvergadering (parlement) dient in naam van de bevolking haar “algemene wil” uit te voeren

    • De algemene wil = geen universele waarde en moet bekeken worden per situatie

    • Wat het volk wil, hoeft niet perse goed te zijn

    • Eigenlijk zegt hij dat een deel van het volk dom is, want hij vindt dat alleen een bepaald deel van het volk geschikt is voor de volksvergadering

    • Algemene wil moet door hoogopgeleide mensen uitgevoerd worden, want deze mensen kunnen onderscheid maken tussen individuele keuzes en keuzes voor de samenleving







Baruch Spinoza (1632 – 1677)




  • God en de natuur zijn hetzelfde (dus er is een god)

    • Zowel de god als de natuur is zo mooi, dus moeten ze wel hetzelfde zijn = monisme (alles is gemaakt van één ding)



  • De natuur (=god) is rationeel, dus kan het geloof niet in strijd zijn met de rede.

    • Hij vindt dat er onderzoek gedaan moet worden naar God, god en de natuur is hetzelfde en dus kan het bestaan, ook (juist) als je je verstand gebruikt



  • Gebruik van het verstand zorgt ervoor dat je dichter bij God komt (je moet dus niet per definitie (gematigd) uitgaan van wat de kerk/bijbel beweert)

    • Dit was een totaal nieuw idee! Klinkt alsof hij zegt dat het geloof niet goed was, maar hij zei alleen dat er kritisch gekeken moest worden naar het geloof








  • Spinoza werd gezien als ketter

  • Hij was controversieel

  • Was een Nederlander, Joods geboren, leefde in de republiek waar zijn geschriften gecensureerd werden

  • Hij hoorde nergens echt bij





Voltaire (1694 – 1778)




  • Hij was voor vrijheid van denken en godsdienstige tolerantie

  • Hij was zelf antireligieus (=radicaal), hij vond het lastig om het geloof en kennis te combineren

  • Antidemocratisch: een absoluut vorst (=gematigd idee) dient vrijheid van denken te garanderen

  • Deïst: God als natuurwetenschapper (dus niet alleen als schepper). Deïsme à God heeft de wereld geschapen en daarna zijn handen er vanaf getrokken.






  • Hij was goed in ideeën overbrengen, daarom werd hij bijvoorbeeld door vorsten naar het hof geroepen

  • “Je bent vrijer van geest als je niet gelooft”

  • “Het gewone volk is niet in staat een eigen, vrije staat te creëren” à hij was dus niet tegen een democratie!





Montesquieu (1689 – 1755)




  • Trias Politica: scheiding van de rechterlijke, wetgevende en uitvoerende macht

  • Geen democraat (want hij vond dat het gewone volk te dom was)

  • Was fel tegenstander van de slavernij (hij was de enige in deze tijd die aangaf dat alle mensen daadwerkelijk gelijk zijn)






  • Hij was een praktische filosoof

  • Hij leefde in de tijd dat er revoluties aan zaten te komen en zorgde ervoor dat nieuwe staten zijn model in de praktijk konden gaan brengen





Adam Smith (1723 – 1790)




  • Grondlegger van de ‘vrije markt’ (als reactie op het mercantilisme = wanneer de staat (vorst) zich actief bemoeit met de economie)

  • De mens dient in vrijheid te kunnen streven naar economische verbetering

  • Als iedereen zijn economisch eigenbelang nastreeft, resulteert dat in welvaart voor iedereen (de onzichtbare hand)






  • Let op: je kunt hem niet liberalistisch noemen

  • Hij was de enige die iets zei over economische verlichting

  • Kortom: iedereen moet economische vrijheid hebben à iedereen is gelijk à welvaart voor iedereen à gevolg = iedereen nog meer gelijk





Samenlevingen tijdens de verlichting 1650 – 1789




  • Ancien régime

  • Absoluut vorst

  • Standenmaatschappij






  • Kritiek hierop leidde tot de Franse revolutie

  • Niet volledig, want er was kritiek op veel meer dingen











De derde stand




  • Was een gemêleerd gezelschap met verschillende kritiek:

    • Rijke burgers willen invloed op het bestuur (komt voort uit ideeën)

    • Arme burgers willen een beter bestaan (komt voort uit omstandigheden)

    • Boeren willen een eerlijke grondverdeling en willen af van herendiensten (komt voort uit gelijkheid)



  • Gemêleerd:

    • Rijke boeren = hebben eigen grond; pachtboeren; moeten opbrengst inleveren

    • Rijke burgers = generaals in het leger; hoger opgeleiden zoals advocaten

    • Arme burgers = mensen met eigen winkels etc.



  • Tot nu toe alleen nog maar kritiek, maar geen echte actie tot een revolutie





Oorzaken Franse revolutie




  • Door verlichtingsdenken was er kritiek op het bestuur

  • Door de grote uitgaven van de koning (o.a. aan oorlogen) was er een tekort in de staatskas

    • Koning had geen verstand van geld en bleef maar oorlog voeren



  • Er waren verschillende misoogsten geweest (directe aanleiding!!)

    • Maar liefst 4 misoogsten binnen 5 jaar voorafgaand aan de revolutie

    • Mensen hadden honger en kwamen in opstand







Cahiers des doléances (1789)




  • Lodewijk XVI vroeg om ‘klaagbrieven’ van het volk, omdat hij wilde weten wat er onder het volk leefde

  • De mening van de ‘gewone’ Fransman werd gevraagd, maar dit was niet helemaal representatief want maar een klein percentage van de derde stand kon schrijven





De eerste revolutie (1789 – 1791)




  • Koning roept voor het eerst sinds 100 jaar de vergadering van de Staten-Generaal bijeen. Deze vergadering was gericht op het belastingsysteem.



Verdeling vergadering:



Stand 1 à 300 mensen



Stand 2 à 300 mensen



Stand 3 à 600 mensen




  • Gevolg = stand 1 en 2 stemmen nee, stand 3 ja en dus gelijkstand.

  • Gevolg = 3e stand roept de Nationale Vergadering bijeen.

  • Gevolg = koning sluit de vergaderzaal van de burgers af à uiteindelijk bestorming van de Bastille

  • Koning wordt naar Parijs gehaald

  • In 1789 wordt de Verklaring van de Rechten van de mens opgesteld à grondwet die er komt moet hierop gebaseerd zijn

  • In 1791 komt er een nieuwe grondwet:

    • Frankrijk wordt een constitutionele monarchie (koning heeft nog steeds de hoogste macht)

    • Standenmaatschappij wordt afgeschaft (iedereen is burger)

    • Privileges van de adel en geestelijken worden afgeschaft

      • Dit waren destijds radicale veranderingen, maar vergeleken latere beslissingen is het best gematigd










  • Derde stand wil in eerste instantie niet dat er geen koning meer is











Wet Le Chapelier (1791)




  • Wet waarin alle stakingen, gilden en vakbonden worden verboden

  • Vrijheid van ondernemers werd belangrijker dan vrijheid van vereniging en vergadering van arbeiders (dus gunstig voor de bourgeoisie)






  • Revolutionaire regering merkte dat stakingen etc. zorgden voor verslechten van de economie. De regering wilde met deze wet de economische situatie verbeteren.

  • 2 fundamentele rechten van de mens worden tegen elkaar afgewogen. Vrijheid van ondernemers won uiteindelijk.





Proces van ‘burger Capet’ (1792)




  • Lodewijk probeert in 1791 te vluchten, maar wordt opgepakt

  • Hij wordt berecht als burger (dit werd besloten in de nationale vergadering)

  • Hij wordt schuldig bevonden aan hoogverraad en krijgt de doodstraf (januari 1793)






  • Het volk was boos omdat hij als het ware wegvluchtte voor het volk en hun zo in de steek liet

  • Scheiding der machten was niet aanwezig tijdens dit proces





Jacobijnen VS Girondijnen




  • Jacobijnen

    • Radicalen





Willen:




  • De monarchie afschaffen

  • Volksinvloed vergroten

  • Bezit van de gevluchte edelen afpakken (en verdelen over de armen)

  • Revolutie over heel Europa verspreiden

  • Girondijnen:

    • Zijn de gematigde Jacobijnen

    • Staan dus niet lijnrecht tegenover elkaar

    • Willen eerst het eigen land in orde hebben (doen alles veel rustiger aan)








  • Deze twee groepen waren er al best een tijdje, maar eerst hadden zij nog een gezamenlijk vijand (namelijk de koning)





De tweede revolutie (1792 – 1795)




  • Onder leiding van Robespierre

  • De uitkomsten van de eerste revolutie waren voor velen niet radicaal genoeg

  • Frankrijk wordt een republiek (=macht in handen van nationale vergadering)

  • Jacobijnen krijgen de macht in handen

  • Tegenstanders (dus meestal Girondijnen) worden vervolgd en ter dood gebracht (daarom wordt deze periode ook wel “de terreur” genoemd)





Directoire (1795 – 1799)




  • Girondijnen nemen de macht over (werden ook de grootste partij in de nationale vergadering)

  • Schrikbewind wordt beëindigd

  • Nieuwe grondwet die democratie beperkt

  • Parlement met twee kamers (wetgevende macht)

  • Censuskiesrecht (mannen die belasting betalen mogen stemmen)

  • Uitvoerende macht komt in handen van 5 directeuren, benoemd door het Parlement. Zij moeten langzaam het land stabiliseren (als een soort bedrijf) en daarna komen de nieuwe politieke zaken. Vandaar dat de periode ook “directoire” genoemd wordt.





