SO H4 Paragraaf 1,2,3

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas vwo | 756 woorden
  • 3 februari 2009
  • 7 keer beoordeeld
Cijfer 6.4
7 keer beoordeeld

4.1

Vanaf 1750 kwamen er meer fabrieken in Groot-Brittannië.
In die fabrieken werkten arbeiders met machines aan een product.
De machines gingen sneller en regelmatiger dan handwerklieden.

Door de snelle groei van fabrieken had oorzaken:
- Het ging goed met de Britse economie
- De bevolking groeide snel
- Rijke boeren hadden grote stukken grond gekocht en probeerden nieuwe landbouwmethoden
- Met minder mensen kon voldoende voedsel geproduceerd worden
- De inkomens van mensen stegen


Doordat de inkomens stegen en de bevolking snel groeide kwam er vraag naar allerlei goederen.
Door de fabrieken kon er daar meer geproduceerd worden.
Door de verbeteringen in de landbouw en voldoende bevolking waren arbeiders beschikbaar.
Door de goede economie was er ook voldoende geld beschikbaar.
Door de kolonies konden de Britten goedkoop grondstoffen halen en verkochten ze hun producten aan de bevolking van de kolonies.
Door de aanwezigheid van grondstoffen in Gr.-Brit. zelf ging het ook sneller.

Er werden voor spinnen en weven nieuwe machines uitgevonden. De weef- en spinmachines die werden uitgevonden, werden door waterkracht aangedreven en waren zo groot dat ze niet meer in een huis pasten. Ze werden in fabrieken geplaatst die werden gebouwd bij rivieren.

Tussen 1790 en 1800 begonnen stoommachines waterkracht te verdringen.

Door de verbeteringen van James Watt werden ze bruikbaar in de fabrieken die gebouwd werden in de buurt van kolenmijnen.

De industrialisatie had hele grote gevolgen.
- Het verdrong de landbouw en de huisnijverheid als belangrijkste bestaansmiddel
- De industriële productie steeg en er werden uitvindingen gedaan
- Er kwamen grote steden
- Er werden kanalen gegraven voor beter vervoer voor grondstoffen en eindproducten

Veel landen volgden Gr.-Brit. De periode tussen 1760 en 1850 noemen we vanwege de ingrijpende veranderingen ook wel de tijd van de Industriële Revolutie.

4.2

Toen de wat rijkere boeren machines gingen gebruiken en stukken land van armere boeren opkochten, nam de werkgelegenheid in de landbouw sterk af.
Mensen trokken naar de grote steden om daar in de fabrieken werk te zoeken. Meeste dachten dat ze nog terug zouden keren naar het platteland maar in de meeste gevallen bleven ze in de grote steden.


Veel arbeiders werkten in de fabrieken onder slechte arbeidersomstandigheden:
- Ze maakte lange dagen. ( Meestal dagen van 14 – 16 uur, 6 dagen per week zonder vakantie )
- De arbeiders maakten geen compleet product, ze deden de hele dag dezelfde handeling.
- Het werk was erg gevaarlijk. Er gebeurden veel ongelukken. De lucht was vochtig en smerig, de machines maakten een oorverdovend lawaai.
- Omdat er minder werk was in de landbouw en de bevolking groeide, waren er meer dan voldoende arbeidskrachten beschikbaar. Ze kregen lage lonen. Als je protesteerde kreeg je ontslag.
- Kinderarbeid en vrouwenarbeid waren normaal. Ze moesten werken om de huishoudkosten te kunnen betalen. In veel fabrieken deden ze het fijne werk. Ze gehoorzaamden beter, daarom wilden veel fabriekshouders ze graag in dienst hebben.

Door de industrialisatie veranderde de samenleving heel erg. Er ontstond een klassensamenleving (= een samenleving opgebouwd uit klassen: groepen mensen met ongeveer hetzelfde inkomen en bezit. Het is in een klassensamenleving mogelijk om in een andere sociale laag te komen) Hoogste klasse: ondernemers. Laagste klasse: arbeiders.


4.3

De komst van de industrie had als gevolg dat heel vele mensen naar de stad verhuisden. Door deze urbanisatie groeiden in de 19e eeuw kleine steden uit tot grote steden.
Er ontstonden arbeiderswijken dichtbij de fabrieken. Ze moesten wel dicht daarbij wonen want er was nog nauwelijks OV, zoals trams of bussen. De huizen die er waren, waren klein en van slechte kwaliteit. Er was nauwelijks schoon drinkwater.
Afval en uitwerpselen kwamen op straat, in beerputten (vaak uitwerpselen), in grachten, beekjes en uitwerpselen. Mensen ademde smerige lucht in.
Door de slechte leefomstandigheden in de steden braken regelmatig epidemieën uit, zoals cholera en tyfus.
In tegenstelling tot in de dorpen letten de mensen in de grote veel minder op elkaar. Daardoor durfde men bijv. vaker naar de kroeg te gaan en de kerk links te laten liggen. Drankmisbruik kwam veel voor. Kinderen kregen geen onderwijs.
We noemen dit ook wel verpaupering van de bevolking.

De hogere klassen woonden in de buitenwijk, waar ze ruime huizen bouwden en mooie tuinen aanlegden. Als je echt veel geld had, ging je ver van de fabriekssteden wonen, op het platteland. Sommige rijken probeerden met liefdadigheid de armen te helpen. Ook de Kerk bood hulp.

Aan het eind van de 19e eeuw besloot de regering de mensen te helpen. Er werden rioleringen en waterleidingen aangelegd. Er kwamen minder ziektes. Er werd geld gebracht voor scholen en meer politieagenten. Er kwam ook meer OV, zodat de arbeiders verder van de fabrieken konden wonen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.