ADVERTENTIE
Heb jij hulp nodig bij het kiezen van jouw studie?

Thijs (22 jaar) kreeg hulp van onze studiekeuzeadviseur Marise. Door telefonische gesprekken en een aantal testen weet Thijs nu welke studie het beste bij hem past. Zijn tip: “Wacht niet af, ga op onderzoek uit en laat je adviseren!”

Vraag nu jouw persoonlijke gesprek aan!

1.

In Nederland kennen we op dit moment veel verschillende woon- en leefvormen:

- gezin

- huishouden

- commune

Dit zijn primaire samenlevingsverbanden.

Het gezin is beslist geen vanzelfsprekende samenlevingsvorm, door:

- omstandigheden (echtscheiding of overlijden)

- bewuste keuze van mensen



2. Functies van het gezin:

- seksuele en biologische functie (voortplanting, lichamelijke verzorging)

- economische functie (verwerving en besteding van geld)



- statusfunctie (aanzien van het gezin, plaats op de maatschappelijke ladder)

- affectieve en koetserende functie (warmte, liefde, genegenheid, geborgenheid)

- pedagogische functie (opvoeding van de kinderen, overdracht waarden en normen)

- recreatieve functie (vrijetijdsbesteding, ontspanning)

- religieuze functie (godsdienst)



3+4.

Voor de reformatie: katholiek (Canoniek Recht)

Huwelijksleeftijd: meisjes 12, jongens 14 (er was wel ouderlijke toetstemming nodig vanaf 1540; voor meisjes onder de 20 jaar, en jongens onder de 25).

Huwelijk was pas geldig na seksuele gemeenschap en vanwege sacrament was ontbinden van het huwelijk onmogelijk.

Vanaf de reformatie: protestants (Politieke Ordonnantie)

Huwelijksleeftijd: meisjes 14, jongens 16. Huwelijk moest drie weken van te voren aangekondigd worden. Huwelijk was al geldig vanaf de huwelijksvoltrekking (door dominee of ambtenaar) Het ontbinden van het huwelijk was wel mogelijk, maar moest van te voren worden aangegeven.



Vanaf de Franse Revolutie (± 1800) (Cote Napoléon)

Huwelijksleeftijd: meisjes 15, jongens 18 (er was wel ouderlijke toestemming nodig).

Huwelijk was geldig door ambtenaar, hoefde niet per se door dominee. Samenwonen was niet strafbaar en er kwam een verbod op onderzoek naar het vaderschap.



5. De huwelijksleeftijd.

Meiden trouwden tussen 24-26 jaar, jongens trouwden tussen 26-28 jaar. De oorzaken hiervan:

- economische redenen: echtparen moesten hun eigen huishouden opzetten; de leertijd van mannen moest worden afgerond.

- Geboortebeperking

- Sociale redenen: mensen konden langer hun vrijheid behouden als zij niet verantwoordelijk hoefden te zijn voor kinderen

- Medische redenen om te voorkomen dat meisjes te vroeg trouwden.



6. Twee typen huishoudens:

1) Het moderne Kerngezin (huysgesin)

- kwam vooral voor in het Noorden en Westen van de Republiek

- bestond uit drie of vier personen

2) Samengestelde huishouden

- kwam vooral voor in het Oosten, Midden en Zuiden van de Republiek

- verwanten en/of personeel woonden in, dus bestond gemiddeld uit 5 á 6 personen



7. Oorzaken van de geringe omvang van huishoudens:

- hoge sterfte onder volwassenen en kinderen

- beperkte medische wetenschap, dus veel ziekten waren dodelijk en verspreidden zich

- risico dat vrouw op kraambed overleed was hoger door gebrek aan medische kennis

en hygiëne

In de laagste sociale klasse was de zuigelingensterfte twee keer zo groot als in de hoogste sociale klassen, dat kwam door de borstvoeding.

De oorzaken van de intervallen tussen de geboortes van kinderen:

- de kans dat een zogende vrouw zwanger werd was minder groot

- men was van mening dat het mannelijke zaad de moedermelk zou bederven

De sterftecijfers verschilden ook qua platteland of stad. Dat kwam door de economische groei en stagnatie.



