Module 13; Historisch overzicht van de twintigste eeuw

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 4717 woorden
  • 3 juni 2004
  • 27 keer beoordeeld
Cijfer 6.2
27 keer beoordeeld

Geschiedenis I: Samenvatting van Module 13: Historisch overzicht van de twintigste eeuw Hoofdstuk 1: Het gewelddadige begin van een nieuwe eeuw 1.1 Vooruitgang en grote verwachtingen
Als gevolg van de tweede industriële revolutie die was begonnen in het laatste kwart van de negentiende eeuw werd er gestreefd naar rijkdom en vernieuwing wat leidde tot een snelle vooruitgang en het ontstaan van nieuwe industrieën waarvan de belangrijkste de chemische en de elektrotechnische industrie waren. De gevolgen van de industrialisatie waren zowel op het platteland als in de stad te merken. Bijvoorbeeld mest dat ervoor zorgde dat de productie snel groeide. De industrialisatie zorgde voor een hogere productie van goederen, waardoor het leven van veel mensen verbeterde. Maar er werden ook bacillen van gevaarlijke ziektes ontdekt. Deze werden bestreden waardoor het sterftecijfer daalde en het bevolkingsaantal steeg. Sommige steden groeiden uit tot miljoenensteden omdat er veel werk te vinden was. Mensen trokken naar deze steden toe. Fin de siècle
De technische vooruitgang en toenemende kennis leidden tot optimisme. Mensen geloofden dat de menselijke vooruitgang niet meer te stuiten was. Ondanks dit optimisme bestonden er aan het einde van de negentiende eeuw ook twijfels en spanningen over de technische vooruitgang. Het milieu werd er erg door aangetast. Ook voor de arbeiders was het geen pretje. Ze moesten aldoor dezelfde handeling verrichten. De kloof tussen het platteland en de stad werd steeds groter door de industrialisatie. De industriële revolutie zorgde voor een goede stemming maar ook voor onzekerheid en pessimisme. In het Frans wordt dit Fin de siècle genoemd, omdat dit alles plaatsvond tegen het einde van de negentiende eeuw. 1.2 Een samenleving in beweging

Doordat de bevolkingssamenstelling veranderde als gevolg van de industriele revolutie ontstond er een nieuwe elite die invloed kreeg op de samenleving. De adel, die voorheen allerlei voorrechten had, werd uit zijn machtige positie gedrongen. Nu was de persoonlijke prestatie belangrijk voor je sociale positie, terwijl dit hiervoor afhing van titels en invloedrijke ouders. De rijken eisten evengoed hun plaatsje op door bijvoorbeeld huwelijken te sluiten met leden van de nieuwe elite. Naast de elite was er ook een nieuwe middenklasse ontstaan. Er kwamen steeds meer nieuwe fabrieken en bedrijven die toezichthoudend personeel nodig hadden. Deze beroepsgroep werd ook wel het ‘witteboordenproletariaat’ genoemd en groeide in veel landen uit tot de grootste sociale groep. Hiernaast was er ook een hogere middenklasse ontstaan, die onder andere bestond uit het beter opgeleide kantoorpersoneel en artsen. Een derde nieuwe en laagste sociale groep waren de fabrieksarbeiders. Deze mensen moesten vaak zwaar werk verrichten onder slechte omstandigheden. De werkdagen waren vaak te lang en de leeftijd lag te laag. Ook de woonsituatie van deze groep was erg slecht: gebrek aan licht, lucht en schoon drinkwater. Arbeidersbeweging
Om het lot van de arbeiders te verbeteren werden er arbeidsbewegingen opgericht. Hun doel was onder andere het streven naar loonsverhoging en werktijdverkorting. Deze bewegingen groeiden soms uit tot grote organisaties die af en toe ook succes boekten. Er vonden stakingen plaats. Vaak ontsloegen de ondernemers de stakers omdat er toch genoeg arbeiders te vinden waren. Het ging steeds vaker voorkomen dat vrouwen werkten. Ondanks dit zou haar sociale status nog lange tijd ondergeschikt blijven aan die van de man. De vrouwen lieten dit niet op zich zitten en eisten hun rechten, kiesrecht, werk en onderwijs, op. 1.3 Een tijd van ideologieën: liberalisme, socialisme, imperialisme
