Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Samenvatting H4.1

Beoordeling 5.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 505 woorden
  • 2 juli 2014
  • 2 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.4
  • 2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

1000 – 1500 Tijd van steden en staten



Vijf kenmerken (kenmerkende aspecten) van deze periode zijn:



1. Sterke bevolkingsgroei,



2. Europese christenen hadden veel meer land veroverd,



3. Meer handel, steden leefden op.



4. Strijd tussen wereldlijke en geestelijke macht



5. Er ontstonden echte landen (Engeland, Frankrijk en Duitsland, daarna ook Nederland) waarin het bestuur zich centraliseerde



4.1 Expansie in Europa



In de Vroege Middeleeuwen kunnen we Europa het beste zo typeren:




  • Bevolking: De kleine hoeveelheid bevolking was arm en er waren continue invallen van andere volkeren (moslims, Vikingen en Hongaren)

  • Economie: Er was een agrarische samenleving (landbouw) en er waren geen steden (dus weinig handel).

  • Geloof / kerk: Bij weinig landen het katholieke geloof doorgedrongen, de kerk was slecht geregeld en er was geen moreel gezag voor de paus.

  • Grenzen van rijken: Grenzen van de staten veranderden voortdurend en de koning had weinig macht.



Rond het jaar 1000 zag Europa er anders uit, wel als volgt:




  • Bevolking: De bevolking was sterk toegenomen,

  • Economie: Handel bloeide weer op, steden bloeiden op,

  • Geloof / kerk: Europese christenen hadden veel land veroverd, kerk had veel macht en de paus had meer invloed,

  • Machtige landen: Engeland, Frankrijk en Duitsland waren machtige landen.



Tussen 1000 en 1500 was er sprake van een expansie van Europa. Hiervoor zijn twee verklaringen te geven:



1. 1    Ontginningen.



2       Betere werktuigen en nieuwe uitvindingen.



Twee oorzaken van de bevolkingsgroei waren:



1. Voedselproductie nam toe door Ontginningen en



2. Betere werktuigen en nieuwe uitvindingen.



Twee belangrijke landbouwuitvindingen waren:



1. IJzeren keerploegen met paarden,



2. Drieslagstelsel



Een gevolg van deze uitvindingen was, dat iedere uitvinding, weer een nieuwe nodig had, waardoor er steeds meer verbeteringen kwamen. Natuurlijk wed er ook meer voedsel geproduceerd. Dit kon weer verhandeld worden.



De economie in de stad bestond uit:



1. Handel(aar),



2. Nijverheid.



De 3 belangrijkste handels gebieden in Europa waren:



 1      Steden in Noord-Italie: Venetie, Genua, Pisa



2       Vlaanderen en Noord-Frankrijk



3       Hanzegebied in Noord-Oost Europa



De belangrijkste handelsproducten waren: Laken, de geweven vorm van wol en bier. (in de stad)



Specerijen, graan, wijn, vis, zout en metalen voorwerpen (Europa)



De plaatselijke en regionale handel was belangrijker dan de internationale, omdat de steden afhankelijk waren van het omliggende land qua voedsel, en omgedraaid ook. Het platteland was afhankelijk van de stad (nijverheid).



De 4 belangrijkste gebiedsuitbreidingen  in Europa tussen 1000-1300 waren:



1. Zuid-Italië,



2. Spanje,



3. Scandinavië,



4. Heilige land van moslims, de trekkingen van christenen daarheen.



Paus Urbanus II begon de eerste kruistocht in 1096, omdat



1. Hij het Heilige land terug wou, vond dat dit in bezit moest zijn van de christenen



2. Hoopte dat de Byzantijnse keizer zijn gezag zou accepteren.



De populariteit van deelnemers aan de Kruistochten valt als volgt te verklaren:



1. Beter bestaan in Palestina,



2. Kwamen in de hemel volgens de paus, als ze hier aan mee zouden doen.



3. Macht en roem hieruit krijgen, alleen ridders en edelen deden dat hierom.



Twee gevolgen van de Kruistochten waren:



1. Handelscontacten tussen Italië en Midden-Oosten bleven bestaan.



2. Europa maakte kennis met de hoogontwikkelde cultuur van de islam. 


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.