Tijdvak 1 tot 10

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 15297 woorden
  • 26 oktober 2015
  • 10 keer beoordeeld
Cijfer 6.7
10 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Stap in jouw toekomst

Kom naar de Open Avond van Inholland op woensdagavond 29 maart van 17:00 - 20:00 uur. Proef de sfeer en ontdek onze opleidingen.

Meld je aan!

Geschiedenis Hoofdstuk 1.1
Het leven van jager-verzamelaars

Kenmerkend aspect: De levenswijze van jager-verzamelaars.

De eerste mensen leefden van wat ze vonden in de natuur. Deze jager-verzamelaars hadden waarschijnlijk een duidelijke taakverdeling tussen mannen en vrouwen. De mannen visten en joegen op herten, beren, rendieren en kleine zoogdieren.  De vrouwen zorgden voor de kinderen en verzamelden paddenstoelen, wortels, knollen, bessen en ander plantaardig voedsel. Ze hadden geen vaste woonplaats. Het waren nomaden, ze moesten zwerven en trekken om aan voedsel te komen. Ze woonden in tenten en eenvoudige hutten en trokken verder zodra op een plaats niet genoeg eten meer te vinden was. De Europese jager-verzamelaars leefden voor het grootste deel in de laatste ijstijd, die duurde tot 10.000 v.C.

De tijd waaruit geen schriftelijke bronnen zijn overgeleverd, wordt de prehistorie genoemd. Een andere naam is tijd van jagers en boeren. Dit tijdperk eindigde rond 3000 v.C. toen in het Midden-Oosten het schrift ontstond.

Geschiedenis Hoofdstuk 1.2
Het ontstaan van de landbouw

Kenmerkende aspect: Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.

Door de landbouw ontstond een nieuw soort samenleving, de agrarische of landbouwsamenleving. Deze omwenteling wordt de agrarische of landbouwrevolutie genoemd. De mens veranderde in de loop van duizenden jaren van een natuurwezen dat zijn voedsel verzamelde in een cultuurwezen dat zijn voedsel produceerde. Het aantal mensen nam sterk toe en er ontstond een sedentaire leefwijze. Boeren moesten bij jun akkers, weiden en boomgaarden blijven.

Geschiedenis Hoofdstuk 1.3
De eerste steden

Kenmerkende aspect: Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.

De god van de aarde ergerde zich aan de herrie in de steden. Omdat hij niet kon slapen, besloot hij de mensheid met een grote stortvloed uit te roeien. Maar de god van het water was het daar niet mee eens. Hij gaf een man, Atrahasis, opdracht zijn huis af te breken, een overdekte boot te bouwen en daarop zijn familie en zijn dieren op te zetten.

Het verhaal van Atrahasis ontstond in de tijd van de Soemeriërs. Het is een voorbeeld van hun mythologische verklaring van de wereld en van hun geloof in vele goden, hun polytheïsme.

Geschiedenis Hoofdstuk 1
Aantekeningen

Ontstaan landbouwstedelijke samenleving.
- Wonen in vruchtbare rivierdalen
- Opbrengst & groep hoog
- Niet iedereen hoefden boer te zijn

Geschiedenis Hoofdstuk 2.1
Wetenschap en politiek in de Griekse stadstaat

Kenmerkend aspect: De ontwikkeling van wetenschap en politiek in de Griekse stadstaat.

Voor de Grieken uit de tijd van Homerus (750 v.C.) stond vast dat aardbevingen het werk waren van de god Poseidon en dat goede oogsten waren te danken aan de godin Demeter, die het koren liet groeien. Zulke ideeën pasten in een mythologische wereldbeeld. Vanaf 600 v.C. ontdekte de Grieken iets nieuws, de meesten hielden vast aan het godengeloof. Maar filosofen gingen rationaal denken. Zij probeerden alles met hun verstand te beredeneren. Uit de filosofie ontstonden aparte takken van wetenschap, zoals wiskunde natuurkunde medische wetenschap en de geschiedwetenschap. In de wetenschap speelde goden en andere bovennatuurlijke zaken geen rol.
De belangrijkste Griekse filosofen uit de klassieke oudheid waren Socrates, Plato en Aristoteles.
Plato hield zich bezig met ethiek, de vraag wat moreel goed en fout is. Aristoteles is vooral bekend door zijn theorie hoe kennis tot stand komt en hoe wetenschap werkt.

Griekenland bestond uit tientallen onafhankelijke poleis, ofwel stadstaten. Grieken waren ook uitgewaaierd buiten Griekenland. Aan de Middellandse en Zwarte zee hadden ze stadstaten gesticht als Neapolis (Napels in Zuid-Italië), Massalia (Marseille in Zuid-Frankrijk) en Buzantion (Istanbul in Turkije). Een polis bestond uit een stad met het omliggende land. Poleis hadden een eigen bestuur, een eigen leger, eigen wetten, eigen munten enz. De meeste hadden hooguit een paar duizend inwoners. Veruit de grootste was Athene met een kwart miljoen inwoners.

Dit wil je ook lezen:

Veel stadstaten begonnen als een monarchie. Ze werden geregeerd door een koning. Vaak kreeg later een kleine groep rijke en voorname families de macht in handen. Ze werden dan een aristocratie of oligarchie. Sommige werden daarna een tirannie doordat een aristocraat de macht greep. Veel poleis hadden een volksvergadering, meestal had die weinig invloed maar in Athene kreeg hij in 507 v.C. de hoogste macht. Athene werd daarmee de eerste democratie. Ook Athene was eerst een monarchie, toen een aristocratie en vervolgens een tirannie. In 510 v.C. joeg Cleisthenes met steun van het volk de laatste tiran de stad uit. Pas 3 jaar later stichtte hij een democratie.
Niet alle Grieken vonden de democratie het beste politieke systeem. Socrates, Plato en Aristoteles hadden er weinig waardering voor. De grote filosofen vonden het slecht dat de stemmen van alle burgers even zwaar telden, ook als ze geen verstand van zaken hadden.

In 431 v.C. brak tussen Athene en Sparta en hun bondgenoten een oorlog uit om de macht in Griekenland. Pas na bijna 30 jaar was de oorlog voorbij. Athene was verzwakt, maar de democratie hield stand. Er kwam pas een eind aan toen Griekenland in 388 v.C. werd veroverd door de vader van Alexander de Grote.

Geschiedenis Hoofdstuk 2.2
Het Romeinse imperium

Kenmerkende aspect: het Romeinse imperium en de verspreiding van de Grieks-Romeinse cultuur.

In Rome woonden al in 1000 v.C. mensen. Rond 500 v.C. was het een echte stadstaat geworden. Rome veranderde toen van een monarchie in een republiek. De macht kwam in de handen van de senaat, die bestond uit leden van rijke en voorname families.
In 264 v.C. begon de expansie buiten Italië. Rome viel eerst Carthago aan, een stadstaat in Tunesië die het westelijke deel van de Middellandse Zee beheerste. In een reeks oorlogen tegen Carthoga veroverde Rome onder meer Spanje. In 146 v.C. werd Carthoga verwoest.

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

Legeraanvoerders werden door de verovering populair en machtig. Tussen hen braken burgeroorlogen uit. De succesvolste generaal was Caesar, die in de jaren 58-50 v.C. Gallië (Frankrijk, België en Zuid-Nederland) onderwierp. Hij werd in 48 v.C. alleenheerser, liet toch benoemen tot dictator, maar werd in 44 v.C. vermoord door senatoren die de republiek wilde redden. Daarop begon een lange burgeroorlog, die werd gewonnen door Caesars achterneef Octavianus. Hij maakte een eind aan de republiek en stichtte het Romeinse keizerrijk.  De Romeinen veroverden na Augustus nog Brittannië en Dacia (Roemenië). Daarmee bereikte het imperium in 106 v.C. zijn grootste omvang.

Hoe kon Rome uitgroeien van stadstaat tot wereldrijk? Het had onder meer te maken met organisatietalent en militaire kracht.
Er werd een beroepsleger gevormd, onderverdeeld in legioenen van zo’n 6000 man. Het rijk groeide door de zucht naar roem, buit en gebiedsuitbreiding. Verzet werd genadeloos onderdrukt. Maar belangrijk was ook dat de Romeinen de cultuur en godsdienst van overwonnen volkeren respecteerden, dat ze hen opnamen in hun leger en hen lieten meeprofiteren van de rust en welvaart in het rijk. Binnen het rijk heerste lange tijd van rust en vrede: de pax Romana.

Doordat de Romeinen erg onder indruk waren over de Griekse cultuur namen ze veel van de Grieken over. De Grieks-Romeinse cultuur raakte door het gehele rijk verspreid. Overal bouwden de Romeinen aquaducten, amfitheaters, bruggen en triomfbogen. In het Oosten bleef de voertaal Grieks. De volkeren in het westen werden geromaniseerd. Zij namen de Romeinse taal en cultuur over.

Geschiedenis Hoofdstuk 2.3
De Grieks-Romeinse cultuur

Kenmerkend aspect: De vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.

Na de verovering van Griekenland verscheepten de Romeinen scheepsladingen vol beelden naar Rome. Ze zetten deze beelden overal neer. De dichter Horatius zei hierover: ‘zo overwon het verslagen Griekenland zijn wilde veroveraar.’

In de klassieke periode van de Griekse cultuur (de 5e en 4e eeuw v.C.) gaven ze hun beelden natuurlijke houdingen en levendige gezichten met een glimlach of andere uitdrukkingen. De Grieken wilde met hun vormentaal perfecte schoonheid uitdrukken. In de bouwkunst namen de Grieken de zuilen van Egypte over.

Geschiedenis Hoofdstuk 2.4
Romeinen en Germanen

Kenmerkend aspect: De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse en de Germaanse cultuur.

Volgens de Romeinen waren de Germanen primitieve barbaren, maar ook echte mannen waar de decadente Romeinen een voorbeeld aan konden nemen. De Germanen kwamen oorspronkelijk uit het gebied rond de Oostzee. Vanaf 600 v.C. verspreide ze zich over Noordwest-Europa, waar ze dunbevolkte streken vol bossen en moerassen bewoonden.  Er waren verschillende Germaanse volkeren, zoals de Teutonen, de Alemannen, de Friezen en de Goten. Net als de Kelten leefde ze in een landbouwsamenleving en waren ze niet bekend met het schrift. De Germanen kregen door de verovering van Caesar met de Romeinen te maken. Ze kregen ook hun naam, want ze noemden zichzelf niet Germanen maar werden zo genoemd door de Romeinen. De Romeinen bedoelden er alle volkeren ten noorden en oosten van de Rijn mee.

In 9 n.C. gebeurde de verovering van de Germanen toen 4 Romeinse legioenen in het Teutoburgerwoud in Noord-Duitsland op weg waren naar hun winterkwartier aan de Rijn. Een leger van verschillende stammen wachtte hen op bij een smalle doorgang tussen een heuvel en een moeras. Het plensde en de Romeinen zakten met hun zware laarzen in de modder weg. De meeste van de 18.000 Romeinen sneuvelden. De rest werd volgens Tacitus gekruisigd, leven begraven of geofferd aan de Germaanse goden.

In de 3e eeuw n.C. raakte het Romeinse rijk in verval, onder meer door invallen van Germaanse stammen. Later herstelden sterke keizers de orde, maar eind 4e eeuw kwamen nieuwe volksverhuizingen op gang. Het oosten van het rijk wist de invallers tegen te houden, het westen werd des te harder getroffen. In 395 n.C. werd het rijk gesplitst in een Oost en een West-Romeins rijk met allebei een eigen keizer.

Geschiedenis Hoofdstuk 2.5
Jodendom en Christendom

Kenmerkend aspect: De ontwikkeling van jodendom en christendom.

De volkeren van de oudheid hadden vele goden. Eerst waren ook de Joden polytheïstisch, maar hun geloof werd op den duur monotheïstisch. Volgens het jodendom is er maar 1 God, Jahweh. Hij was de schepper van hemel en aarde en van alles wat daarop leeft. Andere goden hadden zwakheden. Met de joden had hij een speciale band: hij zou voor hen zorgen als zij hem gehoorzaamden.
Het geloof werd vastgelegd in een heilig boek, de Tenach. Daarin stonden de joodse wetten en leefregels. Hun aartsvader Abraham had volgens deze geschiedenis als eerst ingezien dat er maar 1 God was. Jahweh zou Abraham naar Kanaän (Israël/Palestina) hebben geleid en dat land aan zijn nakomelingen hebben beloofd. In 587 v.C. werd de Joodse hoofdstad Jeruzalem verwoest. De joden werden afgevoerd naar Babylonischrijk (in Irak). Vanaf toen hebben de Joden in de diaspora (verspreiding) gewoond.

Uit het jodendom ontstond in de 1e eeuw n.C. een nieuwe monotheïstische godsdienst: het christendom. De joden geloofden dat ooit een nakomeling van David zijn rijk zou herstellen. Deze door God gezonden leider werd Messias genoemd. Rond 30 n.C. waren er verscheidene joodse verzetsbewegingen tegen de Romeinse overheersing.

In 313 maakte keizer Constantijn een eind aan de vervolgingen. Hij werd zelf christen. Het christendom werd voortaan op allerlei manieren bevoordeeld. Eind 4e eeuw werd het de staatsgodsdienst. Andere godsdiensten werden verboden; hun heiligdommen werden verwoest of omgebouwd tot kerken. Constantijn en zijn opvolgers lieten een orthodoxe geloofsleer vastleggen. Volgens die officiële leer was Christus zowel goddelijk als menselijk. Groepen christenen die hem allee als mens zagen of juist alleen als god werden vervolgd. Vier oude levensbeschrijvingen van Jezus (de evangeliën) werden samen met andere oude christelijke geschriften in een heilig boek opgenomen: de Bijbel.