De grondgedachte van het liberalisme is dat iedereen gelijk is. Als iedereen de kans zou krijgen om zijn eigen geluk na te streven, zou dit volgens het liberalisme lieden tot een ideale, harmonieuze maatschappij. De staat zou zich zo weinig mogelijk met de samenleving moeten bemoeien. De ideale bestuursvorm was volgens het liberalisme dan ook de parlementaire democratie, waarbij het parlement door de bevolking zou moeten worden vertegenwoordigd. Sociale bewogenheid
Door de vrijheid ontstond er een groep rijken. De liberalen vroegen de overheid om in te grijpen. Ook streefden zij naar uitbreiding van het kiesrecht, wat leidde tot een sociale wetgeving zoals een ongevallenverzekeringswet. Naast de liberalen kwamen ook de socialisten rond het midden van de negentiende eeuw op voor de arbeiders. Karl Marx (1818-1883) zorgde dat het socialisme populair werd. Volgens hem zouden kleine bedrijfjes snel worden opgeslokt door grotere. Zij zouden de heersende klasse vormen en na de overgangsfase waarin het proletariaat een dictatuur uitoefent zou er een klasseloze samenleving ontstaan. Marx riep alle proletariërs op om zich te verenigen. Aan het einde van de negentiende eeuw begonnen enkele socialisten te twijfelen aan Marx’s voorspellingen omdat hun levensstandaard niets was veranderd. De socialisten splitsten zich in een groep die zich vast bleef houden aan Marx en eentje die meende dat een socialistische maatschappij ook tot stand kon komen door geleidelijke verbeteringen. Marx meende dat de arbeiders zich verbonden moesten voelen met alle arbeiders op de wereld, niet met de staat. Maar hadden veel vaderlandsliefde. De regering probeerde het nationalisme soms aan te wakkeren om spanningen te verminderen. Het kwam soms ook voor dat het nationalisme zo erg werd aangehouden dat het tot racisme leidde. Nationalisme en modern imperialisme
Het nationalisme speelde een belangrijke rol in het moderne imperialisme, wat in de periode van 1870 tot 1914 leidde tot een opdeling van Afrika en Zuid-Azië. Hoe meer koloniën in bezit, des te meer nationaal prestige. De mogendheden geloofden dat de koloniën economische voordelen op zouden gaan leveren. Het imperialisme was niet gunstig voor de onderlinge verhoudingen. De race om de koloniën was zelfs één van de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog. 1.4 Spanningen tussen de grote mogendheden
De vijf belangrijkste mogendheden (Frankrijk, Pruisen, Groot-Brittannië, Rusland en Oostenrijk-Hongarije)hadden op het congres van Wenen in 1814-1815 afgesproken om samen de vrede te gaan bewaren. Maar er ontstonden juist spanningen. De redenen hiervoor waren de industrialisatie en het imperialisme. De veranderende machtsverhoudingen waren ook een oorzaak. Duitsland, dat steeds sterker was geworden, was hierbij erg belangrijk. Dit land kreeg na de oorlog tegen Frankrijk het gebied Elzas en Lotharingen in handen, dat belangrijk was vanwege zijn kolen en ijzer. Het ging goed met de Duitse economie en volgens keizer Wilhelm II moest Duitsland een grotere invloed hebben in de wereld. Frankrijk en Engeland ergerden zich aan het Duitse machtsstreven. En toen Engeland hoorde dat Duitsland zijn vloot uit wilde gaan breiden om even groot te zijn als haar, begon zij ook met het uitbreiden van de vloot. Uit angst voor elkaar gingen beide landen steeds meer geld uitgeven aan wapens. Op weg naar oorlog

Van de afspraken die tijdens het congres in Wenen gemaakt waren, was in het begin van de twintigste eeuw nog maar weinig over. De landen gingen bondgenootschappen sluiten om bij eventuele veroveringen sterk genoeg te zijn. Doordat er in Turkije allemaal kleine, onafhankelijke staatjes ontstonden, werden de verhoudingen in Europa steeds ingewikkelder. De twee Slavische staatjes Servië en Montenegro kregen een nationalistische beweging die alle Slaven wilde verenigen in een Zuid-Slavisch rijk. Doordat deze beweging werd gesteund door Rusland, maar tegengewerkt door Oostenrijk-Hongarije kon er gemakkelijk een conflict ontstaan op de Balkan. 1.5 De Eerste Wereldoorlog: loopgraven en slachtingen
