Module 8, Hollander in Indië t/m 3.1

Beoordeling 6.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1572 woorden
  • 2 september 2008
  • 4 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.8
  • 4 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Inleiding 1
De Hollanders streefden ernaar de machtigste handelaren in de Indonesische archipel te worden. Doordat ze goed georganiseerd waren, over meer technische hulpmiddelen beschikten en getrainde soldaten hadden, bereikten ze dat doel. Ze gingen zich steeds meer met de bestuurstaken van Indonesië bemoeien, en kregen een aantal gebieden in Indonesië in handen. Zo bouwde Nederland een heel koloniaal bestuur op over de hele Indonesische archipel.

1.1

Toen Nederland voor het eerst in 1596 in Indonesië aankwam, wemelde het van de buitenlandse kooplieden. Nederland wilde een plaats veroveren in die handelsnetwerken. Maar dit lukte niet zolang ze elkaar beconcurreerden, en andere handelaren waren niet van plan hun belangen op te geven.

Na 1602 kwam hier verbetering in. De Nederlandse kooplieden besloten samen te werken en richtten de VOC op. Deze handelsorganisatie kreeg het alleenrecht op de handel in Indonesië. Zij mochten daar verdragen sluiten met vorsten, oorlog voeren, nederzettingen stichten en bestuurstaken uitoefenen.
Na verloop van tijd wist de VOC zijn positie te versterken, door Indonesische vorsten militair te steunen. In ruil daarvoor dwong de VOC dan grondgebied of handelsrechten af.
Jan Pieterszoon Coen was de hoogste baas bij de VOC. Hij was de werkelijke grondlegger van Nederlands-Indië. Op de resten van Jakarta liet Coen Batavia bouwen, de centrale vestiging van de VOC in Indonesië. Het ideaal van Coen was om de VOC superhandelaar te maken van heel Zuidoost Azië. Dit plan werkte alleen niet.

1.2

Aan het eind van de 18e eeuw (1700-1800) verloor Nederland steeds meer handelsterrein aan de Engelsen. In 1811 veroverden de Engelsen de kolonie, maar droeg het gezag in 1816 over aan Nederland. De bevolking aanvaardde dit gezag niet en kwam geregeld in opstand. Bijvoorbeeld in de Molukken, de Molukkers begonnen een opstand met verzetsleider Matoelesia. Deze opstand werd neergeslagen.
Ook was er de Java-oorlog, hier brak een opstand uit die 5 jaar zou duren. Aanleidingen: Vorstendommen voelden zich vernederd door verlies van gezag en inkomen, de boerenbevolking leed onder misoogsten en een te hoge belastingsdruk, en de prins Dipanegara voelde zich vernederd. Ook deze prins begon een opstand. Dipanegara en Matoelesia worden nog steeds als grote verzetshelden beschouwd.

1.3

De kolonie zou veel geld moeten opleveren, maar tot nu toe had het alleen veen geld gekost. Maar de gouverneur generaal Johannes Graaf van den Bosch bedacht een plan om Indonesië winstgevend te maken. Hij voerde het cultuurstelsel in. Dit stelsel hield in dat Javaanse boeren 1/5 deel van hun land moesten gebruiken om landbouwproducten voor de Europese markt te verbouwen. Hiervoor kregen ze een vergoeding, een plantloon.

Nederlandse ambtenaren kregen toeslag op hun salaris naar gelang de hoeveelheid geleverde producten in hun bestuursgebied, zogenaamde cultuurprocenten.
Ondanks de druk op de boeren steeg de welvaart in sommige gebieden. Voor Nederland was het een goudmijn. Toch bracht het cultuurstelsel kritiek. Vooral vanuit Nederland. Er werd geprotesteerd tegen het misbruik dat bestuursambtenaren maakten van het stelsel. (Want zij kregen meer betaald als er meer geproduceerd werd). Daarom joegen ze de bevolking vaak op. De liberalen in Nederland wilden hiervan af. Er moest sprake zijn van ‘vrije arbeid’, hierdoor zouden de winsten hoger uitvallen. Door de Agrarische wet en de Suikerwet kwam het cultuurstelsel uiteindelijk ten val.
Het bestuur over Indonesië zag er zo uit: Het opperbestuur zat in Den Haag, het binnenlands bestuur was Europees, en het inheems bestuur in Indonesië. Het Indonesische bestuur was ondergeschikt aan het Nederlandse bestuur en moest de Nederlandse regels en wetten volgen.
Adat = Systeem van Indonesische regels en gebruiken