Geschiedenis Hoofdstuk 2
Aantekeningen

Filosofen:
- Herodotus (Geschiedenis)
- Pythagoras (Wiskunde)
- Hippokrates (Wiskunde)
- Archimedes (Natuurkunde)

Eerste keizer Romeinse rijk = Octavianus
Geldeconomie, erg belangrijk voor het Romeinse rijk (ontstaan door handel)

Limes = de grens. (scheiding tussen veilig & onveilig gebied)

Geschiedenis Hoofdstuk 3.1 
De opkomst van de islam

Kenmerkend Aspect: Ontstaan en verspreiding van de islam. 

Volgens islamitische geschriften kreeg Mohammed in 610 van Allah opdracht om zijn profeet te worden. Tot zijn dood in 623 zou de engel Gabriel aan hem verschenen zijn, die hem verzen van Allah doorgaf. Mohammeds volgelingen leerden deze uit hun hoofd en schreven ze later op in de Koran. De nieuwe godsdienst leerde net als het jodendom en christendom dat er slechts een, almachtige god is. Een overeenkomst met het christendom was ook dat de islam een boodschap had voor de gehele mensheid. Zoals christenen de gehele wereld probeerden te bekeren, zo kenden moslims de jihad, het streven naar uitbreiding van de islam. Nadat Mohammed in 622 door vijanden was verdreven uit zijn woonplaats Mekka, kreeg hij de macht in de stadstaat Medina, die daarmee de eerste islamitische staat werd. Vanuit Medina veroverde Mohammed Mekka en het halve Arabische schiereiland.  

Na zijn dood kozen zijn belangrijkste volgelingen een nieuwe leider, die de titel kalief (opvolger) kreeg. Rond 650 viel de expansie van de Arabieren stil. Ze voerden onderling oorlog, Na de moord op de kaatste gekozen kalief, Mohammeds neef en schoonzoon Ali, kwamen de Omayyaden aan de macht. In de hoofdstad Damascus stichtten zij een dynastie, waarbij de titel van kalief overging van van vader op zoon. De sjiieten (letterlijk: volgelingen van Ali) kwamen daartegen in opstand. Zij vonden dat de macht in handen moest zijn van de nakomelingen van Ali. De soennieten steunden de Omayyaden. Sjiitische opstanden werden bloederig onderdrukt, maar de sjiieten zijn altijd de grootste minderheid in de islam gebleven.  

Een eeuw na Mohoammeds dood kwam er een eind aan de expansies van het Arabische-islamitische wereldrijk. Dat rijk viel daarna uiteen in vele staten en staatjes, bestuurd door vorsten die zichzelf sultan of emir noemden. De Arabieren vernietigden de Perzische en Grieks-Romeinse cultuur niet, maar maakten er gebruik van. Ze lieten filosofische, wetenschappelijke en literaire werken van de Grieken en Perzen in het Arabisch vertalen.  

 Geschiedenis Hoofdstuk 3.2 

Hofstelsel en horigheid

Kenmerkend aspect: De ontwikkeling in West-Europa van landbouwstedelijke naar landbouwsamenleving.  

Na de ondergang van het Romeinse rijk bleven in West-Europa van veel steden slechts ruïnes over. Ze waren overwoekerd met gras en struikgewas. Door de verlaten straten zwerven wolven. Steden die nog wel bewoond werden, waren sterk gekrompen. De West-Europese samenleving was in de jaren 500-1000 vrijwel volledig agrarisch. De plattelandsgemeenschappen waren grotendeels autarkischze leefden van de opbrengst van het eigen land en er was weinig contact met de buitenwereld. Goede wegen waren er niet meer, grote delen van Europa waren ontvolkt en overwoekerd door woeste natuur.  

In het Romeinse rijk bestonden reusachtige landbouwbedrijven waarop slaven werkten. Daarnaast waren er vrije boeren met eigen land. Maar in de 3e en 4e eeuw daalde de agrarische productie zo sterk dat de bevoorrading van de Romeinse legers en steden in gevaar kwam. Om te voorkomen dar de productie verder daalde, verboden de keizers boeren hun grond te verlaten. Later nam de onvrijheid van de boeren nog verder toe. De overheid raakte verzwakt en bood geen bescherming meer; rondtrekkende bendes hadden vrij spel. Boeren vroegen daarom bescherming bij heren die legertjes op de been konden brengen. In ruil gingen ze allerlei verplichtingen aan. Zo ontstond in de nadagen van het Romeinse rijk de horigheid.  

In grote delen van Europa bestond in de tijd van monniken en ridders het hofstelsel. Daarbij woonden horige boeren op een domein van een heer of een klooster. Dit domein was in tweeen gedeeld, een deel was het deel van de heer of het klooster; het vroonland. Vroonland was voor de werkende boeren met akkers, weiden en woeste gronden. Ze hadden een hoeve en mochten de omliggende bossen en woeste gronden gebruiken om vee te laten lopen en hout te sprokkelen.  Daar stonden herendiensten tegenover. De boeren moesten enkele dagen per week op het land van de heer werken.  

 Geschiedenis Hoofdstuk 3.3 

Het feodale stelsel

Kenmerkende aspect: Feodale verhoudingen in het bestuur. 

De geordende bestuur uit de Romeinse tijd was verdwenen. Omdat slechts weinig konden lezen en schrijven, was bestuur volgens geschreven wetten niet goed mogelijk.  
Rond 500 waren in heel West-Europa Germaanse koningen aan de macht. De 15-jarige Clovis werd in 481 door zijn medestrijders uitgeroepen tot koning van een gebiedje in het zuiden van Belgie. Hij versloeg al zijn andere Germaanse stammen. Toen Clovis in 511 stierf werd zijn rijk verdeeld onder zijn vier zoons. In een reeks oorlogen wist een zoon de andere drie te doden.  In de 8e eeuw kreeg Karel Martel het hele rijk in handen. Zijn kleinzoon Karel de Grote breidde het in een reeks oorlogen verder uit. Karel de Grote heerste in 800 over zo'n groot deel van Europa dat de paus hem dat jaar tot keizer kroonde. Zo werd Karel in het westen de eerste keizer in meer dan 300 jaar. Maar zijn bestuur leek helemaal niet meer op dat van het Romeinse rijk.  

Karel en de andere koningen waren afhankelijk van de lagere heren, die met hen meevochten, soldaten leverden en gebieden bestuurden. De koningen beloonden deze edelen met grond en buit. Ook probeerden ze de adel aan zich te binden door een eed van wederzijdse trouw. Zo ontstond een nieuw bestuurssysteem, leensysteem of feodalisme geheten. Dat was niet gebaseerd op wetten, maar op persoonlijke banden. De koning gaf een gebied of een ambt in leen aan een vazal of leenman en beloofde hem te beschermen. In ruil zwoer de vazal dat hij zijn leenheer zijn leven lang trouw zou dienen.   
Karel de Grote verdeelde zijn rijk in graafschappen en hertogdammen, onder leiding van graven en hertogen. Deze vazallen moesten namens hem rechtspreken en militairen oproepen. In ruil kregen ze hun ambt in leen, inclusief bijhorende burcht, domeinen en rechten om belasting te heffen. Leenmannen waren lastig te controleren. Koningen regeerden niet vanuit een hoofdstad, maar reisden rond om overal te laten zien wie de baas was. Dat lukte Karel redelijk, maar na zijn dood gedroegen leenmannen zich steeds meer als zelfstandige machthebbers. Ze gingen hun leen aan hun kinderen doorgeven. Graven en hertogen werden daardoor erfelijke heersers. In de 9e eeuw gingen zij zelf land en ambten in leen uitgeven, en ook die lenen werden erfelijk. Het gevolg was dat rond het jaar 1000 veel kleinere kasteelheren feitelijk onbeperkte macht hadden rond hun burchten. Het Frankische rijk was uiteengevallen in twee grote koninkrijken: Duitsland en Frankrijk. Maar vooral de Franse koning had weinig over zijn vazallen te zeggen.  

Karel bracht voor zijn oorlogen ruiterlegers op de been. De ridders kregen betere lansen en zwaarden en een maliënkolder, een soepel gevechtstenue bestaand uit ijzeren ringetjes. De dure uitrusting en de benodigde training waren alleen op te brengen door rijke heren. Kasteelheren vormden ridderlegertjes waarmee ze hun burcht konden verdedigen. Op den duur gingen van oorsprong niet-adellijke ridders behoren tot de adel. Na 1000 werden adellijke ridderschappen opgericht. De leden moesten zich ridderlijk gedragen. Ze moesten ridderlijke waarden laten zien als moed, eerlijkheid, trouw en kameraadschap.  

 Geschiedenis Hoofdstuk 3.4 

Christendom in Europa

Kenmerkend aspect: De verspreiding van het christendom in Europa. 

Het is geen toeval dat de rooms-katholieke kerk wordt geleid vanuit Rome. Het christendom ontstond in het Romeinse rijk. In de grotere steden en hun omgeving kregen bisschoppen de leiding over de kerk. Elke bisschop benoemde in zijn bisdom de lagere geestelijken. De hoogste geestelijke was de bisschop van Rome, de paus.  

In het Oost-Romeinse rijk ontstond de Byzantijnse of Grieks-orthodoxe kerk, die vanuit Constantinopel werd geleid door de keizer. Volgens de pausen hadden keizers en koningen alleen wereldrijke macht, zij moesten de staat leiden. De pausen beweerden dat ze hun geestelijke mach van Christus hadden gekregen, zij moesten de kerk leiden. Dit wordt de tweezwaardenleer genoemd. Mede hierdoor ontstond een schisma (scheuring) tussen het Latijnse, rooms-katholieke christendom in het westen en het Griekse christendom in het oosten.  
Al in de 3e eeuw waren er speciale geestelijken die zich van de wereld afzonderden: monniken en nonnen. De meesten woonden in een klooster.  

Aan het eind van de oudheid raakte het christendom in West-Europa in het gedrang door de invasies van Germaanse stammen. In Brittannië verdween het christendom door de invallen van de Angelen en de Saksen zelf helemaal. Daar staat tegenover dat monniken vanaf 450 het christelijk geloof verbreidden naar Ierland, dat het eerste gekerstende gebied werd buiten het Romeinse rijk. Een keerpunt was de bekering van Clovis. De Frankische koning zou in 496 in een veldslag in nood de god van de christenen hebben aangeroepen. Nadat hij had gewonnen, liet hij zich met duizenden krijgers dopen. Voor hem was zijn overwinning het bewijs van de superioriteit van het christendom.  

Geschiedenis Hoofdstuk 3
Aantekeningen

Grote volksverhuizing 5-11e eeuw Pax Romana; 200 jaar, politieke stabiliteit, handel.
Val Romeinse rijk; Verdwijning steden, wegen in verval, gecentraliseerd bestuur verdween en er kwam een groeiend gevoel van onveiligheid.
Van een landbouwstedelijke samenleving, naar een landbouw samenleving. Zwarte periode in de Middeleeuwen. (autarkisch -> zelfvoorzienend)
Horigheid begon al eerder dan de val van het Romeinse Rijk.
Vroonland = heerland, Hoeveland = Boerderijland

Het feodale stelsel (leenstelsel); Karel de Grote heerste rond 800 over een groot deel van Europa. Hij werd gezien als opvolger van de Romeinse keizers. Onterecht omdat er een totaal andere bestuurssysteem kwam, namelijk het feodale stelsel.

8e eeuw vanuit Gallie enorme expantie in Europa door Karel de Grote. De paus kroonde hem als keizer omdat Karel heel Europa beheerste en het christendom dan kon verspreiden.
Omdat er geen geldeconomie is, is de enigste manier om mensen te danken voor hun diensten, met land. Karel voegde daaraan toe een eed van Wederzijdse trouw, deze persoonlijke band tussen leenheer en leenman legde zo onder Karel de basis voor een nieuw bestuursysteem, namelijk het feodalisme of leenstelsel. (Let op! Het hofstelsel was een samenlevingsvorm en het feodalisme een bestuursvorm)

Feodalisme = Leenheer geeft gebied of ambt in leen aan een vazal of leenman waarbij hij beloofde hem te beschermen. (met hulp van andere leenmannen) In ruil zwoer de vazal zijn leven lang de leenheer trouw te blijven, zowel door bijstaan in oorlog als door raad.

Geschiedenis Hoofdstuk 4.1
De opkomst van steden

Kenmerkende aspect: Opkomst van handel ambacht en herleving van de landbouw stedelijke samenleving.

Na het jaar 1000 kreeg West-Europa weer een landbouw stedelijke samenleving. De landbouw ging meer opbrengen. Er ontstonden duizenden steden en stadjes waar handelaren en ambachtslieden leefden.

Holland kreeg tamelijk laat steden. In andere delen van West-Europa waren al rond het jaar 1000 steden. Na meer dan 500 jaar kreeg West-Europa weer een landbouwstedelijke (agrarisch-urbane) samenleving. Waardoor konden weer steden ontstaan? Belangrijk was dat er rond 1000 een eind kwam aan de invasies van agressieve volkeren als de Vikingen. Nederzettingen werden niet meer keer op keer geplunderd en kregen kans om te groeien. Er kwamen sowieso meer mensen. Tussen 1000 en 1300 verdubbelde de Europese bevolking zich. De woeste natuur werd teruggedrongen door de landbouw. Bossen werden gekapt, moerassen drooggelegd. Moeraslanden veranderden in vruchtbare polderlanden. Er werden dijken gebouwd om het zeewater buiten te houden en sloten gegraven om het zeewater buiten te houden en sloten gegraven om het water onder akkers en weiden af te voeren. De landbouwmethodes werden verbeterd. Door dit drieslagstelsel bracht de akkerbouw veel meer op. Boeren gingen meer voedsel produceren dan ze zelf nodig hadden. Sommigen specialiseerden zich. Hun overschotten verkochten ze aan handelaren op markten, die ontstonden bij waterwegen in de buurt. Daar gingen mensen wonen die zich specialiseerden in een ambacht, beroep waarbij met geschoold handwerk een product wordt gemaakt of bewerkt. Door de ambachtslieden groeiden kleine handelsnederzettingen uit tot steden.
Naarmate de steden groeiden, nam ook de welvaart toe. In grotere steden maakten ambachtslieden en arbeiders niet alleen producten die op de lokale markt werden verkocht, maar ook luxe-koopwaar die over grote afstanden werden verhandeld. Door de lange afstanden voor de handel en de opkomst van de munten bedachten bankieren nieuwe betaalmethoden, handelaren konden geld inleveren bij de bank. Ze kregen een wisselbrief waarmee ze in een andere stad dat geld konden opnemen. Met de giro konden ze geld overmaken op een andere rekening. Zo konden ze betalen en reizen zonder grote zakken met geld te moeten meenemen.

