H1: Ontmoetingen in verre streken: kolonisatie en imperialisme

Europese expansie, 1500-1800:
Europese expansie: uitbreiding van de invloed van Europese landen in andere werelddelen.

Eind 15e eeuw: Waarom ontdekkingstochten? (Spanje Portugal)
- nieuwsgierigheid naar onbekend land
- verspreiden Christelijk geloof (belangrijke factor)
- handel met Azië (belangrijkste factor)

Waarom specerijen?
-> kruistochten naar midden oosten zorgden ervoor dat de specerijen bekend werden. Door tussenhandel van Arabieren waren ze (peper)duur.

Rond 1450: Portugezen zoeken zeeweg naar Indië
Rond 1498: Val van Granada (Moren verslagen), Columbus krijgt geld om nieuw land of nieuwe routes te ontdekken voor Spanje, nu er geen oorlog meer is.

In 16e eeuw: doel was nu winst maken, compagnieën en handelsondernemingen werden opgericht.
Grote stijging totale voedselproductie -> uitwisselen landbouwproducten tussen continenten..
Driehoekshandel -> Europa, Afrika en Amerika: grootschalig

3 vormen van Europese aanwezigheid:
- handelsposten: handel interessant, veel Europeanen niet nodig, imperialisme: vergroten invloed overzees gebied, d.m.v handel, Nieuw imperialisme: actiever, rond eind 19e eeuw.
- Vestigingskolonies: onder Europees bestuur brengen van overzees gebied, migratie van grote groepen m.d.b lang/altijd te blijven -> nieuwe samenleving.
- Plantagekolonies: kleine groepen Europeanen vestigen zich. Plantagekolonies afhankelijk handel & zeevaart met Europa, vestigingskolonies niet. Productie gericht op export naar Europa.

Spaanse koloniën
Vergissing Columbus: 1492 zocht hij Indië, vond Amerika, dacht dat ’t Indië was -> bewoners Indianen. Amerika = ‘Nieuwe wereld’

Spanje en Portugal wilden Amerika allebei: Paus kwam tussen beiden om land te verdelen: verdrag van Tordesillas -> denkbeeldige scheidingslijn.
Land was nog niet helemaal ontdekt: Portugal -> Brazilië
Spanje -> rest
Hernan Cortés verkent en veroverd als eerste ’t binnenland van Amerika.
-> Azteekse rijk (Mexico): groter dan verwacht en indrukwekkende beschaving.
Ontmoeting Cortés en Azteekse leiders in voordeel van Cortés:
- als militairen maakten Spaanse veroveraars grote indruk op Azteken.
- Religieuze ontreddering Azteken -> terugkeer van Goden (Spanjaarden?!)
- Spanjaarden kregen steun van door Azteken onderworpen volken.
- Spanjaarden brachten veel onbekende ziektes mee, grote sterfte bij Indianen.

Verschillende rijken in Amerika hadden eigen cultuur -> verschillende bouwstijlen en religieuze ceremonies.
Kalenders van Azteken, Inca’s en Maya’s zeer nauwkeurig, ook kenden ze ’t schrift.
Historisch bewustzijn: besef dat er verleden is, beeld van het verleden, beïnvloeding op het heden.

Case: koloniaal Mexico
Begin 16e eeuw -> Conquistadores = veroveraars (buit): krijgen van Sp. Kroon:
- recht zich te vestigen in Amerika
- encomienda: recht om tribuut te heffen en arbeid te eisen ( van Indianen )
Encomienda: het gaat fout waarom?!
- uitbuiting van Indianen
- Sp. Kroon dreigt zeggenschap te verliezen

-> encomiendasysteem sterk beperkt
-> nieuw bestuurssysteem

2e helft 16e eeuw: Nieuw bestuurssysteem
In Spanje: Raad van de Indiën -> wetgeving
In koloniën: onderkoningen (Spaans) en adviseurs (tevens controleurs)
Provincies: hoge (Sp.) ambtenaren vervangen encomienda systeem.
Haciënda: landbouwbedrijf -> varieert sterk in omvang

Continuïteit:
- dorpen hielden eigen bestuur (Indiaanse adel)
- tribuut (nu aan Sp. Kroon i.p.v. bijv. Azteekse heren)

verandering:
- burgemeester en gemeenteraad
- wet -> elk dorp recht op stuk grond
- Indianen mochten aanklachten indienen
- Onderworpen aan andere beschaving

Syncretisme: Mix tussen Christendom en Indiaanse religie -> nieuw Christendom met herkenbare elementen uit Indiaanse geloof.

