Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Middeleeuwen

Beoordeling 5.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 1e klas havo/vwo | 2312 woorden
  • 2 juli 2012
  • 24 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.4
  • 24 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Na het uiteenvallen van het West Romeinse Rijk ( 496 na Christus) volgt er een periode van ongeveer 1000 jaar, die we in Europa de Middeleeuwen noemen. Geleerden uit de 15e eeuw hebben deze naam bedacht omdat ze grote bewondering hadden voorde Griekse en Romeinse cultuur. Ze vonden hun eigen tijd. Hun eigen tijd vonden ze ook belangrijk maar de tijd daartussen stelde weinig voor.
Vanaf de 19e eeuw gingen de mensen anders denken over de Middeleeuwen.
Het woord Middeleeuwen bleef wel bestaan, maar het klonk niet meer negatief.
Het tijdvak van de Middeleeuwen laat men meestal van 500 tot 1500 duren. Volgens sommigen eindigde de Middeleeuwen in de 13e eeuw, volgens anderen pas in de 16e eeuw.
De Middeleeuwen worden verdeeld in de Vroege en Late Middeleeuwen. De overgang valt in de 11e eeuw.
6.1 DE GERMANEN
GERMAANSE VOLKEN NEMEN HET GEZAG VAN DE ROMEINEN OVER.
VEEL VOLKEREN VIELEN HET ROMEINSE RIJK BINNEN EN HET LUKTE DE ROMEINEN NIET MEER IEDERE KEER DE INVALLERS TE VERSLAAN. WAAR IN EUROPA EENS HET WEST ROMEINSE RIJK LAG, ONTSTOND EEN LAPPENDEKEN VAN GERMAANSE STATEN.
DE GERMAANSE VOLKEN HADDEN IEDER HUN EIGEN STAAT. MAAR ZE HADDEN VEEL GEMEENSCHAPPELIJK.
• DE TALEN LEKEN OP ELKAAR.
• ZE LEEFDEN VOORAL VAN LANDBOUW EN LEEFDEN IN DORPEN.
• ER WAS EEN GELAAGDE SAMENLEVING. BOVENAAN STONDEN DE VRIJE MANNEN, VRIJGELATENEN VORMDEN DE MIDDELSTE LAAG EN SLAVEN DE ONDERSTE LAAG. (VROUWEN EN KINDEREN WAREN VOLLEDIG ONDERGESCHIKT AAN HUN MAN/VADER).
• ELKE VOLK WAS VERDEELD IN VERSCHILLENDE STAMMEN. IN IEDERE STAM HAD DE VERGADERING VAN VRIJE MANNEN DE MEESTE MACHT. IN OORLOGSTIJD ECHTER WERD ER EEN AANVOERDER GEKOZEN. SOMMIGE SLAAGDEN ER DAN IN VREDESTIJD IN KONING TE WORDEN.
De Franken werden het belangrijkste Germaanse volk. Het huidige Frankrijk is naar hen genoemd
KAREL DE GROTE
Karel de Grote ( 742-814) werd de belangrijkste koning van de Franken. Vooral op het gebied van onderwijs en wetenschap werd hij bekend. Hij liet geestelijken overal in kloosters en kerken scholen oprichten voor kinderen van edelen en andere veelbelovende kinderen.
Aan het hof nodigde hij geleerden uit die Griekse en Romeinse handschriften bestudeerden.
Ook liet hij het schrift verbeteren. Naast de Hoofdletters voerde hij de kleine letters in.
Ook voerde Karel de Grote veel oorlogen om zijn land te vergroten en om het Christendom te verspreiden.
Zo ontstond er voor het eerst na de Romeinen een groot Europees Rijk. In 800 werd Karel de Grote door de Paus in Rome tot keizer gekroond.
Paus Leo de III kroont Karel de Grote tot Keizer (Aegidius van Roya, Compendium historiae universalis)
Na de dood van Karel de Grote viel zijn rijk uiteen.
Dit had verschillende oorzaken:
1) de gewoonte van de Germanen om het rijk te verdelen onder alle zonen van de vorst;
2) de oorlogen die de opvolgers van Karel de Grote onder elkaar voerden;
3) de aanvallen van volken zoals de Noormannen vanuit het Noorden en de moslims vanuit het zuiden.
