Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Module 5

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • havo | 3922 woorden
  • 25 mei 2001
  • 65 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 65 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Willem 2, vader van Willem 3, had de grondwet aangenomen in 1848. Daarom was Willem 3 woedend en wilde nooit de troon betreden. Willem 2 had dat gedaan om een revolutie te voorkomen, er ging een grote revolutiegolf door Europa. Thorbecke maakte de grondwet, naar ideeën van Montesquieu. Hij wou dat de macht niet bij 1 persoon lag (koning) dus hevelde hij macht over van de koning naar de bevolking. Wijzigingen van de grondwet:
-ministeriële verantwoordelijkheid: ministers moesten voortaan het regeringsbeleid verantwoorden tegenover de volksvertegenwoordiging (het parlement).

-koning werd onschendbaar verklaard: koning werd grotendeels buitenspel gezet, ministers waren geen uitleg meer aan hem schuldig. Ministers waren aansprakelijk voor het gedrag van de koning.
-Tweede kamer: werd voortaan rechtstreeks door de kiezers gekozen
-eerste kamer: voortaan rechtstreeks gekozen door de Provinciale Staten, die weer gekozen werd door kiezers.
-Censuurskiesrecht: Alleen welgestelde mannen die jaarlijks een bepaalde som aan belasting betaalden mochten stemmen. Het parlement was daardoor slechts een vertegenwoordiging van de rijken.

Macht moest worden opgesplitst in een wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Dit heet Trias politica.
In Nederland lag het zo:
Uitvoerende macht: ministers (besluiten en wetten voeren)
Wetgevende macht: ministers en Staten Generaal
Rechtsprekende macht: rechters (onafhankelijk van de regering, voor het leven benoemd)

Toen Willem 2 in 1849 overleed, werd Willem 3 toch koning. Hij botste echter nog wel is met de Tweede Kamer. Willem 3 stuurde twee keer de Tweede Kamer naar huis, daarna ontsloeg hij het kabinet: de volksvertegenwoordiging was sterker gebleken dan de koning.
Vroeger: districtenstelsel: Nederland opgedeeld in evenveel districten als dat er zetels waren.

Nu: evenredige vertegenwoordiging: Alle stemmen in het hele lang opgeteld : aantal Kamerzetels = kiesdeler.
Politieke partijen ontstonden door gezamenlijk verzet tegen schoolstrijd, algemeen kiesrecht en sociale vraagstuk.
-Schoolstrijd: over financiering van het onderwijs. Openbare scholen (hier waren liberalen voor: iedereen hetzelfde moderne onderwijs) werden wel gefinancierd, bijzondere scholen (protestanten en katholieken richtten zelf scholen op, die wouden onderwezen worden vanuit hun eigen geloofsovertuiging) niet. Werd opgelost door: Iedereen mocht op bepaalde voorwaarden een school oprichten, die werd dan gefinancierd door de staat.
-Algemeen kiesrecht: Meer mensen moesten kunnen stemmen, niet alleen de welgestelde. Opgelost in 1917 door: Alle volwassen mannen kregen stemrecht (Actief en passief= verkiesbaar stellen) Vrouwen kregen in 1919 pas actief kiesrecht, daarvoor alleen passief.

