Kolonisatie van de niet-westerse wereld

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vwo | 1243 woorden
  • 12 juli 2007
  • 47 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.4
  • 47 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Kolonisatie van de niet-westerse wereld

15e eeuw kolonisatie – 20e eeuw

niet alles veranderde:
- landbouw belangrijkste middel van bestaan (productie steeg wel, aantal mensen groter)
- voedseltekorten (hongersnood) vooral in Azië en Afrika  langdurige droogten, overstromingen

verandering economisch:
- betere verbindingen (producten goed en snel vervoerd)
- aanleg van havens
- sporen en wegen (van kust naar gebieden met landbouw en mijnbouw)
- vliegvelden, wegen voor auto’s (vanaf 20e eeuw)

- uitwisseling van producten
- nieuwe dieren en gewassen vanuit Europa (bv naar Amerika: paarden, koeien > vlees, melk, huiden en trekkracht)
- producten ook van kolonie naar kolonie (bv van Amerika naar Afrika: cassave, maïs, bananen, tabak, cacao, rubberbonen)
- handel veranderde. Producten van Europese industrie te koop: vuurwapens, kleding, fietsen, auto’s en radio’s
- uitbreiding goud- en zilvermijnen. Ook andere delfstoffen: steenkool, koper, olie en uranium (uitgebreide delfstoffenindustrie > mijnbouw, oliewinning)
- verplicht werken voor kolonisten
- mannen voor niets een aantal dagen voor de overheid werken (aan bv wegen en spoorlijnen) Soms in eigen omgeving, soms heel ver van huis
- boeren extra verbouwen of een bepaald product voor Europese markt (bv in Nederlands-Indië19e eeuw: suikerriet, koffie en tabak)
- invoeren van belasting. (alleen geld daarvoor > werken voor Europeanen)


verandering sociaal gebied
- meer en grotere steden
- door activiteiten Europeanen (bestuur, handel, industrie)
- op platteland was te weinig grond > niet alleen door bevolkingstoename, maar ook veel grond gebruikt voor exportproducten naar Europa (katoen, suiker, koffie, tabak) > naar stad voor werk
- jongeren stelden zich veel van de stad voor: meer vrijheid, bioscopen, danslokalen, scholen, ziekenhuizen
- leven in stad valt tegen: lonen laag, woningen slecht, geen werk voor iedereen
- verplaatsing miljoenen mensen
- nieuwe vorm landbouw: plantagelandbouw (plantage = grootlandbouwbedrijf dat produceert voor export naar Europa) > veel arbeiders > miljoenen slaven van Afrika naar Amerika
- na afschaffing slavernij: tekort werkkrachten > 100 duizenden Aziaten als contractarbeiders naar Afrika en Amerika: niet alleen op plantages, ook in mijnbouw, aanleg wegen en spoor
- bevolkingssamenstelling in sommige gebieden
Amerika:
- aantal Indianen (oorspronkelijke bevolking) nam af > besmettelijke ziektes uit Europa (pokken, tyfus, mazelen, griep) > oorlog en slechte behandeling
- miljoenen Europeanen naar Amerika > meerderheid blanken in Noord-Amerika en zuiden van Latijns-Amerika. Miljoenen Afrikanen naar plantagegebieden (Brazilië, Caribische gebied, zuiden van VS)
- contractarbeiders uit Brits-Indië (Guyana, Suriname, Caribische gebied) naar plantagegebieden
- na afschaffing slavernij: geen onderscheid in bevolkingsgroepen > Latijns-Amerika: veel vermengingen tussen blanken, Indianen en Afrikanen)
Afrika:
- weinig blanken alleen in Zuid-Afrika (tot kort macht in handen, geen vermengingen)
Midden-Oosten:
- grote problemen: Britten beheer over Palestina van WO1 tot kort na WO2 > Joden uit de hele wereld mochten zich er vestigen en staat Israël stichten (zien Palestina als hun land waar ze langgeleden uit verdreven zijn) > er wonen al Arabieren (Palestijnen) die Palestina als hun land beschouwen
Azië:
- deel veroverd door Russen > veel blanke Russen emigreerden
Australië en Nieuw-Zeeland:
- bijna geheel door verdrongen door Europese kolonisten

verandering op godsdienstig en ander gebied
- verspreiding christendom
- 16e eeuw: 1000den priesters naar Spaans-Amerika > Indianen bekeren tot christendom > dan werden ze Spaanse onderdanen. Overal: kerken, kloosters en scholen
- Portugees-Amerika (Brazilië) = afgelegen Amazonegebied > geen blanken > eigen godsdienst
- Afrika gekoloniseerd 19e eeuw > missionarissen (katholiek) en zendelingen (protestant) Stichten ook scholen.
- Afrika: Christendom minder succes dan Islam: Afrikaanse gebruiken werden afgekeurd (polygamie, afschrikken van boze geesten) > Moslims bekeren eerst de rijkste en belangrijkste mensen, de rest volgt. Christenen: eerst de armen
- veel Afrikanen lid van de onafhankelijke Afrikaanse Kerken o l v de plaatselijke profeet. (christelijke en Afrikaanse gebruiken met elkaar vermengd)
- Azië: missionarissen weinig succes > Aziaten vonden ook eigen cultuur beter dan andere > hier op alle plaatsen hetzelfde geloof (in Afrika: geen godsdienstige organisatie, heilige schriften, maar elke plaats had eigen goden)
- andere uitingen van de westerse cultuur
- ze leerden ongeveer de taal van de machthebber
- sommigen: westerse kleding, hulp van opgeleide artsen, westerse sporten, trouwden met iemand van wie ze hielden
- anderen: eigen kleding, medicijnman, traditionele sporten, huwelijk geregeld door familie.
- velen: combineren eigen met westerse cultuur (ook inheemse leiders bv Senghor, Afrikaanse politieke leider)

