Jongens gezocht!
We zoeken nog een aantal examenkandidaten die (voor moneys) hun frustraties, verdriet, of blijdschap willen uiten na afloop van de examens. Solliciteer voor 3 maart als eindexamenvlogger!

Meedoen

Met de loep op Lancashire

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 7221 woorden
  • 2 mei 2004
  • 42 keer beoordeeld
Cijfer 6.3
42 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij een maatschappelijke studie?

Misschien is een studie Sociologie of Antropologie dan wel iets voor jou! Bij beide opleidingen ga je aan de slag gaat met maatschappelijke vraagstukken. Wil jij erachter komen welke bachelor bij jou past? Kom in maart proefstuderen aan de VU.

Meer informatie
Samenvatting Geschiedenis: Met de loep op Lancashire. Historisch-geografisch kader: De Industrialisatie begint in Engeland. Begrippen
Industrialisatie (16de eeuw tot en met 20ste eeuw): overgang van agrarische samenleving in een industriële samenleving. Industriële revolutie (vanaf 18de eeuw): Een geleidelijk proces dat ingreep in alle aspecten van de samenleving van een agrarische samenleving naar een industriële samenleving. Industrialisatie bevorderd door: - groei bevolking (meer bevolking > meer vraag naar kleding, voedsel en woonruimte) - technologische ontwikkeling (Nieuwe uitvindingen > stoommachine > mechanisering) Industrialisatie leidt tot veranderingen economisch gebied. Landbouweconomie naar> markteconomie: - meer onderlinge afhankelijkheid tussen gebieden - meer grondstoffen van elders in de wereld (katoen, tabak, suiker, specerijen) - meer technologische ontwikkelingen zorgen voor specialisatie > arbeiders maken onderdeel van product in loondienst. Industrialisatie leidt tot grote veranderingen op sociaal gebied - ontstaan klassenverdeling > boven: fabrikanten
beneden: fabrieksarbeiders

tussenin: leidinggevend personeel, mensen in de dienstensector - ontstaan nieuwe sociale organisaties: vakbonden, kranten, hulporganisaties
Waarom Engeland het eerste industriële land werd - Engeland was rond 1800 grootste koloniale macht (meer grondstoffen uit koloniën) - Er was veel kapitaal (was nodig voor fabrieken) - Gunstig klimaat ondernemerschap (weinig overheidsbemoeienis) - Tekort aan hout stimuleerde technische vernieuwingen (pompen en stoommachine voor de ijzerertsindustrie uitgevonden) Grote invloed van vernieuwingen in de mijnbouw op het ontstaan van de katoenindustrie - vernieuwingen van James Watt (Stoommachine voor mechanisering van weven) en Thomas Newcomen (Stoommachine voor waterpompen) zorgden voor enorme productiviteitsstijging. - Katoennijverheid begon in 17de eeuw te ontwikkelen vooral in Zuidoosten (manchester, salford, bolton) > droeg aanzienlijk bij aan economische kracht. - Ook in andere Europese landen waren geïndustrialiseerde katoenregio’s met overzeese afzetmarkten. Lancashire gaat West-Europa voor
Rond 1850 Engeland internationaal gezien aan de top. Maar hierna binnen 50 jaar ingehaald door de VS en Duitsland. Frankrijk was het laatst met industrialiseren. Hoofdstuk 1: De Opkomst van de Katoennijverheid in Lancashire. 1 LANCASHIRE ±1750 VOORNAMELIJK AGRARISCH
Dit katern gaat over de loep op Lancashire... tussen 1750 en 1850... na 1850 ging deze industrie ten onder... daar gaat dit katern niet over en zul je weinig over te weten komen. De belangrijkste kenmerken van agrarisch Lancashire - veel kleine boeren landbouwgewassen voor eigen gebruik en naburige markt (haver en aardappelen) aardappelteelt midden 17de eeuw>Lancashire één van eerste gebieden met aardappelen. - In Noorden en Westen door gunstigere natuur grotere bedrijven. - Veeteelt zeer bescheiden voor. Behalve bij Liverpool en Manchester (melkvee voor de stad) - Landbouwgrond bij vererving opgedeeld> steeds kleinere bedrijven. - De Enclosure-wetten zorgden ervoor dat de gemeenschappelijke gronden verdwenen (geen kleine boeren meer) De belangrijkste kenmerken van stedelijk Lancashire - steden gericht op handel en nijverheid, kleine steden (2000-5000 inwoners), op Liverpool en Manchester na (20.000-26.000 inwoners) - Nijverheidsstad sterke textielhandel met london (vooral wol) - Havenstad Liverpool gericht op handel met Amerika en Ierland. Uit Amerika: tabak, suiker
Naar Amerika: slaven
Uit West-Afrika: slaven
2 TEXTIELNIJVERHEID DE BELANGRIJKSTE TAK VAN DE ECONOMIE
Ontstaan van de Textielnijverheid
Ongeveer 1600 = intrede van nieuwe grondstof: ruwe katoen
In Lancashire: ruwe katoen wordt gesponnen tot garen, maar garen was niet sterk genoeg om er puur katoenen stoffen van te weven.: katoengarens gecombineerd met linnen garens. -> bombazijn. In de loop van de 17e eeuw drong de verwerking van katoen meer door. De Organisatie van de textielproductie
Textielproductie in huisnijverheid en in textielateliers: Organisatie Huisnijverheid: - Voor boeren spinnen/weven nevenactiviteit naast het gewone boerenwerk voor als er weinig te doen was (in de winter) - Mannen en jongens (deden spinnen en weven) hoger in aanzien dan Vrouwen en meisjes (deden schonen en kaarden (met grote kam)=schoonmaken van wol/vlas/katoen) - Bij huisnijverheid hele familie ingeschakeld, opbrengst was gezinsinkomen (collectief) - Men werkte voor kooplieden en kreeg in stukloon uitbetaald. Textielateliers: - Spinnen/Weven als beroep in kleine werkplaatsen van meesterspinner/wever - Meester-leerlingsysteem - Veel landarbeiders en boeren met te kleine bedrijven. Het ‘putting-out-systeem’. Putting-out-systeem: uitbestedingssysteem: het verbond spinners, wevers, tussenhandelaren en kooplieden met elkaar. - kooplieden kochten grondstoffen of garens (halffabrikaten) - kooplieden verkochten deze aan tussenhandelaren - tussenhandelaren bezorgden deze aan ambachtslui en boeren - ambachtslui en boeren gingen spinnen en weven en maakten eindproduct, kregen hiervoor stukloon - tussenhandelaren verkochten eindproduct aan kooplieden - kooplieden verkochten eindproduct op de markt