Napoleon (1799 – 1813)




  • Dictator met verlichtingsidealen

  • Grondwet (bood in sommige opzichten meer gelijkheid dan vorige grondwet)

  • Geen standenstaat

  • Burgerlijk wetboek geldt voor iedereen (iedereen die in zijn gebied woont)

  • Alles wat geplunderd werd in een veroverd gebied, werd eerlijk verdeeld onder alle mennen. Gevolg = de mannen in het leger waren erg trouw aan hem

  • Napoleon veroverde Parijs en maakte daarna zichzelf leider





Code Napoleon (1804)




  • Burgerlijk wetboek gebaseerd op het idee dat alle Franse burgers gelijke rechten hadden

  • Ingevoerd in alle veroverde gebieden à dus bijvoorbeeld ook Nederland

  • Het kromme hieraan is dat er wel “de ultieme gelijkheid” ingevoerd werd, maar dat Napoleon wel een dictator was





Congres van Wenen (1815)




  • Geen verplicht voorbeeld, maar wel heel belangrijk

  • Naam van deze periode = restauratie





Rust en stabiliteit in Europa creëren:




  1. Oude vorstenhuizen in ere herstellen (5 grote mogendheden: Frankrijk, Groot-Brittannië, Pruisen, Oostenrijk en Rusland)

  2. Bufferstaten rond Frankrijk (machtsevenwicht) moesten ervoor zorgen dat de macht van Frankrijk niet te groot werd






  • Nederland en België werden samengevoegd tot één land, om samen de macht van Frankrijk te kunnen beperken





Verdrag van Verona (1822)




  • De 5 mogendheden (ook wel het concert van Europa genoemd) komen bijeen om over de onrust in Spanje te praten

  • Franse invasie in Spanje (Groot-Brittannië werkt niet mee). De andere landen steunden Frankrijk wel, op diplomatiek en financieel gebied

  • Verdrag van Verona: is een verdrag dat nooit echt bestaan heeft, maar wat door de Engelse kranten bedacht en gepubliceerd werd. Dit werd overgenomen door alle andere kranten in Europa. Achteraf weten we dat het nooit bestaan heeft. In het zogenaamde verdrag zou hebben gestaan dat Frankrijk, Rusland, Oostenrijk en Pruisen in heel Europa de persvrijheid wilden beëindigen en de macht van de kerk wilden versterken.

  • In dit voorbeeld moet je dus voornamelijk focussen op het effect van het “verdrag” en niet op het daadwerkelijke verdrag zelf, want dat heeft nooit bestaan.





Belgische opstand (1830)




  • Belgen komen in opstand tegen koning Willem I (zoon van de laatste stadhouder)



De opstandelingen vonden dat:




  • De Nederlanders uit het noorden teveel invloed hadden

  • Er minder macht gegeven moest worden aan de koning en meer aan het parlement

  • Ze waren tegen verplicht gebruik van het Nederlands in onderwijs, bestuur en rechtspraak

  • Willem I stuurt legers, wordt niet gesteund door de grote mogendheden en geeft dan op






  • Willem I was de eerste Nederlandse koning, maar niet de eerste koning in Nederland, dit was namelijk de broer van Napoleon.







Reactie op de Restauratie




  • Nieuwe stromingen geloven in de maakbaarheid van de samenleving

  • De stromingen horen eigenlijk bij het KA uit TV8





Liberalisme:




  • Individuele vrijheden

  • Weinig overheidsbemoeienis

  • Opkomen voor de burgerij





Socialisme:




  • Gelijkheid

  • Overheid is verantwoordelijk om gelijkheid te creëren

  • Opkomen voor arbeiders (klassenstrijd)






  • De nieuwe ideologieën komen voort uit ideeën die in de verlichting ontstonden, maar gaan nog een stapje verder

  • Je moet het dus niet hebben over het liberalisme in de verlichting, want dit ontstond pas na de verlichting





Nationalisme:




  • Er kwam steeds meer aandacht voor eenheid onder de burgers, door bijvoorbeeld taal, cultuur en geschiedenis

  • Natiestaat werd een doel voor machthebbers

  • Het liberalisme kun je koppelen aan het nationalisme, want liberalen waren vaak ook nationalistisch






  • Je moet deze stromingen in deze tijd zien. De stromingen bestaan tegenwoordig natuurlijk nog steeds, maar hadden destijds andere basisideeën dan nu.





Frankfurter parlement (1848)




  • Liberale revoluties eisen één Duitse staat met een grondwet, burgerlijke vrijheden en macht voor het parlement

  • Na revolutie komt er een nieuw parlement, maar de vorsten hadden hun macht alweer teruggepakt. Het parlement werd met geweld uiteengejaagd.






  • 1848 was hét revolutiejaar in heel Europa

  • Ondanks dat het parlement uiteengejaagd wordt en er weer vorsten aan de macht kwamen, bleven de liberale ideeën bestaan





Tijdvak 8 – de tijd van burgers en stoommachines




1800 - 1900



Vroegmoderne tijd






KA31 = De industriële revolutie die in de Westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving





Oorzaken industriële revolutie:




  • Efficiëntere landbouw door nieuwe uitvindingen (=landbouwrevolutie)

  • Bevolkingsgroei (want kindersterfte wordt minder)

  • Nieuwe uitvindingen verhogen productiviteit in huisnijverheid (eerste industrie vindt dus plaats in de huisnijverheid)

  • Deze machines worden ‘in het groot’ opgezet in fabrieken (eerst aan water) àbooming steden dus aan het water!

  • Uitvindingen volgen elkaar in hoog tempo op





Gevolgen industriële revolutie:




  • Urbanisatie

  • Aanleg en verbetering transportnetwerk (=transportrevolutie)

  • Modern imperialisme (want teveel aanbod, gevolg = niet alleen handel eigen land meer)

  • Slechte omstandigheden arbeiders (sociale kwestie)

  • Ontstaan nieuwe –ismes





Ontstaan industriële samenleving:




  • Urbanisatie

  • Ontstaan homogene arbeidersklasse

  • Ontstaan bourgeoisie (=fabrieksdirecteuren)

  • Grootste gedeelte bevolking werkt in de fabrieken





KA32 = Discussies over de sociale kwestie




  • Gaat specifiek erover dat het probleem erkend wordt door de bourgeoisie (voorbeeld = doctoren en architecten)






  • De omstandigheden van de arbeiders wordt wat betreft wonen en werken steeds slechter

  • De groep liberale burgers probeert hier iets aan te doen





KA33 = De opkomst van emancipatiebewegingen





Opkomen voor rechten/gelijkheid van drie groepen:




  • Arbeiders (socialisme)

  • Vrouwen (feminisme) à politieke gelijkheid (stemmen)

  • Katholieken (confessionalisme) à deze groep is specifiek voor Nederland, wat het protestantisme was de staatsgodsdienst





KA34 = Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politiek proces




  • Steeds modernere ideeën over wie mag deelnemen aan het politieke proces:

    • Grondwet 1848

    • Algemeen mannenkiesrecht 1917

    • Algemeen vrouwenkiesrecht 1919

    • Eigenlijk het verkeerde tijdvak dus



  • Na het invoeren van de grondwet had nog lang niet iedereen invloed want:

    • Censuskiesrecht

    • Districtenstelsel à grootste partijen hadden vrijwel overal de macht: “the winner takes itall”







KA35 = De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme, feminisme (conservatisme er niet tussen, maar wel weten!)





Liberalisme




  • Vrijheid: individu voorop

  • Economische vrijheid (weinig overheidsbemoeienis)

  • Grondwet moet macht koning beperken en burgerrechten garanderen





Doelgroep = rijke burgers





Nationalisme (positief!)




  • Volkeren hebben recht op een eigen staat, een natiestaat

  • Volk is verbonden door cultuur, taal en geschiedenis





Doelgroep = rijke burgerij (liberalen)



            Nationalisten waren vaak liberaal, liberalen waren niet altijd nationalistisch





Socialisme




  • Gelijkheid in macht en inkomen (overheid moest hiervoor zorgen)

  • Opkomen voor de onderdrukten/zwakkeren in de samenleving (=destijds allen arbeiders)





Doelgroep = arbeiders







Confessionalisme




  • Volwaardige positie in de samenleving voor (strenggelovige) christenen

  • Staat moet volgens de normen en waarden van het geloof geleid worden (=bijv. gezin etc.)

  • Bijzonder onderwijs





Doelgroep = katholieken en protestanten



Tegen elkaar, maar samen in bijvoorbeeld de schoolstrijd (1917)





Conservatisme




  • De oude orde moet gehandhaafd blijven (soms teruggedraaid)

  • Vrijheid en gelijkheid zijn gevaarlijk

  • Historisch gegroeide instellingen als de kerk, adel en koning moeten de macht hebben (vanwege ervaring)





Doelgroep = oude machthebbers



            Soms is een liberaal ook conservatistisch, goed kijken naar de tijd dus!





Feminisme




  • Gelijkheid tussen mannen en vrouwen

  • 1e golf (19e eeuw) à onderwijs en kiesrecht

  • 2e golf (jaren 60-70) à werk, economische vrijheid en seksuele vrijheid

  • 3e golf (jaren 90) à financiële vrijheid, keuzevrijheid



Doelgroep = vrouwen







KA36 = De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie




  • Het politiek en economisch overheersen van de kolonies





Oorzaken:




  • Industriële revolutie (grondstoffen, nodig voor de industrie; afzetmarkten, aanbodoverschot)

  • Nationalisme (Europese landen wilden hun goeie manieren overbrengen op de kolonies)

  • Concurrentie tussen Europese landen onderling






  • Tot nu toe waren er voornamelijk kolonies op economisch vlak, maar nu ook meer politiek gezien






Tijdvak 9 – de tijd van wereldoorlogen



1900 - 1950



Moderne tijd








KA36 = Het voeren van twee wereldoorlogen





Oorzaken van de Eerste Wereldoorlog




  • Nationalisme

  • Militarisme

  • Bondgenootschappen

  • Wapenwedloop

  • Modern imperialisme






  1. Nationalisme

  2. Meer macht dan de ander

  3. Angst voor de ander

  4. Beter zijn dan de ander (wraak)





Frans-Duitse oorlog (1870-1871)



            à vredesverdrag in Versailles



            à uitroepen Duitse keizerrijk





Oostenrijk-Hongarije bestond in de tijd van WO I uit meer dan 200 nationaliteiten. Er was hierdoor nationalisme in het land zelf. De leider,  Franz-Joseph, zorgt ervoor dat de mensen uit O-H een grotere hekel krijgen aan de Fransen dan aan elkaar. Zo creëert hij als het ware nationalisme, de mensen voelen zich meer verbonden door een gezamenlijke vijand.






  1. Militarisme

  2. Verheerlijking van alles wat met het leger te maken heeft.

  3. Grote rol van het leger in de samenleving.






  1. Bondgenootschappen



Deze bondgenootschappen waren voor de oorlog al gesloten met als doel het bevorderen van de veiligheid.