Er was een pacificatie tot stand gekomen: partijen waren het eens. (vrede)
–Sociale vraagstuk: mensen vonden dat de overheid d.m.v. wetgeving in moest grijpen. De eerste wet was: Kinderwet van van Houten in 1874, dat verbood kinderen onder 12 jaar fabrieksarbeid te verrichten. In 1901 kwamen er meer wetten (woningwet,ongevallenwet)
Partijen:
-Protestanten: 1e partij: ARP (anti-revolutionaire partij) in 1878 o.l.v. Abraham Kuyper. Vooral aanhang bij boeren, arbeiders en kleine winkeliers. Was voor uitbreiding kiesrecht. Later gesplitst omdat sommige leden tegen een te grote uitbreiding van het kiesrecht waren. Er kwam ook CHU (christelijk historische unie) o.l.v. Savornin Lohman
Kuyper (leider ARP) lanceerde Anti-these: alle gelovigen moesten zich verenigen tegen de ongelovigen (liberalen en socialisten)
-Katholieken: RKSP in 1926. O.l.v. Schaepman. Katholieken werden hiervoor lange tijd gediscrimineerd.
-Liberalen: Liberale Unie in 1885. Voor vrijheid en gelijkheid: niet veel wetgeving en voor moderne, neutrale onderwijs. Ze splitsen in 1901 omdat sommige voor meer wetgeving waren. Vrijzinnig democratische bond (vdb). In 1906 kwam de derde liberale partij, Vrij Liberalen, zij wilden het overheidsingrijpen nog steeds tot het minimum beperken.
-Socialisten: In 1881 o.l.v. Ferdinand Nieuwenhuis, SDB (sociaal democratische bond) Hun wouden de productiemiddelen in handen van de gemeenschap, zo kon de ongelijkheid in de samenleving opgelost worden. Nieuwenhuis wilde een revolutie. Sommige vonden hem te radicaal, dus kwam er in 1894 de SDAP (sociaal democratische arbeiderspartij) o.l.v. Troelstra. Hun bleven veranderingen nastreven via parlementaire weg, waren voor algemeen kiesrecht. Waren niet tegen een revolutie, Troelstra dacht in 1919 dat de tijd hier rijp voor was. Dat werd een mislukking en de overige partijen wilden even niets met SDAP te maken hebben.

In Nederland was verzuiling (voor de tweede wereldoorlog) iedere groep (zuil) leefde afgezonderd in zijn eigen wereldje. Er waren vier zuilen: protestantse, katholieken, socialisten en liberalen. Het verzuilingsproces was in gang gezet door Abraham Kuyper. Kuyper besefte dat dit niet helemaal mogelijk was tijdens de schoolstrijd, dus streefde hij naar soevereiniteit in eigen kring= Het recht om binnen je eigen kring van geloofsgenoten je zaken te regelen. Zo kwamen er protestantse verenigingen, kranten enz. De andere partijen volgden. Toch werd er wel een beetje onderhandeld doordat de politieke leiders wel tot een compromis kwamen omdat iedereen alles aan hen overlieten omdat ze heilig in hun geloofden.

Nu mag in Nederland iedereen boven de 18 stemmen. Nederland is nu een parlementaire democratie, het volk regeert. Staten generaal= Nederlandse parlement. Deze bestaan uit de Eerste Kamer (Senaat) en de Tweede Kamer. Het aantal parlementsleden is groter dan vroeger

Het parlement heeft 2 belangrijke taken: het controleert de regering (ministers en koningin) en het werkt mee aan de totstandkoming van wetten. Om de regering te controleren heeft het parlement de volgende rechten:
-recht van interpellatie: een kamerlid mag een minister in het parlement ondervragen, deze dient verplicht antwoord te geven.
- recht van enquête: Kamers kunnen naar bepaalde kwestie uitgebreid onderzoek instellen
- recht van begroting (budgetrecht): op prinsjesdag dient de regering bij de Tweede Kamer de rijksbegroting in. Hierin worden de verwachte inkomsten voor het volgend jaar vastgesteld en hoe de regering dit geld wil besteden. De Eerste en Tweede Kamer mogen de begroting afkeuren, als dit gebeurt treedt de regering af. Alleen de Tweede Kamer mag de begroting wijzigen.

Het parlement heeft ook rechten om zijn wetgevende taak te vervullen: de Eerste en Tweede kamer mogen stemmen op elk wetsvoorstel. De Tweede Kamer heeft nog 2 rechten:
-recht van initiatief: lid van de Tweede Kamer mogen wetsvoorstellen indienen, gewoonlijk doen de ministers dat.
-recht van amendement: Tweede Kamer mag wijzigingen aanbrengen in een wetsontwerp.

