Hoofdstuk 8: stoommachines en burgers

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo/vwo | 2663 woorden
  • 27 februari 2015
  • 3 keer beoordeeld
Cijfer 7
3 keer beoordeeld

8.1 industrialisatie

begint in Engeland

eerste machines: waterkacht, levert problemen op in de zomer en winter. Beperkte vestigings mogelijkheden. → fabrieken ver van de bevolking, transport

 

inpendente factoren

  • agrarische revolutie

    verbetering van landbouwmethodes: grootschalige productie → beter en goedkoper (drieslagstelsel) → minder arbeid nodig → arbeidsuitstoot → verstedelijking: arbeidsreservoir van arbeiders die tegen ieder loon willen werken

    voedsel goedkoper → gezonder, welvaart → huwelijksleeftijd (gezin) vervroegd → bevolkingsgroei

    grootgrondbezitters verdienen veel: investeren

  • transport revolutie

    kanalen netwerk: snelle verspreiding van goederen door het land (dus niet meer regionaal/lokaal gericht)

later ook sporrwegen en daardoor betere beschikbaarheid tot grondstoffen

  • innovatie

    patentbeweging, dus ook aantrekkelijk om iets uit te vinden → nog efficiënter produceren

  • afzetmarkt

    bevolkingsgroei en koloniaal rijk

  • kapitaal

    investeringen van de grootgrondbezitters, vanuit de republiek en vanuit de koloniale winsten

     

Textielproductie: wol/katoen/vlas (voornamelijk katoen, grootschalig, hygiënisch, makkelijk wasbaar)

spinnen tot garens → garens weven tot stof

spinnen → waterkracht → stoom. Ambachtslieden overbodig (geen scholing nodig). Wevers blij, want hun grondstoffen zijn goedkoper en er ontstaat een bottleneck (veel garen weinig wevers)

Luddieten: verzetsgroep tegen industrialisatie vanwege onderdrukt inkomen → plunderen en machines slopen. Worden opgehangen, getransporteerd naar Australië etc.

komen voornamelijk uit de groep van de spinners.

Wevers zien dit ook aankomen. Om onrust te voorkomen → onderdrukken

nadeel: staat wordt gezien als vijand.

 

Fabrieken in steden: afzetmarkt, arbeiders. Nadeel: water en lucht vervuiling

industrialisatie zorgde voor klassenmaatschappij en sociale mobiliteit.

Wel revolutie: grote onomkeerbare verandering. Geen revolutie: geen plotselinge verandering

 

Tweede industriële revolutie:

eerst: textiel, ijzer en steenkool. Later: staal, chemie en elektrotechniek.

Leidde tot: vervanging van ijzer door staal (beter, hoger en groter bouwen), straatverlichting, telefoon, gloeilamp, plastics en kunstmest (groei voedselproductie).

Grotere fabrieken; systematisch verbeteren. Transportrevolutie zet door: treinen, auto, fiets, stoomwals (betere wegen)

 

politieke gevolgen:

  • economische groei

  • nationale markteconomie

  • groei secundaire en tertiaire sector

  • groeiende vraag naar grondstoffen en afzetmarkt

sociale gevolgen industrialisatie:

  • bevolkingsgroei

  • urbanisatie

  • sociale kwestie

  • klassenmaatschappij (franse rev. Schaft standenmaatschappij af en industrialisatie zorgt voor klassenmaatschappij)

 

8.2 politiek maatschappelijke stromingen

1815 Napoleon verslagen

men wil terug naar oude orde (Ancièn Régime) (Congres van Wenen) middenklasse raakt inspraak weer kwijt.

Europa na Napoleon

  • nieuwe grootmachten: Pruisen, Oostenrijk(-hongarije), Rusland en vooral GB

  • tweede rang: Spanje, Republiek, vooral Ottomaanse rijk

Democratische landen zijn onrustig dus ze willen weer kleine elite groepen aan de macht (absolutisme)

Congres van Wenen (conservatief)

wat: orde + rust (fFankrijk indammen)

hoe: omliggende landen versterken en Ancièn Régime herstellen

  • buffers tegen Fr → NL groter: Benelux, Pruissen en Oostenrijk meer gebied

  • macht bij vorsten en adel (ook NL monarchie), standenmaatschappij als ideaal

  • voorlopig einde democratisch experiment

  • voorkomen van grote oorlogen door huidige situatie als eeuwig te zien

Afspraken staan onder druk vanwege

  • nationalistische en onafhankelijke verlangens van Duitsland en Italië

  • men wil geen absolutisme meer

  • sommige grote landen bestaan uit teveel volken

 

opkomst politieke stromingen

ideologie → samenleving in verandering

  • nationalisme

  • middelpunt vliedend: veel volken in een land → eigen staten creëren

  • middelpuntzoekend: 1 volk verdeeld over meerdere landen → een staat vormen

  • industrialisatie: sociale problemen (zorgt voor liberalisme en socialisme)