De moord op Franz Ferdinand zorgde voor een oorlog tussen de twee mogendheden. Volgens Oostenrijk-Hongarije was Servië op de hoogte van deze plannen. Zij stuurde haar een ultimatum. Servië, die rekende op de steun van Rusland, verwierp dit. Oostenrijk-Hongarije verklaarde Servië de oorlog. Rusland, Frankrijk en Engeland (de geallieerden) raakten in oorlog met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije (de Centralen). Italië sloot zich, ondanks de Triple Alliantie, in 1915 aan bij de geallieerden en de Centralen kregen steun van het Turkse Rijk, Roemenië en Bulgarije. Allen trokken ze vol goede moed ten strijde en beschouwden de oorlog als een gebeurtenis die weer voor wat opwinding zorgde, omdat ze ervan overtuigd waren dat het een korte strijd zou worden. Na veel aanvallen eindigde het in een loopgravenoorlog. In 1917 ging de oorlog verder en deze keer verloren de geallieerden Rusland als bondgenoot. Dit werd weer goedgemaakt toen de VS de geallieerden gingen helpen. Duitsland trok zich terug en de Duitse generaals verklaarden dat een overwinning niet meer mogelijk was. In 1918 zwegen de wapens en hadden de Centralen verloren. 1.6 Europa herrijst uit de oorlogshel
Op 28 junu 1919 werd het verdrag van Versailles, waar sommige landen zich maar moeilijk bij neer konden leggen, ondertekend. Volgens de Veertien Punten die president Woodrow Wilson opstelde om te laten zien hoe de toekomstige vrede eruit moest zien, moest de vredesovereenkomst rechtvaardig zijn zodat iedereen er blij mee kon zijn. Er moesten een Volkenbond en een democratisch bestuur voor alle landen komen. Ook moesten de grenzen in Europa worden getrokken volgens zelfbeschikkingsrecht (nationaliteiten moesten zoveel mogelijk in afzonderlijke staten wonen, om ontwikkeling in vrijheid mogelijk te maken). Wilsons voorstellen werden met enthousiasme ontvangen, maar bij de vredesonderhandelingen kwam er niet van terecht, onder meer omdat de Franse premier Clemenceau Duitsland, die als enige schuldige aangewezen werd voor het uitbreken van de oorlog, te hard aan wilde pakken. Het moest Elzas-Lotharingen teruggeven aan Frankrijk en al zijn koloniën opgeven. Duitsland en de andere verliezers van de oorlog mochten ook niet meedoen aan onderhandelingen. De Duitsers gingen spreken van een dictaat
De landsgrenzen werden gewijzigd. Er werden nieuwe staten gecreëerd, al werd het zelfbeschikkingsrecht niet principieel toegepast. Duitsland en Oostenrijk, die grootendeels dezelfe taal spraken, mochten zich bijvoorbeeld niet verenigen. Ook werd de Volkenbond opgericht, waarvan de invloed beperkt zou blijven. De verliezers van de oorlog mochten geen lid worden. En Amerika werd dit ook niet, omdat zij zich niet meer met Europa wilde bemoeien. Zij onderging een periode van isolationisme. Hoofdstuk 2: Vrede, hoop en nieuwe dreiging 2.1 De wederopbouw van Europa
Europa was verwoest, verarmd en ontwricht toen het in 1918 weer tevoorschijn kwam uit de oorlogsduisternis. Er waren veel doden gevallen en er was een grote materiële schade. Deze situatie was niet gunstig voor het economisch herstel. Doordat Duitsland herstelbetalingen moest doen hielden ze nauwelijks geld over voor investeringen. Ook Frankrijk en Groot-Brittannië moesten hun lening terugbetalen aan Amerika. Het Europese aandeel in de wereldhandel was met 10% afgenomen doordat andere landen zelf gingen produceren of importeerden uit andere landen. De economie in Europa bloeide weer op toen er een soepelere betalingregel werd ingesteld voor Duitsland. De productiviteit groeide en er ontstond een nieuw vertrouwen in de toekomst. Maar in 1929 brak een economische crisis uit waardoor bijna de hele westerse wereld door werd getroffen. Velen werden werkloos en er werden projecten opgezet om de werkloosheid te lijf te gaan. 2.2 Van foxtrot tot gaarkeuken