Het uitbestedingssysteem ook als kredietsysteem (zo gaven kooplieden grondstoffen op krediet, boeren en ambachtslui kregen stukloonvoorschotten) Handelsnetwerk
Kooplieden en tussenhandelaren handelden vanuit verschillende steden in Lancashire  invloedrijkste in Manchester  deel uit van klein internationaal handelsnetwerk  afhankelijk van Londense partners (die hadden meer kennis van internationale handel en konden geld lenen) 3 GUNSTIGE OMSTANDIGHEDEN VOOR DE KATOENNIJVERHEID IN LANCASHIRE - Een rijke textieltraditie met veel kennis en vaardigheid (makkelijke omschakeling) - Vochtig klimaat gunstig voor productie (garens makkelijker te verwerken en sterker) - Voldoende arbeidskrachten wegens groeiend aantal jonge mensen - Weinig investeringen nodig: niet duur, weinig ruimte (Geld kwam van familie, tussenhandelaren, grootgrondbezitters) - Door het uitbestedingssysteem konden schommelingen goed opgevangen worden (Initiatief bij kooplieden: lieten producten maken waar veel vraag naar was) - Er waren stoommachines (aandrijving) en steenkoolmijnen (er was dus steenkool) die de mechanisering van de katoennijverheid stimuleerde - Bepaalde wetten die de wolnijverheid van Engeland beschermden golden niet in Lancashire - Er was in Engeland een gunstig klimaat voor uitvindingen de omstandigheden: • Er waren in Engeland geen of weinig gildenregels die hun vakmanschap beschermden, zo konden makkelijker uitvindingen worden gedaan • Er was in Engeland een goed geregeld octrooirecht (patent) (uitvinders konden zelf financieel profiteren van hun uitvinding) • Engeland was een groot koloniaal macht, hierdoor waren er grote hoeveelheden katoen die verwerkt moesten worden, dit zorgde voor een uitdaging voor uitvindingen die katoen sneller verwerkten. 4 GUNSTIGE OMSTANDIGHEDEN OP DE KATOENMARKT - het aanbod van katoen steeg sinds 1750 (kwam uit West-Indië (jamaica, barbados), egypte (levant)). - Rond 1750 was er ook veel vraag naar katoen en bombazijn door o.a.:  Bevolkingsgroei (stijgende geboorte, dalende sterfte)  Door nieuwe mode werd bombazijnen en katoenen kleding erg populair - katoen was goedkoop (veel aanbod), een goede vervanger (voor wol en linnen), geschikt voor allerlei toepassingen (broeken, rokken, zeilen, of fijne jurken), was gemakkelijk te onderhouden (veel makkelijker te wassen dan wol). - Engeland begon ook te exporteren naar het buitenland (andere werelddelen met grote vloot, beheerste ook de handelsroutes naar Azië, Afrika en Amerika) Uitvinders veranderen de katoennijverheid in industrie - John Kay = uitvinder van werktuigen voor spinnen en weven
1733: Kreeg octrooi op verbetering van het weefgetouw: de uitvinding van de ‘schietspoel’. De snelheid van weven wordt daarmee 2x zo hoog, gevolg: spinners hielden wevers niet bij, dus uitvindingen die het spinnen konden versnellen waren welkom - 1764 (Lancashire) Hargreaves ontwierp een spinnewiel met een horizontaal frame waarop 8 spillen konden worden geplaatst: de ‘spinning Jenny’. In sommige plaatsen werden spinning jenny’s vernield door boze spinners, ze vonden het een oneerlijke concurrentie. Aangezien de kleinere Jenny’s vrij simpele houten constructies waren die door vrouwen en kinderen konden worden bediend, werden zij spoedig veel gebruikt in de huisnijverheid - 1768: Richard Arkwright (Lancashire) ontwierp de eerste spinmachine die machinaal aangedreven werd: de ‘waterframe’ (waterspinmachine). De machines werden zo genoemd omdat ze aanvankelijk vooral in watermolens werden geplaatst. Vanaf 1785 werden ook stoommachines als krachtbron gebruikt. Het garen bleek sterk genoeg te zijn, gevolg was dat de productie van zuiver katoenen weefsels snel toenam. In 1744 had de firma “Richard Arkwright and company’ al 600 werknemers in dienst, waarvan kinderen de meerderheid vormden. - Samuel Crompton (Lancashire) In 1777 ontwierp hij een spinmachine die sneller werkte en een nog betere kwaliteit garen leverde dan de ‘waterframe’ van Arkwright. Zijn machine werd ‘mule’ (muilezel) genoemd omdat er elementen van de ‘spinning jenny’ en de waterframe in gecombineerd werden. Evenals de waterframe kon de mule met waterkracht of met stoomkracht worden aangedreven. Hoofdstuk 2 Het platteland van Lancashire verandert 1 TECHNISCHE VERNIEUWINGEN IN DE KATOENINDUSTRIE
Door meer vraag naar katoen kwamen allerlei mensen tot nieuwe uitvindingen (John Kay, James Hargreaves, Richard Arkwright en Samuel Cromton)volgende vernieuwingen: - 1730-1770: John Lay/James Hargreaves, nieuw handaandrijving, meer productie (beter weefgetouw, beter spinnenwiel) - na 1770: grotere spinnenwielen, waterframe, mule - na 1800: spinmachines op water en stoomenergie (mee energie was nodig) - na 1820: steeds meer machinaal geweven op stoom
Oorzaken van langzame overgang naar machinaal weven - Patentrecht: octrooihouders wilden alleen hun eigen fabriek bevoordelen, rest achter - Constructieproblemen: nieuw uitgevonden machines niet perfect, altijd problemen. - Tekort aan investeringsgeld: bij oorlog veel nieuwe investeringen, veel failissements - Handwevers wisten weefmachines baas te blijven (fijne stoffen konden machines niet, in brand steken van machines (acties)) 2 DE INRICHTING EN HET UITERLIJK VAN DE WERKPLAATSEN EN FABRIEKEN
Na 1770 veranderde werkomgeving ingrijpend: - Tot 1820 Grote spinmachines werden machinaal op de kracht van een watermolen gezet (leken nog op boerderijen) - Na 1820 steeds meer spinmachines op stoomkracht in kleine plaatsen - Tussen 1820 en 1850 op grote schaal, hallen met spinmachines op stoomkracht - Mills waren geen werkplaatsen maar fabrieken, mill betekend fabriek in engels, Fabriek: grote schaal met machines op stoom of waterkracht, veel arbeiders
Werkplaats: kleine schaal met handkracht, weinig arbeiders

