Met de loep op lancashire

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 2020 woorden
  • 4 mei 2004
  • 23 keer beoordeeld
Cijfer 5.1
23 keer beoordeeld

Samenvatting Vanaf de zeventiende eeuw werd katoen een populaire stof, die zowel voor kleding van de allerarmsten als voor die van de bovenlaag gebruikt werd.Katoen kan goed gewassen worden en is geschikt om in zomer-en in winterkleding verwerkt te worden. Toen de Engelsen kennis maakten met de kleurig bedrukte katoenen stoffen uit India, waren de ‘katoentjes’ niet meer aan te slepen. Pogingen van de traditionele textielnijverheid (in het bijzonder die van wollen stoffen) om met nieuwe wetgeving de verdere populariteit van de katoen af te remmen, haalden weinig uit. De katoennijverheid concentreerde zich in Lancashire, een graafschap in het noordwesten van Engeland. Bij de verklaring van deze concentratie spelen de volgende factoren een rol. Op de eerste plaats moeten natuurlijke omstandigheden genoemd worden: het klimaat is er erg vochtig (waardoor de katoenen draden minder snel breken) en het is er heuvelachtig met veel snelstromende riviertjes (nodig voor de aandrijving van de watermolens). Op de stenige bodems is intensieve landbouw niet goed mogelijk, zodat de bevolking wel moet uitzien naar andere werkgelegenheid. In dit gebied kwam de huisnijverheid dan ook al eeuwen voor. Toen de bevolking in de loop van de achttiende eeuw snel begon te groeien – en dat is de tweede factor- moest deze in de nijverheid tewerkgesteld worden. Dat de bevolking begon te groeien hangt weer nauw samen met een forse toename van de productiviteit in de landbouw. Tot slot moet de sterke verbetering van de infrastructuur genoemd worden (vooral wegen en kanalen) waardoor de grondstoffen en eindproducten snel en goedkoop kunnen worden aan – en afgevoerd. In Lancashire was de huisnijverheid (putting-out system) belangrijk. Hierbij werd een deel van de verwerking van katoen bij mensen aan huis verricht. Een boer en zijn eventuele gezinsleden konden gedurende dat gedeelte van het jaar dat zij niet op het land konden werken, zich met spinnen en weven bezighouden. Een koopman zorgde ervoor dat de benodigde spullen werden geleverd en regelde ook de verkoop. Dit systeem werkte goed omdat de boeren maar voor een deel van hun inkomen van de katoenproductie afhankelijk waren. Toen de bevolking begon te groeien en de vraag naar katoenen stoffen sterk begon te groeien, kwamen de tekortkomingen van dit systeem aan het licht. Een steeds grotere groep moest zich fulltime met spinnen en weven gaan bezighouden. Vanouds was de balans tussen de capaciteit van het spinnen en van het weven verstoord: een wever kon de productie van zeven of acht spinners verwerken. Toen John Kay in 1730 met een eenvoudige ingreep het weefgetouw beter en vooral sneller maakte- de uitvinding van de schietspoel (flying shuttle)- werden de problemen nog groter. Vandaar dat er doelbewust naar een oplossing voor het probleem van de te lage spincapaciteit gezocht werd. Na de uitvinding van de Spinning Jenny ( door James Hargreaves in 1765), het waterframe (door Richard Arkwright in 1769) en de spinning mule ( door Samuel Crompton in 1779) werd er zo veel garen gesponnen dat de productie van katoenen stoffen explosief kon toenemen. Noch de flying shuttle, noch spinning jenny betekende het afscheid van de huisindustrie. Kooplieden bleven de spinners en wevers van grondstof, garen en kapitaalgoederen voorzien en het werk werd uitbesteed aan de in naam zelfstandige thuiswerkers. In tegenstelling tot de spinning jenny was het waterframe bedoeld voor fabrieksgebruik. De machine kon niet met mankracht worden aangedreven, maar vereiste het gebruik van waterkracht. De concentratie van de energietoevoer op een centraal punt in plaats van verspreid over talloze cottages luidde voor de katoennijverheid de overgang van huisnijverheid naar een fabrieksmatige productie in. Uit angst voor acties van de thuiswerkende spinners bouwde Arkwright zijn eerste spinnerij buiten Lancashire. De katoenspinnerij in Cromford was voor die tijd van enorme afmetingen. Het gebouw telde zes verdiepingen die heelmaal volstonden met machines, allemaal door een groot waterrad aangedreven. Daarom worden deze eerste, door waterkracht aangedreven, spinnerijen in het Engels mill genoemd. Niet alleen door de omvang, maar ook door de manier werken, waren deze mills een breuk met het verleden. Men nam niet langer naar eigen believen plaats achter een machine, maar de machine eiste de aandacht van de mensen. Zodra er water