Hoofdstuk 4, Zorg, sociale zekerheid en overheid in Nederland vanaf 1850

Beoordeling 5.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 1658 woorden
  • 29 oktober 2003
  • 126 keer beoordeeld
Cijfer 5.8
126 keer beoordeeld

Periode 1848-1900

1848: Er wordt overal in Europa revolutie geschopt, revolutie door de liberalen, zij wilden meer invloed op de poltiteik, en minder macht voor de koningen. Koning Willem II wilde niet afgezet worden, liever minder macht dan helemaal geen macht meer, dacht hij.

1854: De armenwet wordt ingesteld, de overheid gaf alleen geld aan de bijzonder arme mensen die ook geen hulp kregen van liefdadigheidsinstellingen. Maar dit was wel de eerste wet op het gebied van sociale wetegving.

1870; Er is een comité opgericht die de sociale kwestie ging onderzoeken, dit was 1: ze wilden sociale problemen/kwesties bestuderen. En 2: ze wilden de aandacht voor de arbeiders vergroten omdat er anders misschien een klassenstrijd zou komen tussen de arbeiders en de werkgevers.

1874: Er komt nu een wet op kinderarbeid ook wel “het kinderwetje van Houten” genoemd. Deze wet is ingesteld omdat meneer van Houten vond dat kinderen niet de dupe mochten worden van sommige asociale liberale ideén (gedateerde dogma’s). De wet komt erop neer dat kinderen tot en met twaalf jaar niet mogen werken, in de fabriek bijvoorbeeld. Alleen werkte deze wet niet zo, omdat er geen controle was op uitvoering van deze wet, en hij gold niet voor alle sectoren. Met (of door) deze wet begon men te beseffen dat sociale wetgeving, of sociale voorzieningen wel belangrijk waren waren in de maatschappij.

Samen met de wet op kinderarbeid werd ook een wetsvoorstel voor de leerplicht ingesteld, want als de kinderen niet in de fabriek hoeven te werken, kunnen ze net goed zinvolle dingen gaan leren op school! Maar zowel liberalen en confessionelen waren hiertegen: Liberalen vonden de leerplicht te belangrijk om via een zijdeur ingevoerd te laten worden, en de confessionelen wilden geen verplichting tot het volgen van openbaar onderwijs (zij wilden christelijk onderwijs).

Begin jaren ’70 (van de eeuw 1800) was er de schoolstrijd. De confessionelen willen subsidie voor hun eigen scholen (het zat ze niet lekker dat ze belasting moesten betalen voor openbare scholen, maar hun eigen scholen zelf moesten bekostigen). Hier waren de liberalen wel voor, volgens hen was goed onderwijs erg belangrijk omdat dit vooruitgang biedt. En als de confessionelen dan zonodig eigen scholen wilden hebben vonden zij dat wel best, iedereen moest zijn eigen gang gaan. De conservatieven waren hiertegen, zij wilden vasthouden aan openbare scholen én geen subsidie geven aan bijzondere scholen, daarom verloren zij ook stemmen. De kiezers gingen óf naar de liberalen óf naar de confessionelen.

1979: De anti-revolutionairen richten een eigen partij op: de ARP, om hun aanhang formeel te organiseren. De aanleiding hiervoor was de schoolstrijd.

1886: er wordt een parlementair onderzoek ingesteld naar de werking van het kinderwetje Van Houten. Doel hiervan: Nagaan of ondernemers misbruik maken van hun machtspositie en of de poverheid de arbeiders op wettelijke manier moet beschermen.

1887: Publicatie van de resultaten van het onderzoek, in 1886.

1889: De arbeidswet wordt ingevoerd, hiertoe was de aanleiding het onderzoek naar de werking van het kinderwetje. Deze wet houdt in: Er komt 1: een arbeidsinpspectie die inspecteert of het kinderwetje word uitgevoerd. 2: Kortere arbeidstijd. 3: Ander werk voor vrouwen.