De regering bestaat uit de koningin en de ministers. De ministers alleen noemen we het kabinet. Het kabinet is het dagelijks bestuur van ons land. De premier staat aan het hoofd van dit kabinet. Hij moet zorgen voor eenheid in het regeringsbeleid. De ministers staan ieder aan het hoofd van een minesterie of departement (groep ambtenaren die de minister bijstaat bij zijn of haar werk: ook het gebouw waarin zij werken heet departement) Op ieder departement kunnen 1 of 2 staatssecretarissen benoemd worden. Zij nemen een deel van de taak van de ministers over. Nederland is een constutionele monarchie: de monarch (koningin Beatrix) is het hoofd van de staat, maar moet zicht wel houden aan de grondwet. Politieke taken van de koningin:
-benoemen en ontslaan van het kabinet.
-voorlezen van de troonrede op prinsjesdag

Hoofdstuk 2
Na de oorlog dacht men opnieuw te kunnen beginnen en zonder verzuiling te leven. De SDAP hief zich in 1946 op, en richtte een nieuwe partij op, de PvdA, die zich nadrukkelijk openstelde voor alle godsdienstige overtuigingen. De VDB en de Christen- democratische Unie (vooroorlogse, christelijke partij) sloten zich aan bij de PvdA. De RKSP veranderde haar naam in KVP (katholieke volkspartij). De meeste gelovigen bleven hun zuil trouw, er was dus niet echt een doorbraak.

De KVP-er Beel werd na de verkiezingen door de koningin benoemd tot formateur (samenstellen van een nieuw kabinet). De formateur is meestal de fractieleider van de grootste partij (fractie= bestaat uit kamerleden die tot dezelfde partij behoren) Vaak wordt eerst een informateur benoemd, die het werk van de formateur voorbereidt en uitzoekt welke partijen zouden willen samenwerken. De partijen die samen de regering vormen, worden een coalitie genoemd. De partijen die buiten de regering blijven, heten de oppositie. De regeringspartijen leggen hun afspraken over het te voeren beleid vast in een regeerakkoord. De ministers moeten zich daaraan houden.
Beel stelde een rooms-rood kabinet samen, een coalitie tussen de PvdA en de KVP. Deze coalitie zou 12 jaar duren. Vanaf 1948 werd deze coalitie steeds aangevuld met het CHU, de ARP of de VVD (volkspartij voor vrijheid en democratie), opgericht in 1948. Deze coalities werden regeringen op brede basis genoemd, omdat zij steeds de steun kregen van een zeer ruime Kamermeerderheid.

De belangrijkste taak van de regering was de wederopbouw van het land, dat door 5 jaar oorlog zwaar getroffen was. Die fase werd gekenmerkt door een sterk overheidingrijpen. De regering deed alles om de industrialisatie op gang te brengen. De lonen werden laag gehouden om de concurrentiepositie te bevorderen. Stakingen kwamen zelden voor, er werd steeds een compromis bereikt. Ontmoetingen tussen werkgevers en vakbonden vonden plaats in de stichting van de arbeid, een overlegorgaan dat al tijdens de oorlog was opgezet. Daarnaast werd in 1950 de SER opgericht (sociaal economische raad), een organisatie waarin vertegenwoordigers van werknemers, werkgevers en de overheid bijeenkwamen om te overleggen. De SER groeide uit tot een belangrijk adviesorgaan van de regering bij sociale en economische vraagstukken. Ook de wederopbouw van Nederlands- Indië eiste veel aandacht op. De PvdA en de Cpn (communistische partij Nederland), opgericht in 1919, steunden de onafhankelijkheid van Indonesië. De rechtse partijen waren hiertegen (VVD, ARP, KVP).
Links= (of progressief) zijn niet tevreden over de bestaande samenleving en willen deze rechtvaardiger en socialer maken.
Rechts= (of conservatief) willen bestaande maatschappelijke orde met zijn verschillen in bijvoorbeeld macht en inkomen wel handhaven.
De onenigheid tussen rechts en links over de Indonesië werd beëindigd toen Nederland in december 1949 afstand deed van zijn kolonie.
Een ander belangrijk aandachtspunt van de rooms-rode regering was de opbouw van de verzorgingsstaat. (= staat die zoveel mogelijk voor zijn inwoners zorgt) Er werd een stelsel van sociale wetten ontworpen, de sociale zekerheid. In 1952 werd de werkloosheidsverzekering verplicht en in 1957 trad de AOW in werking. Deze wet gaf elke bejaarde recht op een uitkering. De 2 regeringspartijen (PvdA en KVP) kregen steeds meer verschillen t.o.v. elkaar. De PvdA bleef voorstander van meer overheidsingrijpen, KVP niet. PvdA groeide voortdurend, KVP niet. De regering kwam in 1958 ten val.