6.2 De samenleving in de Vroege Middeleeuwen
In de vroege middeleeuwen bleven sommige steden wel bestaan zoals bisschopssteden. Die bisschoppen bestuurden van daaruit hun bisdom. Dat trok mensen aan.
DE MEESTE MENSEN LEEFDEN OP EEN DOMEIN
Bijna iedereen leefde in de Vroege Middeleeuwen op een domein op het platteland. Een domein was een dorp met omgeving en alles wat daarbij hoorde aan land en goederen. Het werd bestuurd door een edelman, een bisschop of een klooster. Het middelpunt van een domein was een kasteel of een klooster.
Iedere grootgrondbezitter had minstens één domein. De rijken onder hen hadden er vele. De edelman, bisschop of abt woonde zelf op één domein en liet de andere besturen door rentmeesters.
Vrije boeren en horigen
Ruim 90% van de bevolking werkte op een domein als boer, landarbeider, ambachtsman of personeel van de heer.
De armen, dat waren de boeren en de horigen en de lijfeigenen. De meeste boeren waren horigen. Hun boerderij en hun land behoorde aan de edelman. Voor hem moesten zij werken. Een deel van de oogst was voor de boeren zelf. Maar het meeste moeten ze afstaan aan hun heer of aan het klooster.
Er waren grote verschillen in leefomstandigheden.
• Vrije boeren: Zij bezaten hun eigen grond en hadden meestal weinig personeel. Deze groep was klein.
• Horigen: De meeste mensen waren horigen(onvrije mensen). Sommige hadden geen enkele bezit. Zij werkten elke dag voor hun heer. Andere hadden land gepacht van hun heer en moesten diensten voor hen verrichten.
• Onder de horigen die land hadden gepacht waren er grote verschillen:
a) Sommigen hadden meer land gepacht dan anderen.
b) Sommigen hoefden minder diensten voor hun heer te verrichten dan
anderen.
c) Sommigen hoefden minder van hun oogst af te staan dan anderen.
• Sommige horigen waren nakomelingen van vrije boeren die hun vrijheid hadden opgeheven in ruil voor de bescherming door een adellijke heer. De meeste horigen waren nakomelingen van Romeinse slaven die van hun eigenaar een stuk grond hadden gepacht.
DE EDELEN
De edelen waren wel eigenaars van de grond, maar ze werkten daar zelf niet op. Zij leefden van de arbeid van de boeren.
Edelen vervulden andere taken:
• ze bestuurden hun domeinen;
• spraken recht over hun onderdanen;
• voerden oorlog.
Edelen werden verdeeld in Hoge en Lage adel
De lage adel
De meeste edelen behoorden tot de lage adel. Zij beheerden maar één of enkele domeinen en woonden op een klein kasteel. Dat kasteel was eigenlijk meer een gewone boerderij die ommuurd was en torens had. Ook had de lage adel evenveel voedsel als de horigen maar ze verdienden meer.
De hoge adel
In heel Europa waren maar enkele honderden hoge edelen. Zij beheerden honderden domeinen en woonden in grote burchten.
Het leenstelsel
Het in leen geven van gebieden in ruil voor hulp wordt leenstelsel genoemd. De hoge edelen hadden hun domeinen in leen van de koning. Zo'n groot gebied was moeilijk te beschermen. Daarom riepen de hoge edelen de hulp in van lage edelen. Ze kregen één of enkele domeinen van de hoge edelen in leen.
De koning en de edelen die één of meer domeinen in leen gaven, worden leenheer genoemd. De edelen die één of meer domeinen leenden, worden leenman genoemd. De hoge edelen waren dus tegelijkertijd leen man en leenheer.
DE MEESTE KONINGEN HADDEN WEINIG MACHT
Koningen hadden in de Vroege Middeleeuwen meestal weinig macht. de meeste van hun domeinen hadden zij in leen gegeven aan hoge edelen. Meestal deden de hoge edelen alsof hun leen eigen bezit was. Zij luisterden alleen naar de koning als zij er zin in hadden.
DE GEESTELIJKEN
Een derde belangrijke groep in de middeleeuwse samenleving was de geestelijkheid. Er zijn twee soorten geestelijken: seculiere en reguliere.