Inleiding 2

Multatuli wilde dat Indonesië niet werd bestuurd door een dief (Nederland) maar door een leidsman. Zijn woorden waren de voorboden van een andere Koloniale politiek die ontstond rond 1900.
Westers onderwijs voor de Indonesiërs werd heel belangrijk gevonden. Maar door de toegenomen kennis van de Indonesiërs gingen zij inzien dat ze tweederangs burgers bleven. Ze wilden zich bevrijden van de Nederlandse overheersing.

2.1

In 1870 kwam het einde van het cultuurstelsel in zicht. Hierdoor gingen niet de Nederlandse staat, maar vrije ondernemers van de kolonie profiteren. Ook werd er een nieuwe verbinding aangelegd tussen Nederland en Indonesië.
Eén van de nieuwe vrije ondernemers was J. Nienhuys. Hij wilde een tabaksplantage beginnen, en haalde uit Indonesië en Aziatische buurlanden ongeschoolde arbeiders, koelies genaamd. Nienhuys wilde het groots aanpakken, en richtte de Deli Maatschappij op. Ze wilden snel rijk worden, en dat lukte ze. Maar voor de koelies ging dit niet op. Ze werden slecht behandeld en hun beloning was mensonwaardig. Ze moesten zelf voor eten zorgen maar door de lange werktijden ging dit moeilijk. Wanneer hun werktempo te laag was, werd erop los geslagen. En wanneer de koelies weigerden, of zich verzetten, hadden de ondernemers het recht om geld- of lijfstraffen toe te passen. Deze werden poenale sancties genoemd. Pas in 1932 werden deze afgeschaft.
De eilanden buiten Java werden ook interessant voor ondernemers. Tot nu toe hadden ze weinig moeite gestoken in de Buitengewesten, vanwege te weinig geld en bestuursambtenaren. Maar de ‘onthoudingspolitiek’ kwam ten einde omdat Nederland bang werd dat andere landen anders deze buitengewesten zou afsnoepen.
Een gebied dat problemen gaf was Atjeh. Er gingen geruchten dat Atjeh een verbond met de VS en Italië wilde sluiten. Nederland voelde zich bedreigd, en stuurde een militaire strafexpeditie naar Atjeh. Dit leidde tot de Atjeh-oorlog. Keerpunt in de oorlog was ‘het verraad van Teuko Oemar’. Hij werd betaald en bewapend door de Nederlanders om Atjehers uit te schakelen, maar koos toch de Atjehse kant. De Nederlanders voelden zich te kijk gezet. Uiteindelijk werd het verzet gebroken.

2.2

In de periode tussen 1870 en de Eerste Wereldoorlog veranderde de kolonie op economisch en bestuurlijk gebied. Alles wat herinnerde aan de VOC tijd werd opgeruimd en er werd plaatsgemaakt voor een modern Nederlands-Indië. Maar er was veel kritiek op het economisch beleid. Ondernemers vonden dat de Nederlandse overheid te weinig geld uittrok voor de kolonie. Zij eisten dat de Nederlandse regering de winsten van het cultuurstelsel terug zou geven aan het koloniale bedrijfsleven. Ook de groep niet-ondernemers wilde teruggave van geld, maar dan aan de bevolking, het echte slachtoffer.
Hierna werd besloten het koloniale beleid te veranderen. Voortaan zou geld en arbeid worden vrijgemaakt voor welvaartsverbetering van de bevolking. Het land en volk moesten ontwikkeld worden onder Nederlandse leiding en naar westerse opvatting. Dit zou uiteindelijk moeten leiden tot zelfstandigheid. Dit nieuwe beleid werd de ethische koers genoemd.
De leuze in die tijd was: Irrigatie, migratie, educatie. Hierdoor wilden ze armoede, honger en ziekte bestrijden, en de bevolking goed onderwijs leveren.