In de WO I waren er de;




  • Geallieerden:                          Frankrijk          Groot-Brittannië            Rusland

  • Centralen/Asmogendheden:  Duitsland         Oostenrijk-Hongarije








  1. Wapenwedloop



De wapenwedloop leidt tot een heftige oorlog. Was deze wedloop er niet geweest, dan was het misschien wel heel anders geweest qua vernietiging.






  • Wapens (door dreiging van andere landen begon het maken/kopen van wapens, alleen doordat iedereen dit ging doen zorgde het niet voor veiligheid maar voor explosiviteit)

  • Vlootwapenwedloop tussen Groot-Brittannië en Duitsland.






  1. Modern imperialisme



= verovering van andermans gebied.





Aanleiding van de oorlog



De moord op Franz-Ferdinand door een Serviër (Prinzip).





Alfred vonSchliefen had in 1904 het ‘Von Schliefenplan’ bedacht. Duitsland had namelijk een probleem, het was aan beide kanten door vijanden omringd.





Bij het Von Schliefenplan nam Duitsland aan dat Rusland langer nodig had om te mobiliseren (= leger klaarmaken voor een oorlog) dan Frankrijk. Duitsland zou daarom in drie weken tijd proberen Frankrijk (= Parijs) te veroveren via Nederland en België.  Bij België werd Duitsland echter niet toegelaten waardoor Engeland ook uiteindelijk, via een afspraak en bondgenootschap, de oorlog aan Duitsland verklaarde.





Het sneeuwbaleffect




  • 6 juli: Berlijn geeft Wenen een Blanco Cheque: Duitsland zal Wenen steunen als Rusland O-H de oorlog verklaart.

  • 23 juli: Juli-Ultimatum: Servië moet Oostenrijkse politieagenten toelaten om de moord op Franz Ferdinand en de Servische rol hierin te onderzoeken. Servië weigert dit en begint een gedeeltelijke mobilisatie, ook O-H mobiliseert.

  • 25 juli: Rusland besluit Servië militair te steunen. Diplomatieke stappen mislukken.

  • 28 juli: O-H verklaart de oorlog aan Servië.

  • 30 juli: Algehele mobilisatie O-H. Hierna besloot Rusland tot de algehele mobilisatie.

  • 1 augustus: Duitsland verklaart de oorlog aan Rusland.

  • 3 augustus: Frankrijk mobiliseert. Duitsland verklaart Frankrijk de oorlog. Het Von Schlieffenplan treedt in werking.

  • 4 augustus: Duitsland trekt België binnen, na een Belgische weigering op het verzoek van Duitsland om de Duitse troepen vrije doortocht te verlenen.

  • Engeland verklaart hierop Duitsland de oorlog, omdat België al sinds 1830 neutraal was en Engeland zou ingrijpen als die neutraliteit werd gebroken.





Mobilisatie




  • Positieve sfeer: mensen boden zich vrijwillig aan voor het leger






  • Tijdens de oorlog was verdedigen steeds makkelijker dan aanvallen (vanwege de loopgraven) = een statische oorlog





Grote slagen:




  • Ieper (april 1915)

  • Somme (juni-nov 1915)

  • Verdun (feb-aug 1916)






  • De effecten van deze slagen waren minimaal, want er werd maar heel weinig gebied veroverd







Keerpunt 1917:




  1. Rusland valt uit

    • Russische revolutie, Rusland wordt communistisch en sluit een vredesovereenkomst met Duitsland, onder Duitse voorwaarden

    • Gevolg = geen twee-fronten oorlog meer en veel land voor Duitsland



  2. De VS doen mee

    • ‘Verse’ soldaten met goede wapens maken het verschil aan geallieerde zijde

    • Oorzaak voor het meedoen = een Duitse duikboot haalde een Amerikaans burgerschip neer

    • Gevolg = op militair gebied verloor Duitsland steeds meer

    • Uiteindelijke gevolg voor einde oorlog = Binnenlandse problemen







Oorlog is voorbij:




  • De Duitse keizer vlucht en een nieuwe regering tekent de wapenstilstand

  • Duitsland wordt schuldig verklaard (=Vrede van Versailles)

    • Leger mocht niet groter zijn dan 100.000 man

    • Ze moesten herstelbetalingen doen

    • 1/3 van het gebied inleveren



  • Veel doden en gewonden





Tweede Wereldoorlog





KA37 = De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie






  • Propaganda = reclame voor een bepaald idee

  • Communicatiemiddelen = kranten, radio, bioscoopjournaals, posters etc.

  • Massaorganisatie = de massa komt in beweging

    1. Mensen komen in opstand

    2. Verplichte organisaties zoals hitlerjugend







KA38 = Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogsvoering






  • Nieuwe wapens uit WO1: magazijngeweer, vliegtuigen, machinegeweer, tanks (artillerie)






  • Nieuwe wapens uit WO2:bombardementen en atoombommen



Gevolg = gewone burgers kunnen geraakt worden door nieuwe wapens, ook doen er steeds meer burgers mee (bijvoorbeeld de vrouwen in de fabrieken)





KA39 = De crisis van het wereldkapitalisme





2 crises:



1 = Duitsland 1923 en 1929 (komt verder in HC)



2 = VS 1929





VS in de jaren 20:




  • Voorspoed (want er was geen oorlog geweest)

  • Consumptiemaatschappij (veel export naar de EU)

  • Veel meer vrije tijd à effect = meer geld uitgeven aan bijvoorbeeld theater

  • ‘Roaring twenties’








  • De beurskrach



24 oktober 1929 stortte de Amerikaanse beurs in




  • Veel Amerikanen kochten aandelen met geleend geld

  • De prijzen van de aandelen stegen hierdoor steeds meer

  • Zwarte donderdag: de aandelen daalden

  • Veel mensen verkochten hun aandelen (met verlies)

  • Banken hadden geen geld meer

  • Bedrijven hadden geen geld meer

  • Werknemers werden ontslagen






  • Gevolg = wereldcrisis

    • De crisis sloeg over naar andere landen

    • De beurskrach werd een langdurige depressie

    • President Hoover deed niks (theorie van Adam Smith)

    • Ontstaan zogenoemde Hoover fields (sloppenwijken)







1923: Franklin Delane Roosevelt




  • New Deal: overheid stak veel geld in: banken; hypotheken; industrie & landbouw; werkverschaffingsprojecten

    • Roosevelt heeft veel moeite gedaan om deze projecten door het congres te krijgen







KA40 = Het in de praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaal-socialisme



Een totalitaire staat = staat die invloed heeft op het privéleven van de burger (denken en doen wordt bepaald)





























Het communisme



Fascisme:



Nationaal-socialisme:




  • Karl Marx.

  • Alle ellende waarin de mensen leefden werd veroorzaakt door het kapitalistisch systeem.

  • Er waren twee bevolkingsgroepen: de bourgeoisie(fabrieksdirecteuren) en het proletariaat (de arbeiders). De verschillen in rijkdom tussen deze twee groepen werden steeds groter.

  • De bezitters van de productiemiddelen ( fabrieken, machines en grond) en kapitaal moesten volgens Marx daarvan beroofd worden. Dit kon alleen maar door een klassenstrijd of revolutie.

  • Pas als het kapitalisme was vernietigd en de productiemiddelen gemeenschappelijk bezit waren zou er een echte menselijke samenleving ontstaan.

  • Omdat de kapitalisten niet vrijwillig afstand zouden doen zou men moeten worden gedwongen door middel van de dictatuur van het proletariaat (de overgangsfase) om uiteindelijk een maatschappij te krijgen waarin alle productiemiddelen in handen zijn van iedereen.




  • Het fascisme is negatief: nadruk op waar fascisten tegen zijn

  • Het belang van de eigen groep wordt vooropgesteld

  • Het fascisme is ultra-nationalistisch

  • Het fascisme wil een corporatieve staat

  • De mensen zijn niet gelijk, ‘hogeren’ moeten het volk leiden

  • Aan het hoofd staat één Leider

  • De fascistische partij beheerst alle uitingen van cultuur

  • Het verstand is ondergeschikt aan het gevoel

  • Het fascisme verheerlijkt de daad

  • Vrouwen: veel kinderen voortbrengen en voor hun gezin zorgen






  • Alle kenmerken fascisme

  • De rassenleer:

    • Eén hoogwaardig ras: het ‘Arische’ ras.

    • Minderwaardige rassen: de Slaven en gekleurde bevolking in de niet-westerse wereld.

    • Verderfelijke rassen: zigeuners en vooral de Joden.



  • Antisemitisme





Rusland:



Italië:



Duitsland:




  • Februarirevolutie: tsaar afgezet, tijdelijke regering

  • Oktoberrevolutie: tijdelijke regering afgezet, communisten aan de macht

  • Kolchozen, vijfjarenplannen



Na mars op Rome werd Italië fascistisch :




  • Totalitaire staat

  • Gebruik propaganda






  • 1923: Bierkellerputsch (NSDAP probeert de macht te grijpen, Hitler gaat naar de gevangenis)

  • Mein kampf

  • 1932: NSDAP grootste partij (37%)

  • 1933: Rijkskanselier

  • 1933: Machtigingswet: Hitler kreeg 4 Jaar lang alle macht






KA41 = De Duitse bezetting van Nederland





Mei 1940




  • 10 mei 1940: aanval op Nederland als onderdeel van de Blitzkrieg op West-Europa

  • 14 mei 1940: bombardementen op Rotterdam

  • 15 mei 1940: Nederland capituleert

    • Koningin en regering vluchten naar Engeland (gevolg = veel kritiek volk hierop)

    • Achtergebleven bestuurders hebben opdracht ‘in belang van het volk’ met de ‘nieuwe gezagsdragers’ samen te werken







Blitzkrieg = met vliegtuigen en bombardementen verwarring zaaien, daarna met tanks en jeeps het land binnen trekken





Eerste fase:




  • Weinig nieuwe regels, dus vandaar accommodatie

  • NSB werd door de NSDAP niet erg serieus genomen

  • Ook collaboratie voor geld: joden verraden





Februaristaking 1941




  • Georganiseerd door communisten (in die tijd best populair)

  • Bijzonder = enige grootschalige demonstratie door niet-joden in West-Europa

  • Gevolg = Duitsers onderdrukken staking met geweld





Tweede fase:




  • Duitsers treden harder op:

    • Verplichte tewerkstelling mannen in Duitsland

    • Steeds meer schaarste aan goederen wegens inleveringen aan Duitsland

    • Gevolg = (lichte) groei van verzet à veel mensen duiken onder









Laatste fase: 1944 - 1945




  • Na invasie in Normandië (juni 1944) en slag bij Arnhem (september 1944) komt Nederland in de frontlinie te liggen:

    • Gevolg: grote delen Zeeland, Limburg en rivierengebied lijden onder oorlogsgeweld

    • Noord-Nederland blijft bezet:

      • Wegens spoorwegstaking (uitgeroepen door regering in Londen) grote schaarste aan voedsel en brandstof

      • Gevolg: Hongerwinter: tienduizenden slachtoffers, vooral in de steden










  • Mei 1945:

    • Bevrijding van Noorden en Westen van Nederland door Canadezen en Engelsen

    • 5 mei 1945: capitulatie Duitse leger in Nederland







KA42 = racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden





Discriminatie en isolatie




  • Vanaf 1933: anti-Joodse propaganda

  • Vanaf 1933: isolatie neemt toe:

    • Ambtenaren ontslagen

    • Joden geen toegang meer tot openbare gelegenheden







1935: Neurenberger wetten




  1. Burgerschapswet

  2. Wet ter Bescherming van het Duitse Bloed en de Duitse Eer

  3. Wet ter Bescherming van de Genetische Gezondheid








  • Kristallnacht: de nacht van 9-10 november 1938

  • 1939: invoering Jodenster

  • 1939 – 1941: moordcommando’s in Oost-Europa (Babi Yar)

  • 1942: wannsee-conferentie à endlösing: definitieve oplossing voor het jodenvraagstuk: “heel Europa Jodenvrij”





KA43 = vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme



Steeds meer Aziatische landen verzetten zich tegen de overheersing van Europa. Bijvoorbeeld Indonesië (Soekarno).





Veranderingen in de koloniën door kolonisatie



Economische veranderingen:




  • Betere verbindingen

  • Uitwisseling van producten

  • Ontstaan delfstoffenindustrie

  • Verplicht werken voor koloniale overheerser





Sociale veranderingen:




  • Groei van steden (aantal en omvang)

  • Samenstelling bevolking verandert (Amerika)



Godsdienstige veranderingen:




  • Verspreiding christendom (met wisselend succes)





Politieke veranderingen:




  • Oorspronkelijke bewoners raken macht kwijt

  • Van factorij naar imperialisme

  • Volken worden door Europeanen bestuurd






Tijdvak 10 – de tijd van televisie en computers



1950 - nu



Moderne tijd






Hegemonie: (=overheersing)



TV8 = modern imperialisme



TV9 = meer verzet tegen westerse overheersing



TV10 = dekolonisatie





In deze tijd vooral Azië!





KA44 = De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld





Oorzaken dekolonisatie




  • Opkomend nationalisme

    • Elk volk heeft recht op een eigen staat

    • KA uit TV8 à ontstaan stromingen



  • Interne oorzaken

    • Onderwijs (zowel westers als in eigen cultuur) à men leerde over waarden zoals vrijheid en leerde over de Nederlandse topografie

    • Onderdrukking (meer politiek en economisch gezien)

    • Ongelijkwaardige behandeling



  • Externe oorzaken (waarom nu wel en eerst niet?)

    • WO2 à in de chaos die er in het land was pakten de Indonesiërs hun kans en probeerden de macht te krijgen

    • Koude oorlog:

      • De moederlanden waren bang dat als zij hun kolonie los zouden laten, de kolonie voor de vijand zouden kiezen

      • Twee grootmachten waren tegen kolonies want:







VS à was zelf kolonie geweest



SU à was vóór gelijkheid





KA45 = de verdeling van de wereld in twee ideologische blokken die in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog




  • Zie HC Koude oorlog





KA46 = de eenwording van Europa




  • EGKS (=Europese gemeenschap voor kolen en staal)

    • Opgericht in 1951

    • Benelux, Frankrijk, Italië en west-Duitsland waren lid

    • Doelen:

      1. Beheren van gemeenschappelijke kolen- en staalproductie (à wederopbouw na de oorlog)

      2. Voorkomen van oorlog door samenwerking

      3. Voorkomen van bewapening van de ander (Duitsland) doordat er controle was





  • EEG (=Europese economische gemeenschap)

    • 1957:

      1. Verdrag van Rome (goederen en diensten in verschillende lidstaten werken samen)

      2. Oprichting euratom (ontwikkeling van atoomenergie voor vreedzame doeleinden)



    • 1967: EGKS + euratom + EEG = EG

    • 1992: EG = EU (verdrag van Maastricht)

    • 1995: Verdrag van Schengen: vrij verkeer van mensen en goederen tussen lidstaten











KA47 = De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren 1960 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen




  • Enige KA met jaartal erin!





Na WO2:




  • Wederopbouw (jaren ’50)

    • Loonmatiging à vooral in Nederland: arbeiders kregen laag loon

    • Marshallhulp (lening) à VS wilde een goede naam kweken (en de landen aan de kapitalistische kant houden), ook wilden zij de handel weer opvoeren



  • Welvaartstijging (jaren ’60)



1960 = loonexplosie




  • Koopkracht arbeiders stijgt

  • Consumptiemaatschappij





Gevolg = sociaal-culturele veranderingsprocessen (doordat mensen geld en tijd hadden)




  • Secularisering: mensen gingen steeds minder naar de kerk

  • Individualisering

  • Jongerenculturen

  • Protestgeneratie: generatie kinderen van mensen die de oorlog meegemaakt hadden





KA48 = de ontwikkeling van multiculturele en pluriforme samenlevingen




  • Pluriforme samenleving:

    • maatschappij die is opgebouwd uit een veelheid van groepen



  • Multiculturele samenleving:

    • maatschappij waarin groepen mensen leven met een diversiteit aan achtergronden







Oorzaken multiculturele samenleving:




  • Gastarbeiders (welvaart jaren 60)

  • Gezinshereniging

  • Dekolonisatie

  • Oorlogsvluchtelingen




























Historische context: Duitsland






§1 - Het Duitse keizerrijk (1871 – 1919)




  • Ottomaanse rijk nog steeds een van de grootmachten, deze verdween pas na WO1





Ontstaan keizerrijk




  • Diverse staatjes

  • Keurvorsten

  • Koning Wilhelm (van Pruisen) ging samen met Von Bismarck campagne voeren voor één keizerrijk





Pruisen was een grootmacht geworden




  • Militair

    • Pruisisch leger (erg gedisciplineerd + er was veel geld beschikbaar)



  • Economisch (denken in kader van de industriële revolutie!)

    • Bevolkingsgroei

    • Snellere industrialisatie, wet van de stimulerende achterstand: Pruisen was veel later begonnen met industrialiseren, waardoor ze de ‘goede dingen’ konden kopiëren en geen fouten meer hoefden te maken



  • Politiek

    • Waardige tegenstander van het dominante Frankrijk








  • Opkomst van het Duitse nationalisme: gericht op mensen die één staat willen

  • Von Bismarck verenigt de Duitse staten in een oorlog tegen Frankrijk (1870-1871)

  • Frankrijk wordt verslagen en Duitsland roept het keizerrijk uit

































Duitsland onder Wilhelm 1 (1871 – 1888)



Duitsland onder Wilhelm II (1888 – 1918)




  • Wilhelm 1 (Pruisen) werd keizer, Otto von Bismarck werd rijkskanselier



1890: Bismarck wordt ontslagen






  • Alliantiepolitiek




  • Weltpolitiek (als gevolg van opkomend nationalisme)




  • Sterke omringende mogendheden te vriend houden

  • Machtsevenwicht in Europa bewaren

  • Allianties sluiten om vrede of neutraliteit te bewaren

  • Niet gericht op kolonies (want hier was Duitsland nog niet klaar voor)




  • Wilhelm II wilde Duitsland met meer macht en aanzien

  • Duitsland verdiende een imperium met kolonies

  • Hiervoor was een sterke vloot nodig = directe aanval op Engeland = wapenwedloop



Mogelijk = verschillende afspraken met verschillende landen op verschillende gebieden





Conferentie van Berlijn (1884 – 1885)



Tip: plaatsen in het licht van de alliantiepolitiek, want er werd een oorlog voorkomen





Na een conflict over Congo werden alle grote mogendheden uitgenodigd en werden in Berlijn allerlei afspraken over Afrika gemaakt



Vlootwet (1898)



Er kwam 408 miljoen mark beschikbaar voor: 19 slagschepen; 8 pantserschepen; 12 zware kruisers; 30 lichte kruisers.



Tip: dit moet je koppelen aan de industrialisatie en eerste wereldoorlog












 


 


 


De tijd vóór WO1:





  • Weltpolitiek blijkt geen succes, Duitsland focust meer op Europa à omdat ze geen kolonies hadden, wat ze wel wilden

    • Duitsland wilde een groot rijk op het Europese continent zelf



  • Militarisme in Duitsland groeit

  • Wapenwedloop met Groot-Brittannië

  • Andere landen sluiten anti-Duitse bondgenootschappen (bijv. Rusland, Engeland en Frankrijk)

  • Oorlog is eigenlijk onvermijdelijk!





Duitsland in WO1:




  • Von Schlieffenplan. Doel = twee frontenoorlog voorkomen (mislukte)

  • Mislukte want: niet verwachte tegenslag in België

  • Op het moment dat Duitsland België aanviel, moest Engeland de oorlog verklaren aan Duitsland vanwege een oud verdrag met België





Slag bij de Marne (1914)




  • Overgang Von Schlieffenplan in loopgravenoorlog






  • Eerste grote veldslag ten oosten van Parijs

  • In een week een half miljoen doden en gewonden (à erg vernietigend vanwege industriële revolutie)

  • Geallieerden stoppen het Duitse offensief, waarna de loopgravenoorlog start





Einde van WO1:




  • Totale oorlog (nog maar weinig normale fabrieken) en Britse vloot (Engelse sluiten Duitse havens af) leidden tot voedseltekorten

  • De onvrede onder Duitse burgers groeit

  • In 1918 muiten (oftewel staken) Duitse matrozen, arbeiders sluiten zich aan bij de matrozen

  • Op 9 november wordt de Duitse republiek uitgeroepen, keizer vlucht naar Nederland en er wordt een wapenstilstand ondertekend





§2 - Republiek van Weimar (1919 – 1933)




  • De rijkskanselier is de leider van de Rijksdag

  • De Rijkspresident heeft de belangrijkste politieke functie, hij wordt direct gekozen door het volk (voor 7 jaar)






  • Elbert was een sociaal democraat, de sociaal democraten waren in het begin de grootste partij

  • Von Hindenburg was een oorlogsveteraan, hoorde niet bij één groep, maar had natuurlijk wel zijn ideeën. Hij kan als conservatief benoemd worden.