3 DE GROEI VAN DE KLEINE PLAATSEN OP HET PLATTELAND
Gedaanteverandering op het platteland tussen 1770-1850 - stadjes groeiden: blekerijen (om weefsels wit te maken) en volmolens (om wollen weefsels sterker/dichter te maken) en daarbij woningen => rond de stad - In Lancashire verdrievoudigde de bevolking, in heel Engeland verdubbeling (veel immigranten in Lancashire uit landbouwgebieden) - Na 1820: veel verstedelijking (door de versnelde mechanisatie), door grote spreiding grootschalige verspreiding achterwege
Bolton als voorbeeld, andere steden ongeveer zelfde ontwikkelingen - snelle bevolkingsgroei (van 4700 naar 17000) - snelle mechanisatie (in 1800 eerste stoommachine, na 1820 meer, profiteren van steenkoolmijnen, katoengerichte machine-industrie) - sterke uitbreiding van vervoersmogelijkheden: netwerk kanalen (aan/afvoer katoen, ijzer, steenkool), nieuwe spoorlijn (bij bolton 1928, 2 jaar later verbonden met spoorlijn naar manchester-london), aangelegd door particulieren (investeerders uit liverpool => wilden goede verbinding met industriële achterland) 4 WOONOMSTANDIGHEDEN EN PUBLIEKE VOORZIENINGEN. De woonomstandigheden veranderden sterk - Woonhuizen kwamen temidden van mills: gevolg van de spreiding van economische activiteiten over stadjes en het omliggende gebied - Er werden weverskolonies gesticht (=rijtjes huurhuizen met weinig of geen grond), het kapitaal werd verschaft door welgestelde ondernemers of kooplieden - Na 1820: Er ontstonden sloppenwijken (eerst in Manchester, later ook andere steden (rond 1840)) - Ondernemers stichtten fabrieksdorpen voor betere woonomstandigheden van hun arbeiders, vb. Barrow bridge
Vooral particulieren zorgen voor publieke voorzieningen
Overheid had te weinig geld, meer belasting was riskant voor bestuurders, dus plaatselijke notabelen (mannen én vrouwen) zorgen voor publieke voorzieningen: - omstreeks 1820: deel van bolton al straatverlichting - omstreeks 1840: na cholera-uitbarsting, waterleiding - plaatselijke kerk droeg zorg bij voor scholing van kinderen van arbeiders en fabrikanten
Barrow Bridge: Modeldorp bij Bolton. In 1830 liet Robert Gardner, een succesvol textielondernemer uit Manchester, aan een riviertje bij Bolton twee textielfabrieken bouwen . Ze maakten gebruik van waterkracht en stoommachines. Thomas Bazley werd z’n compagnon. Gardner en Bazley bedachten samen ‘het modeldorp’ Barrow Bridge. Voor hun arbeiders lieten zij goede huizen bouwen, voorzien van gas, licht en omgeven door een tuin. Ze bouwden ook een leeszaal, school met aula en badhuis. Ze stichtten een onderlinge ziektekosten- en begrafenisverzekering en een coöperatieve winkel. Gardner en Bazley waren als goede ‘vaders’ voor hun arbeiders. Hun eigen belang vergaten zij niet, want zij dachten dat welverzorgde en gedisciplineerde arbeiders beter gemotiveerd zouden zijn. De fabrieken werden in 1913 afgebroken, maar de huizen en de school staan er nog steeds. Tegenwoordig zijn de huizen in gerenoveerde staat zeer in trek bij beter gesitueerden. In 1869 richtte de jonge chemische ingenieur J.C. van Marken (1845-1906) aan de rand van Delft de Nederlandse Gist- en spiritusfabriek op. Van Marken nam allerlei initiatieven om de arbeiders meer eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid te geven. Hij richtte bijvoorbeeld een coöperatieve bedrijfswinkel, een spaarkas en een onderlinge ziekteverzekering op. Een deel van de bedrijfswinkel startte hij in een pensioenfonds voor de arbeiders. Hij richtte ook een personeelsvertegenwoordiging op die adviezen mocht geven. Omstreeks 1880 kwam hij op het idee voor zijn arbeiders een modeldorp te bouwen. In totaal kwamen er 86 woningen. Het geheel werd ‘Agnetapark’ genoemd, naar van Markens vrouw. De grootste woning in het park was uiteraard die van Van Marken zelf. De woningen waren tegen een redelijke prijs te huren. Hoofdstuk 3 De Leefomgeving in Manchester verandert 1 HET UITERLIJK EN DE INRICHTING VAN WERKPLAATSEN EN FABRIEKEN
In de Huisnijverheid zijn de omstandigheden slecht (verschillen tussen Manchester en de rest): - na 1770 in manchester alleen handmatig weven - Huisnijverheid in Manchester slecht betaalde branche (wonen in krotten/kelders) - Speciale weverswoningen waren er in manchester nauwelijks - Slechts korte tijd gebruik van mills, na 1780 steeds meer watertoevoerproblemen
Manchester wordt de stad van de stoomspinnerijen

Manchester stad van stoomspinnerijen:  1790: 1 stoomspinnerij; na 1800: honderden  bij kanalen (aanvoer grondstoffen, afvoer producten, afvoer water) eerst langwerpige gebouwen met 3 of 4 verdiepingen, na introductie gietijzeren zuil:  fabriekshallen breder, meer verdiepingen  beter, makkelijker toezicht in hallen
stoomruimtes in aparte ruimtes (minder lawaai): ijzeren as, met katrollen, en drijfriemen, naar spinmachine => Stoommachines in Manchester model voor de rest van Lancashire
Er komen ook verdelingsmaatschappijen -> Naast katoenspinnerijen ook veredelingsbedrijven
veredelen 2 fases:  1ste fase: bleken (op bleekvelden, duurde maanden); 2de helft 18de eeuw=> bleekpoeder: aanzienlijk sneller bleken; ook blekerijen gemechaniseerd; met waswielen op stoommachines of waterkracht  2de fase: vollen: het dikker, sterker maken van de stof (kon alleen met wol), wolvezels werden dikker, korter gemaakt, langdurig zorgde dit voor vilt. Later machinaal door volmolens  2de fase: verven of bedrukken (kon niet met wol, te pluizig), dus met katoen of bombazijn
veredelingsbedrijven: - stonden op plekken met veel ruimte - stonden op plekken met schoon water - voorheen door thuiswevers of ambachtslieden, later door gemechaniseerde bedrijven door ondernemers of kooplieden (kregen dus nog meer greep op textielindustrie) Manchester bleef achter op 1 terrein: katoenweverij, stoomweefgetouw alleen op platteland en andere steden
2 DE GROEI VAN DE STAD
Veranderingen tijdens de groei van de stad (na 1770, snel, hevig, onregelmatig): - grote woningnood, verpaupering (verarming) - groot aantal pakhuizen werden gebouwd (meer dan fabrieken in 1815), pakhuizen waren gelijk showroom voor katoenproducten voor kooplieden uit andere gebieden - Er ontstonden sloppenwijken (slechte wijken, krottenwijken) 1830: manchester eerste spoorwegverbinding (Manchester-Liverpool) => spoorwegen weinige invloed op de steden (wel op platteland), door lage vrachttarieven bleven de goede scheepvaartverbinding bleef grote concurrent van de spoorwegen
De Groei van de stad verklaard
Manchester hoog sterftecijfer => weinig kans om als kind te overleven (dus geen natuurlijke aanwas om bevolkingscijfer te laten groeien) Manchester groeide wel in bevolkingsaantal => immigranten voornamelijk Ieren (gevlucht . wegens aardappelziekte (50.000) => ook belangrijke kleine groep rijke . handelaars (183) 3 WOONWIJKEN EN PUBLIEKE VOORZIENINGEN
Slechte woonomstandigheden van arbeidersgezinnen (door te weinig investeringen) - huizen opgedeeld tot in de kelder, oude woonwijken veranderden in sloppenwijken (Ancoats). - Openruimtes tussen fabrieken opgevuld met goedkoop gebouwde woningen (rug tegen rug). - Door het massale gebruik van steenkool lag er een hele roetsluier over de woningen - Er waren nauwelijks winkels (ook niet voor eerste levensbehoeften), dus moest men betalen voor fabriekswinkels