Steeds meer katholieken liepen over naar de PvdA. Om dit proces te stoppen maakten de Nederlandse bisschoppen in 1954 een mandement. Hierin stond dat katholieken niet op de PvdA mochten stemmen of naar de socialistische VARA mochten luisteren. Dit had slechts tijdelijk enig effect. Op lange termijn leek afbrokkeling van de katholieke en overige zuilen niet te voorkomen. Een van de belangrijkste redenen van de ontzuiling was:
door de stijgende welvaart en het hogere opleidingsniveau werden mensen kritischer en minder bereid om zich door de kerk de wet te laten voorschrijven. Er vond vanaf het eind van de jaren 60 een secularisering plaats. (= afname van invloed van het geloof in de maatschappij) Nog een belangrijke reden voor de ontzuiling was dat de katholieken zich geen tweederangsburgers meer voelden en daardoor minder behoefte hadden zich in eigen kring terug te trekken. In het ontzuilingsproces speelde ook de rol van de televisie een grote rol. Meer mensen hadden nu televisie en konden in de wereld kijken van een andere zuil, die helemaal niet zo gevaarlijk bleek te zijn. Door de ontzuiling was de binding van bevolkingsgroepen aan 1 partij afgenomen, er kwamen meer zwevende kiezers.

Vanaf eind jaren 50 kwamen er steeds meer nieuwe partijen, dat kwam goed uit met al die zwevende kiezers. In 1957 werd de PSP (pacifistisch socialistische partij) opgericht. Ze wilde socialistischer zijn dan de PvdA en waren voor algehele ontwapening in alle landen. Ook kwam D66 (democraten 66). Die werd opgericht o.l.v. Hans van Mierlo in 1966. D66 wilde meer invloed van de bevolking op het bestuur, en het oude politieke systeem moest opgeblazen worden. D66 was meteen erg populair. Ook werd in 1968 de PPR (politieke partij radicalen) opgericht. Dit gebeurde na een afsplitsing van een aantal KVP-leden. Binnen deze partij verwierf een groep jongeren die zich Nieuw Links noemden veel invloed. Zij kwamen met radicale voorstellen, zoals de afschaffing van de monarchie, directe invloed van werknemers enz. Ze waren ervoor dat de bevolking meer macht moest krijgen. Nieuw Links splitste af en richtten de Democratisch Socialisten op. (DS’70)

De politieke verhoudingen verscherpten na de val van het kabinet-Cals in 1966, dat was een coalitie tussen de KVP, de ARP en de PvdA. Vooral de KVP en de PvdA konden niet goed met elkaar overweg. In oktober 1966, tijdens de besprekingen voor de begroting in 1967, diende KVP-leider Schmelzer een motie (standpunt van een Kamerlid over het beleid van een minister) in waarin hij de socialistische minister van financien vroeg om meer garanties voor een evenwichtige economische groei. Wanneer een motie door een Kamermeerderheid wordt aangenomen, moet de minister de motie uitvoeren of uitleggen waarom hij deze naast zich neerlegt. Als een kamerlid met de uitleg niet tevreden is, kan hij een motie van afkeuring indienen. De minister kan de portefeuillekwestie stellen. Dit betekent dat hij zijn ontslag aanbiedt als deze motie door de Kamer wordt aangenomen. De motie van Schmelzer werd aangenomen. Het kabinet trad hierna af. De zogenaamde nacht van Schmelzer geeft duidelijk de spanning weer tussen het parlement en de regering. Zij hebben ieder hun eigen taken, hoewel ze samen het land besturen. Als regeringsfracties in het parlement zich onafhankelijk opstellen van de regering die zij in principe steunen, heet dit dualisme. Werken zij juist nauw samen met de regering, dan heet dit monisme. Hierna lagen de partijen allemaal voortdurend met elkaar over hoop. Nieuw Links kwam met een anti-KVP motie, die werd aangenomen. Hierin stond dat de PvdA niet meer zou samenwerken met de KVP. De nacht van Schmelzer betekende het einde van het harmoniemodel (zoveel mogelijk overleg om conflicten te voorkomen). Er vond nu een polarisatie (verharding politieke verhoudingen) plaats. Verschilpunten werden nu met felheid uitgevochten.