  • Conservatieven

    • Terug naar oude staatsvorm, oftewel het keizerrijk

    • Waren een gemêleerd gezelschap



  • Communisten

    • In tegenstelling tot sociaal democraten gingen zij proberen gelijkheid te creëren met geweld

    • Er was net een Russische revolutie geweest, waardoor het communisme een grote groep was, ook in Duitsland



  • Extreemrechtse

    • Probleem = groepen waren niet homogeen, het waren allemaal kleine groepjes

    • Deze groepjes konden dus nooit de meerderheid krijgen





Spartakusopstand (1919)




  • Communistische opstand: Duitsland moest er meer uit gaan zien als de Sovjet Unie

  • Gevolg = rellen

  • Vrijkorpsen (knokploegen) vooral bestaande uit extreemrechtse mensen, gaan vechten tegen de communisten

  • Karl en Rosa waren de twee belangrijkste mensen in de opstand en zijn vermoord





Problemen na Versailles:




  • Als gevolg van een maximum aantal soldaten waren veel mensen werkloos

  • Dolkstootlegende

    • In eerste instantie kregen de socialisten en communisten de schuld van het verdrag van Versailles, omdat zij degene waren die dit getekend hadden

    • Later kregen de Joden overal de schuld van, omdat toen Hitler aan de macht was



  • Er ontstond nog meer onenigheid tussen stromingen

  • Coalities waren bijna niet meer mogelijk

  • Er waren economische problemen door de herstelbetalingen





Oftewel: zowal sociaal, politiek en economisch gezien ging het heel slecht met Duitsland





Economische crisis (1923)




  • België en Frankrijk bezetten het Ruhrgebied wegens uitblijven van betalingen. (Het Ruhrgebied is Duitsland industriële hart). Amerika was hierop tegen.

  • Duitse regering roept op tot staking (in eerste instantie van het personeel in het Ruhrgebied) en laat geld bijdrukken

  • Gevolg = inflatie en enorme werkloosheid

  • Regering staakt verzet, dit leidt tot woede bij extreemrechts (Bierkellerputsch)





Dawesplan (1924)




  • Amerikaans plan was om Duitsland geld te lenen om:

    • De economie te verbeteren

    • De herstelbetalingen te kunnen doen



  • Effect = Frankrijk en Engeland konden Amerikaanse leningen weer afbetalen uit WO1 (voor hun wapens) en de Duitse economie verbeterde





Economische crisis (1929)




  • Economische crisis wordt mondiale crisis

  • Duitsland kan geen geld meer lenen

  • Duitse economie stort (weer) in

    • Werkloosheid

    • Politieke besluiteloosheid

    • Hitler wordt populair (één van de oorzaken van WO2)







Hitler komt aan de macht




  • NSDAP werd een massapartij

  • Verkiezingen:

    • 1930: 18,3%

    • 1932: 37,3%

    • Er waren destijds zoveel verkiezingen omdat ze hoopten op een stabiel parlement

    • De verkiezingen die gehouden werden waren in principe legaal, er waren wel knokploegen bij de verkiezingen aanwezig



  • 30 januari 1933 à Hitler wordt rijkskanselier (benoemd door Von Hindenburg)

  • Von Hindenburg was rijkspresident, overleed plotseling en toen nam Hitler zijn functie over. Hitler had dus dubbele functies.





Rijksdagbrand (1933)




  • Vlak voor de verkiezingen werd de Rijksdag in brand gestoken door Marinus van der Lubbe (waarschijnlijk)

  • Noodverordening: vrijheid van meningsuiting en vergadering werd opgeschort

  • Communisten opgepakt + hun partij werd verboden, ook werden communistische kranten verboden

  • NSDAP: 43,9% van de stemmen à bijna een meerderheid. Dit kwam o.a. doordat het aantal zetels was veranderd, door het wegvallen van de communistische partij.





Machtigingswet (23 maart 1933)




  • Er werden nieuwe verkiezingen gehouden over de vraag of de Rijkskanselier ook buiten het parlement om mocht opereren

  • Deze wet werd aangenomen met 2/3 deel van de meerderheid

  • Dit kwam doordat de communisten afwezig waren en dus automatisch positief stemden en de conservatieven voor stemden.





§3 – Nazi-Duitsland (1933 – 1945)




  • Totalitaire staat = een staat waarin de regering probeert het volk te indoctrineren

  • Nazificeren = het opdringen van de nationaalsocialistische ideeën





Volgens het boek zijn er 3 oorzaken voor de nazificatie:






  1. Terreur (tijdens de oorlog)



Terreur wordt niet meer door groepen uitgevoerd, maar door de staat zelf = erg beangstigend voor het volk



Terreur op 3 manieren:




  • De SA

  • De SS

  • Concentratiekampen






  • SA = leger van de NSDAP

  • SS = privé leger van Hitler (te herkennen aan de s’en die op bliksemschichten lijken)

  • Gestapo = geheime leger

  • Wehrmacht = gewone leger





SA had een eigen leider, die werd te populair, gevolg = “nacht van de lange messen”: SS’ers hebben, op bevel van Hitler, SA soldaten vermoord.



Gevolg = SS wordt de belangrijkste groep.





Vanaf daadwerkelijk vechten veranderen de taken:




  • Wehrmacht à land veroveren

  • SS à reist achter de wehrmacht aan, om dorpen over te nemen nadat deze veroverd zijn

  • SA à ?





In de praktijk: het is onduidelijk wie bevel heeft over wie






  1. Propaganda

  2. Censuur





Ingebruikname concentratiekamp Dachau (1933)




  • Eerste kamp wat in gebruik genomen werd

  • Voor politieke tegenstanders: dus niet joden!!

  • Werkkamp

  • Doel = mensen zo hard laten werken totdat ze weer “goed” gingen denken



Instelling Rijkscultuurkamer (1933)



Nazificatie van de samenleving:



Stap 1 = iedereen hetzelfde laten denken



Stap 2 = iedereen hetzelfde laten zijn






  • Volksgemeinschaft à het creëren van een volk wat bestaat uit één “soort mensen”, in dit geval natuurlijk de Ariërs

  • Rassentheorie:



1 – Ubermenschen (mensen met Duits bloed)



2 – Untermenschen (Oost-Europeanen, Afrikanen etc.)



3 – Verderfelijken (Joden, zigeuners, tweelingen etc.)





Het bepalen van de rassentheorie




  • Jodendom: “als jouw moeder Jood is, ben jij dat ook” = het is een geloof

  • Nazi’s: “Je bent een Jood als jouw ouders dat zijn” = het is een ras





Neurenberger wetten (1935)




  • Ingevoerd door Hitler als rijkskanselier d.m.v. de machtigingswet









3 onderdelen:




  1. Burgerschapswet = ‘wie mag er een Duits burger zijn?’ (dit is weer het idee van volksgemeinschaft)



Gevolg = joden hebben geen rechten meer




  1. Wet ter bescherming van het Duits bloed en de Duitse eer

    • Als niet jood mag je niet meer met een jood trouwen à makkelijk te controleren

    • Het was verboden voor niet-joden om seks te hebben met een jood à moeilijk te controleren





Gevolg = ook niet-joden werden opgepakt als zij dit deden, dit is een van de redenen dat er geen joodse dienstmeisjes onder de 25 jaar in gezinnen mochten zijn




  1. Wet ter bescherming van de genetische gezondheid





Was je uit de middelste groepen van de wet en deed je iets waardoor je opgepakt werd, werd je wel als jood behandeld. Werd je niet opgepakt dan was er niks aan de hand.





Buitenlandse politiek van Hitler



Eerst: “Hei mins Reich” à alle Duits sprekenden in één rijk verenigen



Later: “Levensraum” à etnische herschikking van Europa





Reactie Engeland en Frankrijk = appeasementpolitiek











Conferentie van München (1938)




  • Aanleiding: Tsjecho-Slowakije

  • Afspraak: Hitler mag Sudetenland hebben en zal nooit oorlog voeren met Groot-Brittannië





Molotov-Ribbentroppact:







SU ging dit sluiten omdat Stalin boos was nadat Engeland en Frankrijk hem niet uitgenodigd hadden voor de conferentie van München





Er waren een aantal landen die vrijwillig met de Duitsers meewerkten: zij hielden hun eigen bestuur en werden niet bezet, dit waren Kroatië, Noorwegen en Zuid-Frankrijk.





Keerpunten:




  1. Battle of Britain (1941)



Dit was de poging van Duitsland om Engeland te veroveren. De reden waarom dit mislukte was onder andere door de vastberadenheid van Churchill. Het gevolg was dat de Duitsers besloten om ook plaatsen te bombarderen waar mogelijk burgers bij betrokken waren. Het gevolg hiervan was dat er iets meer tegenstand kwam onder het Engelse volk, sommigen wilden zich over geven aan de Duitsers.



Het is een keerpunt want: het was de eerste keer dat de Duitsers iets niet lukte.




  1. Operatie Barbarossa (1941)



Duitsland begon haar inval in de Sovjet Unie, hiermee schonden zij het Molotov-Ribbentroppact. De Russen hadden de tactiek om zich terug te trekken, dit noem je de “tactiek van de verschroeide aarde”. Dit hield in dat de Russen alle nuttige dingen in het gebied wat ze achter lieten, zoals o.a. wapenfabrieken, verbrandden. De Russen stopten bij een aantal steden die ze wilden verdedigen, één daarvan was Stalingrad.



Slag om Stalingrad (1942/1943)




  • Dit is de belangrijkste slag geweest, niet zozeer omdat het een belangrijke stad was, maar meer omdat het letterlijk “Stalin stad” was. Als gezichtsverlies wilden de Sovjet Unie dus kostte wat het kost Stalingrad niet verliezen.

  • Er hebben heftige gevechten plaatsgevonden, waarbij de totale stad veranderde in een en al loopgraven

  • De slag heeft lang geduurd

  • De tactiek op het momenten dat het slecht ging was de tactiek genaamd “geen stap terug”. Dit hield in dat er bepaalde mensen achter het front stonden, zij moesten een soldaat, als hij een stap achteruit deed, dood maken.