Er ontstaat een sociale scheiding in woonwijken
Arbeiders => oude woonwijken, sloppenwijken, nieuwe kleine wijken bij fabrieken => arm, vuil, smerig, lelijk, oneerlijk, onrechtvaardig, vies, Middenklassen => betere woonwijken nabij centrum stad, op loopafstand van katoenbeurs, banken en stadhuis (geschoolde ambachtslieden, winkeliers, onderwijzers, kantoorpersoneel) => hoge klasse op bescheiden schaal nabootsen, kleding, . woninginrichting, omgangsvormen, taalgebruik. Rijken => zuiden op half landelijke gebieden in grote landhuizen bij recreaties met veel land en buitenhuizen reisden dagelijks naar de stad naar hun werk =====> dit was het denken in klassen =====> kloof tussen arm en rijk was groot =====> heel moeilijk om in de maatschappelijk ladder omhoog te komen maar het kon wel
Publieke voorzieningen schieten te kort
Lokale overheid greep alleen in bij de ergste misdaad en ernstige verstoringen
Geen ingrijpen in andere voorzieningen (onmacht->geen geld, kunde; nachtwakerstaat -> overheid slechts de taak openbare orde te handhaven) 1835 => Politiewet (meer mogelijkheden in te grijpen) 1835 => Public health Act (waterleiding, riool, bestrating, verlichting) Wonen in Manchester
In landen als Frankrijk en Duitsland werden voor de arbeiders ‘woonkazernes’ gebouwd, de industrialisatie komt pas later: grotere fabrieken. Woonkazernes kwamen er in Engeland niet, het woningtekort voor arbeiders werd aanvankelijk alleen ‘opgelost’ door bestaande huizen te verdelen in steeds kleinere appartementen. Eindpunt was als ieder gezin maar één kamer of kelder bezat. Opdeling was meestal het begin van de verpaupering van een wijk. Sloppenwijken: straatjes met een goot in het midden, hopen afval, rommel en stinkende viezigheid liggen overal tussen eeuwige plassen water. Omstreeks 1830 woonden in Manchester ongeveer 20.000 mensen in kelders. Veel jonge arbeiders die naar Manchester trokken kwamen terecht in goedkope logementen waar zij een kamer met veel anderen moesten delen.: gastarbeiders. Speculanten bouwden huizen voor de arbeiders, ideaal was: zoveel mogelijk woningen op zo weinig mogelijk grond. Daarom bouwden zij de woningen niet alleen naast elkaar maar ook ‘rug-tegen-rug’. Een huizenblok had meestal één pomp of kraan en één buitentoilet. Toch golden deze nieuwe huizen als een verbetering. In 1844 verbood de stad Manchester de bouw van rug-tegen-rug huizen, omdat er praktisch geen ventilatie in mogelijk was. Robert Owen: ‘Utopisch’ socialist, In 1799 kocht hij samen met enkele financiële partners (oa Arkwright) een textielfabriek in New Lanark (Schotland). Zijn denkbeelden: Volgens Owen was de mens van nature goed. Hij zorgde voor goede behuizing, onderwijs en recreatie voor zijn arbeiders en hun kinderen. Ook beperkte hij de werktijden. Zijn onderneming werd een zakelijk succes. In 1825 probeerde Owen een ideale gemeenschap te stichten die als voorbeeld kon dienen voor de hele wereld. In de staat Indiana in de VS kocht hij 12.000 ha land. Daar stichtte hij een commune ‘New Harmony’. Al spoedig ontstonden er onenigheden onder de communeleden. Hoofdstuk 4 1 VERBONDENHEID MET ENGELAND
Oorzaken van verbondenheid tussen Lancashire en de rest van de wereld - Voor kleding werd Engeland in de periode van 1790-1850 steeds meer afhankelijk van Lancashire. In 1790 werd katoen de belangrijkste grondstof. Vooral door binnenlands netwerk => kooplieden trokken naar textielwinkels door heel engeland, op het platteland ging het met marskramers - Lancashire was ook afhankelijk van de rest van Engeland, groeiende bevolking, door de industrie, was steeds meer aangewezen op landbouwproducten op andere regio’s in Engeland
De Engelse katoenmarkt groeit snel dank zij goedkopere katoen (3 factoren): - bevolkingstoename - katoenen kleding werd goedkoper dan wollen of linnen kleding - de gunstige prijs-kwaliteitverhouding van katoenen stoffen kleding (vooral lagere en midden klassen kochten katoenproducten) prijs ging in 3 stappen omlaag: - uitvinding van cotton gin in Amerika (1793) zorgde voor meer katoenproductie, VS voornaamste katoenleverancier (slaven in Zuid-Amerika) - stoomweefgetouw (1830), productie van volledige machinaal geweven stoffen steeg aanzienlijk, prijs daalde. - uitvinding van de naaimachine (1840), grootschalige confectienijverheid, prijs van eindproducten daalde (confectie kleding=> lage en midden klassen, handgemaakte kleding=> hoge klassen) 2 VERBONDENHEID MET OVERZEESE GEBIEDEN

Lancashire voor in- en uitvoer afhankelijk van het buitenland
Enerzijds=> afhankelijk van import ruwe katoen (tot 1800 uit VS, West-Indië) Anderzijds => afhankelijk van export voor verdere groei katoennijverheid (1850: 50% van productie export) De export van Lancashire naar het buitenland ondervindt problemen - politieke omstandigheden: Franse revolutie, oorlog tegen Frankrijk (1793-1815) -> 1790: 60% export naar Europa -> tijdens oorlog nam %export naar Europa af, %export naar VS toe -> na oorlog Europa weer grootste afnemer - Geen stabiel marktaandeel in Europa en VS, Europa en VS ontwikkelen eigen katoennijverheid
Deze concurrentie dwong tot het zoeken nieuwe afzetmarkten en aanpassing productie - katoenexport naar India/China/Zuid-Amerika was onregelmatig en riskant: weinig vraag naar katoen door allerlei oorzaken: misoogsten (china 1847-48), rampen etc. => slechte buitenlandse markt leidde in Engeland tot crises: -> dalende winsten en lonen -> Robert Gardner (Barrow Bridge) ging in 1847 failliet -> John Brooks (export naar Z-A/China/India) begon in 1836, stopte in 1846, helft van . . . . .kapitaal verloren
Eli Whitney: de cotton-gin. Het verwijderen van de zaden uit de katoenvezels (was veel werk) werd door slaven gedaan. Een slaaf kon per dag ongeveer een pond katoen ontpitten. De Amerikaan Eli Whitney vond in 1793 een eenvoudig houten apparaat uit, de cotton-gin, waarmee per dag 25kg katoen kon worden ontpit (gin is een vervorming van engine), later kwamen er grote, door stoommachines aangedreven cotton-gins. Ook katoen met zeer korte vezels kon ontpit worden. Door de uitvinding van de cotton-gin werd nu ook het binnenland geschikt voor het verbouwen van katoen. Door Whitney’s uitvinding werd de katoenteelt in de VS weer zeer lonend. Lancashire verliest terrein aan het buitenland - Andere landen keken de technologie van Lancashire af, en pasten het zelf toe. Engeland maakte nog wel wetten, maar dat hielp niet. Wetten: verboden exportmachines, industriële spionage, werven van deskundig personeel in het buitenland.: het kwam door emigratie van Engelse vakmensen. - De engelse katoenfabrieken waren zo met zichzelf en Engeland ingenomen dat ze buitenlandse uitvindingen weinig toepasten. 3 DE ORGANISATIE VAN DE HANDEL
Fabrikanten pogen hun afhankelijkheid te verkleinen
Aanvankelijk proces van aanvoer ruwe katoen tot export eindproduct via tussenhandelaren -> fabrikanten stichten eigen agentschappen op die de inkoop tot aan de verkoop in binnen –en buitenland alle fases beheersten => fabrikanten werden ook koopman. -> er werd steeds vaker haven van Liverpool gebruikt
Koopman-fabrikanten in financiële problemen
De koopman fabrikanten probeerden de prijs te beinvloeden door voorraadvorming  prijs is laag, weinig verkoop, producten in pakhuizen, wel blijven produceren  prijs is hoog, veel verkoop, producten uit de pakhuizen
hiervoor was veel geld nodig voor in pakhuizen => hierdoor leningen van bankiers in Manchester => te weinig kapitaal om risico’s op te vangen => veel bankiers en fabrikanten gingen failliet
Buitenlandse kooplieden vestigen zich in Manchester