  1. Wat wordt er bedoeld met een autarkische landbouwsamenleving en wat met een landbouwstedelijke samenleving? Autarkische landbouwsamenleving is een zelfvoorzienende landbouw, bij een landbouwstedelijke samenleving is de samenleving meer gericht op steden, er is een bestuur en er is weer handel.
  2. Leg uit waar de eerste steden ontstonden na ongeveer 1000 n.C. Bij rivieren, omdat er daar goed handel was.
  3. De landbouw speelde een belangrijke rol in het ontstaan van de landbouw. Leg uit wat er in de landbouw veranderde en welke gevolgen dit had. De landbouw veranderde, ze kregen een sterkere ploeg. Er werd meer grond in cultuur gebracht, er werden dijken gebouwd en moerassen droog gelegd. Zo groeide de bevolking en specialiseerde de boeren zich.
  4. Wat hebben steden, handel en ambachtslieden met elkaar te maken? Kooplieden vormden de eerste bewoners van de groeiende steden. In hun kielzog kwamen er ambachtslieden, mee om de stedelingen van ambachtsproducten te voorzien. Hierdoor ontstond er handel, deze handel werd later ook over verdere afstanden gehandeld.
  5. Door de herleving van de handel ontstond er weer een geldeconomie. Welke twee financiële zaken bevorderde de handel nog meer? Leg je antwoord uit. De wisselbrief en de giro. Door de wisselbrief en giro was het gemakkelijker om te handelen met andere steden. Hierdoor werd de handel weer aantrekkelijker en werd er meer gehandeld waardoor de geldeconomie nog meer groeide en van pas kwam.

Geschiedenis Hoofdstuk 4.2
De stedelijke burgerij

Kenmerkende aspect: Opkomst van de stedelijke burgerij en toenemende zelfstandigheid van steden.

Middeleeuwse steden hadden grote vrijheden. De burgers bestuurden zichzelf volgens eigen recht en wetten. Door hun rijkdom en vrijheid hadden de steden een grote aantrekkingskracht op de bewoners van het platteland.

De steden hadden zich ontworsteld aan de greep van de adel. De graaf, hertog of koning  had hun stadsrechten gegeven, zoals eigen bestuur, eigen wetten, het recht om tol te heffen en het recht om stadswallen en stadsmuren te bouwen. In ruil voor die privileges betaalden de steden belasting. Vaak hield de adellijke heer enige invloed via de baljuw, die namens hem de stadsrechtbank voorzat. Voor koningen en andere heersers was het verkopen van stadsrechten aantrekkelijk. Ze profiteerden zo van de groeiende geldeconomie. Maar het maakte hun ook afhankelijk van de steden. De burgerij werd machtiger. De adel werd juist minder machtig, vooral de lagere adel. Op het platteland kregen boeren meer vrijheid. De horigheid was verdwenen. Herendiensten werden omgezet in geldbetalingen. Toch hielden de adellijke heren veel meer zeggenschap over de boeren dan over de steden.
Niet alle stadsbewoners konden volledig profiteren van de vrijheden van de stad. Alleen burgers hadden burgerrechten. Alleen burgers die een jaar en een dag in de stad woonde, kon het burgerrecht kopen. Lang niet iedereen deed dat. Arbeiders en allerlei los werkvolk waren geen burgers. Ze waren vaak ook minder aan een plaats gebonden en trokken rond op zoek naar werk. Ook geestelijken waren geen burgers, zij vielen onder het kerkelijk recht. Degene die wel burger waren, werden beschermd door het stadsrecht en mochten zich verdedigen voor de stedelijke rechtbank. Ze konden lid worden van de gewapende schutterij die zorgde voor de veiligheid in de stad. Ook was het burgerrecht nodig om lid te worden van een gilde. De gilden waren enorm belangrijk. Voor elk ambacht was er een gilde. Elke zelfstandige ambachtsman moest lid zijn van zo’n stedelijke gilde, anders mocht hij niet in de stad werken. Het gilde regelde de beroepsopleiding, lette erop dat de producten van goede kwaliteit waren en stelde een prijs vast. Gilden zorgden ook voor de leden die bejaard, werkloos, ziek of invalide waren. Ook verzorgden ze de begrafenis van gestorven leden en ondersteunden de weduwen. De machtigste burgers waren de rijke kooplieden. Zij maakten in bijna alle steden de dienst uit. Vaak leverde naar een handjevol families de schepen, zoals de leden van het stadsbestuur en de stadsrechtbank werden genoemd. Het lidmaatschap van het stadsbestuur werd daardoor bijna erfelijk.

  1. Leg uit waarom de steden ondanks het hoge sterftecijfer toch groeiden en werk gevolg dit had voor de horigheid. Doordat mensen van het platteland naar de stad verhuisden groeide de bevolking ongeacht het sterftecijfer. Hierdoor verdwenen de horige boeren.
  2. Leg uit welke rechten en plichten de steden hadden. De burgerrechten van de burgers bestonden uit; stadsrechten zoals een eigen bestuur, eigen wetten, het recht om tol te heffen en het recht om stadswallen en/of stadsmuren te bouwen. De plichten die hieraan zaten was dat de burgers die het burgerrecht hadden hierover belasting moesten betalen.
  3. In hoeverre profiteerde de graaf/hertog van de steden? Zij profiteerde hier heel erg van, omdat zij er geld voor kregen.
  4. Leg uit in je eigen woorden wat gilden zijn. Gilden zijn stedelijke organisaties van zelfstandige beoefenaren van een bepaalde ambacht.
  5. Wie hadden met name de macht in steden? De rijke kooplieden.

Geschiedenis Hoofdstuk 4.3
Staatsvorming en centralisatie

Kenmerkende aspect: Het begin van staatsvorming en centralisatie.

In de tijd van steden en staten vergrootte de Franse en Engelse koning hun mach en begonnen met de vorming van een centraal bestuurde staat. De Duitse keizer slaagde daar niet in. In de Nederlanden brachten de Bourgondiërs voor het eerst een zekere eenheid.

Uit het Frankische rijk van Karel de Grote ontstonden op den duur twee rijken: Duitsland en Frankrijk. De Franse koningen hadden in de 11e eeuw eigenlijk alleen macht in Parijs en omgeving. Sommige leenmannen waren machtiger dan zij. Maar in de loop van de eeuwen bereidde de Franse koning zijn macht uit. Vanaf 1337 voerde hij oorlog tegen de Engelse koning, die grotere gebieden in Frankrijk had. Beiden kregen in deze honderdjarige oorlog steun van bevriende edelen en steden. Uiteindelijk verloor de Engelse koning zijn bezittingen in Frankrijk. Voortaan was de Franse koning veruit de machtigste man in Frankrijk. Rond 1500 had hij 10.000 soldaten en duizenden ambtenaren in dienst. Hij hief in zijn hele koninkrijk belastingen. Hij maakte wetten die in zijn hele koninkrijk geldig waren. Hij regeerde het land vanuit een hoofdstad, Parijs. Er was een proces van centralisatie en staatsvorming op gang gekomen.
De Duitse koning was rond 1000 machtiger dan de Franse, maar van centralisatie kwam in Duitsland uiteindelijk weinig terecht. Het Duitse rijk kreeg niet eens een hoofdstad. Duitse koningen lieten zich in Rome kronen tot keizer. Daarmee wilden ze laten zien dat ze de opvolger waren van de Romeinse keizers en van Karel de Grote. Ze waren dan koning van Duitsland en keizer van het Heilige Roomse Rijk, dat bestond uit Duitsland plus Noord-Italië en een aantal andere gebieden. Toch konden de Duitse koning-keizers de macht van de hoge edelen uiteindelijk niet beperken. Hertogen en graven bleven de baas in hun eigen gebieden. Een van de oorzaken was dat het koningschap in Duitsland niet erfelijk was. De machtigste edelen en geestelijke kozen de koning. De koning leef daardoor van hen afhankelijk.

Rond 140 kwamen de meeste Nederlanden voor het eerst onder een vorst: Filips van Bourgondië, ook wel bekend als Filips de Goede. Hij was overal apart hertog of graaf, maar begon ook met het instellen van een centraal bestuur. Brussel werd zijn hoofdstad. Zijn zoon Karel de Stoute veroverde ook nog Gelderland en zette een centrale rechtbank op. Maar in 1477 stierf hij op het slagveld. Hij liet alleen een dochter na, Maria. Bourgondië kwam daardoor bij Frankrijk. Doordat Maria daarna trouwde met Maximiliaan van Habsburg kwamen de meeste andere Nederlanden onder het Habsburgse huis. Staatsvorming en centralisatie waren mogelijk door de toenemende geldeconomie. Koningen hieven belastingen en betaalden met het geld ambtenaren, huursoldaten en wapens. Maar de onderdanen betaalde niet zomaar. Al in 1215 dwongen edelen de Engelse koning Jan zonder Land een stuk te tekenen, de Magna Carta, at hem aan regels bond. Voor belastingen moest hij voortaan toestemming vragen. Later werd hiervoor het parlement gevormd, dat bestond uit vertegenwoordigers van drie standen; adel, geestelijkheid en burgerij. Ook Frankrijk kreeg zo’n vergadering: de Staten-Generaal. In 1464 riep Filips de Goede de eerste Nederlandse Staten-Generaal bijeen. Deze vergaderingen waren ook belangrijk voor de staatsvorming, omdat vertegenwoordigers uit het hele rijk samen moesten overleggen. Geleidelijk ontstond zoiets als een nationaal gevoel.

  1. Beschrijf het proces van staatsvorming en centralisatie in Frankrijk. Karel de Grote bereiden zijn macht uit door oorlog te voeren. Hij hief belastingen op en maakte wetten die in zijn hele koninkrijk geldig waren, ook regeerde hij het land vanuit een hoofdstad Parijs.
  2. Wat wordt er bedoeld met staatsvorming en centralisatie en welke rol heeft de opkomst van geldeconomie hierin gespeeld? Door de geldeconomie kon de koning belastingen heffen over de wetten die gemaakt waren voor het hele koninkrijk. Door de geldeconomie kon de koning ook het land besturen vanuit een hoofdstad, Parijs. Hierdoor is er een proces van centralisatie (ontwikkeling waarbij een land steeds meer vanuit een hoofdstad wordt bestuurd) en staatsvorming (vorming van een overheid met ambtenaren en een door de overheid betaald leger) op gang.
  3. Leg het verschil in staatsvorming uit tussen Duitsland en Engeland en leg uit wat de oorzaak van dit verschil is. Doordat het koningschap in Duitsland niet erfelijk was, hadden de Duitse koningen niet meer macht dan de edelen. Het Duitse rijk kreeg ook nieteens een hoofdstad. Engeland kwamen wel wetten die voor het gehele rijk gelden en werd Engeland het best georganiseerde staat van Europa.
  4. Wat heeft het ontstaan van de Staten-Generaal te maken met centralisatie en staatsvorming? Leg ook uit welke drie standen er in de Staten-Generaal zaten. Door de geldeconomie wilde men weer belasting heffen, voordat dit kon moest er toestemming gevraagd worden. Hierdoor ontstond het parlement en in Frankrijk de Staten-Generaal. De drie standen waren; Adel, geestelijkheid en burgerij.
     

Geschiedenis Hoofdstuk 4
Aantekeningen

!! Vorsten centraliseren in de periode van de steden !!!

Geschiedenis Hoofdstuk 5.1
De renaissance

Kenmerkend aspect: Het mensen wereldbeeld van de renaissance en de hernieuwde oriëntatie op de klassieke oudheid.

In de 15e eeuw begon in Italië de renaissance. Er ontstond een nieuw levensgevoel, geïnspireerd door de oudheid. Humanistische geleerden gingen klassieke teksten bestuderen. Ook in de kunst en architectuur herleefde de oudheid.

In Italiaanse steden ontstond in de late middeleeuwen een machtige bovenlaag van handelaren en bankiers. Ze hadden volop geprofiteerd van de handel met het Midden Oosten en met de rijke steden in Vlaanderen. Om hun rijkdom te tonen, bouwden ze riante huizen en lieten ze de beste kunstenaars voor zich werken. In die omgeving ontstonden een nieuw mensbeeld, een nieuw wereldbeeld en een nieuw levensgevoel, met meer oog voor de plezierige kanten van het leven.

De herleving van de waarden en schoonheidsidealen van de oudheid kreeg de naam renaissance, naar het Franse woord voor ‘wedergeboorte’. De renaissance begon in de 15e eeuw in Italië en verspreidde zich vanaf 1500 over de rest van Europa. Daarmee begon de vroeg moderne tijd.