De bevolking profiteerde van de groei van de productiviteit. Er was behoefte aan nieuwe producten en veel bedrijven lieten klanten op afbetaling kopen. Dit was massaconsumptie. Hiernaast ontstond er ook massavermaak. De arbeidstijden werden verkort en mensen kregen meer vrije tijd om bijvoorbeeld naar de bioscoop te gaan. Alles is mogelijk

De jaren twintig werden vanwege de economische ‘boom’ ook wel de ‘roaring twenties’ of de ‘fabulous twenties’ genoemd. Er was een nieuwe levensstijl, de tradities werden losgelaten. In de kunstwereld heerste drang naar vernieuwing en er werd geëxperimenteerd met allerlei nieuwe vormen, technieken en materialen, waarbij de nadruk onder andere lag op originaliteit. Berlijn werd toonaangevend op het gebied van moderne kunst, opera, toneelstukken en films. Slechts een klein deel van de bevolking kon zich een uitgaansleven veroordelen. Anderen moesten hard zwoegen om de touwtjes aan elkaar te knopen, en waren toegewezen op de gaarkeuken. 2.3 Overwinning van de democratie? Na WO I werden zowel Duitsland als de nieuw gecreëerde staten in Midden- en Oost-Europa republieken met een parlementaire democratie. Mannen kregen kiesrecht, en in sommige landen vrouwen ook. Hierdoor kregen arbeiders een grotere invloed op de politiek, en was er niet meer één persoon die alles besliste. Anti-democratisch
In de nieuwe republieken van Midden- en Oost-Europa duurde de democratie maar kort. De autocratische heersers kregen de macht weer in handen omdat er veel onervarenheid was. Er ontstonden anti-liberale bewegingen, zoals fascisme en communisme, die tegen de parlementaire democratie waren. Er werd gepropageerd voor saamhorigheid en een sterk leiderschap. Deze groeperingen groeiden snel. 2.4 De Verenigde Staten
De VS waren rijker geworden door WO I, de industrie was tot grote bloei gebracht. Amerika voerde een buitenlandse politiek van isolationisme. Daarom had ze niet meteen een grote invloed in de wereldpolitiek. Er heerste nationalisme onder de bevolking, ondanks dat Wilson had opgeroepen tot verdraagzaamheid en tolerantie. Alleen echte Amerikanen, vaderlandslievende protestenten van West-Europese afkomst, mochten in Amerika wonen. Ook socialisten en communisten hadden het moeilijk. Om de misdaad terug te dringen werd in 1920 de productie en verkoop van alcoholhoudende drank verboden. Dit werd echter niet bereikt. Op economisch gebied ging het goed met de VS. Boeren hadden tijdens de oorlog extra geproduceerd voor de Europese markt, omdat daar niet geoogst kon worden vanwege de oorlog. Maar na de oorlog kwam de Europese productie weer op gang en daalden de prijzen van agrarische producten. De Amerikaanse overproductie in de landbouw en in bepaalde takken van de industrie waren oorzaken van de economische crisis in 1929, wat het land een zware klap gaf. Volgens Hoover moest de crisis uitzieken, de regering greep dus niet in. De crisis duurde voort, er ontstonden ‘Hoovervilles’: krottenwijken waar de slachtoffers van de crisis een onderkomen zochten. New Deal
Franklin Roosevelt werd in 1932 president, toen kwam er ook een einde aan de passieve houding van de overheid. Hij vond dat de regering wel degelijk verantwoordelijkheid droeg en presenteerde de New Deal om te proberen de agrarische en industriële productie terug te brengen en de prijzen te beheersen. Banken werden gecontroleerd en er kwamen sociale wetten tot stand zoals een verbod op kinderarbeid, verplichte verzekering voor werkloosheid, oudedagsvoorziening en een vaste werkweek van 35 uur. In deze periode raakte de term ‘welfare state’ in gebruik. Omdat iedereen volgens de Amerikaanse opvatting voor zichzelf moest zorgen ontstond er ophef over de New Deal. Roosevelt werd uitgemaakt voor een revolutionair en een communist, maar werd door de armen gesteund en drie keer als president herkozen. 2.5 Van Rusland tot USSR