Buitenlandse kooplieden in Manchester: - in bezit van veel kapitaal - grote kennis van delen van de wereldmarkt
Rothchilds: uit Duitsland;Mayer Rothchild (1744-1812, stamvader bankiersfamilie) Handelsbanken in Wenen, Parijs en Napels met zijn 5 zonen
Nathan (1776-1836) stichte in 1799 in Manchester, in 1804 in London een handelsbank. => grote kracht: veel internationale vertakkingen -> kenden buitenlandse markt goed
Steeds minder faillissementen door buitenlandse financiering van de export en risico’s. Centrum van de katoenhandel => Manchester Exchange (1806/1809) uit heel Europa
Katoenindustrie in speelfilms
In de Vlaamse roman ‘Pieter Daens’ (1971) vertelt Pieter Daens het verhaal hoe zijn broer, de priester Adolf Daens, rond 1892 de textielarbeiders van Aalst aanvoert en organiseert tegen uitbuiting en politieke achterstelling. De schrijver Louis Paul Boon was geboren in Aalst en kende als arbeiderskind de sfeer van de armoede in de weverskolonies. In 1990 besloot de Vlaamse regisseur Stijn Coninx het boek van Louis Paul Boon te verfilmen. Er is een textielmuseum in Twente en Noord-Brabant. Twente en Noord-Brabant
Twente werd in de 19e eeuw de belangrijkste katoenregio van Nederland, het textiel-industrie museum is in een oude stoomspinnerij van de firma Jannink. Ook in Noord-Brabant ontstond in de 19e eeuw een omvangrijke textielindustrie, met Tilburg als centrum. Het Nederlandse textielmuseum is in de oude wolweverij van de firma Mommers. Spinnen en Weven
Torretje = een klein snel draaiend klosje
Een belangrijk onderdeel van het spinnewiel is de spil, de spil van een organisatie zijn… De klos zijn…. Er valt geen goud garen met hem te spinnen… Ergens garen bij spinnen wil zeggen dat je ergens voordeel bij haalt. Iedere dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar… Dat is scharing en inslag.. Manchester, de onverslijtbare ribbel. 5 Katoenindustrie, arbeid en bestaanszekerheid 1 VERANDERINGEN IN ARBEIDSMARKT EN ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN

De Katoensector verdringt de landbouw (tussen 1750-1850) - Katoensector werd dominant: steeds meer mensen uit de landbouw gingen in de katoenindustrie in de hoop betere inkomsten te krijgen - In Manchester vonden velen werd in de textielpakhuizen, katoenfabrieken en in de handel van katoenproducten
Werken in de fabriek neemt toe - tempo en ritme veranderen: van landbouw naar katoennijverheid: voorheen: in lente en zomer lange werkdagen en druk, in de winter weinig te doen en kon met aan huisnijverheid doen=> eigen tempo, feestdagen niet werken
later: afwisseling vervangen voor eentonigheid => lange werkdagen, zesdaagse werkweken, altijd binnenshuis, ongezonde omstandigheden. - het traditionele ‘putting-out-systeem’ kon niet meer aan de vraag voldoen => spinnen werd gemechaniseerd: mannen gingen spinnen in stoomspinnerijen en vrouwen gingen kaarden. - Spinfabrieken leverden enorme hoeveelheden garen die bij families thuis werden ondergebracht en die legden zich weer toe op het weven voor een gezinsinkomen - Tussen 1820-1840: weven gemechaniseerd => familieverband op achtergrond => mannen gingen naar mijn/machinebouw, vrouwen en kinderen bleven werken in de textielindustrie - Textielindustrie steeds meer in fabrieken (grotere schaal, sneller). Arbeider kregen te maken met vaste werktijden (zesdaagse werkweek), arbeidsverdeling (1 saaie taak per arbeider zodat je het werk beter deed) en controle (straffen: ziek=vervanger verzorgen doe je dat niet= 6 shilling boete; 5 minuten te laat = 1 shilling boete; fluiten = 1 shilling boete) 1 kind verdiend 2 à 3 shilling per week. - Er ontstond een hiërarchie tussen arbeiders naar taak en loon. Het hoogst stonden de opzichters in fabrieken. Spinnen was altijd vrouwenwerk, maar door de machines gingen ook mannen het doen (lage loon, dus zochten snel ander werk) Weven was mannenwerk, dus het werd beter betaald. Toen ook dat met de machine ging konden veel vrouwen het ook doen (status en loon daalde) - Door mechanisatie => minder fysiek werk, wel gevaarlijker (nauwelijks beveiligd), doofheid, longaandoeningen. 2 VERANDERINGEN IN DE ARBEIDSVERHOUDINGEN
De afstand tussen werkgevers en werknemers wordt groter
Eerst werkten werkgever en werknemer nog in zelfde ruimte later veranderde dat: Opzichters en afdelingshoofden namen plaats in. Werkgevers hadden meerdere bedrijven. => gemiddeld per fabriek 220 werknemers; op platteland 140; ook waren er bedrijven met meer dan 500 werknemers
De verhoudingen tussen werkgevers en werknemers zijn ongelijk
Arbeiders waren bij besprekingen over loon en werktijden de sterkste partij. Arbeiders kregen stukloon, ze gingen hiervoor extra hard hun best doen, dat was weer goed voor de werkgever. Werkgevers hadden ook meer politieke macht, bijv. de invoering van de Reform Bill en de afschaffing van de graanwetten. 1799-1800: invoering van de Combination Acts (arbeiders dwongen soms loonsverhoging af, of ze staakten) = verbod tot vakbondsorganisaties. Het belangrijkste doel van werkgevers: lonen binnen eigen vak op peil houden. 1563: wet dat mensen eerst 7 jaar moesten leren voor een bepaald vak, dan pas mochten ze het uitoefenen => tekort aan geschoolde arbeiders => werkgevers konden geen beroep doen op ongeschoolde arbeiders => druk op lonen. Arbeiders protesteren soms
Lokale vakbonden noemden zich soms clubs of friendly societies zodat ze konden blijven bestaan (stakingen mislukten doordat de stakingskas eerder op was dan het kapitaal van de werkgevers) 1825: Combination acts werden opgeheven => er werden binnen 2 jaar nieuwe wetten ingevoerd die de rechten van de vakbonden beperkten. Bij de stakingen kon je uitsluiting krijgen (meestal de raddraaiers, leiders van het staken) => ontslag => plaats op zwarte lijst (werkgevers spraken samen af deze arbeider niet aan te nemen) Op het platteland waren ondernemers meer bereid aan eisen van het personeel tegemoet te komen. Cholera en de Public Health act in 1842. Besmettelijke ziekten als tuberculose kostten zeer veel mensen het leven, tot in het begin van de 19e eeuw was het bewijs nog niet geleverd dat er een verband bestond tussen ziekte en vuil. In 1831 werd het eerste slachtoffer van cholera in Engeland geregistreerd. Er werd duidelijk gemaakt dat de overheid meer verantwoordelijkheid moest nemen voor de volksgezondheid. Dit besef leidde in 1842 tot een nieuwe public health act. Maar de verbeteringen zouden slechts heel langzaam worden doorgevoerd. De overheid gaat pas laat een rol spelen (factory acts) - Factory Act 1819: geen kinderen onder de 9 jaar mogen in dienst => kinderen tussen 9-12 jaar maximaal 12 uur per dag werken - Factory Act 1833: geen kinderen onder de 9 jaar mogen in dienst genomen worden => kinderen tussen 9-13 jaar maximaal 48 uur per week werken => Jongeren tussen 13-18 jaar maximaal 69 uur per week werken - Factory Act 1844: Minimumleeftijd verlaagd naar 8 jaar => kinderen van 8-12 jaar maximaal 6,5 uur per dag werken => jongeren tussen 13-18 jaar en vrouwen maximaal 12 uur per dag - Factory Act 1847: => Vrouwen in kinderen mogen in textielfabriek maximaal 10 uur per dag - Factory Act 1850: => Vrouwen en kinderen maximaal 10,5 uur per dag, maar uren moeten . vallen tussen 6:00 en 18:00 => wetten werden gecontroleerd door arbeidsinspectie, niet overal en altijd nageleefd, maar toch enige effect in de samenleving
3 GEVOLGEN VOOR LEVENSSTANDAARD EN BESTAANSZEKERHEID