Bij de herontdekking van de klassieke oudheid speelde het humanisme een belangrijke rol. Humanistische geleerden lazen en vertaalden klassieke teksten. In de middeleeuwen hadden monniken die gekopieerd en bestudeerd, maar ze hadden de ideeën van klassieke schrijvers zo vaak aangepast dat ze klopten met de christelijke leer. De leergierigheid en kritische instelling van deze tijd van ontdekkers en hervormers stimuleerden ook het natuurwetenschappelijk denken.

Geschiedenis Hoofdstuk 5.2
De Europese expansie

Kenmerkend aspect: het begin van de Europese overzeese expansie.

De Portugezen en Spanjaarden waren de eersten die in de 15e eeuw de kusten van Afrika, Azië en Amerika verkenden. Ze wilden Azië bereiken om specerijen te halen. Aan het einde van de 16e eeuw gingen ook Nederlanders, Engelsen en Fransen op ontdekkingsreis.

Tot 1453 kwamen veel oosterse koopwaar Europa binnen via Constantinopel, maar nadat deze stad was ingenomen door de Turken droogde de handel op. Omdat veel geld mee te verdienen was, wilden Europese handelaren de specerijen zelf in Indië halen. Maar de Arabieren en Turken stonden hun niet toe over land naar het Verre Oosten te reizen. Voor de Europeanen zat er niets anders op dan zelf een route over zee te vinden.

Geschiedenis Hoofdstuk 5.3
De Reformatie

Kenmerkend aspect: de splitsing van de kerk in West-Europa.

Erasmus leverde kritiek op de kerk en pleitte voor een terugkeer naar het ware geloof. Daarmee was hij een wegbereider van de Reformatie die Luther in 1517 begon. Na Luther kwamen andere kerkhervormers, zoals Calvijn. De Christelijke kerk raakte verdeeld in protestanten en rooms-katholieken.

van de Bijbel dat gaat over Jezus en zijn volgelingen. Hij vergeleek die met de Latijnse Vulgaat, die al 1000 jaar de meest gebruikte versie van de Bijbel was. Erasmus stelde vast dat de Vulgaat wemelde van de fouten. Daarom maakte hij in 1516 een nieuwe vertaling. Erasmus pleitte met zijn nieuwe boek voor een terugkeer naar het zuivere geloof. Heiligvereniging, bedelvaarten, heiligenbeelden en allerlei uiterlijk vertoon hadden daar niets mee te maken. Met zijn kritiek op de kerk werd Erasmus een wegbereider van de Reformatie of Hervorming. Zelf brak hij niet met de kerk van Rome. Hij vond kerkhervormers als Luther te intolerant en fanatiek.

De kerk kon in de middeleeuwen alle kritiek onderdrukken, maar dat lukte niet met de hervormingsbeweging die begon met het optreden van de Duitse monnik Maarten Luther. Deze Reformatie scheurde het christendom in West-Europa uiteen in twee vijandige kampen: de protestanten die met de kerk van Rome braken en de rooms-katholieken die trouw bleven aan de paus.
Luther wilde een hervorming binnen de kerk op gang brengen, maar de paus beschuldigde hem van ketterij. Dat spoorde Luther aan zijn ideeën verder uit te werken. In 1521 werd Luther uit de kerk gezet.

Na Luther kwamen meer hervormers, de Fransman Calvijn. Voor Calvijn was de bijbel de enige bron van geloof. Hij wees heiligenverering en andere zaken die niet in de Bijbel stonden nog strenger af dan Luther. Er was nog een belangrijk verschil tussen Calvijn en Luther, Luther stond helemaal aan de kant van de vorsten, ook Calvijn vond dat de overheid moest worden gehoorzaamd. Maar die overheid moest volgens Calvijn wel als dienaresse Gods in overeenstemming met de Bijbel handelen en de ware godsdienst bevorderen. Deed ze dat niet, dan mochten lagere bestuurders tegen de overheid in opstand komen.

Geschiedenis Hoofdstuk 5.4
De Nederlandse Opstand

Kenmerkend aspect: het ontstaan van de Nederlandse staat.

Filips II volgde zijn vader Karel V in 1555 op als landsheer van de Nederlanden. Tegen Filips brak in 1568 de Nederlandse Opstand uit, die in 1588 leidde tot de vorming van de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Steden hebben privileges. De belangrijkste functie was van de stadhouder. De vorst benoemde voor veel gewesten een stadhouder, die namens hem overleg voerde met de staten (standen vergadering per gewest). Een stadhouder was van adel, maar zijn functie was niet erfelijk.
Inquisitie = Kerkelijke rechtbank

De Opstand begon pas toen Willem van Oranje met zijn leger Nederland binnen stormde. De Nederlandse Opstand of Opstand is de strijd van de Nederlandse gewesten tegen hun landsheer, de Spaans-Habsburgse koning Filips II.

1567 Hertog Alva werd gestuurd door Filips om Nederland te temmen. Nederlanders vluchtten en Willem van Oranje stormde Nederland in met zijn leger, hierbij in 1568 begon het Nederlandse Opstand.
1572 Verovering van de geuzen op Den Briel -> keerpunt omdat men denkt dat de opstand kans heeft.
1576 Spaanse Furie -> soldaten van Spanje worden niet betaald, hierdoor wordt Antwerpen geplunderd.
1576 Pacificatie van Gent -> vrede
1579 Unie van Atrecht met Parma -> Noorden sluit daarop de Unie van Utrecht. Deze militaire verbonden werden gemaakt om de opstand te redden.
1580 Filips is pissig op Willem van Oranje en verklaart hem kogelrij.
1581 Plakkaat van Verlatinge, Filips is niet meer de vorst van de gewesten van de Unie van Utrecht.
1584 Willem van Oranje vermoord
1585 Antwerpen valt, Amsterdam profiteert van de opstand omdat de concurrent Antwerpen is gevallen waarna de schelder word afgesloten. Antwerpse handelaren met hun contacten gaan naar Amsterdam.
1588 Opstand lijkt verloren -> besluiten om een republiek te worden.
1609 begin Twaalfjarig bestand
1623 eind Twaalfjarig bestand
1648 Vrede van Münster

De republiek 1515-1648 in jaartallen

1565: Calvanisten vragen hoge edelen om minder streng te zijn.

1566: lage adel biedt smeekschrift aan. Calvinisten denken meer vrijheid te hebben. Beeldenstorm, Alva, WvO vlucht met 1000den, raad van beroerten, 1100 executies wo Egmont en Hoorne = hoge adel.

1568: WvO komt met huurlingenleger. Invasie mislukt. Watergeuzen steunen hem op schepen. Alva voert nieuwe belastingen in.

1572: geuzen nemen Den Briel in. Holl en zeel achter WvO. Alle geestelijken van Gorinchem vermoord.

1573: holl staten verbieden kath. WvO is niet tegen Karel, alleen tegen Alva. Dit levert hem veel aanhang.

1574: Leidens ontzet. Sp in oorlog met Turken. Soldaten muiten. Plunderen. Bev ziet ze als vijand en beginnen vredesbesprekingen met WvO.

1576: Pacificatie van Gent. Doel Sp troepen weg en gewetensvrijheid. H en Z protestants. Rest kath. Oorlog nu buiten Holl en Zeel.

1579: UvA kath willen door acties calvinisten vrede met Filips. Er komen nieuwe Spaanse troepen olv Parma. UvU opgericht = militaire samenwerking, maar werd calvinistisch verbond en verbood kath.

1580: WvO vogelvrij. En Sp stopt met vechten tegen Turken.

1581: plakkaat van verlathinge. Met nieuwe vorst contract afsluiten over rechten van de onderdanen. Franse en Eng vorst gezocht. Hoop op geld en goederen.

1585: val van A, blokkade van Schelde.

1588: rep uitgeroepen. H, Z en Fr en in 1598 Gr, Dr, O en G erbij. Is 7 gewesten.

1588: Spaanse armada verjaagd door E. Rep begint

1596: Fil wil opnieuw E aanvallen. E, Fr en Rep sluiten bondgenootschap. Rep erkend.

1602: oprichting VOC

1609-1621: 12-jarig bestand.

1648: vrede van Munster. Rep nu helemaal erkend

Geschiedenis Hoofdstuk 6.1
De wereldeconomie

Kenmerkend aspect: De ontwikkeling van handelskapitalisme en wereldeconomie.

In de 17e eeuw kwam het handelskapitalisme tot bloei en ontstonden wereldwijde handelsnetwerken. De Verenigde Oost-Indische Compagnie, die handeldreef met Azië, was daarin een hoofdrolspeler. De West-Indische Compagnie was actief in gebieden rond de Atlantische Oceaan.

1621, JP Coen (in opdracht van VOC)  naar Bandaeilanden. Doel -> Bandanezen onder controle krijgen. 100e Bandanezen als slaven weggevoerd.

De VOC
Veel kooplieden naar Java in Molukken, voor peper en fijne specerijen. Dit is zeer winstgevend. Echter, veel concurrentie, daarom werd de VOC opgericht in 1602 en kreeg een monopolie positie. dwz, geen andere Nederlander mocht daar handel drijven. VOC kreeg bevoegdheden van staat:
1. Verdragen sluiten met vorsten
2. Oorlog voeren
3. Veroverde gebieden besturen
VOC is multinational, past in handelskapitalisme. Dat wilt zeggen, koopman ondernemers deden aan handel en nijverheid. (verkopen/maken) En investeerde deel van de winst in de VOC. VOC gaf aandelen uit, aandeelhouders zijn eigenaren van de VOC. Het bedrijf werd bestuurd door Heer 17, maar aandeelhouders waren ook eigenaar. De GG (Gouverneur Generaal) was baas in Azië. Coen liet Jakarta plat branden na ruzie met de plaatselijke vorst, en bouwde Batavia (= verzamelplek VOC schepen). De VOC stichtte factorijen (= handelspost), en deed aan handel tussen delen van Azië. Bijv. zilver uit Japan, textiel uit India enz. In de 17e e verdiende de VOC het meeste aan specerijen.
18e e, thee en koffie. Bij Kaap de Goede Hoop werd er een kolonie gesticht, voor vers eten en drinken.
17e e VOC rijkste bedrijf ter wereld.
18e e Britse East India Compagnie, rijkste bedrijf ter wereld.

West-Indië
Wereldeconomie door handel met Oosten en Westen van de wereld. Tijd van regenten en vorsten. Spanje en Portugal -> veel kolonies in Amerika. Engeland en Frankrijk -> in Noord-Amerika en Cearibisch gebied. Europese handelsposten in West-Afrika voor goud en slaven, de slaven naar Amerika, werken op plantages (suiker, tabak, cacao en koffie) en in mijnen.
1621 oprichting WIC doel -> kaapvaart dwz. Spaanse aanvoer van goud en zilver dwars bomen.
1628 Piet-Heijn verovert Spaanse zilvervloot. WIC verwerft kolonies in Brazilië en sticht nieuw Amsterdam (= nu New York). Uiteindelijk had WIC alleen Antillen en Suriname. WIC nooit winstgevend door sterke Europese concurrentie.

Geschiedenis Hoofdstuk 6.2
De Gouden Eeuw in Nederland

Kenmerkend aspect: de bijzondere plaats en de bloei van de Nederlandse Republiek.

Nederland is Republiek der Zeven verenigde Nederlanden. Leiding in handen van rijke stedelijke burgerijen. Gouden Eeuw = tijd van economische voorspoed en bloei kunst en wetenschap.

De regenten
Overal in Europa vorsten, maar in de republiek nauwelijks een centrale regering. Republiek = Zeven aparte staatjes.

Macht in handen van regenten. Regenten vormen een gesloten groep. Aan het hoofd van een stad stond vroedschap (= college van 20 tot 40 regenten). Vroedschap benoemd de burgemeester en dagelijkse bestuurders, en stuurt vertegenwoordigers naar staten (= bestuur gewest). In Holland 19 zetels in handen van steden, 1 in handen van adel. Steden = Regenten. 18 = regenten 1= adel.

De stadhouder (= machtigste man Republiek)
Tot 1581 stadhouder is vertegenwoordiger landsheer (Eerst Karel VI, daarna Filips II). Daarna in dienst van de staten. In 5 v/d 7 gewesten is het een afstammeling van Willem van Oranje. Stadhouder = opper bevelhebber leger en vloot, toezichthouder rechtsspraak en bemoeit zich met benoeming regenten.
Tegenstelling tussen prinsgezinde en staatsgezinde regenten. Er zijn 2 stadhouder-lozen tijdperken. Groningen en Friesland hadden toen wel een stadhouder. 1672 is rampjaar, Willem 3 wordt stadhouder. De prinsgezinden namen veel plaatsen van staatsgezinde regenten in. Johan en Cornelis de Wit, gruwelijk vermoord = staatsgezinde.

De Staten-Generaal
= overkoepelend orgaan met afvaardiging van alle gewesten. Staten-Generaal houdt zich bezig met:
1. Buitenlandse politiek
2. In- en uitvoer rechten
3. Leger en vloot
4. Bestuur van Brabant, Limburg en Vlaanderen (= Generaliteitslanden), omdat ze pas later bij de Republiek kwamen.
Besluiten in de Staten-Generaal worden genomen met toestemming van alle Gewesten (duurde lang). Holland drukte wil door omdat zij de meeste belasting betaalden.
Landsadvocaat en/of Raadspensionaris = belangrijkste man(nen) binnen de Staten-Generaal. In de Republiek waren 2 miljoen inwoners, toch was de Republiek een militaire grootmacht door inhuren buitenlandse soldaten.
De Republiek dankte welvaart aan de handel. Amsterdam had grootste stapelmarkt. Na de val van Antwerpen 1585, ook veel handel met Zuid-Europa door rijke Antwerpse kooplieden die naar het Noorden kwamen. Ook de landbouw ging heel goed, export van boter en kaas. In de Republiek waren er geen opdrachten van het koninklijk hof of van de kerk voor schilderijen (vrije schilder rechten).