In de jaren 60 raakten niet alleen de partijen met elkaar in conflict, maar ook de samenleving. De werknemers namen geen genoegen meer met het lage- inkomenspeil. Door een tekort aan arbeiders stonden de werknemers sterk en werd het loon in 1964 verhoogd met 15 procent. Door stakingen of stakingsdreigingen slaagden werknemers er steeds verder in loonsverhogingen af te dwingen. Zo groeide de welvaart steeds meer. De verhoudingen tussen vakbonden en werkgeversorganisaties raakten echter gespannen, dit werd nog erger toen arbeiders meer inspraak op de werkvloer eisten.

Inspraak en democratisering waren magische woorden in de jaren 60. Vooral onder de jongeren heerste grote onvrede. Ze wilden meer inspraak en ze wilden meer invloed van de bevolking. De meest opvallende van het protest tegen de samenleving waren de provo’s, een groepje jongeren dat zich verzette tegen de machtsuitoefening en vond dat de bevolking meer medezeggenschap moest hebben. Provo protesteerde tegen zaken als de woningnood, de milieuvervuiling, de wapenwedloop enz. Provo was slechts een kleine beweging, maar liet de bevolking inzien dat ze recht hadden op medezeggenschap. Vooral studenten waren het hier mee eens. Zij eisten inspraak op de inhoud van het universiteitsbestuur en op de inhoud van het onderwijsprogamma. Ze hielden een protestactie met de bezetting van het Maagdenhuis, het bestuurlijke centrum van de universiteit van Amsterdam. Hierbij kwam geweld en de politie aan te pas. Dit wordt ook wel een buitenparlementaire actie genoemd. Dat is een actie waarmee mensen buiten de parlementaire procedures om invloed op de besluitvorming van de overheid proberen uit te oefenen. Met deze bezetting slaagden de studenten hierin.

Een ander belangrijk protest in de jaren 60 kwam van de tweede feministische golf. Deze beweging kwam in opstand tegen de achtergestelde rol van vrouwen in de samenleving. Vrouwen deden dat al eerder tijdens de eerste feministische golf. Toen streden ze o.a. voor meer kiesrecht en een betere rechtspositie. Toen vrouwen kiesrecht kregen was deze golf over. Vrouwen en mannen waren echter nog niet gelijk. Daarvoor streden de tweede feministisch golf. In 1968 werd de man-vrouw-maatschappij (MVM) opgericht die streed voor gelijke beloning en gelijke kansen. In de hogere posities waren vrouwen nog steeds in de minderheid. Vooral de politiek bleef mannenwerk. MVM pleitte voor deeltijdwerk en betere opvangmogelijkheden voor kinderen. Huishoudelijke taken moesten verdeeld worden tussen man en vrouw. Een andere actiegroep die zich inzette voor de rechten van vrouwen was Dolle Mina. Een van de belangrijkste strijdpunten van hun was het recht op abortus.

Zo vormden de jaren 60 en 70 een roerige periode waarin de bevolking zich actief met allerlei politieke kwesties ging bemoeien. Politieke leiders moesten verantwoording afleggen, en het parlement (gevolgd door de televisie) hield de regering scherp in de gaten.

Hoofdstuk 3
Lubbers werd in 1982 premier. Hij bleef 12 jaar aan het bewind. Lubbers was leider van het CDA (christen democratisch appel), een partij waarin de CDU, de ARP en de KVP zich hadden verenigd. Zij waren gedwongen tot samenwerking in 1980 doordat hun aanhang was teruggelopen door de ontzuiling. Toen het kabinet Lubbers aantrad was de economische situatie in Nederland erg slecht. Er was veel werkloosheid, hoge inflatie en de investeringen waren sterk teruggelopen. Joop den Uyl gaf van 1973 tot 1977 leiding aan een links kabinet. Onder zijn bewind werd het minimumloon en de uitkeringen verhoogd en werd veel geld uitgetrokken voor zaken als welzijnswerk en stadsvernieuwing. De oliecrisis en de daarmee samenhangende economische terugval bezorgde zijn kabinet problemen. De inkomsten van de overheid liepen terug, maar ze moesten steeds meer uitkeren.

