Hoofdstuk 7

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1866 woorden
  • 18 maart 2009
  • 26 keer beoordeeld
Cijfer 6.3
26 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Maak jij weleens gebruik van de achteraf betalen-optie bij een webshop?

Voor veel jongeren is het de normaalste zaak van de wereld, maar het kan ook risico’s met zich meebrengen. Zo belandde Maura in de schulden: 'Wat begon met achteraf betalen eindigde met een schuld van zo’n 3.000 euro.'

Lees nu het interview
Paragraaf 7.1
Globalisering: wereldhandel tussen diverse continenten.
Van Europa naar Afrika: 1e winst, daar nam men mensen gevangen met wapens en geweren.
Afrika naar Amerika: 2e winst, daar werden de slaven verkocht.
Amerika naar Europa: 3e winst. De producten werden vervoerd naar eigen land en bewerkt en later verder verkocht.

Anti-globalisten zijn tegen de wereldhandel: het heeft alleen maar voordeel voor de rijke maatschappijen en landen.
Wereldhandel: Voordeel rijken, nadeel armen.

In 1500 begon Portugal met de globalisering. Spanje en Nederland volgden snel. Vanaf 1700 begonnen ook Engeland en Frankrijk (voor Frankrijk een slechte poging).
WIC (West Indische Compagnie): schepen doen ook mee aan slavenhandel. WIC vond West-Indie, wat eigenlijk Amerika was.
Slaven moesten werken op de plantages zoals:
- Suikerriet  suiker van riet  bruine suiker  populair in eigen land
- Koffie
- Tabak
- Katoen  erg belangrijk, maar lastig te verbouwen
- Cacao
Deze 5 waren luxeproducten. Daar moest je dan ook veel geld voor betalen. De Europeanen vonden het werk niets. Maar de Indianen konden er ook niet tegen, omdat:
- Ze snel ziektes overnamen, hun lichaam was niet immun.
- Geen zwaar werk kunnen doen.
Slaven uit Afrika waren geschikte mensen voor de plantages. De reis van de slaven om naar Amerika te gaan, was zeer slecht. Je moest 4 tot 8 weken reizen, mensen waren aan elkaar geketend, weinig eten, weinig water. Er werd wel rekening gehouden dat er doden vielen.
De slaven werden gescheiden eenmaal bij aankomst. Slaven werden ook gebrandmerkt  moesten werken op de plantages. Een avondje in een hut en werden weer vastgeketend.

Er zijn zo 12 miljoen slaven vervoerd. Nederland deed er 100.000 door de WIC. Na enige tijd was de bevolking in Amerika voor 20% zwart.
Er werden veel misdaden gepleegd tegen de slaven. Ze kregen weinig voedsel en water. Vrouwen werden verkracht door de slavenhouders.
Het geld werd in Europa gebruikt voor de Nieuwe Industrieën.
De mensen zien later de verkeerde kant van de slavernij. Afschaffing v/d slavernij  abolitionisten. In 1807 werd de slavenHANDEL afgeschaft, in 1863 pas de gehele slavernij. Daarna was er nog wel slavernij, maar weinig.

Paragraaf 7.2
Verlichting: periode van anders denken (1650-1750). Periode van je verstand gebruiken. Ze zien de toekomst rooskleurig in.
Wetenschappers zeggen: met je verstand kan je alles oplossen zoals:
- Ziektes
- Armoede
- Ongelijkheid
- Politiek
De mens staat centraal  individu. Vanaf 1500 zetten kunstenaars hun namen op hun schilderijen. Filosoof: zin van het leven bestuderen, kijken naar wat goed is en wat kwaad is.
Kant: Verlichting is de bevrijding van de mens. 3 groepen waren tegen de Verlichting:

- Leger
- Vorst
- Kerk
Droit divin: het goddelijke recht om te regeren (vorsten). Verlichters: vorsten hebben niet het goddelijke recht.
De 3 groepen waren bang. De 1e encyclopedie, iedereen was het ermee eens wat erin stond, het gaf meningen over de politiek, maar het werd verboden. Één van de beroemde schrijvers was Diderot. Ook andere schrijvers schreven in de encyclopedie. Je moest je ratio gebruiken  rationalisme  verstand gebruiken.
De Kerk en Staat moesten gescheiden worden volgens de Verlichters:
- Baruck Spinoza: wonderen bestaan niet, gebruik je verstand.
- Voltaire: iedereen moet zelf weten wat hij gelooft. Hij kwam 2x in de staatsgevangenis: De Bastille
De Bastille wordt bestormd in 1793. Voltaire had dikke ruzie met de Fransen, maar had een goede relatie met de Pruisen (vooral de koning).
Voltaires geloofden:

- Optimistisch: gebruik je verstand en alle problemen zijn weg.
- Gelijkheid: iedereen moet dezelfde privileges krijgen  voorrechten.
Edmund Burke was somber. Iedere stap van de geschiedenis is afhankelijk. De mens is van nature niet goed. Niet alle mensen zijn gelijk aan elkaar.
Stroming van Burke  conservatieve  het houden zoals het is. Hij schreef het allemaal in: Reflections on the Revolution in France.
Locke: volkssoevereiniteit  het volk moet de macht hebben. Je mag een vorst afzetten. Het had veel invloed. De “Founding Fathers”(Amerikaanse vrijheid strijders) namen de ideeën van Locke over.
Montesquieu: trias politicas  politiek verdelen in 3 machten:
- Wettelijke macht: wetten maken via een volksvertegenwoordiging.
- Uitvoerende macht: bestuur, regering.
- Rechtelijke macht: kijken of men zich aan de regels houd, rechters.
De l’esprit des lois (Over de geest der wetten).
Rousseau: Du contract social(over het maatschappelijke verdrag).
Verlichting  intellectueel

Reactie op de Verlichting: romantiek  je gevoel was belangrijk.
Rousseau was een verlichter en een romanticus.
Rijke edel vrouwen nodigden mensen uit in hun salons. Dat deden ze voor de gezelligheid, maar ook om verhalen aan elkaar door te vertellen. Je kon je ideeën kwijt.
Je had 3 dames:
- Madame Geofrinn: vooral encyclopedie mensen (behalve Diderot)
- Madame du Deffand: Voltaire
- Madame Nechar: Rousseau
Necker nam ideeën over van Rousseau over het opvoeden, zoals borstvoeding, een beetje terug de natuur in.


Paragraag 7.3
Je had 2 verschillende vorsten die absolute macht hadden:
1. Acien Regime  oude regering  droit divin  goddelijke macht  Frankrijk en Italië  de gebroeders Lodewijk.
Lodewijk XV (1715 – 1774) heeft 59 jaar geregeerd. Was een losbal, hij ging slecht om met zijn volk. Feesten en vrouwen waren voor hem hobby’s. Maîtresse Madame de Pompadour: Bij ons is de zonvloed, we hoeven nergens voor te zorgen. Het maakte haar ook niets uit.
2. Verlichte despoten die sommige idealen van de Verlichting gebruikten. Vorsten zoals:

- Frederik II van Pruisen
- Catharina II van Rusland
- Jozef II van Oostenrijk
Ze vonden de Verlichting van groot belang: voorbeelden van kunst, onderwijs, gevangenissen, wetenschappen bevorderen, banken met leningen.
Maar 1 ding nooit: het volk aan de macht. Dat mag niet van God, ze willen de macht houden.
Frederik II was oorlogzuchte, hij wou zelf in het slagveld gewond raken. Hij was goed bevriend met Voltaire, het leek soms net een stelletje. Hebben soms ook erge ruziën gehad.
Het kasteel van Frederik II heet: Sanssouci te Potsdam. Hij nodigde daar zijn mensen uit: Alles voor, maar niets door het volk!
Nederland was toen een republiek. De Republiek der Zeven Verenigden Nederlanden. De stadhouder was een soort koning. Want een stadhouder was ook meteen generaal en had dus veel macht. Willem V regeerde lang (1751-1795). Hij was ook een slechte bestuurder. Hij kreeg ruzie door:

1. De economie, het ging slecht met de economie.
2. Hij had de oorlog met Engeland verloren.
Het volk komt in opstand. Baron Joan Derk van der Capellen tot den Pol: hij schreef een pamflet met als titel: Aan het volk van Nederland. Er staat dat het volk in opstand moet gaan komen. De opstand tegen Willem V: Bataafse Revolutie. De naam komt van de Germaanse stam, de Batavieren, wat Nederlanders waren/ zijn. Veel burgers waren het met de baron eens. Het waren patriotten  patria  vaderland  houden van je vaderland.
De edelen, de machthebbers zijn voor Willem V  de prinsgezinden. De revolutie was in 1787 bijna gelukt. Willem V en zijn vrouw Wilhelmina waren gevlucht naar Nijmegen. Wilhelmina bleef dapper en vroeg aan de koning van Pruisen om een handje te helpen. Dat lukte ook en zo ging de macht weer naar koning Willem V.


Paragraaf 7.4
- Amerikaanse revolutie (1775 – 1783)
In de 13 staten woonden de kolonisten, die vooral uit Engeland kwamen. Ook andere Europese landen waren er aanwezig. Het werd niet zelfstandig bestuurt, maar het werd bestuurd door de Engelsen. Het was een deel van het Britse Rijk van George III. Hij zag het als privébezit. Van 1754 – 1761 had Engeland oorlog met de Fransen. Het was een dure oorlog en daarom werden de belastingen verhoogd, om de kosten te kunnen dekken. De kolonisten waren het er niet mee eens. Ze zeiden:”No taxation without representation”(geen belastingverhoging zonder vertegenwoordiging).
Vertegenwoordiging  het volk wou inspraak hebben. Een autonomie oftewel een zelf bestuur. In 1773 was er een ongeval: The Boston Tea Party. De EIC (East India Company)mocht de thee goedkoper verkopen. Dat was een nadeel voor de Amerikanen. Ze verkleedden zich als indianen en gooiden de thee overboord. Schade was 10.000 pond. Engeland zag dit als een opstand.