8. De keuze van de huwelijkspartner.

De keuze van de huwelijkspartner was belangrijk vanwege:

- het opvoeden en verzorgen van de kinderen

- het voeren van een verstandige huishouding

- het zorgdragen voor kapitaal, status en reputatie

Meestal werd in hogere kringen het huwelijk gearrangeerd door de ouders. Dat deden ze om zakelijke belangen. Men dacht de risico’s van een verkeerde keuze zo veel mogelijk te verkleinen door mensen hun huwelijkspartner te laten zoeken in hun eigen milieu. Het verschil in leeftijd, karakter, sociale klasse of geloof hield men daarom zo klein mogelijk.



9. De juridische positie van man en vrouw.

De huwelijkspositie die man en vrouw binnen het huwelijk innamen was gedeeltelijk door de wet bepaald. De man was volgens de wet het hoofd van het gezin. De vrouw was aan hem gehoorzaamheid verschuldigd. In juridisch opzicht stond de vrouw onder voogdij van de man.

De juridische handelingsonbekwaamheid van de vrouw betekende niet dat zij geen enkele financiële zeggenschap had. Het gezag van de man kende niet alleen in financieel opzicht zijn grenzen.



10. Taakverdeling van man en vrouw.

Vooral in de midden- en lagere standen functioneerde het gezin als productie-eenheid.

Deze functie van het huishouden had gevolgen voor de taakverdeling binnen het gezin:

Vrouwen: leverden vaan een bijdrage aan het reilen en zeilen in een bedrijf. Zij waren ook menige keer belast met financiële zaken.

Binnen de burgerij speelden de productieve taken van de vrouw een minder grote rol.



11. De ontdekking van het kind.

Philippe Ariès vond dat men weinig gevoel had voor het kind en de adolescent. Kinderen werden vanaf hun zevende als volwassenen gezien en behandeld. In de hogere kringen ontstond er in de 17e eeuw een betere band tussen kinderen en volwassen, omdat het kind meer als kind gezien werd.

Ariès vond dat er een duidelijke breuk in de geschiedenis bestond wat betreft emotionele relaties tussen ouders en kinderen. Dat lag een sociale, economische en godsdienstige ontwikkelingen en aan emotionele relaties onderling.



12. Opvoeding.

De opvoeding van het kind werd vaak als taak van de moeder gezien. Er werd veel aandacht besteed aan de lichamelijke opvoeding (borstvoeding, veel in de buitenlucht, veel baden).

De moeder was ook verantwoordelijk voor de geestelijke en zedelijke ontwikkeling van het kind, die vooral in de 17e en 18e eeuw belangrijk was.



13. Onderwijs.

Omdat er geen leerplicht was gingen lang niet alle kinderen naar school. Vaak kon dat ook niet omdat arme gezinnen school niet konden betalen. Mensen vonden dat de overheid hier een taak aan had. Onderwijs moest niet langer individueel worden, maar volgens een jaarklassensysteem. In de 17e eeuw was er nog steeds geen leerplicht, maar was school wel gratis voor arme gezinnen.



14. Veranderingen in het huwelijkspatroon.

De huwelijksleeftijd daalde en meer mensen trouwden. Deze verandering ging in de zuidelijke provincies wat langzamer.

Mensen gingen vroeger trouwen, dat begon in de hogere sociale lagen. In het zuiden ging deze verandering ook wat langzamer.

Van een duidelijke verlaging van de gemiddelde huwelijksleeftijd was pas in de 20e eeuw sprake. De cijfers betekenen niet meer hetzelfde, omdat veel mensen ongehuwd samenwonen.

Oorzaken lagere huwelijksleeftijd en meer ongehuwden:

- de economie groeide

- de ontwikkeling en verspreiding van voorbehoedsmiddelen



15. Dalende kindersterfte.

In 1870 begon de sterfte onder volwassen en kinderen te dalen.

Oorzaken:

- algemene verbetering van de leefomstandigheden

- uitbreiding medische zorg

- goede hygiëne



16. Grootte en samenstelling van huishoudens

Oorzaken grootte en samenstelling van huishoudens:

- daling kindersterfte

- daling volwassenensterfte

In het zuiden en oosten van het land was de gemiddelde omvang van het huishouden groter omdat hier vaker verwanten of personeel inwoonden.