  • Het Duitse leger was kleiner, maar had betere wapens en een betere organisatie. Rusland had een groter leger, maar minder wapens en was minder getraind.



Het is een keerpunt want: het was de eerste keer dat de Duitser iets verloren.




  1. D-Day (6 juni 1944)


    • Nog vóór D-Day had Mussolini zich al overgegeven. Gevolg = er was een front in het oosten, zuiden en met D-Day wilden de Geallieerden ook een front in het westen creëren.

    • Stalin heeft de Geallieerden lang verweten dat ze nu pas deze aanval uitvoerden. De reden voor de Amerikanen om hier nog niet aan te toe zijn, was dat zij tegelijk ook aan het vechten waren tegen Japan.

    • Omdat het plan van D-Day zo geheim mogelijk moest blijven, beweerden de Geallieerden 3 aanvallen uit te voeren, namelijk:





1 – D-Day zelf



2 – een aanval op de Nederlandse kusten



3 – een aanval op de Scandinavische kusten



Deze laatste twee zijn natuurlijk niet gebeurd, maar waren bedoeld om Duitsland op het verkeerde been te brengen, wat uiteindelijk ook lukte.




  • De aanval verliep in het begin voorspoedig, zo lukte het de Geallieerden om op het strand bij ‘omaha’ zelfs een drijvende haven aan te leggen, zodat er tanks etc. het land op konden worden gebracht.

  • Het ging mis bij Arnhem, hier liepen de Geallieerden vast bij de rivier. Ze probeerden door parachutisten de bruggen te veroveren, maar deze zogenoemde “operatie market garden” mislukte compleet. Het gevolg was dat er in het noorden van Nederland een Hongerwinter ontstond.

  • De oorlog bleef voortduren en Duitsland riep de ‘totale krieg uit’

  • Toen de winter voorbij was kon er verder gegaan worden met vechten en uiteindelijk is de rest van Nederland ook bevrijd.





Wannsee-conferentie (1942)



Besluit om ‘jodenvraagstuk’ industrieel aan te gaan pakken (=vernietigingskampen)









Historische context: de Koude Oorlog




§1: Blokvorming in Europa (1945 – 1955)






  • Vanaf 1917 tot 1991 spreken we van de Sovjet-Unie, voor de rest spreken we van Rusland.





Ideologische tegenstellingen:















Communisme



Kapitalisme




  • Klasseloze samenleving

  • Wereldrevolutie (dit was ook gevaarlijk voor het kapitalisme)

  • Totalitaire staat

  • Communistische partijdictatuur

  • Economische staatscontrole




  • Democratie

  • Politieke rechten van het individu

  • Kapitalisme  (in economische zin)






Groeiend wantrouwen tussen VS en SU vóór WOII






  • Russische revolutie (1917)

  • Steun VS bij Russische burgeroorlog (1918), deze oorlog duurde tot 1922

    • Er waren ook groepen die geen communistische staat wilden, deze groepen werden gesteund door de VS



  • Conferentie van München (1938)

    • Stalin was boos omdat hij niet mee mocht doen



  • Molotov-Ribbentroppact (1939)





Tijdens WOII tot elkaar veroordeeld




  • Operatie Barbarossa (1941)

  • Atlantisch Handvest (1941) à staat niet in de stofomschrijving, maar zorgt voor verduidelijkijking



Er kwam een geheime ontmoeting tussen Roosevelt en Churchill, waar een aantal afspraken gemaakt worden. De SU tekent dit handvest ook. De afspraken waren:




  • elk volk heeft zelfbeschikkingsrecht

  • na de vernietiging van het nazisme, moet er vrede zijn, vrijheid van bewegen en vrijheid tegen haat en agressie

  • er moet een vereniging van naties komen

  • Dit waren nogal hypocriete afspraken, Engeland en de VS hadden beide veel kolonies namelijk. In de praktijk werden deze afspraken dus niet uitgevoerd.





Drie belangrijke conferenties: (alleen de derde is verplichte lesstof)




  1. Teheran (nov/dec 1943)

  2. Stalin bleef in Teheran om goodwill te plegen

  3. Er werden machtspolitieke afspraken gemaakt, oftewel invloedsferen bepaald. Er werd ook gezegd: het gebied wat jij bevrijdt, mag je houden

  4. Jalta (feb 1945)

  5. Potsdam (juni 1945)

    • Machtsverdeling in Europa à Stalin koos o.a. de leiders in Oost-Europa

    • Herstelbetalingen à Duitsland had geen geld, dus (Stalin zijn idee) werden de fabrieken uit Duitsland op de trein gezet en naar de SU gebracht. Dit idee ging dus alleen gelden voor Stalin.

    • Repatriëring à miljoenen Duitsers gingen weer terug vanuit voornamelijk Tsjechië en Polen etc., naar Duitsland. Gevolg = grote vluchtelingenstroom in voornamelijk Oost-Duitsland.

    • Ultimatum voor Japan à hier niet afgesproken hoe dit ultimatum eruit zal komen te zien. Stalin was dus niet op de hoogte van de atoombommen. Gevolg = wantrouwen van de SU groeide







Conclusie = eigenlijk waren de leiders het nergens 100% over eens.





Atoombom op Hiroshima (1945)



Redenen:




  • Intimidatie op de SU: deze reden is eigenlijk pas later bedacht, omdat het achteraf als reden gezien wordt voor de koude oorlog

  • Oorlog beëindigen en Amerikaanse levens sparen: in een officiële lezing van de Amerikaanse politiek werd die als reden gegeven

  • Japan was lastig te veroveren, doordat het bestond uit veel verschillende eilandjes

  • Ze wilden Japan dwingen tot overgave





Gevolgen:




  • Verwoestingen

  • SU valt Japan ook aan: na aanleiding van de conferentie die gehouden was. Ook zorgde dit voor veel wantrouwen bij de VS, want zij waren bang dat de SU een bedreiging voor hen zou gaan vormen en misschien zelf wel Japan is zou nemen, terwijl de VS degene was die als eerste begonnen was met het veroveren van Japan.

  • Er ontstaat steeds meer wantrouwen tussen de VS en de SU





Groeiend wantrouwen na WO2:



2 verschillen:




  1. Staten die wel hun eigen regering hebben maar Stalin is de baas over hun (=satelietstaten)

  2. Staten die echt tot de SU behoren, zoals Oekraïne






  • Oost-Europa krijgt politieke steun van de SU

  • De VS biedt aan heel Europa financiële hulp aan, maar alleen West-Europa accepteert deze hulp






  • Burgeroorlog in Griekenland: het communistische volk komt in opstand tegen de kapitalistische regering. Griekenland was een kolonie van Engeland, maar deze kon Griekenland niet helpen, omdat het het zelf nog te druk had met het herstellen van het eigen land. Daarom vroeg Griekenland de VS om hulp. Het gevolg is de trumandoctrine, dit was de presidentiële uitspraak van president Truman. Het officiële beleid hiervan is de containmentpolitiek.





Trumandoctrine: (VS moet vrije volkeren steunen tegen de communistische dreiging)



Containmentpolitiek: het communisme moet ingedamd worden, er mag geen communistische expansie zijn





Marshallplan (1947)




  • Vanaf dit moment is er heel duidelijk een splitsing










  • 4 landen maken samen afspraken in de geallieerde controleraad

  • De 3 westerse zones besluiten, omdat ze geïrriteerd zijn, hun eigen munt te maken.

  • Het oosten doet dit ook

  • Gedoe in Berlijn = mensen gaan wonen in het ene deel en werken in het andere deel

  • Gevolg = de blokkade van Berlijn, de geallieerden maken een luchtbrug. Dit werkt zo goed dat Stalin inziet dat het niet meer werkt en de blokkade opheft.

  • Daarna = Stalin stapt uit de geallieerde controleraad. Gevolg = vorming BRD en DDR










  • Frankrijk kreeg een deel van Duitsland, omdat Frankrijk het enige land was wat op het Europese vaste land lag

  • Pas in 1961 werd de daadwerkelijke muur gebouwd

















Navo (westen)



Warschaupact (oosten)




  • Direct na de blokkade opgericht

  • Een meer verdedigende afspraak

  • Democratisch

  • Echt een militaire afspraak




  • Er wordt gesproken over “vijandig gedragen” à meer aanvallend

  • Onder leiding van Stalin

  • Het was expres een vage afspraak, omdat ze zo meer opties hadden






Steeds meer blokvorming








  • 1949: Russische atoombom leidt tot wapenwedloop

  • 1949: China wordt communistisch





Landen die neutraal waren:



Joegoslavië à vanwege Tito



Spanje à vanwege Franco



Finland à eerst neutraal, later kapitalistisch



Oostenrijk






  • 1949: Koude oorlog wordt echt gevaarlijk, omdat beide landen in staat waren elkaar totaal te vernietigen. Maar ook: atoombom zorgde ervoor dat beide landen elkaar in stand hielden, waardoor de Koude oorlog juist minder gevaarlijk werd





Redevoering van Senator McCarthy over communisten in de VS (1950)




  • Er zijn verschillende versies van zijn verhaal. Want wanneer is iemand een communist? = dus vaag






  • Zijn punt: het gevaar komt van binnenuit

  • Effect = best heftig: mensen moesten de gevangenis in of werden zelfs ter dood veroordeeld





Vijandbeeld (= erg belangrijk!!)



Het beeld wat de landen van elkaar hebben als vijand en dat ook af proberen te beelden




  • Ze beschuldigden elkaar altijd van imperialisme, dit was voor beiden een grote belediging





Plaatjes zoals:





Stop het communisme voordat ze in Azië zijn (=imperialisme)


























Stalin die het communisme probeert te verspreiden. Dit is een parodie op de octopus van Engeland (voor de WO1)






















Echte macht achter het communisme is niet Lenin maar de duivel. Dit was een belediging omdat de communisme religie iets slechts vonden.

