1890: Er worden vanaf nu onderzoeken gedaan door de staatscommissie ( die heeft meer bevoegdheden dan de arbeidsinspectie bijv.). Vanaf nu is er staatsbemoeienis op sociaal gebied. Waarom was deze beleidverandering er?  Op korte termijn wilden de vershillende politieke partijen meer kiezers krijgen.  Maar op de lange termijn kon de overheid zo ook de greep op het staatapparaat vergroten.

In 1848 was in de grondwet afgesproken dat er census-kiesrecht was (iedereen boven een bepaald bedrag mocht stemmen, dus de welvarende burgers) 1884: er komt een vervanging van de wet in 1848, nu mogen de mensen stemmen “teekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand” hebben. De groep MANNEN die mag stemmen is naar 26% gestegen.

1892: Meneer Tak (een radicaal-liberaal) wilde een nieuwe kieswet opstellen waarin alleen vrouwen en bedeelden niet mogen stemmen, voorderest mag iedereen dus stemmen. Deze wet ging de tweede kamer te ver. Hierdoor krijgen de conservatieven (en de anti-takkianen winst)

1896: Van Houten komt met een nieuw voorstel wwarin weer de teekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand in voorkomen, nu mag iets meer dan de helft van de Nederlandse bevolking gaan stemmen.

1894: De socialisten richten een eigen partij op: De SDAP ( de Sociaal Democratische Arbeiders Partij). En in dit jaar word de Vereniging Van Vrouwen Kiesrecht opgericht.

Periode 1900-1930

1901: Nu komt het begin van een hele serie sociale verzekeringswetten (werknemrs verzekeringen). In dit jaar wordt een wetsvoorstel voor de Ongevallenwet ingediend. Het wetsvoorstel voor de leerplicht (uit 1874) wordt nu een échte wet--> de Leerplicht wet. En er komt een Woningwet.

Voor de ongevallen wet zijn er ook natuurlijk tegenstanders: De werkgevers, zij zijn bang voor een sociaal sneeuwbaleffect als ze met één wet toegeven, komen er langzamerhand steeds meer wetten waarmee ze akkoord moeten zijn) en zij zijn boos over het feit dat ze mee moeten betalen aan deze wetgeving. De behoudende partijen zijn ook tegen de sociale wetgeving. Daardoor krgen de eerste sociale wetten (totaan 1914 ongeveer) te maken met jarenlange vertraging.

1903: Er zijn in dit jaar twee spoorwegstakingen van arbeiders. De 1e staking is een solidariteitsstaking met een ontslagen arbeider (die beter leefomstandigheden wilde). Je kan zeggen dat deze staking mislukte omdat de arbeiders hun doel niet bereikten (dit waren betere leefomstandigheden) en de overheid worgwetten invoerde (bij werkweigering volgt ontslag) maar aan de andere kant hebben ze de overheid wel aan het schrikken door te laten zien wat ze met z’n allen konden bereiken. De 2e staking was georganiseerd door anarchistisch ingestelde socialisten (zij wilden absoluut geen staatsgezag). Deze staking mislukt omdat de arbeiders bang zijn voor ontslag, daarom durfden ze niet te staken en ze waren het niet eens met de anarchisten. Op de lange termijn heeft het wel positieve gevolgen:  Er kwamen nationale Vakbonden, omdat ze met kleine vakbondjes en groepjes bijna niks konden bereiken, met grote sterke groepen wel. De CNV (Christelijke Nationale Vakbond) en de NVV (Nederlands Verbond van Vakverenigingen).  Vortaan komt er overleg met de overheid over hervormingen in de politiek, ten bate van de arbeiders.

1908: Uit de ARP (de anti-revolutionaire partij) stappen de zeer strenge protestantse mensen (en richten de CHU op, Christelijk Historische Unie), omdat er onenigheid is in deze partij of er nu wel of niet meegewerkt moet worden aan snelle sociale hervormingen (wettten om de situatie van de arbeiders te verbeteren). Eigenlijk is dit probleem bij alle politieke partijen.