  • emancipatiebewegingen gericht op het verkrijgen van politieke inspraak (hoge middenklasse (lib) reactie van arbeiders (soc) vrouwen (fem) en gelovingen (conf))

  •  

liberalisme:

  • middenklasse wil inspraak, tegen autocratische leiders

  • ook populair bij kunstenaars, studenten en vooral in duise gebieden

  • tegen verdeelde volken en veel volkeren staten

  • reactie op restauratie en belangrijker worden van de middenklasse als gevolg van industrialisatie

  • gelijkheid voor de wet

  • geloof is een privëzaak

  • individuele vrijheid → maximale ontwikkeling

socialisme:

  • reactie van de arbeidersklasse op het liberalisme

  • gelijkheid in inkomen en kansen

  • communisme → revolutie

  • sociaal democraten → erkennen het parlement (reformisten, kiesrechtuitbreiding)

  • kritiek op godsdeinst: houd het volk rustig en weerhoudt dus van een revolutie

  • internationale arbeidssolidariteit. Het gaat niet om je nationaliteit maar om je status → tegenstander nationalisme

conservatisme

  • behouden van huidige situatie (houdt vast aan gewoontes en tradities)

  • tegen liberale ideeën over recht, gelijkheidsdenken, volksinspraak

  • voor sterke staat/overheid, eigen volk

  • leeft vooral onderde adel en zeer gelovige katholieken en is dus in Nederland een kleine beweging

nationalisme

  • volk ziet zich niet als onderdaan, maar als lid van natie, niet alleen juridisch maar ook gevoelsmatig. Men is onderdeel van iets groters (dienstplicht, propaganda voor en tegen revolutie, onderwijs)

  • deels gevolg van Romantiek: tegen rationeel/logisch zoeken naar gelijkheid. Nu juist de nadruk op eigenheid/wat maakt ons anders dan de buren. Verschil met verlichting: geen ratio, maar gevoel. Verlichting zoeknt naar gemeenschappelijke gedragingen zodat je kunt verschillen.

 

Nationalisme: eenheid en democratie.

Voor 1840 vaak samen met verandering: meer inspraak (bedreiging machtshebbers, delen of kwijtraken), eigen staat voor volk. Met name Duitse vorsten herstellen autoritair bewind: conservatieve beweging → emigratie beweging naar Amerika van de liberalen (wordt hard opgetreden)

Bismarck:

probeert als kanzler d.m.v. Oorlog de Duitse staten te verenigen. Tweede keizerrijk o.l.v. Pruisische koning, gebruikt nationalisme

Tegen: democratie (franse uitvinding), RK-kerk (dan erken je de macht van de paus en je kan niet tegelijkertijd goede Duitser en katholiek zijn), socialisme en liberalisme

 

Radicaal nationalisme: we hebben recht op meer (ons volk superieur): dreigende ondergang veel volkeren staten → instabiele situatie.

Opstanden in Europa na Congres van wenen: 1848 Frankrijk maakt einde aan monarchie → ook opstanden in berlijn, wenen, boedapest etc.

Tijdens democratische revoluties: besef ontstaan van inspraak. Meer nationaal en niet meer lokaal gericht

 

8.3 Democratisering

1815: herstel Ancièn Regime → Congres van Wenen

Tegenbewegingen: 1e helft 19e eeuw

  • Liberalisme: inspraak, aan de wet gebonden overheid, vrijheid (t.o.v. De overheid)

  • nationalisme: volkswil in staat, natie-staat

  • 1815-1871: verzet tegen autocratische ordening, internationale ordening

  • 1830: Belgische afscheiding, nieuw koningshuis Frankrijk (liberaler)

  • 1848: revolutie jaar

  • roep om eenwording van Duitsland (lukt niet)

  • Poging tot liberale staatsinrichting in veel landen: mislukte opstanden (emigratie vanwege harde optreden)

  • 1859: italiaanse eenwording: Liberaal

  • 1871: Duitse eenwording (o.l.v. Pruissen/Bischmarck) → keizerrijk: autoritair

 