door de sluizen werd geleid en het waterrad begon te draaien, werden de rollers en spinspillen in beweging gebracht en moesten de arbeiders op hun werkplek aanwezig zijn. Daar moesten ze blijven tot het waterrad stopte. De fabrieksbel kondigde voor de bewoners van Cromford het begin van hetw erk aan. Met de vestiging van de katoenspinnerij in Cromford nam ‘hettijdperk van de fabriek’ een aanvang. Arkwright verdiende met zijn katoenspinnerijen een vermogen. Vele anderen volgden zijn voorbeeld. Overal in Lancashire verrezen mills. De plekken waar de vestigingsfactoren het gunstigst waren (een groot waterverval in de riviertjes en dicht bij de haven Liverpool voor de aanvoer van ruwe katoen) werden het eerst bezet. Ook op het platteland werden talloze fabrieken gebouwd. In de meer afgelegen en dunbevolkte gebieden waren ondernemers gedwongen om niet alleen een fabriek te bouwen, maar ook te zorgen voor huisvesting van de arbeiders. Enkele idealistische ondernemers ontwierpen ware modeldorpen, waar niet alleen gezorgd was voor werkgelegenheid en huisvesting, maar waar ook pogingen gedaan werden de arbeiders in moreel opzicht op een hoger plan te krijgen. Bekende voorbeelden zijn de dorpen rondom Egerton Mill en New Eagley Mill (gebouwd door Henry Ashworth) en Barrow Bridge (gebouwd door Robert Gardner en Thomas Bazley) Rond 1775 verbeterde James Watt de stoommachine zodanig dat er na enige tijd een op grote schaal bruikbare en betrouwbare aandrijfkracht beschikbaar kwam. Daardoor was het niet langer noodzakelijk dat de mills aan snel stromende riviertjes gebouwd werden. Het gevolg was dat de katoenspinnerijen zich concentreerden in die gebieden waar de aan- en afvoer van grondstoffen en eindproducten het eenvoudigst was en waar de arbeiders ehuisvest konden worden zonder dat de fabrikanten daarvoor flinke investeringen hoefden te doen. Bestaande stadjes, zoals Manchester, Bolton, Blackburn en Oldham, groeiden in korte tijd uit tot grote industriesteden. Omdat deze groep fabrikanten bijna uitsluitend aan hun eigen belangen dacht en zich niet verantwoordelijk voelde voor het welzijn van hun arbeiders, ontstonden er tijdens deze fase van de industrialisatie grote wantoestanden. De groei van de steden verliep schijnbaar zonder enige orde en planning. Er verrezen nieuwe wijken waarin kleine en kwalitatiefslechte huisjes gebouwd werden, met weinig licht, slechte ventilatie en geen drinkwaterleiding of riolering. Bovendien ontbraken voorzieningen zals de afvoer van afval en openbare verlichting en waren de wegen ongeplaveid. Vooral Manchester was berucht door de slechte kwaliteit van d huizen en de verontreiniging van bodem, lucht en water. Bovendien waren, door het grote aanbod aan arbeidskrachten en et ontbreken van wet- en regelgeving op dit gebied, de werkomstandigheden in de fabrieken beroerd. Er moesten in een lawaaiige en vochtige ruimte lange werkdagen gemaakt worden en er waren weinig veiligheidsvoorzieningen aan de machines, waardoor er regelmatig ongelukken gebeurden. Een groot gedeelte van de arbeidskrachten bestond uit kinderen en vrouwen, omdat die door hun lichaamsbouw beter geschikt voor dit soort werk waren en omdat zij met lagere lonen genoegen moesten en konden nemen. De uitbetaalde lonen waren, bij gebrek aan alternatieve werkgelegenheid, vanaf het begin al laag en de fabrikanten slaagden erin om ze in de loop van de tijd zelfs nog verder te verlagen. Door de slechte woon- werkomstandigheden in de industriesteden was de bevolking vatbaar voor besmettelijke ziekten en was de levensverwachting er lager dan elders. De fabrikanten wisten het besmettingsrisico te ontlopen door buiten de stad te gaan wonen. De arbeiders hadden weinig mogelijkheden om hun lot te verbeteren. Op verschillende momenten zijn groepen van arbeiders (op gewelddadige wijze) in actie gekomen, zoals in 1779, 1811-1812 en in 1826, maar daarbij was de angst hun werkgelegenheid te verliezen de drijfveer. Zij uitten hun verzet vooral in het kapot slaan van machines. De arbeiders gaven aan slecht betaald, onaangenaam en ongezond werk nog altijd de voorkeur boven geen werk. Bovendien waren rond 1800 wetten( de Combination Acts) uitgevaardigd waarin het arbeiders verboden werd zich in vakbonden te organiseren om als groep verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. Dit zou, helemaal in de liberale lijn, in strijd zijn met de vrijheid van arbeid. Rond 1830 werd de ellende in de fabriekssteden een politiek issue. Onder invloed van het werk van schrijvers, journalisten en medici werd algemeen