Wetenschap
Hugo de Groot grondlegger volkenrecht. Christiaan Huijgens wiskunde, natuurkunde en astronomie. Buitenlandse geleerden vluchtten naar Nederland vanwege geestelijke vrijheid in de Republiek, geen censuur en vanwege gewetensvrijheid (denken wat je wilt). Republiek officieel gereformeerd (= Calvinistisch). Joden mochten in Amsterdam synagogen bouwen maar in Utrecht niet.

Geschiedenis Hoofdstuk 6.3
Het absolutisme

Kenmerkend aspect: het streven van vorsten naar absolute macht.

In veel Europese landen de streed de vorst met zijn onderdanen om de verdeling van de macht. De uitkomst van die strijd verschilde per land. Frankrijk werd een absolute monarchie, terwijl Engeland een constitutionele monarchie werd.

In 1648 begon in Frankrijk een burgeroorlog toen het parlement van Parijs meer invloed eiste op het bestuur. Vanwege de opstanden die de adelen hadden tegen Lodewijk XIV beperkte hij de macht van de edelen. Zo ontstond een versterkt koningschap dat bekendstaat als het absolutisme. Lodewijk vond dat niks de macht van de koning mocht beperken. Hij besliste alleen. Zijn motto was l’etat c’estmoi (de staat, dat ben ik). Hij liet zich de Zonnekoning noemen; zoals de planeten draaiden om de zon, zo draaiden alles op aarde om hem. Hij had zijn macht rechtstreeks van god gekregen. Symbool van Lodewijks macht was het paleis Versailles.

Lodewijk kreeg absolute macht in Frankrijk door ambtenaren belasting te laten inden, bemoeide zich met de rechtsspraak, landbouw en liet hij de ambtenaren toezicht houden op het leger. In 1685 trok hij het Edict van Nantes in, dat 87 jaar godsdienstvrijheid had gegarandeerd, ook ging hij de hugenoten vervolgen. Ondanks de toegenomen macht van de koning, hielden steden en regio’s eigen rechtsregels. Lodewijk sloeg er ook in om de adel en de kerk belastingen op te leggen. Om meer geld binnen te halen, voerde zijn minister van Financiën Colbert een politiek van mercantilisme. Hij versterkte de economie door de export te bevorderen en het import af te remmen.

Lodewijk veroverde delen van de Zuidelijke Nederlanden en het Duitse rijk. Om ook de Republiek te onderwerpen, maakte hij in het diepste geheim afspraken met de Engelse koning en met Munster en Keulen, twee Duitse staten die aan de Republiek grensden. In 1672 vielen ze aan. Vanuit het oosten drongen de Franse diep de Republiek binnen. In Holland ontstonden paniek en woede, die zich richtte tegen de staatsgezinde regenten. Zij hadden de benoeming van prins Willem tot stadhouder tegengehouden en kregen de schuld van de zwakte van het leger.

Geschiedenis Hoofdstuk 6.4
De wetenschappelijke revolutie

Kenmerkend aspect:  de wetenschappelijke revolutie.

In de 17e eeuw vond de wetenschappelijke revolutie plaats. Experimenteren en eigen waarneming werden heel belangrijk in de wetenschap. Deze nieuwe onderzoekende houding leidde tot veel ontdekkingen en uitvindingen.

Copernicus was de eerste die op grond van wiskundige berekeningen beweerde dat niet de zon om de aarde draaide, maar de aarde om de zon. Zijn theorie werd in 1543 na zijn dood gepubliceerd. In 1609 bewees de Duitse wiskundige John Kepler dat de aarde en de andere planeten wel degelijk om de zon draaiden. Kepler stelde wiskundige formules op waarmee hij de omloopsnelheid van planeten berekende en hun afstand tot de zon. Ook waarnemingen van de sterrenkundige Galilei bevestigden de juistheid van Copernicus’ theorie.

Galilei bouwde telescopen die vele malen beter waren dan de bestaande en kon daardoor met eigen ogen zien dat het stelsel van Ptolemaeus niet klopte. Hij ontdekte dat het maanlandschap heuvelachtig was en niet zichzelf licht gaf. Zijn ontdekkingen brachten Galilei in conflict met de katholieke kerk. Het werd hem verboden het stelsel van Copernicus nog langer te verdedigen. Galilei ging verder en schreef een boek waarin hij de verdedigers van het stelsel van Ptolemaeus belachelijk maakte. Hierna dreigde de kerk met de brandstapel als Galilei zijn denkbeelden niet herriep. Het duurde tot 1992 voordat de paus erkende dat Galilei gelijk had gehad.  Door Newton was Newton -die had ontdekt dat alle bewegingen van de planeten, kometen, maan en de zee kwamen door een mechanisme. De zwaartekracht- het hoogtepunt van de Wetenschappelijke revolutie. De aarde werd steeds meer gezien als een gewone planeet. Drijvende kracht in het heelal en op aarde was niet meer een ‘onbewogen beweger’ maar een verzameling mechanische wetten die overal en altijd hetzelfde werken.

De renaissance gaf een impuls aan het kritisch nadenken, maar wetenschappers hadden nog wel groot ontzag voor klassieke schrijvers. In de 17e eeuw begon de werkwijze van de wetenschappers grondig te veranderen. Galilei deed zijn uitspraken op basis van experimenten en observaties. Hij trok conclusies die hij controleerden met nieuwe experimenten. Kennis moest gebaseerd zijn op het doen van proeven en eigen waarneeming.
Door de verschijning van wetenschappelijke tijdschriften die de uitwisseling van ideeen en verspreiding van kennis bevorderen, leidde de wetenschappelijke revolutie tot optimisme.

Geschiedenis Hoofdstuk 7.1
De verlichting

Kenmerkend aspect: rationeel optimisme en toepassing van verlicht denken.

De wetenschappelijke ontdekkingen in de 17e eeuw leidden tot groot optimisme over de mogelijkheid om met behulp van het verstand alles te begrijpen en te verbeteren. Geleerden ontwikkelden op allerlei maatschappelijke terreinen nieuwe, vaak revolutionaire ideeen.

Rationeel denken en vrijheid tot een betere wereld, is typerend voor de verlichting in de tijd van pruiken en revoluties. De verlichting volgde op de wetenschappelijke revolutie van de 17e eeuw. Toen waren door experimenten, onderzoek en logisch denken veel ontdekkingen gedaan. Dat leidde tot groot optimisme over de mogelijkheid om met het verstand alles te begrijpen en de wereld te verbeteren. In de 18e eeuw werd alles onderwerp van onderzoek, niet alleen de natuur, maar ook godsdienst, politiek, sociale verhoudingen en de economie.

Verlicht denken zou volgens aanhangers van de verlichting een einde maken aan de ‘duistere’ tijd van onwetendheid, intolerantie, geloofsfanatisme en onredelijke verschillen tussen mensen. Ze waren ervan overtuigd dat kennis en rede superieur waren aan traditie en geloof. Rationalisme leidde tot vooruitgang.
Een van de opvallendste kenmerken van de verlichting was de kritiek op godsdienstige fanatisme en intolerantie. De bekendste schrijver daarvan was de Franse schrijver Voltaire. Hij eindigde al zijn brieven met ecrazez (verpletter het schandelijke), waarmee hij doelde op het bijgeloof en de intolerantie die de rooms-katholieke kerk volgens hem verbreidde. Toch was Voltaire geen atheïst, zoals sommige andere verlichte denkers, maar een deist. Volgens hem had God de wereld wel gemaakt, maar greep hij niet meer in.
Verlichte denkers ontwikkelden nieuwe politieke ideeen. De Engelse filosoof John Locke stelde dat koningen en regeringen hun macht niet hebben ontvangen van God, maar van de burgers. Die hebben een deel van hun rechten aan de overheid overgedragen, zodat de overheid kan zorgen voor veiligheid en kan helpen bij het oplossen van conflicten.  Het was de taak van de overheid om de natuurlijke rechten van de burgers te beschermen. Tot die mensenrechten behoorden het recht op leven, vrijheid en bezit. De overheid stond volgens Locke niet boven de wet, maar moest zich net als iedere burger aan houden. De burgers mochten een regering en een vorst vervangen als die niet meer hun instemming hadden. Volgens de Engelsman Montesquieu ontstond er gemakkelijk machtsmisbruik als alle machten in handen was van een persoon. In zijn boek De l’esprit des lois (Over de geest van de wetten) legde hij uit dat e wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht van elkaar gescheiden moesten worden. Volgens zijn driemachtenleer moest het parlement wetten vaststellen, moest de regering de wetten uitvoeren en moesten onafhankelijke rechters hun naleving controleren. De Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau werkte het begrip volkssoevereiniteit uit. Regeringen moesten volgens hem ‘de algemene wil’ uitvoeren. Maar wat was de algemene wil? Volgens Rousseau was dat niet hetzelfde als de wil van de meerderheid. Hij stelde dat in een democratie het volk zijn soevereiniteit overdroeg aan een volksvergadering. De besluiten van de volksvergadering waren dan de uitdrukking van de algemene wil.

Geschiedenis Hoofdstuk 7.2
Het ancien regime

Kenmerkend aspect: ancien regime en verlicht absolutisme.

In de 18e eeuw bleef Frankrijk een standenmaatschappij en de Franse koningen hielden vast aan het absoluut koningschap. In andere landen, zoals Pruisen, voerden verlichte vorsten hervormingen door.

In Frankrijk werd kritiek niet geduld en iets werd heel gemakkelijk als kritiek opgevat. Er bestond een kloof tussen de idealen van de verlichte denkers en de onvrijheid, de intolerantie en ongelijkheid in de Franse maatschappij. De Franse economie maakte in de 18e eeuw een indrukkende groei door. De gegoede burgerij werd er rijk van, maar Frankrijk bleef een standenmaatschappij. De Franse koningen hielden vast aan het absolutisme en de abel versterkte zijn positie in het staatsapparaat ten kosten van de burgerij. De landbouwproductie nam toe, maar de boeren leden onder de belastingen en de talloze plichten die de edelen hun oplegden. In 1789 verscheen in Frankrijk een pamflet met een tekening van een edelman en een geestelijke die op de rug van een boer zaten. Het gaf de toestand onder het ancien regime aan het vooravond van de Franse revolutie goed weer. Boeren en burgers draaiden op voor de hoge kosten van de koninklijke hofhouding en de oorlogen die Frankrijk voerde. Het behoorde immers tot de voorrechten van de adel en geestelijkheid dat ze van allerlei belastingen waren vrijgesteld. Politiek; absolutisme, koning had alle macht. Economie; snelle groei van steden. Sociaal; standenmaatschappij met voorrechten van de adel en geestelijken.

In 1750 ging Voltaire in op de uitnodiging van Frederik II de Grote van Pruisen om in het Duitse Versailles te komen wonen. Frederik beschouwde het koningschap niet als een goddelijk recht; hij zag zichzelf als eerste dienaar van de staat. Frederik wilde het volk verlichten van het absolutisme maar bleef een absolute vorst. Zijn manier van regeren wordt verlicht absolutisme genoemd. Hij regeerde onder het motto: ‘alles voor het volk, niets door het volk’. Voor medezeggenschap vond hij zijn onderdanen te dom. Boeren en burgers liet hij veel belasting betalen, terwijl de adel daarvan vrijgesteld bleef.

In Nederland hadden de regenten weer alleen voor het zeggen nadat stadhouder Willem II kinderloos storf. Ze werden door niemand gecontroleerd en hoefden aan niemand verantwoording af te leggen. Een groeiende corruptie was het gevolg. Regenten lieten zich omkopen en maakte afspraken over de verdeling van de goed betaalde ambten. De bloeitijd van de economie was voorbij en de Republiek had torenhogen schulden. Terwijl de misère onder het volk toenam, werden de regenten steeds rijker. Toen in 1747 Franse troepen de Republiek binnentrokken, ging het volk overal de straat op en riep om Oranje, net als in het Rampjaar 1672. Al snel werd de Friese stadhouder Willem IV in alle gewesten tot stadhouder geroepen. Het stadhouderschap werd erfelijk verklaard en de stadhouder kreeg bijna overal het laatste woord bij de benoeming van bestuurders.

Geschiedenis Hoofdstuk 7.3
De democratische revoluties

Kenmerkend aspect: de democratische revoluties.

Eind 18e eeuw braken in Noord-Amerika, de Republiek en Frankrijk revoluties uit. Oude privileges werden afgeschaft, er kwamen grondwetten en burgers kregen invloed op het bestuur.

In 13 Britse kolonies in Noord-Amerika kwamen in 1763 in botsing met hun moederland. De Amerikanen wilde geen belasting meer betalen, zolang ze niet waren vertegenwoordigd in het Britse parlement; no taxation without representation. Om het verzet te bundelen, richtten ze in 1774 het Continentaal Congres op waarin alle kolonies vertegenwoordigd waren. Een jaar later brak tussen de kolonies en Groot-Brittannië de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog uit. Op 4 juli verklaarde de 13 kolonies zich onafhankelijk. In de Onafhankelijkheidsverklaring klonken luide woorden van Locke door. De nieuwe staat werd gebaseerd op het idee dat alle mensen gelijk zijn en onvreemdbare rechten hebben, waaronder het recht op leven, vrijheid en het nastreven van geluk. Regeringen moeten die mensenrechten garanderen. Hun gezag berust op de instemming en die mogen een regering afzetten en een nieuwe instellen. In 1783 erkende Groot-Brittannië de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika. De VS namen daarna de eerst geschreven grondwet ter wereld aan en werden een rechtsstaat.