GB

Democratiseringsproces sluit aan bij bestaande parlementaire traditie (1688)

macht vorst beperkt, wetgevende macht bij House of Lords (hoge adel, zeer rijk) en House of Commons (hoge burgerij + lage adel) (per district gekozen)

19e eeuw: conservatieven (vooral platteland door districten bevoordeeld) en liberalen (burgerij, stedelijk ondervertegenwoordigd)

Dan krijg je de Tories (cons) VS Whigs (lib)

1832: kieshervorming (impuls: toenemende corruptie hoge adel en groei stedelijke bevolking)

  • uitbreiding naar 15% van de mannen (vergelijkbaar NL)

  • districten heringedeeld: meer gewicht steden, “Rotten Borroughs”opgeheven (plattelandsdistricten)

  • arbeiders nog steeds buitenspel maar ze krijgen hoop

  • 1837: vorst is alleen nog maar een symbool (mocht eerst nog ministers aanstellen en ontslaan)

  • groeiende roep om kiesrechtuitbreiding

instituties:

  • rol vorst (1215 magna Carta (hoge adel inspraak), 1688 glorious revolution (vorst kan niets meer zonder goedkeuring v/h parlement, Bill of rights en 1837)

  • parlement: van adelijke inspraak in belasting naar wetgevende en controlerende macht

  • 1911 House of Lords (hogerhuis) geen veto meer

  • volkspartij: Labour 1900 (iedereen mag gekozen worden maar je moet een inkomen hebben want parlement betaald niet) vakbonden leggen geld in zodat de arbeidersklasse vertegenwoordigd kan worden

kiesrecht gaat stapsgewijs: 1832 (15% mannen, districtenhervorming), 1867/1884 (2/3 v/d mannen), 1919 (algemeen mannekiesrecht) 1928 (algemeen vrouwenkiesrecht, later dan NL vanwege WOI)

 

Pruisen (wijkt af van Eu) (verschillen leren)

  • ook in meeste Duitse staten: liberalen burgerij wil o.a. Inspraak en eenwording

  • voert in 1848 uit angst wel liberale grondwet in (liever dat dan rode revolutie en voert parlement in)

  • parlement wordt niet lang daarna door de koning weer uiteengedreven. Parlement wil hem uiteindelijk toch tot keizer der Duitsers kronen maar hij weigert omdat hij geen kroon wil krijgen van zijn onderdanen

  • steeds meer Pruisische (census) stemmen op liberalen

  • botsing met de koning. Hij wilde meer geld voor het leger, parlement wilde daar alleen mee instemmen als ze meer inspraak kregen.

  • Onacceptabel en daarom benoemt de koning Bismarck tot kanselier

  • hij ngeert het parlement, zet legeruitbreiding door en lokt oorlogen uit met Denemarken en Oostenrijk waarna hij zo populair wordt dat het parlement alsnog conservatief wordt bij de volgende verkiezingen.

  • Legitimatie Bismarck voor zijn optreden tegen liberalen, socialisten en katholieken: ze zijn niet duits (buitenlandse uitvindingen). Maar gaat hem om sterk Pruisen (onder adelijke families) en daar gebruikt hij het nationalisme voor.

  • Duitsland krijgt een volksvertegenwoordinging (rijksdag) met algemeen mannenkiesrecht. Ook conservatief door de grote plattelandsbevolking. Weining bevoegdheden: budgetrecht (wetsvoorstellen afkeuren). Bovendien mogen ze zich niet bemoeien met leger en buitenlandse politiek en moeten ze de politiek van de keizer volgen

Bismarck is tegen socialisten (bismarck is adellijk) want daarbij boeit je afkomst niet maar gaat het om je sociaal economische positie, tegen democratie (beargumenteerd hij via nationalisme omdat het een buitenlandse uitvinding is), en tegen katholieke kerk omdat zij altijd zullen luisteren naar de paus.

Pruisen week dus af: keizer bleef aan de macht, nationalisme werd door heersers aangewakkerd

tegenargument: wel democratie in samenleving: vrijheid van pers, vakbonden en ook steeds meer democratische stemmen die uiteindelijk hadden kunnen overheersen als WOI niet tussen was gekomen.