bekend hoe er in de Engelse fabriekssteden gewerkt en geleefd werd. Parlementaire onderzoekscommissies gingen op onderzoek uit en waren geschokt door wat ze aantroffen. Op bescheiden schaal werden er in 1835 wetten uitgevaardigd die aan de ergste uitwassen een eind moesten maken. De beperking van vrouwen- en kinderarbeid was het belangrijkste succesje dat geboekt werd. Een probleem was dat in de Engelse politieke structuur de macht traditioneel in handen was van een groep die weinig binding met de nieuwe industriegebieden had. Wilde er in de wetgeving echt iets veranderen, dan diende deze structuur hervormd te worden. Vandaar dat zowel fabrikanten als arbeiders- ieder weliswaar met een verschillend doel- vanaf 1830 volop strijd hebben geleverd om politieke invloed te verwerven. De fabrikanten waren hierbij het meest succesvol: door de Reform Act kregen de industriesteden een stem in het Engelse parlement. Door toedoen van de leden van de Anti-Corn Law League werden in 1846 de graanwetten ingetrokken, die in het voordeel van de grootgrondbezitters waren en in het nadeel van de fabrikanten. Pogingen van de arbeidersklasse om ook een politieke stem te verkrijgenwaren minder succesvol. De chartisten, die zich onder andere sterk maakten voor algemeen (mannen)kiesrecht, werden hardhandig tegengewerkt. De zittende bestuurders voelden er niets voor hun macht te delen met de arbeiders. Met veel politie en legereenheden werd het verzet in de kiem gesmoord. Dat de fabrikanten aan het langste eind trokken, heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de katoennijverheid in de loop van de eerste helft van de negentiende eeuw uitgroeide tot een belangrijke bedrijfstak. De bijdrage van de katoenindustrie aan de groei van het nationaal inkomen in Engeland bedroeg in de decennia rond 1800 maar liefst 13 procent. Mede door de groei van de katoennijverheid raakte Engeland sterk verweven met de wereldmarkt. Vanaf 1780 werd de wederzijdse afhankelijkheid steeds duidelijker voelbaar. Terwijl er in de periode 1751-1760 gemiddeld 2,7 miljoen lb. Ruwe katoen per jaar werd ingevoerd, was dat in het tijdvak 1791-1800 al ruim vertienvoudigd (30,7 miljoen lb.). Een halve eeuw later was het expolsief gegroeid tot 555,7 miljoen lb. De ruwe katoen werd tot draad gesponnen en vervolgens tot stoffen geweven. Een steeds groter deel van de productie werd geexporteerd. Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuwvertegenwoordigde de katoen ruim veertig procent van de britse exportproducten (gemeten naar de waarde). In het begin werden uitsluitend katoenen stoffen uitgevoerd. Maar na verloop van tijd gingen de fabrikanten er ook toe over garens te exporteren: rond 1850 ging er voor een groter bedrag aan garens dan aan katoenen stoffen naar de Europese afzetmarkt. Maar toen in Europa en Amerika een eigen katoenindustrie van de grond kwam, zoals in Nederland in Twente, nam het belang van deze landen voor de Britse katoennijverheid af. Bij het zoeken naar alternatieve afzetgebieden kwam Azie steeds nadrukkelijker in beeld. Tegen het midden van de negentiende eeuw ging minstens een kwart van de Britse katoenexport naar dit werelddeel, waarvan negentien procent India als eindbestemming had. Hiermee wordt de cirkel van Met de loep op Lancashire gesloten. Immers: het verhaal van de opmars van de katoen in Engeland begon met de katoenen stoffen uit India. Rond 1850 lagen de verhoudingen volstrekt anders: een Indiase spinner had toen op zijn handspinnewiel 50.000 werkuren nodig om 100 lb. Katoen te verwerken. De Britse spinmachines van het eerste uur konden deze hoeveelheid in 600 uur verwerken. Het waterframe van Arkwright had hiervoor slechts 300 uur nodig, terwijl latere machines deze hoeveelheid in 135 uur verwerkten. Het gevolg hiervan was dat de Indiase huisindustrie kapot geconcurreerd werd. Dit is een ander negatief uitvloeisel van het industrialisatieproces: de Britse katoenindustrie, die de kunst had afgekeken van de Indiers, bracht in het midden van de negentiende eeuw de lokale producenten in datzelfde Brits-Indie de doodsteek toe. Zo blijkt dat niet alleen de Engelse fabrieksarbeiders, maar ook de slaven op de Amerikaanse katoenplantages evenals vele inwoners van Britse kolonies een hoge prijs betaalden voor de tijdens de in Chrystal Palace gehouden Wereldtentoonstelling van 1851 zo bejubelde vooruitgang die het gevolg was van de opmars van de industrie.

REACTIES

R.

R.

erg netjes de samenvatting uit het boekje overgetypt!

20 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.