2.3

Aan het begin van de 20e eeuw (1900-2000) werd er nog niet massaal gestreefd naar een onafhankelijk Indonesië. Er ontstonden wel een aantal politieke partijen, die hun idealen wilden bereiken door gebruik te maken van westerse kennis en cultuur zonder hun eigen cultuur overboord te gooien. Dit noemde men de associatiegedachte.
2 belangrijke partijen: Sarekat Islam en Partai Kommunis Indonesia (PKI). Zij werden gezien als bedreigers van het koloniale gezag.
De economische wereldcrisis in 1930 maakte een eind aan de welvaart. Er moest enorm worden bezuinigd. Salarisverlaging, ontslag en langdurige werkeloosheid konden niet uitblijven. De houding van veel Nederlanders veranderde, en kregen een hekel aan de ethische koers die zoveel geld kostte.
Er verschenen nationalisten op het gebied van politiek. Zij geloofden niet in nationalisme op basis van geloof, maar als volk. De nieuwe partij, ‘Partai Nasional Indonesia’ (PNI) was onder leiding van Soekarno en Hatta. Beide mannen zouden later de grondleggers worden van de Republiek Indonesië.
Soekarno wilde onafhankelijkheid voor Indonesië. Zijn leus was: “Eén vaderland, één taal, één natie”. Hij wilde de onafhankelijkheid bereiken door massa-acties en weigering om samen te werken met de Nederlanders. Dit werd non-coöperatie genoemd.
De nationalisten kregen weinig ruimte van de overheid om hun politieke idealen duidelijk te maken. Daarom besloot een aantal nationalisten zich verkiesbaar te stellen voor de volksraad. Zo konden ze vrij hun mening geven.
In de petitie-Soetardjo werd aan de Nederlandse regering gevraagd binnen 10 jaar Nederlands-Indië een zelfstandige positie binnen het Koninkrijk der Nederlanden te geven. Het antwoord was nee. Het gevolg was een breuk tussen de nationalisten en het Nederlands bestuur. Steeds meer Indonesiërs gingen nationalistisch denken.

Inleiding 3

De Japanners veroverden Nederlands-Indië in 1942. Zij wilden leider van Azië worden. Toen ze de oorlog tegen de geallieerden verloren, gaven ze zich over en beloofden de Indonesiërs onafhankelijkheid. Die kwam er op 17 augustus 1945. Die dag riep Soekarno de Republiek Indonesië uit. Nederland kon dit moeilijk aanvaarden, maar legde zich er uiteindelijk bij neer. De relatie tussen Nederland en Indonesië is nu nog steeds gevoelig; het verleden speelt nog steeds een rol.

3.1

De japanners wilden alle westerse invloeden uit Indonesië wissen. De Indonesische nationalisten merkten al snel dat ze japanners er niet veel voor voelden om Indonesië onafhankelijk te maken, de japanners bleken geen haar beter dan de Nederlanders. De Japanse bezetting was voor de Indonesiërs een periode van onderdrukking en armoede.
De Nederlanders werden vernederd en in kampen opgesloten. Wie zich daar niet aan de regels hield, werd hard gestraft en in het ergste geval gedood. Na de bevrijding bleken veel mensen in de kampen te zijn omgekomen.
Na de overgave van Japan werden de Engelsen belast met de bezetting van Nederlands-Indië, maar die hadden gebrek aan troepen. Daarom kreeg Japan de opdracht om voor rust en orde te zorgen. Deze droeg zoveel mogelijk bestuurstaken af aan de piepjonge Republiek. In die onzekere en onduidelijke periode begonnen gewapende Indonesische jeugdgroepen, pemoeda’s, hun eigen vrijheidsstrijd. Zij pleegden moordaanslagen op vooral Nederlanders. Dit alles leidde tot een explosie van geweld. Deze periode wordt de Bersiap genoemd.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.