 

Nederland

1815-1848: constitutionele monarchie

hogere burgerij wordt vrij belangrijk, willen economisch insprak (maar alleen zij) → liberalisme

Willem I en Willem II houden dit tegen

  • willem I is alleen heerser (grondwet beperkt hem nauwelijks)

  • toenemende roep om inspraak van de hogere burgerij: liberalisme (belasting omlaag). Met name na Belgische afscheiding

  • → hoge staatsschuld (liberale zijn voor sterke economie)

1848 revolutiejaar → bang voor revolutie (aanleiding: voedsel oproeren in steden → onrust) daarom van conservatief naar liberaal → Thorbecke schrijft nieuwe Liberale grondwet

Na 1848 wetgevende macht in parlement. Vooral 2e kamer: gekozen door stemgerechtigden in districten, die hun parlementslid aanwijzen

Start Parlementair stelsel met censusrecht gebaseerd op belasting bijdrage (legitimatie je hebt recht om over je belasting te beslissen, scholing) (verband met plato's visie op democratie, demagogen en kennis)

  • wetgevende en controlerende macht bij SG (1e kamer via PS, 2e kamer direct via mannelijke burgerij)

  • grondswetswijziging vanaf 2/3 van de stemmen

  • koning “onschendbaar”, ministers zijn verantwoordelijkheid schuldig aan parlement

  • samenstelling bestaat voornamelijk uit liberalen doordat alleen hogere burgerij mag stemmen → passieve overheid

Kiesrechtstrijd

confessionelen: wetgeving op basis van geloof

socialen: oplossen sociale kwestie

sociaal democraten: steunen uitbreiding kiesrecht, aanpakken sociale kwestie

Uitbreiding kiesrecht: 1887 (nederland rijker dus meer mensen voldoen aan census) → daarna verlaging census

Hierdoor meer diversiteit in de kamer → moeilijk sommige problemen op te lossen

 

dus oorzaak democratisering Nederland: belangrijker worden van hogere burgerij

aanleiding: voedsel oproer en revoluties in andere landen.

 

 

8.4 de emancipatiebewegingen

4 fasen: bewustwording probleem → praten → invoering → uitvoering

komt voornamelijk door toename van geletterdheid

 

1e groep: Liberalen

iedereen is gelijk aan de wet, behalve stemrecht (census) Als je de belasting niet haalt draag je niet genoeg bij om over dat geld te beslissen.

Liberalen helpen af en toe socialisten omdat ze geen revolutie willen

Volgens liberalen en socialisten: godsdienst is prive. Socialistische kritiek: houdt volk rustig en gaat revolutie dus tegen.

 

2e groep: confessionelen

streefde naar een volwaardige positie in de samenleving voor streng gelovige christenen (dus vooral in NL en DU). In Duitsland waren er zelfs wetten tegen katholieken, maar de onderdrukking verminderde toen Bismarck zag dat dit alleen maar leidde tot een groot aantal stemmen voor hun partij. En in Nederland waren Katholieken sinds de 80-jarige oorlog al achter gesteld

Protestanten en Katholieken verenigde zich om de liberale burgerij tegen te gaan (die tegen apart onderwijs waren en niet wilde dat politiek zich bemoeide met gd) en om de ongodsdienstigheid onder arbeiders tegen te gaan. In Duitsland geen succes maar in Nederland wel.

 

3e groep: feministen

Vooral vrouwen uit hogere burgerij.

Steeds meer “vrouwenwetten” en ze begonnen ook te werken maar wel in typische “vrouwenberoepen” en stopten vaak als ze trouwden. In GB staakte de protest acties door de WO I maar werden wel de mannen opgeroepen zich te verenigen aan het front terwijl de vrouwen de posities in de fabrieken konden overnemen.

 

4e groep: socialisten.

 

8.5 de sociale kwestie

leef- en werkomstandigheden van de arbeiders zijn veranderd:

  • grote bedrijven

  • meer routine, discipline

  • gevaarlijker/zwaarder werk

  • grote afstand tussen baas en werknemer

  • verstedelijking

oorzaken sociale kwestie:

  • arbeidsoverschot → lage lonen

  • liberale overheid, dus passief

  • ondernemers kunnen zelf ook niet ingrijpen want dan worden ze weggeconcurreerd

gevolgen: lage lonen, kinderarbeid, ziektes, kindersterfte, lange werkdagen, prostitutie, criminaliteit, slechte leefomstandiheden (krotten, riolering), alcoholisme

vakbonden komen langzaam op gang

  • tegenwerking overheid (beheersen leger en politie) + kerk

  • contributie kunnen meeste arbeiders niet betalen, dus staken heeft ook geen zin want de vakbond betaald je uitkering

veel liberalen denken dat dit gevolgen zijn van onverantwoordelijk gedrag van de arbeiders en geloven dat de sociale kwestie vanzelf zou worden opgelost. Iedereen zou op den duur beter worden van de individuele vrijheden. Overheid moest armen niet steunen want dan zou je ze belonen. Er moest een nachtwakersstaat onststaan: overheid bemoeit zich alleen met rust en orde