Sommige priesters beschouwden Indianen als geboren slaven en onwetend, anderen wilden ze beschermen en strijden tegen Spaanse mannen. Priesters kwamen uit verschillende ordes.

Zwarte legende: Traditionele visie op de verovering van Latijns-Amerika: Indianen werde uitgemoord, onderdrukt en uitgebuit.

Spanjaarden en Indianen
Landbouw -> Indiaanse dorpen: lokale markt
-> Spaanse haciënda’s: lokale/regionale markt
-> Plantages: (gesticht door Europeanen) afgelegen kustgebied, voor export

columbian exchange: uitwisseling van producten tussen Europa en Amerika, via Spanje.

Indianen onderdanen van Spaanse koning, Spaanse koning moest waken over Indianen (kinderen van de koning)

Standenmaatschappij: Indiaanse stand: Indiaanse Adel en gewone Indianen
Spaanse stand: elite (economisch+bestuurlijk leiders, uit Spanje), creolen (nakomelingen van Sp. Migranten), gewone Spanjaarden.

Veranderingen:
- er stierven miljoenen Indianen
- nieuw bestuurlijke top -> Spaanse ambtenaren
- invloed van Spanje -> landbouw, godsdienst enz..

proces van culturele synthese: mestizering:
samengesmolten cultuur, mix van Indiaanse en Spaanse (Afrikaanse) cultuur.

Koloniale cultuur = mestiezencultuur
Op terrein van: landbouw, kleding, voedsel, gebruiksvoorwerpen, religie (huwelijken tussen mensen uit verschillende standen)

Het streven naar onafhankelijkheid
Oorzaken op lange termijn:
- boeren+inwoners te weinig grond, door toegenomen bevolking, meer arbeiders dus lage lonen.
- Creolen gefrustreerd: onvrede met achtergestelde positie (verhouding Spanjaarden-creolen) verlichting -> nadenken & nationalisme

Oorzaken op korte termijn:
- economische crisis -> aanhoudende droogte, oogst mislukt, voedseltekort
- oorlog Sp-Fr (Napoleon) -> hogere belasting om oorlog te financieren
- versterkt gevoel van onvrede bij creolen.
Door afzetten Sp. Koning en vervanger Napoleons broer kwam onvrede tot uitbarsting: politieke ontwikkeling in Europa gaf doorslag streven naar onafhankelijkheid. Spanjaarden accepteren nieuwe leider, creolen niet. Revoluties waren politiek -> Spaanse elite wordt creoolse top.

Vrijheid in afhankelijkheid
Problemen na onafhankelijkheid:
- bestuurloos achtergelaten (rebellenleiders wilden macht, caudillos -> militaire machthebbers.
- Eigen leger + ambtenaren nodig
- Inkomsten in koloniale tijd gebaseerd op exporteconomie (plantages) Europese handelspartners weg
- Land verwoest.

Latijns-Amerika: economische instabiliteit, soms gigantische inflaties en grote sociale ongelijkheid.

Export: afhankelijk van importerende landen (in Latijns-Amerika zijn bijna alle inkomsten van export) Vs ->grote invloed op Latijns-Amerika = neokolonialisme.

Monroe-doctrine: Amerika voor Amerikanen (Noord+Zuid)
isolatiolisme: afsluiten van buitenlandse politiek

Vs heeft Latijns-Amerika als achtertuin.
Juan Péron (Argentinië) -> populisme: een regime dat stemt op aanhang van het volk.
Péron als beschermer van arbeiders + allerarmsten
Door industrialisatie groeide die groep snel
Péron=dictator, meer liefdadigheid dan echte oplossing.
Evita -> beschermer armen + wanhopigen, haar dood = massamysterie

Sinds 1980, wel buitenlandse investeerders maar voorzichtigheid = groter.

Handel tussen Amerikaanse gestimuleerd (onafhankelijker worden)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.