Op 25 oktober 1917 vond er, zonder dat de inwoners het merkten, in Sint Petersburg een revolutie plaats die het leven in Rusland ingrijpend zou veranderen. Het meesterbrein achter deze revolutie was Vladimir Lenin. Hij wierp samen met Trotski en andere partijgenoten de zittende regering omver. In februari 1917 was het regime van tsaar Nicolaas II in elkaar gestort, dus het was de tweede revolutie van dat jaar. Onder de Russen heerste ontevredenheid en er braken voortdurend stakingen en massademonstraties uit. Tegen deze situatie was Nicolaas niet opgewassen en de leden van de volksvertegenwoordiging, de Doema, namen de macht over. Ook zij konden geen orde houden en toen greep Lenin zijn kans. Communisten aan de macht
De vrede van Brest-Litovsk werd direct na de machtsovername gesloten. Er ontstond een bloedige burgeroorlog tussen het bolsjewistische Rode Leger en de tegenstanders van het nieuwe bewind, georganiseerd in het Witte Leger. Deze strijd werd in 1921 in het voordeel van de bolsjewisten beëindigd. De communistische Partij bestuurde de nieuwe staat met harde hand en tegenstanders werden afgevoerd naar concentratiekampen. Lenin overleed in 1924 en er volgde een machtsstrijd die werd gewonnen door Stalin, de partijsecretaris. Hij werd al snel een alleenheerser die zijn vijanden uit de weg liet ruimen. Hij wilde het land op orde maken. In 1928 maakte Stalin een einde aan de speelruimte die er nog was voor particuliere ondernemingen. Hij besloot het land te gaan industrialiseren door middel van een vijfjarenplan. De boeren moesten het geld hiervoor gaan opbrengen, en om dit te kunnen beheersen werden ze bijeen gedreven in kolchozen, collectieve boerderijen. Miljoenen boeren verzetten zich hiertegen door hun vee af te slachten en hun graan te verbranden. Zij werden bestraft met de dood, of werden afgevoerd naar kampen in Siberië. Na verloop van tijd was Rusland één van de meest geïndustrialiseerde landen ter wereld, maar met de landbouw is het nooit helemaal goed gekomen, Rusland werd jarenlang geteisterd door voedseltekorten. Het gehele economische, politieke en culturele leven in Rusland kwam onder scherp toezicht te staan. Stalin begon overal vijanden te zien die om het leven werden gebracht of gedeporteerd. 2.6 Wereldmachten op hun retour

Na de oorlog hadden Groot-Brittannië en Frankrijk een grootdeel van het voormalige Turkse rijk als mandaatgebieden toegewezen gekregen. Jordanië, Irak en Palestina kwamen onder Engels bestuur, Libanon en Syrië onder Frans bestuur. In 1917 had de Britse minister van buitenlandse zaken, Balfour, verklaard de oprichting van een ‘joods tehuis’ in Palestina te steunen. De joden voelden zich hierdoor gesterkt, maar de stroom joden stuitte op verzet van de plaatselijke Arabische bevolking. Ook in India kampten de Engelsen met gezagsproblemen. Ghandi, een kleine, tengere Hindoestaan, riep op tot geweldloos verzet tegen de Britse overheersing, waaraan de Indiase bevolking gehoor gaf. De Engelse regering wist niet hoe ze met deze situatie om moest gaan. Ook met een niet-geweldloze onafhankelijkheidsbeweging, zoals Ierland, wist Groot-Brittannië geen raad. Onderdrukking hielp niet en in 1921 gaf Groot-Brittannië zich gewonnen. Dreiging van rechts
Frankrijk kreeg ook te maken met onafhankelijkheidsbewegingen. Er ontstond gezagsstrijd. Er kwamen demonstraties tegen het parlementaire systeem, er werd geroepen om een sterke regering. De socialisten, communisten en liberalen schrokken hiervan. Zij vormden een volksfront, dat in 1936 en overwinning behaalde. Léon Blum werd eerste socialistische premier van Frankrijk. De regering van Blum stelde een 40-urige werkweek in, vakantiedagen werden doorbetaald. Ondernemers moesten hier weinig van hebben en belegden in het buitenland, waardoor er een tekort op de betalingsbalans ontstond. Het kabinet van Blum kwam in 1937 ten val. 2.7 De bruine horden rukken op