§2. Blokvorming in Azië en Afrika (1949-1975)





Hier komen twee ontwikkelingen samen:




  1. De koude oorlog

  2. Dekolonisatie





China




  • 1949 Volksrepubliek China olv Mao uitgeroepen na burgeroorlog tussen communisten en nationalisten (olv Chiang Kai Shek)





De nationalisten vluchtten naar het tegenwoordige Taiwan. Gevolg = de rest van de wereld weet niet hoe ze met deze tweesplitsing om moet gaan. Dus: de SU kiest voor Mao en de VS voor Chiang






  • De VN Veiligheidsraad: er ontstaat discussie over wie de rechtmatige ‘eigenaar’ is van de Chinese zetel







De man op de afbeelding is een arbeider die de rest van China met zijn sikkel in zijn communistische mandje wil stoppen





Waar de kapitalisten bang voor zijn = een groot communistisch blok in Azië, dus de containmentpolitiek wordt uitgebreid. Dit wordt ook wel de dominotheorie genoemd: een belangrijk uitgangspunt hoe de VS handelde.






  • Je moet dit kunnen linken aan de containmentpolitiek en de trumandoctrine.

  • Kortom, 3 soorten beleid: dominotheorie, containment en Marshallplan (=steunen troepen, d.m.v. geld) Dit was niet altijd prettig voor de VS, ze werden op deze manier namelijk gedwongen om de landen te steunen, ook al wilden zij dit liever niet. Ze hielden zich dan ook niet altijd aan de afspraken die ze gemaakt hadden.










Korea




  • Na WOII was Korea verdeeld in twee invloedsferen. Noorden = communistisch, zuiden = kapitalistisch.

  • Noord-Korea vraagt toestemming aan Stalin om Korea te ‘bevrijden’ (oftewel overnemen en communistisch maken), na 1949 staat Stalin dat toe. Reden hiertoe kan zijn dat China in dit jaar ook communistisch was geworden.

  • VS wil VN-leger sturen naar Korea, dit lukt omdat de SU de vergadering boycot ivm conflict over Chinese zetel (wie was de echte eigenaar van de zetel?) in de Veiligheidsraad à VS vond dat Korea onrechtmatig Zuid-Korea was binnengetrokken

    • Achteraf niet slim van de SU geweest, maar SU wist van tevoren niet dat dit ging gebeuren



  • Bloedige strijd zonder overwinnaar: 1953 wapenstilstand tussen de twee Korea’s

    • Ook veel Nederlandse soldaten gingen meevechten







Vietnam




  • Voor de oorlog was Vietnam samen met een aantal andere landen (=Indochina) een kolonie van Frankrijk

  • 1945: Vietnamese communisten riepen onafhankelijkheid uit

  • Koloniale oorlog met Frankrijk volgt (Vietnam oorlog nummer 1)

    • China en SU leveren wapens en geld (later stuurt China ook troepen)

    • VS steunt Frankrijk (eerst wapens en geld, later in oorlog nummer 2 ook troepen)

    • Koppelen aan KA’s van Koude Oorlog en dekolonisatie



  • 1953: besluit tot conferentie om een oplossing te zoeken






  • Vietnamese communisten vallen een Frans fort aan bij Dien Bien Phu, communisten overwinnen. (Kapitalisten zien dit als een mes in de rug, omdat er net gekeken is naar een oplossing)

  • Het leek dat communisten heel Vietnam in handen zouden krijgen.

  • Gevolg = VS ziet dmv dominotheorie aanleiding om mee te gaan vechten

  • (Eisenhower)





Akkoorden van Genève gesloten na de slag bij Dien Bien Phu (1954)



Afspraak: communistisch Noord-Vietnam en anticommunistisch Zuid-Vietnam




  • Dus: eigenlijk geven Frankrijk en de VS toe






  • VS probeert handen van Vietnam af te houden





1960: Vietcong start opstand in Zuid-Vietnam




  • Vietmin (leden die in opstand komen tegen Frankrijk, kunnen zowel communistisch als kapitalistisch zijn)

  • Vietcong = communisten die in Zuid-Vietnam wonen, maar kommen in opstand tegen de Zuid-Vietnamese regering






  • Noord-Vietnam stuurt strijders

  • China en SU sturen wapens en geld

  • VS stuurt militairen (Kennedy, hij is degene geweest die de meeste soldaten naar Vietnam gestuurd heeft. Johnson – die na Kennedy kwam – wordt gezien als schuldige voor de Vietnam oorlog)





1964: Tonkin-incident (Noord-Vietnamese schepen beschadigen Amerikaans oorlogsschip)




  • Gevolg = Tonkin-resolutie (Johnson): president mag (in Vietnam) onbeperkt geweld gebruiken zonder oorlogsverklaring






  • Verband leggen tussen Tonkin-resolutie en slag bij Dien Bien Phu





Spook is opgestaan uit zijn graf en zegt: vorige keer heb je het verkeerd aangepakt. De soldaat is Johnson die tegen de spook in gaat (zie tekst) en zegt dat hij het deze keer anders (veel harder) aan gaat pakken.






  • Oorlog werd voor Amerikanen steeds uitzichtlozer

    • Guerillastrijders à waren lastig te bestrijden omdat ze zo ongeorganiseerd waren

    • Burgerslachtoffers

    • Media à journalisten moesten zich aanmelden bij het leger = eenzijdige berichtgeving = Amerikaanse journalisten lieten alleen de slechtheid van het Amerikaanse leger zien = het volk keert zich tegen de oorlog

    • Protestgeneratie







De nieuwe tactiek van Nixon:




  • Bombardementen opgevoerd à dit vond men destijds erg laf: je ging namelijk vanuit een veilige positie je aanvallen plegen. Maar Nixon zag in dat het grond leger niet opschoot.

    • Deze bombardementen waren voornamelijk gericht op het vernietigen van het gangenstelsel in Vietnam



  • Driehoeksdiplomatie: de VS ging niet alleen met de SU, maar ook met China praten.





Bezoek Nixon aan China (1972)




  • Dit was het hoogtepunt van de driehoeksdiplomatie:

    • Voor het eerst was er een Amerikaanse president in China

    • Voor het eerst werd Mao door de VS als leider erkend



  • Doel = Mao overtuigen van vrede in Vietnam

    • Oftewel: de Noord-Vietnamesen te laten stoppen







Vietnam (vervolg)




  • Resultaat = vrede, Zuid-Vietnam zou blijven bestaan en de Amerikanen zouden vertrekken (op deze manier was het minder awkward voor de VS)

    • Oorzaak van vrede = foto’s zoals deze:










  • Effect = in 1975 veroverden communistische troepen het zuiden. De VS had dit eigenlijk wel kunnen verwachten, maar op de manier zoals het nu ging redden zij hun eigen hachje.

    • De  VN veiligheidraad grijpt niet in, want er was in de raad teveel onenigheid.

    • De dominotheorie wordt niet aangegrepen





Burgeroorlog in Angola tussen MPLA en FNLA (1975)




  • Enige voorbeeld over dekolonisatie in Afrika

  • Zit wel vaak in het examen: je moet het bijvoorbeeld vergelijken met Vietnam

  • 1975 is het beginjaartal van de burgeroorlog






  • Angola was een kolonie van Portugal, die wilde de kolonie behouden

    • Dit is een voorbeeld van hoe het in de andere Afrikaanse landen ook ging



  • De VS en de SU wilden dat Angola zelfstandig werd, zodat zij daarna hun invloedssfeer konden uitbreiden

  • Guerillaoorlog:

    • Tegen Portugal: door de burgers zelf








  • De burgers splitsen zich in groepen:

    • MPLA (Movimento Popular de Libertação de Angola)


      • Gesteund door de SU, voornamelijk door wapens

      • Wilde een communistische staat





  • FNLA (Frente Nacional de Libertação de Angola)

    • Gesteund door Zuid-Afrika (buurland) en de VS

    • Kreeg van de VS voornamelijk financiële steun








  • FNLA splitst zich ook weer op, in de FNLA zelf en de:

    • UNITA (União Nacional para a Independência Total de Angola)


      • Gesteund door het westen

      • O.a. door Portugal gesteund










  • 1975: onafhankelijk, daarna burgeroorlog

  • Pas in 1988 eerste vredesbesprekingen, in 2002 vrede





§3: confrontatie en co-existentie (1955 – 1963)



Let op: in vergelijking met paragraaf 2 gaan we nu terug in de tijd






  • 1953: Stalin dood = de oorzaak van het veranderen van het beleid van de SU

    • Stalin stierf erg plotseling, waardoor er een strijd ontstond wie zijn opvolger moest worden. Uiteindelijk werd dit Chroestsjov, die had samengewerkt met Stalin.



  • 1955: BRD mag lid worden van de NAVO (dit werd met name door de VS gevraagd). Gevolg = DDR gaat meedoen met het Warschaupact.

  • 1956: Destalinisatierede (=toespraak over hoe slecht Stalin was) van Chroestsjov.

    • In het Engels wordt Chroestsjov vaak Kuschev genoemd







De SU verandert van beleid




  • Stalin: oorlog/confrontatie met het westen is onvermijdelijk

  • Chroestsjov: vreedzame co-existentie (=letterlijk vreedzaam samen leven)

    • “het communisme en kapitalisme moeten vreedzaam naast elkaar bestaan”

    • Het “vreedzaam” hield in dat de beide machten wel moesten overleggen, dit was dan ook wat Chroestsjov ging doen.








  • De periode vanaf hier tot 1975 wordt ook wel “detente” genoemd, dit klinkt mooier dan het in werkelijkheid is, denk bijvoorbeeld aan de Cubacrises die zich in deze tijd afspeelt.





Hongaarse opstand (1956)




  • Studenten starten een demonstratie voor democratie en vrijheid van meningsuiting

    • Oorzaak = de destalinisatierede van Chroestsjov: het volk zag dit als reden om nóg meer de grenzen op te zoeken



  • Imre Nagy (communistische leider van Hongarije) is het op zich eens met de studenten en belooft onderhandelingen, een democratie met meer partijen, vertrek van het Sovjetleger en afscheid van het Warschaupact

  • De opstand begon met studenten, maar uiteindelijk ging het hele volk meedoen

  • Chroestsjov vond Nagy veel te soft en laat het rode leger de opstand neerslaan

  • Hongaren hadden gehoopt op westers ingrijpen, door politiek VS

  • VS achtte kans op 3e wereldoorlog te groot, ook vond de VS dat er geen sprake was van een uitbreiding van het communisme, want het communisme was er al in Hongarije





Bestorming van Felix Meritis in Amsterdam (1956)




  • Voorbeeld van hoe er in het westen gereageerd werd op de Hongaarse opstand

  • In Nederland veel verontwaardiging en anticommunistisch sentiment

    • Het feit dat de Nederlandse communisten door gingen met leuke activiteiten was uiteindelijk een reden voor de opstand

    • Kenmerk van de protestgeneratie is dat ze in protest komen ongeacht om welke partij het gaat. Eerder waren er namelijk ook protesten geweest tegen Amerika.