SECULIERE GEESTELIJKEN
Seculiere geestelijken zijn de Paus, de bisschoppen en de priesters. Zij leven niet in afzondering zoals de reguliere geestelijken maar onder de mensen. Alleen mannen kunnen seculiere geestelijke worden.
De taak van de middeleeuwse dorpspriester was toezicht te houden op het leven van de inwoners van een parochie. Een parochie, is een groep gelovigen. De dorpspriester was van eenvoudige afkomst en had weinig of geen opleiding gehad. Boven de dorpspriesters stonden de bisschoppen. Het was hun taak toezicht te houden op de parochies in hun bisdom (kerkelijke provincie).
De bisschoppen waren meestal van adellijke afkomst. Veel bisschoppen waren ook leenmannen van de koning.
Leider van de bisschoppen en van de Kerk was de Paus. Hij had grote macht:
• Hij stond aan het hoofd van alle geestelijken;
• hij mocht regels vaststellen waaraan alle christenen zich hadden te houden;
• hij mocht alle bisschoppen bijeen roepen voor een concilie (kerkelijke vergadering).
REGULIERE GEESTELIJKEN
Reguliere geestelijken zijn monniken en nonnen. Zij leven in afzondering in kloosters. Aan het hoofd van een klooster staat een abt of abdis.
Reguliere geestelijken leggen 3 geloften af:
• de gelofte van zuiverheid (dat ze niet zullen trouwen en geen seks hebben);
• de gelofte van gehoorzaamheid ( dat ze altijd de leiding zullen gehoorzamen);
• de gelofte van armoede (dat ze het bezit zoveel mogelijk gemeenschappelijk hebben).
Alle reguliere geestelijken zijn lid van een kloosterorde. Dat is een organisatie van een groep monniken en nonnen die in verschillende kloosters leven volgens dezelfde regels. De oudste orde is die van Benedictus. Daarnaast kennen we de Dominicanen en de Franciscanen
Tot de taken van monniken en nonnen behoren:
• het verbreiden van het christelijk geloof;
• het bouwen van kerken en kloosters;
• het verzorgen van zieken;
• het geven van voedsel aan hen die honger lijden;
• het schrijven van boeken;
• het ontginnen van land en het droogleggen van moerassen;
• verbeteren van gewassen;
• het fokken van dieren;
• het aanleggen van dijken;
• het onderdak geven aan pelgrims ( zijn gelovigen die ver reizen om een van de heilige plaatsen te bezoeken) en andere reizigers.
GROTE INVLOED VAN DE KERK EN DE GEESTELIJKEN OP DE SAMENLEVING
Hoe kwam het dat de invloed van de geestelijken in de Middeleeuwen zeer groot was?
1) Iedereen was in de Middeleeuwen lid van dezelfde Kerk. De geestelijken konden dardoor iedereen beïnvloeden.
2) Tot in de Late Middeleeuwen konden bijna alleen geestelijken lezen en schrijven. Daardoor hadden ze ook bij het bestuur van een land invloed. Ze moesten dan wetten en verdragen opschrijven. Maar Hoge Geestelijken bestuurden vaak ook een groot deel van het land.
3) In de Middeleeuwen geloofden de mensen dat het leven op aarde een voorbereiding was op het eeuwige leven na de dood.
4) Door het heffen van belastingen ( b.v. een tiende van de inkomsten of aflaatbetalingen) was de Kerk heel rijk geworden. Rijker dan alle koningen bij elkaar.
5) Geleerden hielden zich vooral bezig met wat voor de godsdienst belangrijk was.
6) De Paus kon iedereen in de Kerkelijke Ban doen. Als je in de Ban werd gedaan, was je geen lid meer van de Kerk en mocht je geen sacramenten meer ontvangen en kwam je na je dood in de hel.
6.3 DE OPKOMST VAN DE MIDDELEEUWSE STAD
De opkomst van de steden is de belangrijkste verandering in de Late Middeleeuwen. Dat had veel te maken met de herleving van de handel.
WAARDOOR HANDEL IN DE VROEGE MIDDELEEUWEN BIJNA VERDWIJNT
De handel in West Europa was sinds de 5e eeuw bijna verdwenen. De reden daarvoor was dat de Romeinse wegen vervielen en het steeds moeilijker werd om te reizen. Men werd vaak het slachtoffer van struikrovers. Ook waren er weinig bruggen om rivieren over te steken. Kooplieden moesten ook voor het gebruik van bruggen, doorwaadbare plaatsen of waterwegen tol betalen aan de eigenaar ervan.