In Italië was er een demonstratieve ‘mars naar Rome’ waartoe de fascistische leider Benito Mussolini had opgeroepen. Hij wilde de regering onder druk zetten om macht af te staan aan zijn fascistische partij. Koning van Rome Victor-Emmanuel III raakte in paniek, hij gaf Mussolini de opdracht om een regering te vormen. Vanaf 1926 had Mussolini alle macht in handen. Dit succes had hij te danken aan de slechte situatie, de ontwrichte economie en veel werkloosheid, waarin Italië zich bevond. Hij beloofde macht en hemelde het volk op, wilde actie. Geweld keurde hij niet af, de sterksten mochten hun recht doen gelden. Het regime van Mussolini wordt ook wel een totalitair regime genoemd. Hiermee wordt bedoeld dat hij ernaar streefde om de samenleving onder controle te krijgen. Ook in Duitsland ontwikkelde zich in de jaren ‘30 een totalitair regime. In 1933 kwam er de Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiders Partij, de NSDAP, aan de macht met Adolf Hitler, een vurig redenaar, als leider. Hij hief het verdrag van
Versailles op. Ook verafschuwde hij net als Mussolini de parlementaire democratie, en wakkerde de nationalistische gevoelens aan. Hij maakte joden tot het meest minderwaardige ras ter wereld. 2.8 Zwarte wolken boven Europa
De spanningen na de oorlog bleven bestaan en de onvrede over het verdrag van Versailles speelde hier een grote rol bij. In 1924 stelden Groot-Brittannië, Frankrijk en Amerika het Dawes-plan op: de Duitse oorlogsschuld werd verlaagd, betalingen beter gespreid en Amerika gaf Duitsland leningen om weer op gang te komen. In 1925 werd onder opgewekte stemming het verdrag van Locarno gesloten. De grenzen werden bevestigd. Duitsland mocht door zijn goede gedrag lid worden van de volkenbond. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken stelde voor om lid te worden van het Briand-Kellog-pact, om de vrede veilig te stellen, maar niet iedereen had hier vertrouwen in. In de jaren ’30 namen de dankzij Hitler de spanningen in Europatoe. Hitler grijpt zijn kans
Hitler trok in 1936 met zijn troepen het Rijnland binnen, wat in strijd was met het verdrag van Versailles. Doordat Frankrijk en Groot-Brittannië geen confrontatie met Duitsland aandurfden, kreeg Hitler triomf. Ook Italië zorgde voor toenemende spanningen, Mussolini wilde Ethiopië veroveren. De Volkenbond wilde Italië tegenhouden, maar tevergeefs. De relaties tussen Italië en Frankrijk en Groot-Brittannië koelden af. In 1936 sloten Duitsland en Italië een bondgenootschap: de As van Rome-Berlijn. Ook in Spanje ontstond er onrust. Er brak een militaire opstand uit onder leiding van de fascistische generaal Franco, met een bloedige burgeroorlog als gevolg. Groot-Brittannië haalde Frankrijk over zich buiten deze strijd te houden. Deze politiek van Groot-Brittannië wordt ook wel appeasement-politiek genoemd. Zo bemoeide zij zich niet met de ‘Anschluss’ in 1938. Hierbij werd Oostenrijk door Hitler gedwongen zich bij Duitsland aan te sluiten: op 13 maart 1938 werd de staat Oostenrijk opgeheven. Groot-Brittannië en Frankrijk gaven Hitler zijn zin om hem tevreden te stellen. Zij deden dit tijdens de conferentie in München in 1938 toen Hitler volhield dat het Tsjechische Sudetenland met zijn Duitssprekende bevolking bij Duitsland moest worden gevoegd. Hitler was toen niet te stuiten en bezette in het voorjaar van 1939 ook de rest van Tsjechoslowakije en maakte vervolgens aanspraak op de Poolse stad Danzig. Nu waren Groot-Brittannië en Frankrijk het zat; ze zegden Polen steun toe als Hitler zich aan hun land zou vergrijpen. Hitler zag de ernst in en sloot in augustus 1939 een niet-aanvalsverdrag met Rusland, zodat hij niet lastig zou worden gevallen als hij Polen zou opeisen. Hierin stond dat Polen tussen de beide landen verdeeld zou worden. Dit verdrag zorgde voor WO II.