De democratische revolutie sloeg vanuit Amerika over naar de Nederlandse Republiek. Het pamflet vormde het startsein voor een democratische beweging. Na 1786 verjoegen gewapende patriotten, zoals de Nederlandse democraten zich noemden, in meerdere steden de regenten en installeerden een democratisch bestuur. Stadhouder Willem V zocht een veilig heenkomen in Nijmegen. Maar in 1787 maakte zijn zwager, de koning van Pruisen, met een leger een eind aan de patriottenopstand. In de winter van 1794/85 keerde ze terug met het Franse revolutionaire leger en roepen de Bataafse Republiek uit. Stadhouder Willem V vluchtte naar Groot-Brittannië. Daarna werd een Nationale Vergadering gekozen. Die nam in 1798 een democratische grondwet aan, hief de onafhankelijkheid van de gewesten op en maakte Nederland een eenheidsstaat. In 1806 maakte Napoleon een eind aan de Bataafse Revolutie en liet Nederland een koninkrijk worden met zijn broek Lodewijk Napoleon als koning.

Frankrijk steunde de Amerikanen tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Door de oorlog liep de enorme staatsschuld van Frankrijk nog verder op. De staatsschuld kon alleen worden teruggedrongen als adel, geestelijkheid en hogere burgerij meer belasting gingen betalen. Maar die weigerden dat zolang ze geen invloed kregen op de besteding van het geld. In 1788 zag koning  Lodewijk XVI geen andere uitweg dan de Staten-Generaal bijeen te roepen, die in mei 1789 bijeen kwam in Versailles. Onenigheid over de manier van stemmen leidde ertoe dat de derde stand (de burgerij) zichzelf in juni uitriep tot Nationale Vergadering.

In Parijs was het volk door honger en armoede al langer onrustig. De dreiging van een militair optreden tegen de Nationale Vergadering ontketende de volkswoede. Eerst bestormden mensenmassa’s in Parijs de wapendepots en op 14 juli nam een menigte de Bastille in. Dat wordt gezien als het begin van de Franse Revolutie. In augustus nam de Nationale Vergadering de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger aan. Volgens deze verklaring was het volk soeverein, waren de mensen vrij en gelijk voor de wet en moesten de staat hun onvervreemdbare rechten in stand houden. Om de financiële problemen op te lossen, onteigende de Nationale Vergadering het bezit van de kerk en verkocht het.

In de Nationale Vergadering had de gegoede burgerij de meerderheid. Zij bracht in september 1791 een grondwet tot stand die van Frankrijk een constitutionele monarchie maakte. De koning hield de uitvoerende macht. De wetgevende macht kwam in handen van een Wetgevende Vergadering die werd gekozen door 60 procent van de volwassen Franse mannen. Alleen mannen met een bepaald inkomen kregen het volledige staatsburgerschap, inclusief kiesrecht. De gegoede burgerij wilde rust en orde, maar raakte na 1791 haar greep op gebeurtenissen kwijt. Koning Lodewijk XVI en koningin Marie Antoinette verspeelden het vertrouwen met een mislukte vlucht naar het buitenland. In het voorjaar 1792 groeiden de geruchten dat Oostenrijk en Pruisen samen met Franse edelen met geweld de oude orde wilden herstellen. Daarom verklaarde de Wetgevende Vergadering in april 1792 de oorlog aan Oostenrijk en Pruisen. Een Oostenrijks-Pruisisch leger rukte op en bezorgde de Fransen een eerste nederlaag. Daarop barstte in Parijs de volkswoede weer los. Onder druk hiervan werd de koning afgezet en werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven met kiesrecht voor alle mannen die de revolutie trouw zwoeren.

Geschiedenis Hoofdstuk 7.4
Kolonialisme en slavernij

Kenmerkend aspect: uitbreiding van de Europese overheersing met plantageslavernij en het abolitionisme.

In de 16e eeuw gingen de Spanjaarden en de Portugezen slaven uit Afrika halen. Ze stelden hen tewerk op de plantages in hun Amerikaanse kolonies. Later gingen ook andere landen aan de trans-Atlantische slavenhandel meedoen. Tijdens de verlichting ontstond een beweging tegen slavernij.

De trans-Atlantische slavenhandel was onderdeel van de driehoekshandel tussen Europa, Afrika en Amerika. Aan de kusten van West-Afrika kochten de Europese kooplieden de slaven van Afrikaanse opkopers. De slaven werden op overvolle schepen naar Amerika gebracht. De slaven werden in Amerika verkocht, met de opbrengst werden plantageproducten gekocht die naar Europa gingen. Deze driehoekshandel werd beheerst door handelskapitalistische compagnieën zoals de WIC.

In de 18e eeuw ontstond een beweging tegen de slavernij: het abolitionisme. Het werd geïnspireerd door het christendom en de verlichting. Verlichte critici vond de slavernij in strijd met de natuurlijke gelijkheid van de mensen. Volgens Adam Smith was slavernij ook economisch ongunstig: mensen werden door loon meer geprikkeld om te werken dan door dwang. In 1787 richtten abolitionisten in Groot-Brittannië de Society for the Abolition of the Slave Trade op. Ze legde dossiers aan met bewijzen van misstanden/ Ze schreven pamfletten, gaven lezingen en lobbyden bij Lagerhuisleden. Om aanhangers te winnen, gebruikten ze een tekening met een getekende zwarte man, met de tekst ‘Am I not a man and a brother’. Pottenbakker Wedgwood liet er 200 000 medaillons van bakken die internationaal werden verspreid. De beweging had succes. In 1807 verbod de Britse regering de slavenhandel en in 1833 werd de slavernij in alle Britse kolonies afgeschaft.

Geschiedenis Hoofdstuk 8.1
De industriele revolutie

Kenmerkend aspect: de industriële revolutie

In Groot-Brittannie was de industriele revolutie begonnen. Vanaf het begin van de geschiedenis was bijna alle werk met de hand gedaan. Energie kwam uit spierkracht van mensen en trekdieren, soms aangevuld met water en wind. In de industrie maakte handwerktuigen plaats voor machines, die werden aangedreven dor stoom en later gas of elektriciteit. Er kwam een voortdurende technologische vooruitgang op de gang, waarbij de productie werd gemechaniseerd. Het was geen plotselinge verandering. De industrialisatie begon in de 18e eeuw in Groot-Britannie en verbreidde zich daarna geleidelijk over de wereld. In China bijvoorbeeld kwam de industriele revolutie pas vanaf 1980 goed op gang.

De industrialisatie begon met tamelijk simpele uitvindingen in de textielnijverheid. De eerste machines waren van hout. Rond 1800 kwamer er sterkere, ijzeren machines. De industriele revolutie had ook te maken met andere veranderingen. Belangrijk was de agrarische revolutie. Vanaf de 17e eeuw slaagden de Britse landadel en grote boeren erin de landbouwmethodes te verbeteren. Daardoor konden meer mensen worden gevoed. De Britse bevolking groeide en op het land was minder arbeid nodig. Zo kwam een leger goedkope arbeidskrachten beschikbaar voor de industrie. Een andere onmisbare verandering was de transportrevolutie. Tot ver in de 18e eeuw was het onmogelijk grote hoeveelheden goederen over het land te vervoeren.

De industriele revolutie betekende voor de mensheid de grootste verandering sinds de uitvinding van de landbouw. De landbouwstedelijke samenleving maakte plaats voor een nieuw type maatschappij: de industriele samenleving. De bevolking groeide in een tempo dat nog nooit was voorgekomen.

Geschiedenis Hoofdstuk 8.2
Politiek-Maatschappelijke stromingen

Kenmerkend aspect: de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme en socialisme

In 1815 kwam een eind aan een lange tijd van oorlogen en revoluties in Europa. Vanaf 1792 had het revolutionaire Frankrijk er met zijn veroveringen voor gezorgd dat vorsten in Duitsland, Italië en andere landen van de troon waren gestoten en dat er grondwetten waren ingevoerd. Op het Congres van Wenen kwamen de overwinnaars bij elkaar om afspreken te maken over de naoorlogse orde. Frankrijk werd opnieuw een monarchie, Nederland werd een monarchie met de zoon van de laatste stadhouder als koning Willem I. Duitsland ging bestaan uit een los verbond van tientallen monarchieën, waaronder twee groten mogendheden: in het noorden Pruisen en in het zuiden het Habsburgse keizerrijk (Oostenrijk).

Kort na 1815 ontstonden meerdere politieke stromingen die zich tegen de bestaande orde verzetten. De eerste was het liberalisme. De liberale ideeen kwamen uit de verlichting en de democratische revoluties. De liberalen wilde een grondwet die de macht van de koning beperkte en de burgerrechten garandeerden. De regering moest ondergeschikt zijn aan een gekozen volksvertegenwoordiging en de wet moest voor iedereen gelijk zijn. De liberalen stelden de vrijheid van het individu voorop.
Ook het nationalisme keerde zich tegen de bestaande orde. Nationalisme en liberalisme waren nauw verwant: veel nationalisten waren liberaal. Volgens het nationalisme hadden volkeren recht op een eigen staat, een natiestaat.

Nationalisme en liberalisme waren bewegingen van de burgerij. Het socialisme was een beweging van de arbeiders. Ook socialistische ideeen kwamen voort uit de verlichting en de democratische revoluties. Terwijl het nationalisme de natie vooropstelde en het liberalisme de vrijheid, ging het de socialisten om de vrijheid. Ze kwamen op voor de onderdrukten en bestreden verschillen in de mach en inkomen. Tegenover liberalisme, nationalisme en socialisme stond het conservatisme, dat de gevestigde orde wilde handhaven. Conservatieven vonden het idee van vrijheid en gelijkheid gevaarlijk.
Rond 1900 groeide binnen het socialisme een gematigde vleugel, die reformisme wordt genoemd. De reformisten stelden dat het lot van de arbeiders wel dergelijk binnen de bestaande maatschappij kon worden verbeterd. Ze aanvaardden de parlementaire democratie en wilde samen met ‘burgerlijke’ partijen hervormingen doorvoeren. Andere socialisten bleven de revolutie vooropstellen. Het leidde tot veel geruzie en in 1919 tot een definitieve breuk. Het socialisme viel uiteen in de gematigde sociaaldemocratie en het revolutionaire communisme.

Geschiedenis Hoofdstuk 8.3
Democratisering

Kenmerkend aspect: de voortschrijdende democratisering

De jaren 1815-1919 waren in Europa en de VS een tijd van democratisering. Daarbij ging het om twee dingen. In de eerste plaats de invoering van een parlementair stelsel: de volksvertegenwoordiging en niet de vorst of de regering moest het laatste woord hebben. En in de tweede plaats de uitbreiding van het kiesrecht. Een parlementair stelsel wordt pas een parlementaire democratie als de volksvertegenwoordiging wordt gekozen met algemeen kiesrecht, waarbij de stem van alle volwassen mannen en vrouwen even zwaar telt. In Duitsland mislukte ze grotendeels, in Nederland en Groot-Brittannië slaagde de democratisering wel.

Groot-Brittannië had een eeuwenoude parlementaire traditie. Sinds de middeleeuwen werd de macht van de koning beperkt door het parlement. In het Hogerhuis zaten edelen die hun zetel dankten aan hun hoge geboorte of benoeming door de koning, het Lagerhuis was gekozen via een districtenstelsel. De strijd om de democratisering ging niet om de rechten van het parlement, maar om het kiesrecht. In 1919 kwam er algemeen mannenkiesrecht en kregen ook de meeste vrouwen kiesrecht. In 1928 kreeg Groot-Brittannië volledig algemeen kiesrecht.

Het Koninkrijk der Nederlanden was vanaf het begin een constitionele monarchie met een grondwet en een volksvertegenwoordiging onder de oude naam Staten-Generaal. Maar aanhankelijk was de macht van de koning nauwelijks beperkt en regeerde hij zonder rekening te houden met het parlement. Dat veranderde in 1848, toen het na de volksopstand in Parijs ook onrustig in Nederland werd. Om te voorkomen dat hij net als de Franse koning moet vluchten, vroeg Willem II de liberaal Thorbecke een nieuwe grondwet te schrijven. Hierdoor kreeg Nederland een parlementair stelsel, maar democratie was nog ver weg. Door het censuskiesrecht mocht slechts 1 op de 8 mannen stemmen. Pas vanaf 1887 werd het kiesrecht ook in Nederland uitgebreid. In 1917 kwam er algemeen mannenkiesrecht, in 1919 kregen vrouwen ook kiesrecht.

In Duitsland liep het minder goed af. De koning wilde meer geld voor het leger, maar de liberalen wilden dat alleen goedkeuren als het parlement ook wat over het leger te zeggen kreeg. Dat vond de koning onacceptabel. Zijn kanselier Bismarck besloot het parlement gewoon te negeren. Bismarck zette de legeruitbreiding zonder parlementaire goedkeuring door. De Duitse eenwording maakte hem daarna zo populair dat de conservatieven de verkiezingen wonnen. Bismarck kon daardoor Duitsland een grondwet geven die de keizer grote macht gaf.

Geschiedenis Hoofdstuk 8.4
De emancipatiebewegingen

Kenmerkend aspect: de opkomst van de emancipatiebewegingen: feminisme en confessionalisme

Het feminisme was net als het socialisme en het confessionalisme een emancipatiebeweging. Streefde het socialisme naar een betere positie van arbeiders en het feminisme naar gelijkberechtiging van vrouwen, het confessionalisme streefde naar een volwaardige positie in de samenleving voor streng gelovige christenen.

Geschiedenis Hoofdstuk 8.5
De sociale kwestie

Kenmerkend aspect: discussies over de sociale kwestie

De armoede, ellende en onvrede van de arbeiders leidde tot discussies over de sociale kwestie. (vraagstuk van de armoede en de slechte leef- en woonomstandigheden van de arbeiders in de 19e eeuw) Hoe kon die worden opgelost? Om het beter te krijgen richtten arbeiders zelf vakbonden op, die met werkgevers onderhandelden over lonen en andere arbeidsvoorwaarden.