  • Nederlandse jongeren bestormen Felix Meritis, hoofdkwartier CPN (communistische partij Nederland) en redactie de Waarheid (communistische krant)





Berlijnse Muur (1961)




  • Uittocht uit DDR werd steeds groter

  • Nacht van 13 augustus begint DDR met de bouw van de muur

    • Officiële reden voor de bouw = de vlucht van oost naar west was te groot. De groep mensen die vertrokken waren voornamelijk intelligente jongeren.

    • Het IJzeren gordijn werd eerder “gebouwd” dan de Berlijnse muur

    • De muur werd gebouwd in het oosten, omdat dit niet op westelijk grondgebied mocht gebeuren. In het oosten moesten er daarom een aantal gebouwen gesloopt worden.  



  • VS reageert niet met actie

    • Wel wordt vice-president Johnson gestuurd, maar dit werd gezien als belediging voor het Duitse volk.







‘Ich bin ein Berliner’-toespraak van president Kennedy (1963)




  • Er kwam veel kritiek van het Duitse volk op het feit dat Amerika niet ingreep. Uiteindelijk kwam Kennedy naar Berlijn toe om een toespraak te geven. Een deel van het volk was hier enthousiast over, maar het andere deel had ook hierop veel kritiek, omdat zij het veel te laat vonden.  





Cubacrisis (1962)




  • 1959: Castro vestigt communistische regering. De VS is hier niet blij mee, aangezien Cuba natuurlijk heel dicht bij de VS ligt. Dit is een gevaar voor de VS i.v.m. mogelijke lange afstandsraketten.

  • 1961: invasie Varkensbaai. Deze invasie werd door de VS gedaan op Cuba. De invasie mislukte omdat de strijdkrachten niet genoeg getraind waren.



Effect = Castro zat in Cuba veel steviger in het zadel. Ook ging Castro nieuwe vrienden zoeken: de bonden met de SU aanscherpen




  • 1962: een Amerikaans vliegtuig ontdekt Russische raketbases.

  • 1962: Televisietoespraak van Kennedy en de marineblokkade

    • De vraag: “hoe moet je dit als president aanpakken?” à Castro aanvallen? Chroestsjov aanvallen? Of juist defensief optreden.

    • Kennedy kiest voor de aanvallende tactiek. In een toespraak zegt hij deze aanval zelf te gaan organiseren, dus zonder toestemming van het parlement. (= de tonkinresolutie)

      • Dit geeft aan hoe het Amerikaanse volk aankeek tegen de dreiging van het communisme.



    • Gevolg = de marineblokkade, waarbij er geen schepen meer naar Cuba toe mochten, waardoor er geen kernraketten vanuit de SU naar Cuba toe kunnen. Kennedy laat dit plan rechtstreeks in zijn toespraak weten aan Chroestsjov.



  • Dit wordt ook wel het hoogte- (of diepte) punt van de Koude Oorlog genoemd, want: beide landen hebben elkaar nu onder schot. Dit kan ook als veilig gezien worden, want je bezit allebei over de mogelijkheid om elkaar te vernietigen.





Geheime onderhandelingen




  • SU haalt raketten op Cuba weg (openlijke afspraak)

  • De VS laat Castro met rust en haalt raketten weg uit Turkije



= niet een openlijke afspraak, zodat de VS alsnog als winnaar gezien werd door de buitenwereld. Kennedy vond dat hij hier recht op had, Chroestsjov had de keuze om hiermee in te stemmen of niet.





§4: Ontspanning 1963 – 1991




  • Deze naam is eigenlijk niet terecht, omdat de periode van ontspanning in feite maar tot 1975 duurde.

  • Deze tijd wordt ook wel de “détente” genoemd:

    • Er was betere communicatie (o.a. door de hotline tussen de VS en de SU)

    • Er was geen bemoeienis met elkaars invloedssferen (hier komt het idee van vreedzame co-existentie min of meer terug)

    • Er waren onderhandelingen over wapenvermindering, zoals:







SALT1 ondertekend (1972)



= overleg over wapenvermindering. Afspraken:




  • Geen nieuwe intercontinentale raketten meer gebouwd

  • Geen nieuwe luchtverdedigingssystemen






  • Oude kernwapens mochten dus wel blijven: geen van beide, durft de eerste te zijn die hun gehele arsenaal aan kernwapens ging vernietigen.

  • De SU wilde graag deze afspraak omdat ze het financieel niet bij konden benen.





Praagse lente (1968)




  • Alexander Dubcek (communist) presenteert een plan voor ‘socialisme met een menselijk gezicht’ (hij wilde dus nog wel een communistische staat, maar met meer vrijheden)

    • Vrijheid van meningsuiting (wel beperkt natuurlijk)

    • Vrije verkiezingen à betekent dat er meerdere partijen kunnen zijn, maar deze moeten socialistisch zijn



  • Een korte periode van hervorming en optimisme breekt aan (lente)





Reactie hierop:




  • Oost-Europese staten vroegen de SU om in te grijpen. Dit waren voornamelijk Polen en Hongarije, zij waren namelijk bang dat het invoeren van het socialisme zou leiden tot het kapitalisme.

    • Anders dan tijdens de Hongaarse opstand, toen begon de SU zelf met ingrijpen, hier vroegen de landen dus om hulp.



  • Breznjev-doctrine (toenmalige leider SU): de SU grijpt in als een communistisch land dreigt af te glijden naar het kapitalisme.

    • Vergelijkbaar met de Truman-doctrine








  • 21 augustus: troepen van het Warschaupact vielen Tsjecho-Slowakije binnen

  • Tsjechen boden alleen vreedzaam verzet à Aan het Westen laten zien hoe goed Tsjecho-Slowakije dit deed

  • Had weinig effect à de communistische partijdictatuur werd hersteld. Er kwam een nieuwe leider.

  • Bij het leger van het Warschaupact zaten ook Tsjechische mensen zelf.





Spanning neemt toe (vanaf 1975)




  • SU plaatst middellange afstandsraketten waarmee Europa geraakt kan worden

  • Gevolg = de NAVO plaatst Amerikaanse raketten in Europa (bijvoorbeeld in Nederland)

    • Dit doet zij in overleg met Europese regeringen

    • De afspraak is geheim



  • Verbale spanning

    • Ronald Reagen komt aan de macht in de VS

      • Hij erkende het oude China

      • Hij schilderde de SU consequent af als slecht, hij noemde de SU “evil empire

      • Hij wilde een systeem genaamd “star wars” invoeren à zijn plan was om een soort beschermingsveld over Amerika heen te plaatsen die raketten tegen zou houden





  • Hiervoor was juist de afspraak gemaakt tegen intercontinentale raketten, dit was dan ook de reden dat beide landen de raketten plaatsten op het eigen continent.





Demonstratie tegen kernwapens in Amsterdam




  • Grootste demonstratie tot nu toe

  • Was de reactie op discussie over kernwapens. De mensen waren bang om doelwit te worden.





Gorbatsjov




  • Onthoud: hij wordt in het westen heel anders gezien dan in het oosten






  • De Russische economie verslechterde, de SU kan de wapenwedloop niet meer bijbenen. Oplossing hiervoor:

    • Wapenonderhandelingen tussen eerst Gorbatsjov en Reagen, daarna Gorbatsjov en Bush senior. Afspraak: er moesten nog minder wapens komen (SALT II)



  • Communisme moet hervormd worden

    • Glasnost (openheid) à meer openheid naar het volk. In de vorm van persvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Gorbatsjov wilde dit omdat hij bang was dat mensen teveel anti gevoelens zouden hebben. Door het volk in zekere mate hun kritiek te laten uitten, hoopte hij deze gevoelens tegen te gaan.

    • Perestrojka (verbouwing) à op economisch vlak: Gorbatsjov wilde mensen een stukje land geven om eten te verbouwen, wat ze op de legale zwarte markt mochten verkopen. Hierdoor wilde hij de economie minder statisch maken.





Kritiek = Gorbatsjov wilde op deze manier het communisme verbeteren door kapitalistische maatregelen uit te voeren.





 Instorting communisme




  • 1988: Brezjnev-doctrine losgelaten (dit geeft Gorbatsjov in zijn speech aan)

    • Hij zei dus eigenlijk dat Oost-Europese landen zichzelf mochten afsplitsen en dat hij niet zal ingrijpen



  • Gevolg = verschillende Oost-Europese landen storten in

    • Polen en Hongarije waren erg snel

    • Deze staten kwamen in een soort tussenfase terecht



  • Grens tussen Oostenrijk en Hongarije weer open

    • Deze landen waren het eerste van het ijzeren gordijn











DDR




  • Massaal demonstraties in Berlijn voor reisvrijheid, de regering reageert hier niet op (en krijgt ook geen steun van de SU à intrekken van de Breznjev-doctrine)

  • 9 november: de Duitse minister van toerisme geeft een speech waarin hij zegt dat iedereen de grens met het westen mag oversteken. Hij was hierin heel vaag waardoor er veel verwarring ontstond. Het hoofd van de grenspolitie gaf ook aan niets te zullen doen als mensen van plan waren over te steken en uiteindelijk kwam er een run op de muur.

  • De DDR wordt opgeheven

  • Oost- en West-Duitsland worden weer samengevoegd

    • Dit klink in theorie erg simpel, maar bedenk wel dat er twee verschillende soorten economieën waren en het dus lastig was dit samen te voegen



  • Er was onvrede bij de westelijke mensen à zij moesten nu bijvoorbeeld belasting gaan betalen voor de mensen in het oosten.





Ineenstorting SU




  • De baltische staten (Estland, Letland, Litouwen) scheiden zich af

  • De macht komt in handen van Boris Jeltsin (hij was een nationalist)

  • Gorbatsjov was leider van de hele SU (dus ook de landen buiten rusland) en Jeltsin was al een tijdje leider van Rusland op dat moment.

  • 1991: De SU wordt opgeheven en communistische partij wordt verboden (door Jeltsin)


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Maaike