Hoofdstuk 3: Van Grote Alliantie naar Koude Oorlog 3.1 De Tweede Wereldoorlog
Op 1 september 1939 begon de Tweede Wereldoorlog doordat Hitler met zijn troepen Polen binnentrok om het te gaan veroveren, hij had meer ‘Lebensraum’ nodig. Duitsland kreeg Rusland en de VS, zij waren betrokken geraakt na een aanval van Japan in 1941 op Pearl Harbour. Amerika, Engeland en Rusland vormden de Grote Alliantie, die goed liep omdat er technische voorsprong was en grote inzet van Rusland. Hier sneuvelden echter miljoenen soldaten. Hitler gaf zich op 7 mei 1945 over, Japan ging toen door in Azië. Toen Japan in 1941-1942 in Azië heel veel land had veroverd, werd ze teruggedrongen door Amerika. In augustus 1945 kwam Amerika met de atoombom, Japan werd gebombardeerd en stopte. Jodenvervolging
Een van de meest afgrijselijke dingen van WO II was de Jodenvervolging waarbij 6 miljoen joden om het leven kwamen. Eerst werden ze alleen gediscrimineerd, maar later moesten ze naar concentratiekampen. Nederland bezet
In de eerste bezettingsperiode deed Duitsland nog redelijk vriendelijk. Toen de oorlog verder vorderde werden de Duitsers steeds agressiever. Er was geen vrije pers meer, politieke partijen werden verboden en artsen en kunstenaars moesten zich aansluiten bij nazi-organisaties. Veel mensen moesten in Duitse fabrieken aan de slag. Veel verzetslieden werden omgebracht. In september 1944 was er een spoorwegstaking en de voedseltoevoer werd gestaakt. Veel mensen stierven toen van de honger. 3.2 De gewapende vrede
Op 25 april 1945 sloten de Russen en de Amerikanen vrede, maar deze vrede was snel afgelopen. Het communisme en het kapitalisme kwamen weer boven. De Russen dachten toen dat de geallieerden verwachtten dat Rusland en Duitsland elkaar af zouden maken. Amerika dacht dat Rusland van de oorlog gebruik wilde maken om zijn macht in Oost-Europa te versterken. Koude Oorlog
Na de oorlog werd Duitsland opgedeeld in twee afzonderlijke staten: de Bondsrepubliek Duitsland in het westen en de Duitse Democratische Republiek in het oosten. De Sovjetunie zorgde voor een letterlijke scheiding door in 1961 een muur te bouwen in Berlijn. De Sovjetunie had Oost-Europa in zijn macht. In 1949 gingen West-Europa, Amerika en Canada nauwer samenwerken door de militaire alliantie, de NATO (North Atlantic Treaty Organization) te sluiten. Als reactie hierop sloot de Sovjetuniet met de Oost-Europese landen het Warschaupact. De vijandige verhouding liep uit tot een Koude Oorlog en de hele wereld werd erin betrokken. De beide blokken gingen zicht alsmaar zwaarder bewapenen, de Russen hadden in 1949 ook een atoombom, het werd een kernoorlog. In 1962 gingen de russen op Cuba kernraketten installeren, dit was het gevaarlijkste moment in de Koude Oorlog. De Koude Oorlog had ervoor gezorgd dat de Verenigde Naties, de opvolger van de Volkenbond, niet goed meer kon functioneren, omdat Amerika en Rusland het vaak niet met elkaar eens waren. 3.3 Het communistische blok

De Amerikaanse economie was door de oorlog (de wapenindustrie) tot grote bloei gekomen, Rusland was juist arm. Om deze schade te dekken werd er van alles afgenomen van Oost-Europa en hun deel van Duitsland. Leven in het Oostblok
In 1948 was Oost-Europa met behulp van Rusland communistisch geworden. Je mocht je mening niet meer vrij uiten. Stalin stierf in 1953 en werd opgevolgd door Chroestsjov en bekritiseerde Stalin. Het gevolg hiervan was destalinisatie. Rood-China
China was in 1949 communistisch geworden omdat een burgeroorlog tussen de communisten en nationalisten door de communisten werd gewonnen. De nationalisten vluchtten met hun leider, Tsjiang K’ai-sjek naar Taiwan waar ze werden beschermd door Amerika. De nieuwe Chinese Volksrepubliek werd bestuurd door de Chinese Communistische Partij onder leiding van Mao Zedong. Mao werd net als Stalin aanbeden maar terroriseerde de boel ook. In 1958 kondigde Mao een economisch ontwikkelingsprogramma af, Mao’s Grote Sprong Voorwaarts. Dit liep uit tot een grote mislukking, met hongersnoden als gevolg. De samenwerking tussen de Sovjetunie en China duurde niet erg lang door territoriale en ideologische verschillen. 3.4 De wederopbouw onder Amerikaanse invloed