Liberalen dachten dat het vanzelf beter zou gaan. Als de economie zich verder ontwikkelde, zou iedereen daarvan profiteren. Veel liberalen geloofden dat de armoede hun eigen schuld was. Het kwam door domheid, luiheid en drankzucht. De overheid moest armen niet steunen, want dan zou ze nietsdoen belonen. Nodig was een nachtwakersstaat, waarin de overheid voor orde en rust zorgde en zich verder niet met de maatschappij bemoeide.

Socialisten zagen armoede als een gevolg van het kapitalisme. Door de concurrentie hielden de kapitalisten de lonen zo laag mogelijk. Marx vond bovendien dat de arbeider door het fabriekswerk werd vernederd.

Ook confessionelen waren kritisch over het kapitalisme. De paus stelde dat kapitalistische hebzucht tot mensonwaardige armoede leidde. Volgens hem moesten arbeiders en werkgevers naar het voorbeeld van de vroegere gilden organisaties vormen en door samenwerking de sociale kwestie oplossen.

Geschiedenis Hoofdstuk 8.6
Het moderne imperialisme

Kenmerkend aspect: het moderne imperialisme en de industrialisatie

In Afrika hadden de Europeanen tot de 19e eeuw alleen wat forten en handelsplaatsen aan de kusten. Zelfs rond 1870 was het grootste deel van het enorme continent voor hem nog volkomen onbekend. Maar in de tijd van het moderne imperialisme (Europese expansie vanaf 1870, waarbij Europese mogendheden hun koloniale bezit uitbreidden en hun kolonies grondiger exploiteerden) veranderde dat. Er ontstond een wedloop om de witte vlekken op de kaart in bezit te nemen. Op de conferentie van Berlijn (1884/1885) kreeg de Belgische koning Leopold het onbekende Congo, een gebied zo groot als West-Europa. De rest van Afrika werd verdeeld in invloedssferen, waar de Europese mogendheden kolonies mochten stichten.

Het verband tussen de industriële revolutie en het moderne imperialisme: het veroveren van grondgebied voor afzetmarkten en grondstoffen nodig voor de industrie en mogelijk door de industrie. Dit ging samen met een cultureel-racistisch superioriteitsgevoel.

Geschiedenis Hoofdstuk 9.1
De Eerste Wereldoorlog

Kenmerkend aspect(en)-: het voeren van twee wereldoorlogen, en: verwoestingen door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van burgers bij de oorlog. 

Oorzaken Eerste Wereldoorlog:
1. Militarisme
2. Bondgenoten
3. Nationalisme
4. Wapenwedloop
5. Moderne Imperialisme

Op 28 juni 1914 werd in de Bosnische stad Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand doodgeschoten. De dader was een Servische nationalist. Oostenrijk-Hongarije wilde Servië nu een lesje leren. Duitsland beloofde Oostenrijk-Hongarije steun om Servië te straffen op welke manier het ook maar wilde. Op 28 juli 1914 verklaarde Oostenrijk-Hongarije Servië de oorlog. Drie dagen later viel Duitsland België binnen. In de reactie daarop verklaarde Groot-Brittannië Duitsland de oorlog. De geallieerden Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland vochten tegen de centralen Duitsland, het Ottomaanse rijk en Oostenrijk-Hongarije. In april 1917 verklaarden de Verenigde Staten Duitsland de oorlog. Het werd een echte wereldoorlog.

1917 kwam in Rusland het volk in opstand. De tsaar trad af. De nieuwe regering zette de oorlog voort, maar het land bleef in chaos. In oktober greep de communist Lenin de macht. Zijn regering sloot in maart 1918 vrede met Duitsland. In 1916 treden de Britten op met een nieuw wapen, de tanks. Intussen viel Oostenrijk-Hongarije uiteen. Terwijl het Duitse leger nog in Frankrijk en België lag, kwamen in Duitsland arbeiders en matrozen in opstand. De keizer vluchtte naar het neutrale Nederland. Duitsland moest de strijd staken. Op 11 november 1918 volgde de wapenstilstand.

In 1919 moest Duitsland de Vrede van Versailles tekenen met hierin:
1. De oorlog de schuld was van Duitsland.
2. Duitsland enorme herstelbetalingen moest betalen
3. Duitsland verloor Elzas-Lotharingen aan Frankrijk
4. Duitse kolonies kwamen in bezit van Groot-Brittannië, Frankrijk en België
5. Duitsland mocht een klein en zwak bewapend leger behouden

Geschiedenis Hoofdstuk 9.2
De economische wereldcrisis

Kenmerkend aspect: de crisis van het wereldkapitalisme

Het optimisme droeg bij aan een voortdurende stijging van de aandeelkoersen. Mensen kochten aandelen in de verwachting dat die nog meer waard zouden worden. Maar in 1929 ontstond twijfel. En op 24 oktober 1929, Zwarte Donderdag, sloeg de paniek toe. Op Wall Street, de beurs van New York, gingen de koersen hard omlaag.  De dagen daarna verkochten mensen massaal aandelen. De koersen stortten in en van de waarde van veel aandelen bleef weinig over. De beurskracht werd gevolg door een wereldwijde recessie. Banken, industriële bedrijven en boeren gingen massaal failliet. Vele verloren hun spaargeld. De productie kromp, de werkloosheid steeg. In 1932 zat een kwart tot een derde van de Amerikanen zonder werk.

Een belangrijke oorzaak van de Grote Depressie was dat in de voorgaande jaren de lonen waren achtergebleven bij de productie. De landbouw en de industrie waren veel meer gaan produceren. De lonen waren ook gestegen, maar niet hard genoeg. Om huizen, auto’s, aandelen en andere producten te kunnen kopen, hadden veel Amerikanen geld geleend. Onder het motto live now, pay later hadden ze massaal op afbetaling gekocht. De economische crisis maakte daaraan abrupt een eind. Andere oorzaken waren ook dat de huizen massaal werden verkocht waardoor de huizenprijzen enorm omlaag gingen. Door dit alles gingen ook de banken failliet.

Geschiedenis Hoofdstuk 9.3
De totalitaire systemen

Kenmerkend aspect: de totalitaire ideologieën communisme, fascisme en nationaalsocialisme.

Lenin was de leider van een tamelijk klein groepje communisten. De aanhang van Lenin groeide en op 7 november gaf hij het sein voor een opstand. Na Lenins machtsovername brak in Rusland een burgeroorlog uit, waarin met nietsontziende wreedheid werd gevochten. Daarna stichtten ze in 1922 de Sovjet-Unie: in feite een strak geleide eenpartijstaat. Na Lenins dood kwam Stalin aan de macht. Hij bouwde vanaf 1929 met grof geweld een industriële samenleving op. Stalin liet zoals hij het zei, de boeren ‘als klasse liquideren’. Alle boeren moesten hun oogst inleveren en hun grond afstaan aan collectieve boerderijen.

Ten westen van Rusland ontstonden in 1918 overal democratieën. Maar in het interbellum stortten die in Zuid-, Oost- en Midden-Europa bijna allemaal in. Het eerst gebeurde dat in Italië. Zoals veel landen kampte Italië na de Eerste Wereldoorlog met chaos en geweld. Er waren voortdurend stakingen en rellen. Arbeiders bezetten fabrieken en landerijen.  Hun leider Mussolini vormde in 1919 de fascistische beweging. Ze dreigden met geweld als ze niet de macht kregen. De regering aarzelden, maar de koning benoemde Mussolini tot regeringsleider. Al snel trok de duce (leider), zoals Mussolini zich liet noemen, alle macht naar zich toe. Hij liet tegenstanders opsluiten en vermoorden, verbood alle andere partijen en vestigde een dictatuur.

Ook in Duitsland liep de oorlog uit op chaos, met straatgevechten van linkse arbeiders en nationalistische oorlogsveteranen. Een van die veteranen, Adolf Hitler, werd de leider van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). In 1923 werd hij in München gearresteerd. Toen de economie opbloeide leek Hitlers rol uitgespeeld, maar tijdens de crisis in de jaren 1930 groeide zijn aanhang sensationeel. De nazi’s kregen zoveel stemmen dat president Hindenburg zijn weerzin overwon en Hitler in januari 1933 benoemde tot regeringsleider. Net zoals Mussolini veroverde hij daarna in verbijsterend tempo de alleenheerschappij. De Duitse samenleving werd ‘gelijkgeschakeld’.

Fascisme en nationaalsocialisme leken op elkaar. Ze waren extreem nationalistisch en verheerlijken geweld en leiderschap. Voor de fascisten diende het Romeinse rijk als voorbeeld. Ook de nazi’s zagen zichzelf als erfgenamen van een roemrucht verleden, dat begon bij de Germanen uit de oudheid. Beide partijen vormde een enorm partijleger. De fascisten droegen zwarte uniformen, de nazi’s bruine. Naast het partijleger, de SA, vormde Hitler nog een eliteorganisatie waarvan alleen de ‘beste’ nazi’s lid konden worden: de SS. Een belangrijk onderdeel van de nazi-ideologie was de rassenleer. Volgens de nazi’s was het superieure ‘Arische’ of Germaanse ‘ras’ verwikkeld in een strijd op leven en dood met ‘minderwaardige rassen’ als de Slaven en joden. De communistische ideologie was heel anders. Lenin was een marxist en wees het nationalisme af. Toch had het communisme belangrijke overeenkomsten met het fascisme en nazisme. Het waren alle drie totalitaire ideologieën. Ze wilden leven, denken en voelen van de bevolking volledig beheersen.

Geschiedenis Hoofdstuk 9.5
Verzet tegen het imperialisme

Kenmerkend aspect: verzet tegen het West-Europese imperialisme

In het interbellum groeide in de kolonies in Azië verzet tegen het imperialisme. Naar het voorbeeld van Gandhi in India groeide in Indonesië een nationalistische beweging. In Afrika was van nationalisme nog nauwelijks sprake.

In Nederlands-Indië leefde vele volkeren, die zich niet met elkaar verbonden voelden. Het verzet van Soekarno en de zijnen was gebaseerd op een nieuw idee: het idee dat de Indonesische volkeren ondanks al hun verschillen toch een natie vormden. Ook in Brits-Indië woonden veel volkeren, maar ontstond toch een nationalistische beweging die onafhankelijkheid voor de hele kolonie wilde. Dit kwam door scholing en de Eerste Wereldoorlog.

De Britse regering gaf de Indiërs in 1919 meer rechten, maar de nationalisten wilde meer. Er braken gewelddadige opstanden uit. Tegelijk organiseerde de nationalist Gandhi geweldloos verzet. Hij zette de Britten onder druk met non-coöperatie: geen geweld gebruiken, maar weigeren mee te werken. De Britse regering zag zich uiteindelijk gedwongen met hem te onderhandelen en India meer autonomie te geven.
 

Geschiedenis Hoofdstuk 9.6
De Tweede Wereldoorlog

Kenmerkend aspect: het voeren van twee wereldoorlogen. En: verwoestingen door massa-vernietigingswapens en de betrokkenheid van burgers bij de oorlog.

Nazi-Duitsland begon een nieuwe oorlog om de heerschappij over Europa te krijgen. De Tweede Wereldoorlog leidde tot nog veel grotere verwoestingen en wreedheden en veel hogere dodenaantallen dan de Eerste Wereldoorlog.

In de vroege ochtend van 1 september viel Duitsland Polen binnen. 2 dagen later verklaarde Frankrijk en Groot-Brittannië de oorlog aan Duitsland. Een belangrijke oorzaak van de Tweede Wereldoorlog was het Verdrag van Versailles. De Duitsers voelden zich vernederd omdat ze niet over ‘het dictaat van Versailles’ hadden mogen onderhandelen. Hitler wilde revanche voor de Eerste Wereldoorlog. De oorlog moest worden overgedaan en ditmaal moest Duitsland de heerschappij over Europa krijgen. Vanaf het begin lapte hij het Verdrag van Versailles aan zijn laars. Nazi-Duitsland begon zich in razend tempo te bewapenen en lijfde in 1938 Oostenrijk in de Anschluss.

De andere mogendheden lieten Hitler zijn gang gaan. De Britse premier Chamberlain voerde een politiek van appeasement (verzoening): hij hoopte dat Hitler redelijk zou worden als hij zijn zin had gekregen. Hitler dreigde sinds de zomer Tjescho-Slowakije aan te vallen. Hij wilde het Tsjechische Sudetenland hebben, een voormalig deel van het Habsburgse rijk waar 3 miljoen Duitstaligen woonden. De oorlog leek onvermijdelijk. Maar op het laatste moment kwam Mussolini tussenbeide. In München werd een vredesconferentie gehouden. Daar beloofde Hitler zich voortaan rustig te houden als hij Sudetenland zou krijgen. Toen Duitsland in 1929 Praag binnenviel, begrepen Groot-Brittannië en Frankrijk dat Hitlers beloftes niets waard waren.

De oorlog begon met spectaculaire Duitse successen. Polen werd binnen 5 weken onder de voet gelopen. In maart 1940 namen de Duitsers in 1 dag Denemarken en Noorwegen in en op 10 mei 1940 vielen ze Nederland, België en Frankrijk aan. Wat Duitsland de hele Eerste Wereldoorlog niet was gelukt, was nu gelukt in 5 weken. Op de dag van de invasie in West-Duitsland werd Churchill premier van Groot-Brittannië. Hij had zich steeds tegen de appeasementpolitiek verzet en weigerde nu op te geven en vrede te sluiten. Onder zijn leiding vocht Groot-Brittannië een jaar lang alleen tegen Duitsland. In December 1940 besloot Hitler de Sovjet-Unie aan te vallen: operatie Barbarossa.