Tijdens Lubbers zijn bewind werd het begrotingstekort teruggebracht. Lonen en uitkeringen werden verlaagd, allerlei sociale voorzieningen werden afgeschaft . Het kabinet zette zijn beleid voort, ondanks alle protest. Na een voortdurende uitbreiding van de verzorgingsstaat werd deze voor het eerst ingekrompen. Hiertegen was veel protest, hij werd ‘premier van armoede’ genoemd. De regering vond dat de overheid haar taken ook op andere terreinen van de samenleving moest terugbrengen. Er waren zoveel regels ontstaan dat niemand er nog raad mee wist. De overheid kon niet meer efficiënt functioneren. Daarom ging de regering privatiseren, d.w.z. dat taken werden afgestoten naar het bedrijfsleven, zoals bij KPN en NS. Ook ging de overheid taken overhevelen naar lagere overheden, zoals de provincie of gemeente. Dit wordt decentralisatie genoemd. Deregulering was een ander middel waarvan de overheid gebruik maakte. Dit is dat men probeert om helderheid in de regelgeving aan te brengen door ofwel het aantal regels te verminderen ofwel door de complexe regels eenvoudiger en overzichtelijker te maken.

Door Lubbers werd de politiek weer gedomineerd door de grotere partijen. Begin jaren 80 ontstond grote opschudding door massale demonstraties tegen kruisraketten. Er werd besloten de raketten te plaatsen, maar door de Sovjetunie is dat nooit zover gekomen. Ook de Tweede Kamer zorgde voor opspraak door gebruik te maken van het enquete-recht. Na de verkiezingen van 1986 bleef de coalitie CDA/VVD aan de macht in een tweede kabinet Lubbers. Dit kabinet kwam voortijdig ten val toen de regeringspartners verdeeld raakten over een belastingkwestie. Wanneer een kabinet niet langer aan kan blijven en aan de koningin ontslag aanbiedt, word dit een kabinetscrisis genoemd. Die wordt niet altijd veroorzaakt door conflicten binnen de regering, maar kan ook het gevolg zijn van een botsing tussen de regering en de Tweede Kamer. (zoals bij het kabinet Cals in 1966) Totdat een nieuw kabinet is aangetreden, neemt het oude kabinet de zaken waar. Het is dan een demissionair kabinet.

De vervroegde verkiezingen in 1989 leiden tot de vorming van een derde kabinet-Lubbers. Het CDA vormde nu een coalitie met de PvdA. Vanaf 1917 had de KVP (later CDA) deel uitgemaakt van elke regering. In 1994 verloor het CDA veel stemmen. Dit kwam door het vertrek van Lubbers en doordat mensen wel eens een andere partij aan de macht wilden. De VVD, D66 en PvdA vormden de nieuwe regering o.l.v. Wim Kok. Dit kabinet (liberalen en socialisten) word een paarse coalitie genoemd. PvdA wilde de verzorgingsstaat handhaven, terwijl de VVD mini-stelsel van sociale zekerheid wilde. Het was goed dat D66 ook in het kabinet zat, omdat deze partij een brug kon vormen tussen de socialisten (PvdA) en de liberalen (VVD). Een andere factor die samenwerking tussen hen mogelijk maakte was dat de socialisten openstonden voor een zekere liberalisering. Onder het paarse kabinet verliep de economie spoedig en de werkloosheid liep terug. De gunstige economische situatie wordt vaak toegeschreven aan het poldermodel, ook wel overlegeconomie. Daarmee wordt bedoeld dat vakbonden, werkgeversorganisaties en de overheid samen proberen een oplossing te vinden voor sociaal-economische problemen. Als eerste aanzet voor dit overlegklimaat wordt vaak het ‘Stichtingsakkoord’ genoemd dat werkgevers en werknemers in 1982 sloten in de Stichting van de Arbeid. De sociale partners kwamen tot overeenstemming: de lonen daalden, daarentegen kregen de werknemers arbeidstijdverkorting. Het poldermodel kan ook nadelen hebben: het kan een gevaar zijn voor de democratie. Hooggeplaatste mensen die niet door het volk gekozen zijn, kunnen veel invloed hebben in de besluitvorming. Bovendien wordt elk debat ontlopen.
Er is nu ook een idee voor een groen poldermodel (meer aandacht voor het milieu, meer overleg tussen overheid, bedrijfsleven en milieubewegingen). Groenlinks kwam met dat idee. Die partij is opgericht in 1989 toen CPN, PSP en PPR samengingen.