Een middenklasse en een arbeidsklasse komen op
Middenklasse: kleine ondernemers en zelfstandigen (zetten innoverende bedrijfjes op => vaak succes, vaak mislukking => veel onzekerheid) Arbeidersklasse: groep arbeiders die met handen brood verdienden, met zelfde eigen kenmerken
Gingen levensstandaard en bestaanszekerheid van arbeidersgezinnen vooruit of achteruit? - De invloed van de groei van de bevolking (vanaf 1700), enkele factoren=> -> echtparen trouwden eerder, kregen eerder en meer kinderen, die gingen werken -> arbeiders onder afschuwelijke omstandigheden, maar toch veel verbeteringen: inkomens gingen vooruit door industrialisatie, inenting tegen pokken, medische zorg verbeterde, cholera-epidemieën zorgden vanaf 1830 voor sterfte. -> Periode 1815-1851: emigratie uit Ierland vooral naar VS, maar ook naar Lancashire (Liverpool/Manchester vooral, ook rond Preston en Wigan) [ meer kinderen was tot 8 jaar nadeel, daarna konden de kinderen geld verdienen ] - De invloed van de stijgende vraag naar arbeidskrachten=> In beginfase van industrialisatie steeg de vraag naar arbeidskrachten -> minder werkloosheid, lonen op peil of verhoogd - Arbeiders in Manchester en Liverpool zijn in het nadeel vergeleken bij arbeiders op het platteland=> In de steden was vervanging van arbeidskrachten veel makkelijker, en lonen ook iets lager, en hoeften niet toe te geven aan vakbonden
Op het platteland waren lonen iets hoger dan in de stad, waren er kleinere fabrieken, en had je nog een stukje land op iets op te verbouwen. - Katoenindustrie was gevoelig voor crisis=> tijdens crisis lonen omlaag (blz 37) - Handwevers krijgen het steeds moeilijker=> Tot 1820: handwevers periode van relatieve voorspoed => na 1820: lonen lager door toenemende aantal handwevers, en opkomst stoomweefgetouw. (handwevers ook vaak als reserve, alleen als er veel vraag naar katoen was). Na 1840: alleen werk voor geschoolde handwevers die gespecialiseerd waren in fijne weefsels. - Gezinnen worden afhankelijk van het werk van vrouwen en kinderen => vrouwen en kinderen waren interessant door lage loonkosten, mannen verdienden pas eind 19e eeuw genoeg om gezin te onderhouden. Arbeiders proberen bestaanszekerheid te verkrijgen
Arbeiders richten zelfhulporganisaties op: - verbruiksorganisaties: winkels die gezamelijk eigendom van de arbeiders waren - friendly societies: eerste plaats gezelschapsverenigingen, maar eveneens werd er in geval van nood financiële en andere hulp verleend, later werd er nog een onderlinge verzekering georganiseerd voor de kosten van ziekte en begrafenis. (2e helft 18e eeuw, circa 7200 societies en 600.000 leden) - Familie –en buurtnetwerken: familie en vrienden die elkaar helpen met werk,ziekte en dood
Overheid en ondernemers dragen bij aan de bestaanszekerheid van de arbeiders - maatregelen van de overheid: armenzorg sinds Elizabeth I taak van de kerkelijke gemeente (parish/parochie), meestal hulp in natura (voedsel, kleding) 1723: een wet zorgde voor verblijf die aantal parishes samen voor de armen moesten oprichten. 1795: parishes vulden loon aan tot een aanvaardbaar bestaansminimum, werkgevers profiteerden
1834: Armenwet: arbeidsgeschikte armen hadden geen recht op bijstand; aanvullingen op loon vervielen; uniforme regels wat betreft voeding. - Maatregelen van de werkgevers: blz 22: trachten bestaanszekerheid en levensstandaard te verbeteren: maar verwachtte hiervoor ook iets terug. Hoofdstuk 6 Reacties op de industrialisatie 1 POSITIEVE VISIES OP DE NIEUWE SAMENLEVING
Wetenschappers wijzen op economische voordelen
Wetenschappers wijzen op de economische voordelen
Lage productiekosten: enorme productiestijging: groeiende winst. David Ricardo: zoon van een Nederlandse joodse beurshandelaar in Londen. Ricardo werd zelf ook beurshandelaar, hij verdedigde het principe van de vrije handel. Zijn boek ‘Principles of political economy and taxation’ constateerde dat landen er voordeel bij hadden zich te specialiseren in de economische activiteit waar ze goed in waren. Andrew Ure: hield zich bezig met wetenschappen, zijn boek ‘The Philosophy of manufactures’ pleit voor vrijhandel en mechanisatie. Hierdoor zouden alle prijzen dalen. Charles Babbage: wiskundige en uitvinder van de mechanische rekenmachines. Industrialisatie ontkracht “theorie van Malthus” De industrialisatie was voor economen en ondernemers een optimistisch antwoord op de pessimistische toekomstvisie van de econoom T.R. Malthus. Theorie van Malthus: Welvaart hing uitsluitend af van de oogst. Malthus werd beroemd door ‘Essay on the principle of population’. -> theorie: bevolking groeit altijd sneller dan de voedselproductie: toenemende verarming. 2 KRITIEK OP DE NIEUWE SAMENLEVING
Wantoestanden roepen reacties op in de samenleving