Op 22 juni 1941 vielen de Duitse troepen de Sovjet-Unie binnen. Het rode leger leek immense te verliezen. De Duitsers rukten over drie fronten op, maar vielen stil door de vroeg invallende winter. De Russen waren beter bestand tegen de kou en sloegen op 5 december de Duitsers uit Moskou. Op 7 december viel Japan de Amerikaanse vloot Pearl Harbor aan. Hitler was hierover zo opgetogen dat hij de VS de oorlog verklaarde. De VS, Sovjet-Unie en Groot-Brittannië waren bondgenoten; de geallieerden. De ‘grote drie’ spraken af om door te vechten tot de onvoorwaardelijke overgave van de asmogendheden Duitsland, Japan en Italië.  

De Duitsers hervatten in 1942 hun aanval in Zuid-Rusland. Ze bereikten Stalingrad, maar Stalin gaf bevel ‘zijn’ stad tot elke prijs te verdedigen. Na maanden van zware gevechten gaven de Duitsers zich op 31 januari 1943 over. Ze hadden de grootste slag uit de wereldgeschiedenis verloren. Er waren bijna een miljoen doden gevallen. In Juli 1943 won de Sovjet-Unie bij Koersk ook een gigantische slag waaraan meer dan 6000 tanks meededen. Vanaf toen was de Duitse nederlaag onvermijdelijk.

In het Oosten werden de Duitsers steeds verder teruggeslagen door het Rode Leger. In het zuiden veroverden de westerse geallieerden Noord-Afrika en daarna Zuid-Italië. Op 6 juni 1944, D-day landden ze in Normandië, waarna ze de Duitsers ook in het westen terugdrongen. Toch viel Berlijn pas op 2 mei 1945, nadat Hitler zelfmoord had gepleegd. Op 8 mei gaf Duitsland zich over.

Geschiedenis Hoofdstuk 9.7
De Holocaust

Kenmerkend aspect: racisme, discriminatie en genocide, in het bijzonder op de joden.

Europa had een lange geschiedenis van Jodenhaat. De nazi’s hingen een nieuw racistisch antisemitisme aan. In 1941 besloten ze alle joden uit te roeien. Tijdens de Holocaust werden 6 miljoen Europese joden vermoord.

Het was de eerste kennismaking van het westen met de genocide (volkerenmoord) op de joden. De Holocaust herinnert eraan waartoe racisme en discriminatie kunnen leiden. Verbittering en frustratie bleken wel degelijk een voedingsbodem voor antisemitisme (vijandigheid tegen joden). Het anti-joodse geweld wat allang zichtbaar was, barste los in de kristalnacht, in de nacht van 9 op 10 november 1938. Honderden joden werden vermoord en winkels en huizen werden geplunderd. Hitler gaf het uitmoorden van de joden in handen van de SS. De Endlösung (eindoplossing) van Hitler was dat het continent zou worden uitgekamd en alle joden vergast zouden worden in de daarvoor bestemde gaskamers in de vernietigingskampen. Eind 1942 waren er al vier miljoen joden vermoord.

Geschiedenis Hoofdstuk 9.8
De bezetting

Kenmerkend aspect: de Duitse besetting van Nederland.

10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Nederland was verbijsterd, want ze hadden gehoopt weer neutraal te blijven. Nederland capituleerde al op de vijfde dag. De regering, inclusief koningin Wilhelmina, vluchtte naar Londen. Hitler benoemde de nazi Seyss-Inquart tot rijkscommissaris, ofwel hoogste machtshebber in Nederland.  De bezetting (toestand waarin een legermacht een gebied is binnengetrokken en dat onder bedwang houdt) was begonnen. Via de Unie hoopten Duitsers de Nederlanders tot het nationaalsocialisme te bekeren, maar dat bleek een illusie. De onderdrukking en terreur namen toe. De joden werden weggevoerd. De bezetting werd onaangenaam. Auto’s en fietsen werden in beslag genomen, radio’s moesten worden ingeleverd. Velen doken onder om aan de dwangarbeid te ontkomen en er kwamen tekorten aan alledaagse artikelen, zoals textiel, schoenen en zeep. De Duitsers gedroegen zich steeds barser.

In september 1944 bevrijdden de geallieerden het zuiden, maar ze bleven steken bij de grote rivieren. In Holland en Utrecht volgde een Hongerwinter die duizenden mensenlevens kostte. Alles was grauw en treurig. Er was op straat geen verkeer meer, treinen reden niet meer, overal lag puin, vuilnis werd niet opgehaald, scholen bleven dicht, er was geen stroom meer en nog maar een heel klein beetje water. Toen in mei 1945 de bevrijding kwam, was Nederland geruïneerd. De bezetting was zo’n nachtmerrie geworden dat voortaan de geschiedenis werd opgedeeld in ‘voor en na de oorlog’.

Geschiedenis Hoofdstuk 10.1
Dekolonisatie

Kenmerkend aspect: de decolonisatie.

In 1945 begreep de Britse regering dat de dagen van het koloniale rijk geteld waren. Ze hadden ook hun handen vol aan de wederopbouw in hun eigen land. De nieuwe socialistische regering besloot daarom India zo snel mogelijk te verlaten. Deze aftocht leidde tot drama’s. De haat tussen moslims en hindoes kreeg alle ruimte en er vielen honderdduizenden doden. Brits-Indie viel uiteen in twee staten: India en Pakistan, hindoes in India, moslims in Pakistan. In Palestina liep het joods-Palestijnse geweld uit de hand, de joden riepen de staat Israel uit. De oorlog eindigde negen maanden later met de verdrijving van driekwart van de Palestijnen. Op 17 augustus 1945 riep Soekarno in Indonesië de onafhankelijkheid uit. Ho Chi Minh deed hetzelfde in Vietnam.

Twee nieuwe supermachten maakten de dienst uit: de VS en de Sovjet-Unie. Nederland stuurde soldaten naar Indonesië, maar het mocht niet baten, er kwamen er velen van om. Uiteindelijk dwongen de VS Nederland om Indonesië op te geven. Ook Frankrijk moest de Vietnam en Algerije opgeven en Nederland gaf vrijwillige Suriname de onafhankelijkheid. In Europa had de trots op de koloniale imperia (koninkrijk) plaatsgemaakt voor schaamte over het koloniale verleden.

Geschiedenis Hoofdstuk 10.2
De Koude Oorlog

Kenmerkend aspect: de verdeling van de wereld in twee ideologische blokken en de wapenwedloop.

De Tweede Wereldoorlog was nauwelijks voorbij toen een nieuw wereldwijd conflict ontstond: de Koude Oorlog (toestand van permanente vijandschap tussen de VS en de Sovjet-Unie, die van 1945 tot het einde van de jaren 1980 de wereldpolitiek beheerste. Er kwam een machtsverdeling in Europa en de gebieden werden verdeeld. De wereld raakte verdeeld in twee blokken. Midden in Europa kwam een ondoordringbaar ‘ijzeren gordijn’. Om te voorkomen dat Stalin ook andere landen in zijn macht kreeg, beloofde de Amerikaanse president Truman economische en militaire steun aan landen die door het communisme werden bedreigd. Met deze containmentpolitiek (indamming) wilde hij het communisme ‘indammen’. In de westerse bezettingszones kregen de Duitsers in 1949 weer een eigen staat: de Bondsrepubliek Duitsland. In de sovjetzone stichtten de communisten de Duitse Democratische Republiek (DDR). Daarmee was in Europa de blokvorming (tijdens de Koude Oorlog vormden de VS en de Sovjet-Unie twee vijandige. Ideologisch tegengestelde blokken) voltooid.

De Korea-oorlog veroorzaakte paniek in Europa. Met de atoombom leek Stalin gevaarlijker dan ooit. Miljoenen mensen sloegen al voedselvoorraden in, maar er gebeurde niets -> vandaar dat het de koude oorlog heet. In 1961 bouwde de DDR de Berlijnse Muur.

De zwaarste atoombommen werden getest, maar niet gebruikt, omdat ze zo’n ontzagwekkend vernielende kracht hadden. Toch ontstond er een bizarre wapenwedloop (race om het sterkste wapenarsenaal te krijgen). Ze bouweden kernraketten. Hierna sloten ze een wapenbeheersingsakkoord.

Men geloofde in de oude Romeinse overtuiging dat wie vrede wil, zich moet voorbereiden op oorlog. De kernwapens moesten de vijand afschrikken. Zo bleef de dreiging van een allesvernietigende atoomoorlog (oorlog gevoerd met kernwapens) bestaan. De angst voor een nucleaire Holocaust leidde in West-Europa tot massale protesten.

De Sovjet-Unie werd geregeerd door bejaarden, die de economische problemen twintig jaar lang hadden laten voortwoekeren. Hierna kwam Gorbatsjov aan de macht, en stopte de wapenwedloop. Na 1985 werd de Koude Oorlog verrassend snel beëindigd. Nadat Gorbatsjov had laten blijken dat hij het communistische blok niet meer met dwang bijeen zou houden, viel het in 1989 uiteen. De problemen in de Sovjet-Unie namen alleen maar toe. De Sovjeteconomie stortte in en in 1991 scheidde de ene na de andere Sovjetstaat zich af. De overgebleven staten hieven de Sovjet-Unie met Kerstmis 1991 op. De Koude Oorlog was definitief voorbij.

Geschiedenis Hoofdstuk 10.3
Welvaart en cultuur

Kenmerkend aspect: welvaart en social-culturele veranderingen in de jaren 1960.

Rond 1948 begon in de westerse wereld een lange periode van ongekende economische groei, die tot 1973 zou duren. Door de welvaart in deze ‘gouden jaren’ veranderde het dagelijks leven in Europa grondig en voorgoed, ook in Nederland. De regering gaf ruim baan aan de industrie en begon met de opbouw van de sociale zekerheid. Al in 1947 regelde Drees dat iedere 65-plusser een uitkering kreeg; later werd dat de AOW. In 1970 was het autobezit algemeen en stond er in bijna elke Nederlandse huiskamer een tv-toestel. De Nederlanders veranderen van een zuinig, sober volk in een natie van gretige consumenten.

In 1973 kwam abrupt een eind aan deze gouden jaren. Voor het eerst sinds de crisisjaren ontstond massawerkloosheid. Vooral in de industrie, werd veel geautomatiseerd, waardoor veel werkloosheid ontstond. Toch begon de welvaart na 1985 weer te stijgen. Vooral toen na 1995 de informatiemaatschappij (postindustriële samenleving -> samenleving waarin mensen in werk en vrije tijd veel gebruikmaken van informatie- en communicatietechnologie, zoals computers en mobiele telefoons) tot volle ontplooiing kwam.

De toenemende welvaart en bestaanszekerheid gaven een gevoel van vrijheid en onafhankelijkheid. Dat leidde tot grote sociaal-culturele veranderingen (veranderingen in de relaties tussen groepen in de samenleving, zoals mannen en vrouwen). Voorheen werkten mannen, vrouwen zorgden, kinderen gehoorzaamden hun ouders zonder vragen, over seks werd niet gesproken en de meeste Nederlanders gingen naar de kerk. Vanaf 1960 veranderde dat helemaal.

Het gezin bleef de meest voorkomende samenlevingsvorm, maar binnen het gezin veranderde veel. Thuiszitten voor de vrouw werd saai, dat was een van de oorzaken van de ‘tweede feministische golf’. De vrouwenemancipatie was onderdeel van een bredere ontwikkeling: de individualisering. Het individu met zijn behoeften stond centraal.

Geschiedenis Hoofdstuk 10.4
De Europese eenwording

Kenmerkend aspect: de eenwording van Europa.

De welvaartsgroei hielp de vijandschap in Europa te overwinnen. Na 1945 vochten de Europese landen hun meningsverschillen niet meer uit op het slagveld, maar aan de onderhandelingstafel. Europa werd een eenheid.

Schuman stelde voor de Franse en Duitse staal- en steenkoolsector onder gemeenschappelijk bestuur te brengen, dit om een revanche van de Duitsers te voorkomen. Het plan van Schuman leidde in 1952 tot de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Ze had zes leden: Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland, België en Luxemburg.

De Duitse hereniging werd voor Europa het uur van de waarheid. Op 9 november 1989 viel de Berlijnse Muur. Duitsland wilde zich herenigen met Oost-Duitsland.

De Duitse hereniging werd voor Europa het uur van de waarheid. Op 9 november 1989 viel de Berlijnse Muur. Duitsland wilde zich herenigen met Oost-Duitsland.

Er werd voorgesteld om de goede samenwerking te houden. Als symbool voor de eenheid werd de gemeenschap omgedoopt in Europese Unie (samenwerkingsverband van Europese staten). Er zou een gemeenschappelijke munt komen, en de euro kwam op 1 januari 2002.

Geschiedenis Hoofdstuk 10.5
Pluriforme en multiculturele samenlevingen

Kenmerkend aspect: de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen.

Veel Nederlands-Indiers hadden zich in Nederland gevestigd, maar in het begin vormden dit problemen. Na verloop van tijd gingen deze problemen over en vonden de Indo’s werk en gingen op in de samenleving. Met de Molukkers waren meer problemen. Ook dit veranderde na een tijd. Op een gegeven moment kwamen er grote groepen Turken en Marokkanen naar Nederland als ‘gastarbeiders’. Waar in het begin ook problemen waren met de Surinamers, werden zij op een gegeven moment een kleurrijke aanwinst van de multiculturele samenleving (een samenleving waarin verschillende culturen naast elkaar en door elkaar leven). Tegelijk groeide de onvrede over de asielzoekers en illegalen (mensen die niet legaal in een land verblijven).  Marokkaanse jongen werden steeds vaker in verband gebracht met overlast en criminaliteit. Veel Nederlanders voelden zich niet meer thuis in Nederland. De aanwezigheid van allochtonen en moslims had Nederland veranderd. Nederland was een pluriforme samenleving (veelvormig) geworden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.