In 1775 was er de eerste echte confrontatie in Massachusetts. Met als winnaars de Amerikanen, want ze hadden een goede generaal: George Washington.
Op 4 juli 1776 was er de onafhankelijkheid. Beroemde mensen in het pact waren:
- John Adams
- Benjamin Franklin
- Thomas Jefferson
Zij willen George III niet meer. Zij willen een autonomie. Ze namen ideeën over van de Britse John Locke, was extra pijnlijk was voor de Britten.
In het begin leken de Amerikanen weinig kans te hebben. Maar in een belangrijke slag in Yorke overwint Washington in 1781. Engeland wordt wanhopig en ze geven zich over. “The Fouding Fathers”  founding = stichten  de stichters van de grondwet in 1787. Ze namen het idee van Montesquieu over, trias politicas:
- Uitvoerende macht, ging naar de president

- Rechtelijke macht, ging naar het Hoog Gerechtshof
- Wettelijk macht, ging naar Het Congres  Senaat
Huis van Afgevaardigden
Het werd een federatie: opgesplitst in deelstaten die zelf mogen reageren maar met een centraal bestuur. Die ging over:
- Defensie
- Buitenlandse Zaken
In de Bill of Rights stonden de volgende rechten:
- Vrijheid van meningsuiting
- Godsdienstvrijheid
- Recht van petitie  verzoekschrift
- Rechtbescherming.
- Recht om het wapen.
In 1789 waren de eerste verkiezingen. George Washington werd de 1e president.

- Franse Revolutie
Koning Lodewijk XVI was aan de macht. De 3e stand moest veel belasting betalen door de oorlog tegen de Engelsen. In 1789 wordt de Staten Generaal voor het eerst weer bijeengeroepen sinds 150 jaar. De Staten Generaal bestond uit:
- 1e stand, de geestelijken met 300

- 2e stand, de edelen met 300
- 3e stand, de burgers en boeren met 600
Het was een stemsysteem per stand. Dat wilde de 3e stand niet meer. Ze wilden dat met per hoofd ging stemmen. Na een boos weggelopen 3e stand ontstond de Nieuwe
Nationale Vergadering.
Begin van de opstond begon op 14 juli 1789. De staatsgevangenis De Bastille wordt bestormd. Officieren en bewakers worden onthoofd en op stokken gezet.
Men wou de Verklaring v/d rechten v/d mens en Burger + volkssoevereiniteit.
Lodewijk XVI en zijn vrouw maakten een fout. Hij wilde vluchten naar het buitenland. Ze stapten in 2 koetsen, verkleedde zich als edelen, maar werden ontdekt.
In de Franse Revolutie kwamen veel mensen onder de guillotine. Dat was een mislukking van de Franse Revolutie, er werden te veel mensen gedood die onschuldig waren. Men roept om vrede in de chaos. Napoleon, een dictator.

- Bataafse Revolutie

Het Franse leger helpen de patriotten om ze aan de macht te krijgen (tijd na de Franse Revolutie). Dat is goed nieuws want:
- Er kwam een grondwet.
- Er kwam een parlement.
- Er kwam godsdienst vrijheid.
- Iedereen betaalde evenveel belasting
- Er kwam nationaal onderwijs.
Maar er was ook slecht nieuws omdat:
- Men het leger moest gaan betalen.
- Er een continentaal stelsel kwam, er mocht alleen gehandeld worden met het vaste land van Europa. Daar had Nederland veel last van, omdat men veel handelde met de Engelsen. Dat kostte veel geld.
In 1806 kwam er een koning aan de macht in Frankrijk: Lodewijk Napoleon. Dat was een goede koning. In 1810 wordt Nederland een deel van Frankrijk.
De nieuwe dingen die Napoleon invoerde waren:

- Code Napoleon, de wetten van Napoleon
- Nieuwe maten en gewichten, het decimale stelsel, alles in 10de
- Burgelijke stand, wie woont in welk land met achternaam en al.
- Dienstplicht, waar niet iedereen blij mee was. Zo moesten ze vechten tegen de Russen (1817)
In 1815 keerde de Oranjes terug naar Nederland. De stadhouder werd koning:
Koning Willem I Stadhouder Willem V


Verlichte despoot Absolute vorst

Grondwet:de belangrijkste wet van een land, waar de belangrijksten rechten in staan van het volk

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.