Na de Tweede Wereldoorlog was het optimisme van 1900 van Europa verdwenen: Europa lag in puin. De Amerikanen boden hulp met het Marshall-plan. Dit was bedoeld om de ellende en armoede te bestrijden en te voorkomen dat het communisme de grenzen binnen zou treden. De Sovjetunie stond Oost-Europa niet toe om de Marshall-hulp aan te nemen, zij beschouwde het als een vorm van economisch imperialisme. West-Europa werd wel opgebouwd. Europese samenwerking
In ruil voor de Marshall-hulp moest Europa wel gaan samenwerken. De economie ging hierdoor goed, maar met de politiek ging het minder. De EGKS (de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal) werd opgericht. Deze moest ervoor zorgen dat oorlog onmogelijk zou worden. Duitsland werd, omdat ze belangrijk was voor de Europese economie, ook geholpen met de wederopbouw. Ook Japan werd geholpen. Het werd omgetoverd tot een liberaal-democratische staat. Japan kon nu als uitvalbasis dienen in de strijd tegen het communisme in Azië, nadat in de Westerse wereld het communisme tot vijand werd verklaard. 3.5 De westerse samenleving
Er ontstond een ‘American way of life’, die stond voor vitaliteit, democratie en ongekende mogelijkheden voor iedereen die bereid was hard te werken. Kenmerkend hiervoor was de overvloed aan consumptiegoederen. Toch bleef er een achtergestelde groep, de zwarte bevolkingsgroep. Zij werden erg gediscrimineerd in de zuidelijke staten. In 1954 kwam er en onderwijsgelijkheid maar in 1957 moest het leger er aan te pas komen om zwarte kinderen ook werkelijk toegang tot ‘blanke’ scholen te verschaffen. Onder leiding van senator McCarthy was er in de jaren ’50 de jacht op de communisten. In Europa was dit niet zo erg, men mocht de Russen wel omdat er vanuit de Sovjetunie goede dingen waren georganiseerd. In West-Europa groeide de economie ook flink. In Nederland werden er verschillende sociale voorzieningen gecreëerd, zoals de WW (Werkeloosheidswet), AOW (Algemene Ouderdomswet) en de AWW (Algemene Weduwen- en Wezenverzekering). 3.6 De ondergang van de koloniale rijken

Alle koloniën van de Europese landen werden na de Tweede Wereldoorlog zelfstandig, een van de oorzaken hiervan was het nationalisme. Na de Japanse nederlaag hadden de Europeanen de grootste moeite om hun machtspositie te herstellen. Een andere oorzaak was dat de VS en de Sovjetunie koloniën afkeurden. Amerika dacht hierbij aan hun ontworsteling aan de overheersing door een Europees moederland, de Sovjetunie zag het kolonialisme als een uitwas van het kapitalisme. Beide landen wilden door de Koude Oorlog graag bondgenoten vinden. De Europese verdeeldheid hield mee. Steeds meer mensen wezen de overheersing van het ene volk door het andere af en pleitten voor afschaffing van de koloniale verhoudingen. Twee golven
Het dekolonisatieproces ging in twee golven; in de eerste golf, net na de Tweede Wereldoorlog, verwierven de koloniën in Azië hun onafhankelijkheid. In de tweede golf, die in de jaren ’60 was, werden ook bijna alle landen zelfstandig. Soms moesten de nationalistische bewegingen een harde strijd leveren om de koloniale mogendheid het land uit te werken. Soms liep het hierna nog niet goed af, want economisch gezien had Europa de overhand. De grenzen, die tijdens het imperialisme waren getrokken, leidden soms ook nog tot bloedige conflicten. Midden-Oosten
De immigratie van joden in Arabië was vlak voor de Tweede Wereldoorlog door Engeland beperkt, om de Arabieren te vriend te houden. In 1947 stelden de Verenigde Naties voor om Palestina in tweeën te delen, een deel voor de joden en een deel voor de Arabieren, maar dit werd niks. In mei 1948 trokken de Engelsen zich terug en riepen de joden onmiddellijk de staat Israël uit. Toen verklaarden de Arabieren de oorlog aan de nieuwe staat. Israël wist zich toch te handhaven en kon zelfs zijn grondgebied flink uitbreiden. Op dit nieuwe gebied kwamen ook Palestijnen. In 1987 brak er een opstand uit onder hen, de intifada. Er werd een tijdelijke verdeling gemaakt in het begin van de jaren ’90.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.