De Europese samenwerking begon met de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in 1951. Hieraan deden Nederland, Belgie, Luxemburg, Italie, Frankrijk en West-Duitsland mee. Door dit gezamenlijke beheer van kolen-en staalsector wilde men voorkomen dat de landen een krachtig militair apparaat zouden opbouwen. De Europese samenwerking werd uitgebreid in1957, toen de Europese economische gemeenschap (EEG) werd opgericht. Die streefde naar een gemeenschappelijke markt en een gezamenlijk economisch beleid. In hetzelfde jaar werd ook Euratom opgericht (Europese Gemeenschap voor Atoomenergie), voor een gemeenschappelijk beheer voor kernenergie. In 1967 werd besloten tot een hechte samenwerking tussen de drie gemeenschappen, dit heette de Europese Gemeenschap. Inmiddels spreken we van de Europese unie (EU). Afgezien van de economische samenwerking werd bovendien besloten tot verdere politieke integratie. Zo zou er een gemeenschappelijk beleid komen voor buitenlandse politiek, asielbeleid enz.
De Europese Gemeenschap, later EU, heeft meer gewicht gekregen door de hechtere samenwerking, maar ook doordat steeds meer staten deelnemen: Engeland, Denemarken, Ierland, Griekenland, Portugal, Spanje, Oostenrijk, Zweden en Finland.

Het belangrijkste bestuursorgaan van de EU is de raad van ministers, die bestaat uit de vakministers van verschillende lidstaten. De raad wisselt van samenstelling als het onderwerp wisselt (bij landbouw landbouwministers enz.) Die raad neemt beslissingen op basis van wetsvoorstellen die de Europese Commissie indient. De Europese commissie is het dagelijks bestuur van de EU. De leden zijn voorgedragen door de lidstaten, maar ze handelen in het belang van de unie. De taak van de commissie is om wetten voor te stellen, naleving van de wetgeving en zorgt voor een concrete uitvoering van Europese beleidsmaatregelen. De commissie wordt gecontroleerd door het europees parlement, de volksvertegenwoordiging van Europa. Het parlement wordt ieder jaar rechtstreeks door kiezers gekozen. De kiezers mogen alleen stemmen op kandidaten uit eigen land. Binnen het parlement groeperen de leden zich per politieke richting. (socialistisch, liberaal enz.) Met betrekking tot de wetgeving heeft het parlement een adviserende functie. Een andere taak is om de Raad en de Commissie te controleren. De raad is echter niet verplicht verantwoording af te leggen, de commissie wel. Het parlement kan d.m.v. een motie de commissie tot aftreden dwingen. Ook heeft het parlement enquete-recht. Ook bestaat er de Europese Raad: bestaat uit de regeringsleiders van de lidstaten, komen minimaal 2 keer per jaar bijeen. Tijdens zo’n ‘top’ wordt geprobeerd om de hoofdlijnen van de politieke en economische ontwikkelingen uit te stippelen. Nationale wetten die strijdig zijn met Europese wetten moeten worden aangepast. Men hanteert het beginsel van subsidiariteit: Europa mag zich niet bemoeien met zaken die beter nationaal, provinciaal of lokaal geregeld kunnen worden. Veel mensen zijn overtuigd van de noodzaak tot samenwerking, maar niet iedereen. Mensen vinden dat veel wetgeving op Europees niveau plaatsvindt, terwijl het europees parlement minder wetgevende en controlerende bevoegdheden heeft dan de nationale parlementen. De bevolking van Europa verliest daardoor invloed. De bedoeling is dat iedere minister gecontroleerd wordt door zijn eigen nationale parlement. Een genomen besluit kan dan echter niet meer worden teruggedraaid. Bovendien valt er voor een nationaal parlement maar weinig te controleren wanneer de eigen minister in de Raad van de ministers door een meerderheid overstemd wordt.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

jij = redder in nood!
Ik heb morgen tentamen geschiedenis over deze module! THNX a lot, nu heb ik tenminste nog een klein kansje op een voldoende!

Max

19 jaar geleden

A.

A.

mariskaaaaaaaaaaaaaa
je bent een schatttttttttt
layterssssssssss

18 jaar geleden