politieke verandering
- Indianen verjaagd, uitgemoord of onderworpen
- hardste Europese optreden tegen Indianen > verloren politieke zelfstandigheid, behalve in moeilijk toegankelijke Amazonegebieden
- meeste Indianen in Spaans Amerika > kregen rechten (werden Spaanse onderdanen) als ze christelijk werden > Ambtenaren moesten Indianen opvoeden tot goede burgers > maar ze werden tweederangsburgers: dwangarbeid
- Factorijen in Afrika en Azië, soms wederzijds voordeel, soms afgedwongen
- eerste 2 eeuwen van kolonialisme (16e en 17e eeuw) > alleen factorijen aan de kust (= handelspost: haven, enkele pakhuizen, woningen voor Europese kooplieden (in Afrika: ook fort > bescherming tegen andere Europeanen))
- meeste gesticht met toestemming Afrikaanse heersers > profiteerden ook van de handel > ook geen bezwaar tegen slaven handel. (Koning van Congo wel > Afrikaanse slavenhandelaars kregen wapens van Europeanen > Congolese leger kon daar niet tegen op > Congolese koninkrijk viel uiteen)
- toestemming in Azië: niet voor de handel, steun van Europeanen > conflicten naburige vorstendommen
- Chinese keizer geen toestemming > Opiumoorlog (1840-1842): Engeland verkocht Opium aan sommige Chinese ambtenaren > Chinese regering nam dat in > Engeland begon oorlog (met veel modernere wapens) > vredesverdrag: Hongkong afstaan en 5 havens voor Engelse handelaars. > hierna ook met andere westerse landen. ‘verdragshavens’: eigen Europees bestuur en eigen rechtspraak
- Direct of indirect bestuur
- Belangrijkste rijken Azië: Brits-Indië (India, Pakistan, Bangladesh), Nederlands Oost-Indië (Indonesië) en Frans Indo-China (Vietnam, Laos, Cambodja)
- Afrika bijna geheel opgedeeld. Belangrijkste machthebbers Afrika: Portugezen, Engelsen, Fransen en Belgen
- direct bestuur: Europese machthebbers regelen het bestuur helemaal zelf (bv Fransen. (Later ook in Portugese en Belgische kolonies) Zowel Fransen als wat mensen van de inheemse bevolking: ambtenaar > niet uit familie van vroegere heersers > macht kwijt.)
- indirect bestuur: (Nederlanders en Britten) inheemse heerser mocht macht gedeeltelijk houden en bevolking besturen > klein aantal Europese ambtenaren onopvallend toezicht)
- voordelen indirect bestuur voor koloniale heerser: goedkoop, weinig ambtenaren nodig; bevolking minder snel in opstand, leek erop dat eigen heersers nog regeren
- Verzet onderdrukt met harde hand
- Europeanen beter bewapend, toch verzet tegen indringers (bv West-Afrikaanse rijk o l v Samori Touré: de Fransen deden 16 jaar over verslaan (1882-1898)))

Dekolonisatie van de niet-westerse wereld

Dekolonisatie = het onafhankelijk worden van een kolonie

Factoren die dekolonisatie bevorderen
- Ontstaan van nationalisme
- in elke kolonie verschillende volken > strijd tussen verschillende godsdiensten, verschillende talen: mensen verstonden elkaar niet, geen gemeenschappelijke geschiedenis: pas door het kolonisme > geen nationaal gevoel
- toch nationalistische bewegingen > willen op korte termijn dekolonisatie
- Omstandigheden van binnenuit
- onderwijs in West-Europese geschiedenis en staatsinrichting: begrippen als democratie, vrijheid, gelijkheid, nationalisme.
- onderwijs in eigen cultuur: onderwijs van missionarissen en zendelingen > sommige maakten studie van inheemse culturen en gaven die kennis door
- onderdrukking door koloniale overheerser: ander bestuur, ander werk, andere godsdienst, ondergeschikt behandeld
- Omstandigheden van buitenaf
- tweede wereld oorlog: nationalisten merkten dat de Europeanen niet zo sterk waren als ze dachten. > Afrika moest bijdragen aan oorlog: producten en inheemse soldaten in leger (zij aan zij met Europeanen > niet meer ondergeschikt)
- verschuiving machtscentra in de wereld: vóór WO2 vooral West-Europa > na: VS en SU > waren tegen west-europese kolonialisme (VS waren zelf een vrijgevochten kolonie) > na de oorlog opgericht VN: ook vóór dekolonisatie
- stimulerende voorbeelden van dekolonisatie in Azië en Afrika (bv Gandhi geweldloos verzet in Brits-Indië)
- groeiend inzicht van einde koloniale tijdperk: Groot-Brittannië, Frankrijk en België > liever afspraken maken met de nationalistische leiders dan een dure koloniale oorlog (Portugal: oorlog om Afrikaans grondgebied, Frankrijk: alleen om Algerije)

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.