Een ander probleem was dat, in tegenstelling tot de Romeinse tijd, men nu niet overal met dezelfde munt kon betalen.
WAARDOOR DE HANDEL HERLEEFT IN DE LATE MIDDELEEUWEN
De handel herleefde in de 11e en 12e eeuw:
• In de stad gingen de kooplieden samenwerken in gilden. Een gilde diende de belangen van mensen die hetzelfde beroep uitoefenden.
• Kooplieden gingen samenwerken met kooplieden in andere steden. Het eerst in Italië.
• In de tweede helft van de 13e eeuw gingen Noord Europese steden samenwerken in de Hanze. Hanze kooplieden maakten afspraken om dezelfde munten, maten en gewichten te gebruiken. In ons land deden dat bijvoorbeeld Groningen, Bolsward, Stavoren, Deventer, Zwolle, Kampen, Harderwijk, Arnhem en Zutphen.
• De kooplieden kregen de steun van de koningen. De koningen hielpen de kooplieden tegen rovers en piraten en zorgden voor verbetering van wegen en bruggen. De koningen zorgden ook voor het opheffen van tollen en voorden een muntstelsel in voor hun rijk.
OUDE STEDEN GROEIEN, NIEUWE ONTSTAAN
Nieuwe steden ontstonden op voor handel goed gelegen plaatsen. Door de handel groeiden oude steden en ontstonden er nieuwe.
De steden boden aan veel mensen werk en vrijheid en een boeiender leven. Er was bijvoorbeeld een regel, dat een horige die een jaar en een dag in een stad had geleefd, niet langer door zijn heer kon worden opgeëist. 'Stadslucht maakt vrij' was een uitspraak in de Middeleeuwen.
STEDELINGEN KRIJGEN STADSRECHTEN
Stedelingen hadden net zoals de boeren allerlei plichten tegenover de heer van een domein. Vooral handelaars konden deze verplichtingen niet goed combineren met hun beroep. De stadsbewoners gingen daarom hun koning om meer vrijheid vragen. Zij vroegen om stadsrechten.
Die stadsrechten hielden in:
• het betalen van belastingen als enige verplichting tegenover de heer in hun omgeving en tegenover de vorst;
• het zelf mogen regelen van bestuur en rechtspraak.
De koningen konden nu samen met de steden de macht van hun leenmannen beperken. Hoe beter het met de steden ging, des te meer belasting konden de koningen van de steden vragen.
DE GELAAGDHEID IN DE STEDELIJKE SAMENLEVING
In de steden ontstonden verschillende bevolkingslagen:
1) De bovenste laag van de bevolking werd gevormd door de meesters van de gilden.
2) Onder deze laag stond het hogere personeel van de gildenmeesters. Zij verdienden een loon.
3) De knechten vormden de derde laag. Zij verdienden een laag loon net genoeg om in leven te blijven.
4) Het armst was de groep bedelaars en zwervers. (In Nijmegen hoorde 30% van de bevolking in 1550 tot deze groep).
De steden werden bestuurd door stadsraden, afkomstig uit het koopliedengilde. De rest van de bevolking had daar geen invloed op.
AMBACHTSLIEDEN EN ARBEIDERS KWAMEN IN OPSTAND
In de steden woonden veel meer ambachtslieden dan kooplieden. Deze ambachtslieden verdienden met hun werk een goed inkomen. Toch mocht men niet meedoen aan het stadsbestuur. Daarom kwam men daartegen in opstand.
De arbeiders profiteerden niet van het toenemen van de welvaart. Toen in de 14e eeuw de welvaart niet meer toenam werd een groot aantal werkloos. Door de ontstane nood kwam men in opstand.
KETTERIJEN KRIJGEN VEEL AANHANG ONDER ONTEVREDEN ARBEIDERS
De mensen in de Middeleeuwen uitten hun ergernis en woede vaak in de vorm van ketterijen. Ketterijen zijn meningen over het geloof die de leiders van de Kerk hebben verboden.
Ketters ( aanhangers van ketterijen) werden vaak geleid door geestelijken die vonden dat ze de wereld moesten veranderen, omdat God dat wilde.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.