Manchester kende sloppenwijken en kindersterfte. Onder de midden- en hogere klassen ontstond oprechte bezorgdheid en morele verontwaardiging over deze wantoestanden
Kritiek van auteurs van sociale romans
In social novels van Gaskell, Trollope, Bronte, Disraeli en Dickens werd de anonimiteit en ellende van het leven in industriesteden onder de aandacht gebracht. Zij wilden op de heersende klasse een beroep doen een einde te maken aan de wantoestanden. Fictie
In de tijd waarin de Chartisten actief waren deden bekende schrijvers en schrijfsters een serieuze poging begrip op te wekken voor de levensomstandigheden van de arbeiders. Charlotte Bronte woonde in Yorkshire, haar roman “Shirley” (1849) is gebaseerd op gebeurtenissen die werkelijk hebben plaatsgevonden. Bv. William Cartwright die een aanval van 150 luddieten op zijn katoenfabrieken wist af te slaan. Het boek bevat naast aandacht voor geschiedenis en romantiek ook een pleidooi voor meer beroepsmogelijkheden voor vrouwen. Elizabeth Gaskell woonde in Manchester. Ze had veel Chartisten onder haar vrienden en zette zich in voor arbeiders en in het bijzonder voor meisjes die in de katoenfabriek werkten. Haar boek “Mary Barton: a tale of Manchester life” 1848. De klassenverschillen staan central in haar boek, Elizabeth keert zich echter tegen de oplossing waarvoor de Chartisten en de aanhangers van Robert Owen pleitten. Charles Dickens, de succesvolste schrijver van de 19e eeuw. Zijn belangrijkste roman is Oliver Twist (1837), een verhaal over een weesjongen in Londen, kritiseert Dickens op satirische wijze de ‘Poor laws’. Francis Trollope, ze schreef “the life and adventures of Michael Armstrong, the factory boy”. Door een roman wilde zij de bovenlaag van de Britse bevolking bewust maken van het lijden van de kinderen in de katoenfabrieken. Zij wees het geweld dat een deel van de Chartisten gebruikten af. De Politicus Benjamin Disraeli
Hij was in 1868 premier van Engeland, maar werd bekend als romanschrijver. Volgens hem was er zo’n grote kloof tussen de gegoede klassen en de arbeidersklasse dat er sprake was van twee ‘naties’ in één land. Hij beschreef hoe de arbeidersklasse door de gegoede klasse werd uitgebuit. Ondernemers als Friedrich Engels en Robert Owen
Engels, zoon van een fabrikant in Dusseldorf, voorbestemd om de zaak van z’n vader over te nemen. De erbarmelijke omstandigheden en armoede maakten de meeste indruk op hem. Hij publiceerde daarover een boek. Hij vond de industrialisatie een gunstige ontwikkeling, want alleen uit de ellende van de arbeiders zou een nieuwe maatschappij kunnen ontstaan. 3 ONDERNEMERS DWINGEN BIJ HET PARLEMENT HERVORMINGEN AF
Herziening van het kiesrecht: de Reform Bill (1832) Indeling van kiesdistricten was sterk in het voordeel van het platteland. Ondernemers eisten daarom herkaveling van de kiesdistricten van de noordelijke industriesteden. -> Reform Bill (1832), er kwamen 42 nieuwe kiesdistricten terwijl er 56 (rotten boroughs) werden opgeheven.: in 1832 waren er ineens 13 i.p.v 2 ondernemers. Het kiesrecht werd door de Reform Bill iets meer uitgebreid. De Graanwetten worden afgeschaft
Ondernemers en grootgrondbezitters hadden de macht. Er was voortdurend een conflict over de graanprijzen. Ondernemers (en arbeiders) streefden naar vrije graanhandel: daling van de broodprijs. De grootgrondbezitters wilden er juist wel de macht op houden: Corn-law. Ondernemers vormden de Anti-Corn-law league. - Waarom de Corn laws werden aangenomen? Tijdens oorlogen met Napoleon was de graanprijs in Engeland gestegen doordat er minder graan kon worden geïmporteerd. -> grondbezitters gingen investeren om de graanproductie uit te breiden en het hele land te voorzien. -> Toen Napoleon was verslagen kwam de import weer op gang en daalden de graanprijzen. Grondbezitters baalden van hun investeringen. -> 1815 Corn law: verbood de import van graan zolang de graanprijs onder een vastgestelde prijs bleef. -> 1828 nieuwe Corn law: import was niet meer verboden, er kwamen invoerrechten die afhankelijk werden van de graanprijs. Als die laag was, waren de invoerrechten hoog. - Waarom ondernemers en arbeiders tegen de Corn laws waren? Arbeiders: ze wilden goedkoop brood. Ondernemers: door de lage broodprijs, konden de lonen laag gehouden worden, dus de prijs van de producten ook laag blijven en dat is gunstig voor de afzet. Daarbij verdienden de graan exporterende landen geld om weer producten van de Engelse industrie te kopen. - De oprichting van de Anti-Corn-law league. In 1838. Leider was ondernemer, politicus, econoom R. Cobden. Ze organiseerden een propagandacampagne vergelijkbaar met die van de Chartisten. - Intrekken van de graanwetten en de gevolgen daarvan: Tijdens de conservatieve regering van P. Peel (katoenfabrikant) werden de graanwetten uiteindelijk ingetrokken. Een grote rol hierbij speelde waarschijnlijk de hongersnood in Ierland door de mislukte aardappeloogst, de import van graan was dringend nodig. Reform Bill en het intrekken van de graanwetten gaven aan dat de industriële sector in Engeland ook in de politiek een doorslaggevende factor was geworden. 4 DE OVERHEID NEGEERT OF ONDERDRUKT PROTESTEN VAN ARBEIDERS
Industrialisatie leidde soms tot grote onrust, want de textielarbeiders protesteerden steeds vaker tegen verlaging van het stukloon en tegen stijgende voedselprijzen. De luddieten (1811-1816) vernielen machines

Luddieten (handwerkers) ondernamen kortstondige acties. Uit loonsverlaging of werkloosheid vernielden zij machines. Er werden 12.000 soldaten ingezet om een einde te maken aan de overvallen. Luddieten in actie
De luddieten waren groepjes geschoolde handwerkers, vooral breiers en wevers, die zich in hun bestaan bedreigd voelden door de toenemende mechanisatie. Uit frustratie daarover vernielden de luddieten ’s nachts fabrieken en vernielden de machines. In 1812 vonden ruim 100 overvallen plaats. De luddieten verstuurden talloze dreigbrieven aan fabrikanten en autoriteiten. Daaraan ontleenden ze hun naam, want ze ondertekenden de brieven vaak met de gefingeerde naam ‘Kapitein Ludd’ of ‘Generaal Ludd’ Stakingen van arbeiders in 1818 en 1825
Jenny-spinners, mule-spinners, handwevers en fabriekswevers organiseerden 4 stakingen. Ze mislukten omdat ze het niet vol konden houden: 250 stakers werden op de zwarte lijst geplaatst. 1825: opheffing Combination Acts. Hoop op betere betrekkingen met arbeiders en hun vakbonden. Veel locale stakingen volgden.: er werden wetten ingevoerd die de rechten van de vakbonden beperkten. Demonstraties van arbeiders in Manchester 1819
Naarmate de demonstraties meer publiek trokken werden de autoriteiten zenuwachtiger.: Peterloo Massacre = een bekende demonstratie. Peterloo Massacre: 1819: Op de St. Peter’s Fields in Manchester kwamen naar schatting ruim 60.000 mensen bij elkaar om naar Henry Hunt te luisteren. Hunt was een voorstander van radicale hervormingen en een meeslepend spreker. Het stadsbestuur stuurde er de bereden burgerwacht en een afdeling huzaren op af om Hunt te arresteren.: een chaotische vechtpartij waarbij 11 doden vielen.: Peterloo Massacre. Het wekte grote verontwaardiging die maandenlang aanhield. Chartistenbeweging gaat naar algemeen kiesrecht streven
Er ontstond een politiek protest door de arbeiders
1820: ze eisten kiesrecht. Na 1830: Ontwikkeling de Chartistenbeweging (=textielwerkers en leden van de lagere middenklasse) Door de Reform Bill nam de aanhang snel toe. Ze maakten sterke propaganda, dit liep vaak op rellen uit. In Lancashire was de stem van de Chartisten massaler, in 1840 was het hoogtepunt. De Chartisten en de eerste landelijke staking 1842
In 1842: eerste algemene ‘landelijke’ staking. Het ging om looneisen en een tien-uren-werkdag. De staking begon in juli in kolenmijnen, in augustus breidde de staking zich uit naar de textielarbeiders, daar sloten de Chartisten zich bij aan. Het leger maakte een einde aan de staking. In 1848: 3e petitie, daarna viel de beweging uiteen. Samenvattend: de reacties van de overheid en de protesten van de arbeiders - De overheid trad soms onderdrukkend op. - Soms verweten plaatselijke autoriteiten grote ondernemers medeverantwoordelijk voor de onrust. - Op de stakende spinners en wevers in Lancashire reageerden de autoriteiten afwachtend. - Toen de opheffing van de Combination Acts niet het gewenste effect had, werden de vakbonden snel nieuwe beperkingen opgelegd. - De overheid liet de Chartisten wel massale acties voeren, maar van de petities van de Chartisten trok het parlement zich niets aan. De vakbonden: Onderling verdeeld en door de overheid onderdrukt
De vakbonden werden beïnvloedt door Robert Owen. Volgens zijn systeem van ‘labour exchange’ moesten de vakbonden gemeenschappelijke werkplaatsen stichten en hun producten via ‘labour exchange’ verkopen. Er bleven onderlinge meningsverschillen tussen de vakbonden. Owens ideaal bleef inderdaad een utopie. Owen was ook zeer actief bij de kwestie van de ‘Martelaren van Tolpuddle’. Zes arbeiders werden veroordeeld tot zeven jaar verbanning naar Australië wegens ‘samenzwering’. De samenzwering bestond eruit dat zij aspirant-leden van hun plaatselijke vakbondje een eed van geheimhouding lieten afleggen. Er was een protestdemonstratie tegen dit vonnis. Personen
Richard Arwright (1732-1792) Uitvinder van een spinmachine, de ‘waterframe’ in Lancashire. Charles Babbage (1791-1871) Uitvinder van een eenvoudige mechanische rekenmachine. Hij publiceerde een boek over de economische voordelen van mechanisatie. Thomas Bazley (1797-1885) Eigenaar van katoenfabrieken, stichtte bij Bolton het ‘model-fabrieksdorp’. Charlotte Bronte (1816-1855) Romanschrijfster, haar roman ‘Shirley’ speelt zich af in een fabrieksstad. Edmund Cartwright (1743-1823) Uitvinder van de eerste bruikbare weefmachine, aangedreven door waterkracht. Richard Cobden (1804-1865) Leider van de Anti-Corn-Law league, richtte in 1838 de Anti-Corn-Law-League op. Samuel Crompton (1753-1827) Uitvinder van een spinmachine, de ‘mule’. Charles Dickens (1812-1870) Romanschrijver, zijn belangrijkste sociale romans zijn ‘Oliver Twist’ en Hard Times. Benjamin Disraeli (1804-1881) Premier van Engeland, leider van de conservatieven. Hij werd aanvankelijk bekend als schrijver, bijvoorbeeld van de roman ‘Sybil or the Two Nations’, ging over de arbeiders- en gegoede klasse. Friedrich Engels (1820-1895) Zoon van een fabrikant in Dusseldorf, hij ging naar Manchester en raakte onder de indruk van de erbarmelijke levensomstandigheden van de arbeiders. Met Karl Marx samen: Communistisch Manifest, 1848. Robert Gardner