 

GB: industrialiseert als eerste en voelt dus als eerste de gevolgen

1e wetgeving:

  • zij die niet voor zichzelf kunnen opkomen wel beschermen (dus nog steeds liberaal)

  • factory act → verlagen van maximale arbeidsuren voor vrouwen en kinderen (eerst in textiel industrie)

  • bijkomende reden: socialisten af en toe hun zin geven omdat ze bang waren voor onrust en zo ook die revolutie tegen gaan (ludieten en chartists)

 

Ideologie socialisme/communisme:

arbeiders worden uitgebuit in het kapitalisme → armen worden steeds armer en er zullen steeds meer armen komen: verelendung

Er ontstaat zo een klassenstrijd tussen de rijke (bourgeoisie) en de armen (proletariërs) die uiteindelijk zal uitlopen op een revolutie waarin de proletariërs winnen → klasseloze maatschappij (dit laatste is communisme want het gaat met een revolutie)

 

politieke reacties

  • opkomst van socialisme: communisten en sociaal democraten (maar nog weinig stemrecht)

  • confessionelen: keurden kapitalisme niet af maar wilde haar gevolgen verzachten omdat de kapitalistische hebzucht leidde tot mensonwaardige armoede, dus wel iets doen voor de arbeiders maar uiteindelijk is dit blijkbaar de samenleving die god wil.

  • Conservatieven willen het kapitalisme inperken door sociale wetgevingen (mn Pruisen) (ook om revolutie te voorkomen)

  • de links liberalen willen ook een sociale wetgeving omdat arbeiders zwak stonden tegenover hun werkgevers en geen geld opzij konden leggen om zichzelf te verzekeren.

 

8.6 Het moderne imperialisme

--> het in bezit nemen van de wereld door Europese moachten vanaf ong 1870

 

Oorzaken:

  • concurrentie binnen Europa, dus op zoek naar grondstoffen en afzetmarkt (andere landen leren van jouw fouten en gaan nog goedkoper produceren) buiten Europa

  • Nationalisme: je telde pas mee als je een groot koloniaal rijk had.

Rechtvaardiging:

  • nationalisme: wij zijn superieur dus wij hebben het recht op een ‘plek onder de zon’

  • “ we komen beschaving brengen” (christelijk)

  • “we zijn nu eenmaal beter ontwikkeld”

  • “we komen de bevolking opvoeden” (zodat zij op den duur voor zichzelf kunnen zorgen)

Industrialisatie helpt ook mee:

  • Europeanen hebben militair overwicht door betere wapens

  • Medicijnen tegen tropische ziektes

  • Stoomschepen en het Suezkanaal zorgde voor grote mobiliteit

 

Voor het modern imperialisme:

  • kolonisatie langs de kust,

  • kolonien hadden eigen bestuur zolang ze de overheersers niet in de weg stoned

  • importeerde het moederland niet alleen grondstoffen maar ook producten,

  • cultuurstelsel (vorsten zorgden ervoor dat boeren de afgesproken hoeveelheden verbouwden en de overhead kon deze tegen vaste prijzen kopen)

Na:

  • volledig bestuur,

  • binnenland werd veroverd,

  • alleen nog grondstoffen (werden niet beperkt omdat ze volledig bestuur hadden)

  • ophef cultuurstelsel

 

Modern Imperialisme gaat machtsevenwicht van de Conferentie van Wenen tegen  1884 Conferentie van Berlijn

Afrika wordt verdeeld. Belgie krijgt grootste gebied omdat ze zelf niet machtig zijn.

 inheemse volken voelen niets voor de staat maar zijn lokaal/regionaal gericht, er is dus verdeeldheid en dit helpt de Europese machten oveheersen.

 

Uitzonderingen in Azië:

  • China: te groot en zelf ook redelijk sterk, maar zij werden gedwongen de markt open te stellen (eu kreeg eigen wijken en legerbases) en mocht alleen lage invoerrechten heffen.

  • Japan: moderniseert zichzelf na lange isolatie en wordt eind 19e eeuw zelf imperialistische macht

Chronologie:

17e/18e eeuw: handelsposten  1800 intensiever economisch contact  1830 culltuurstelsel  1842 opiumoorlog (gb vs china, gb dwingt china de opiumhandel open te zetten)  1869 Suezkanaal  1870 einde cultuurstelsel  1873 Atjehoorlog (oorlog om Noord-Sumatra te veroveren)  1910 Pax Neerlandica (Argripel feitelijk geheel onder bestuur)

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.