17. Vrouwenarbeid binnen- en buitenshuis

De industrialisatie zorgde ervoor dat steeds meer gezinnen afhankelijk werden van arbeid buitenshuis. Doordat steeds meer mensen in fabrieken gingen werken, ontstond er een duidelijke scheiding tussen woning en werkplek. Voor gehuwde vrouwen met kinderen leverde dit extra problemen op.

Volgens officiële cijfers was het percentage gehuwde vrouwen dat buitenshuis werkte rond 1900 klein.



18. Bezorgdheid om de arbeid van gehuwde vrouwen

Christelijke partijen, de burgerij en socialistische arbeidersbewegingen en een groep feministen waren bezorgd om het buitenshuis werken van vrouwen. Dit leidde tot een aantal maatregelen, bijvoorbeeld de Arbeiderswet.



19. De strijd voor gelijke rechten van man en vrouw

Na 1870 kwam in Nederland een feministische beweging op gang.

In 1911 werd opnieuw een wet aangenomen die de arbeidsduur voor vrouwen verder verkortte tot een maximum van 10 uur.

In 1918 werd een arbeidsduurverkorting doorgevoerd voor vrouwen en mannen.

In 1924 kwam er een ontslagregeling voor vrouwen die werkzaam waren in het onderwijs of bij de overheid. Minister Romme probeerde om de arbeid van gehuwde vrouwen buitenshuis helemaal te verbieden. Het wetsvoorstel van Romme haalde het niet, maar de weerstand tegen vrouwenarbeid bleef bestaan. Daarom bestond in de 1e helft van de 20e eeuw de beroepsbevolking maar uit weinig vrouwen. Na de WO2 gingen er meer vrouwen werken, vooral in onderwijs. De wet werd dus ook versoepelt.

De feministische vrouwenbeweging streefde ook naar gelijkheid tussen man en vrouw op andere gebieden, bijvoorbeeld vrouwenkiesrecht.



20. Kinderarbeid en kinderwetten

Omdat de lonen in de fabrieken laag waren, moesten kinderen uit arbeidersgezinnen vaak meehelpen in de fabriek. Van de kant van ouders bestond weinig verzet tegen kinderarbeid. De artsen en schoolmeester protesteerden hier wel tegen er kwam een kinderwet



(het Kinderwetje van Van Houten) er kwam een leerplichtwet.



21. Onderwijs

Voor moeders die buitenhuis werkten was de bewaarschool vaak een uitkomst. Hier konden kinderen vanaf hun tweede al blijven.

De lagere school leverde een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de situatie voor arme kinderen:

- ten eerste: ze kregen betere kansen dan hun ouders door nuttige kennis op te doen

- ten tweede: de scholen vulden ook aan bij gebrekkige verzorging van de kinderen

Voor het kleuteronderwijs kwam pas na de WO2 meer belangstelling



22. ‘Gezinsherstel is volksherstel’

Na de WO2 moest het maatschappelijk leven in Nederland weer opgebouwd worden. Kerken en de overheid waren het erover eens dat het gezin daarbij een essentiële functie vervulde.

De overheid deed dit door geld te besteden aan gezinsverzorging, bureaus voor levens- en gezinsmoeilijkheden en het maatschappelijk werk. De Katholieke Volkspartij zorgde voor het Ministerie van Maatschappelijk Werk.

Bij de door overheid en kerken gevoerde gezinspolitiek stond het gezin model waarbij de man als kostwinnaar werkte en de vrouw als moeder en huisvrouw.

De moederschapideologie vond ook in de hogere sociale milieus weerklank. Vrouwen gingen zich daar meer met hun kinderen bemoeien.

De gezinspolitiek bleef effectief. In combinatie met de groeiende economie, de verlenging van de levensverwachting, de daling van de huwelijksleeftijd en het aantal kinderen per gezin, beleefde het moderne kerngezin in de jaren vijftig en zestig haar bloeiperiode.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

F.

F.

In deze tekst wordt onder punt 3+4 gerefereerd aan de Cote Napoléon. Bedoeld wordt natuurlijk de Code Napoléon. Het eerste woord betekent kust en dat zal niet worden bedoeld. Is het een typefout of overstijgt de schrijver het niveau van de studenten niet?:

2 jaar geleden