Groot textielondernemer uit Manchester, bij Bolton stichtte hij het ‘modeldorp’ Barrow Bridge. Elizabeth Gaskell (1810-1865) Romanschrijfster in Manchester. Haar roman ‘Mary Barton, a tale of Manchester life’ 1848 maakte haar bekend. James Hargreaves (1710-1778) Uitvinder van de ‘spinning jenny’. John Kay (1704-1779) Uitvinder van de ‘schietspoel’, een verbetering van het weefgetouw. Thomas Malthus (1766-1834) Befaamd Engels econoom, boek: ‘Essay on the principle of Population’. Thomas Newcomen (1663-1729) Uitvinder van de eerst bruikbare stoommachine, om pompen aan te drijven waarmee het water uit steenkool- en tinmijnen werd weggepompt. Robert Owen (1771-1858) ‘Utopisch’ socialist, hij had een textielfabriek in New Lanark (schotland) waar hij goed voor zijn arbeiders zorgde. Door samenwerking zou een ideale maatschappij ontstaan. Robert Peel (1788-1850) Zoon van een katoenfabrikant, premier van Groot-Brittannië, schafte in 1846 de graanwetten af. David Ricardo (1772-1823) Befaamd econoom, was een van de beroemdste vertegenwoordigers van de ‘klassieke school’ in de economie. Verdedigde het principe van de vrije handel. Nathan Rothschild (1776-1836) Internationaal bankier, richtte een handelsbank op in Manchester. Frances Trollope (1780-1863) Romanschrijfster, beschreef de ellendige omstandigheden van de kinderen in de katoenfabrieken. Andrew Ure (1778-1857) Brits wetenschapper, pleitte voor vrijhandel en mechanisatie. Victoria (1819-1901) Koningin van Groot-Brittannië, was voor een conservatieve politiek, door haar noemen we het nu de Victoriaanse tijd. James Watt (1736-1819) Uitvinder van de succesvolste stoommachine, verbeterde in 1764 de stoommachine van Newcomen. Eli Whitney (1765-1825) Amerikaans uitvinder van de ‘cotton gin’. Chronologisch overzicht
1688 Glorious Revolution
1694 Bank van Engeland opgericht. 1705 Uitvinding van de stoompomp door John Newcomen. 1707 Vereniging van Schotland met Engeland. 1721 Calico Act
1733 John Kay vindt de flying shuttle uit. 1756 Begin van de zevenjarige oorlog. 1757 Aanleg van het eerste kanaal tussen St. Helens en de rivier Mersey
1760 George III wordt koning van Engeland. 1763 Einde van de zevenjarige oorlog. 1764 James Hargreaves vindt de Spinning Jenny uit. 1769 Richard Arkwright neemt patent op het waterframe. 1775 Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd begint. 1777 James Watt ontwikkelt de eerste stoommachine. 1779 Samuel Crompton perfectioneert de spinning mule. 1783 William Pitt de jongere wordt Prime Minister. 1784 India Act voor Engeland om India te regeren. 1785 Edmund Cartwright neemt patent op de power loom. 1789 Franse revolutie
1793 Eli Whitney neemt patent op de 'cotton-gin'. 1799 De term 'industriële revolutie' doet zijn intrede. 1801 Act of Union verenigt Engeland met Ierland. 1807 Afschaffing van slavenhandel in Engeland
1807 Uitvinding van het stoomschip door Fulton. 1811 De Luddietenrellen beginnen
1814 Napoleon komt ten val. 1814 George Stephenson vindt de locomotief uit. 1815 Napoleon komt weer aan de macht, maar wordt in de slag bij Waterloo . . . . . definitief ten val gebracht. 1819 Peterloo Massacre
1819 Britse fabriekswet verbiedt kinderarbeid onder de 9 jaar. 1820 George IV wordt koning van Engeland. 1820 Stichting van Barrow Bridge door Bazley en Gardner
1825 België, Nederland, Zwitserland en Frankrijk ontwikkelen zich, in navolging . . . .van Engeland tot industriestaten. 1825 Eerste passagierstrein tussen Stockton and Darlington. 1829 Robert Peel begint de eerste Londense politiemacht. 1830 Begin van de Chartistenbeweging. 1830 George Stephenson begint een treintraject tussen Liverpool and Manchester. 1830 William IV wordt koning van Engeland. 1831 Eetste Cholera epidemie. 1832 Reform Bill
1833 Factory Acts

1833 Slavernij afgeschaft in het gehele Engelse rijk
1835 Public Health Act
1835 Landelijke politiewet
1837 Victoria wordt koningin van Engeland. 1838 Vorming van de Anti-Com-Law League
1842 Eerste algemene 'landelijke' staking. 1846 Afschaffing van de Com Laws. 1850 Duitsland industrialiseert. 1851 The Great Exhibition wordt geopend in London.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.