In de jaren tusen 1908 en 1913 proberen de katholieke voormannen Aalberse en Nolens wel wat sociale wetten door te voeren (zoals in 1913 de invaliditeitswet en de ouderdomswet). Hiermee hielp de anti-revolutionair meneer Talma ook aan mee. Een belangrijk voorstel van meneer Talma was de Radenwet: Hierin moesten werknemers en werkgevers, in overleg wetten gaan uit voeren. Hij kwam er wel maar in zeer afgezwakte vorm!

Er zijn in deze periode ook 2 conflicten binnen de SDAP. De eerste gaat over het conflict tussen de sociaal-democraten en de revolutionairen. De sociaal democraten willen via de 2e kamer met korte-termijn resultaten de situatie van de arbeiders verbeteren. Maar de revoulutionairen willen in één klap de arbeiders aan de macht helpen! Het tweede conflict gaat over de vrouwenarbeid, moet er nu wel of niet een speciaal programmapunt voor gemaakt moest worden.

Er is na 1900 sprake van een hardere politieke strijd.

1910: Gespannen situatie vanwege de oplaaiende schoolstrijd en de strijd om het algemeen kiesrecht.

1911: De SDAP organiseert samen met de NVV een handtekeningen actie, voor algemeen kiesrecht.

1913: Er wordt een commissie ingesteld om het probleem van de schoolstrijd aan te pakken, en er wordt een commmissie ingesteld om het algemeen kiesrecht te onderzoeken.

1916 en 1917: Er wordt gedebatteerd over de uitkomsten van deze onderzoeken. Uiteindelijk word in de wet vastgelegd dat:

a. Alle lagere scholen evenveel subsidie. b. Op basis van evenredige vertegenwoordiging is er algemeen mannenkiesrecht.

1919: Vrouwenkiesrecht.

1918: Troelstra wil kondigt een revolutie aan, maar hij krijgt het niet van de grond, het gevolg is dat hij het respect van andere partijen verliest. Ook krijgt hij hierdoor minder stemmen van de arbeiders.

1919-1923; Grote toename van stakingen door arbeiders. Omdat zij in een “overwinningsroes” verkeerden, zij hadden namelijk totaan het jaar 1919 veel sociale verzekeringen tot stand waren gekomen. Maar in 1920 verhinderden de werkgevers verdere ontwikkeling van de sociale wetgeving. De economie was namelijk erg wisselvallig. Nieuwe wetten waarvoor zij moesten betalen moest in hun ogen niet ten koste van de concurrentiepositie in het buitenland gaan!

1935: De SDAP komt met het Plan van de Arbeid aan, om de overheid een zo groot mogelijke invloed te laten hebben.

Het uitgaven patroon van de overheid werd in deze periode bepaald door prssiegroepen (arbeiders, confessionelen, boeren). Eerst had de staat het imago van “nachtwakersstaat”, maar naderhand werd het meer en meer (door de pressiegroepen) een verzorgingsstaat.

Periode 1945-1970

1945: Als de Duitse bezetter weg is, krijgt de bevolking in de gaten dat het beleid anders moet worden dan voor de WO II. Het is tijd voor Herstel (industrie, woningen, economie, infrastructuur). En Vernieuwing (politiek, normen en waarden, samenleving).

De veranderingen op sociaal beleid:

1947: Noodwet Ouderdomsvoorziening van Drees. De werkgevers zijn hier tegen, ze vinden het oneerlijk naar hen toe, omdat zij gewoon voor hun ouwe dag gespaard hebben.

1952: Ministerie van Maatschappelijke hulpverlening word in het leven geroepen. Omdat de overheid ook wil controleren op de uitgaven van dehulpverlening, eerts was dit helemaal in handen van de confessionele bedrijven.

1957: Vervanging van de Noodwet ouderdopmsvoorziening in de Algemene Ouderdoms Wet.

1959: Vevanging van het schamele invaliditeitswet door de algemenen Weduwen en Wezen Wet.

1946-1958: er is en Rooms-Rode coalitie in deze tijd.

Jaren ’50: De welvaart neemt toe, er nu meer ruimte voor particulier initiatief vinden de katholieken, de socialisten denken hier anders over en er komt een conflict tussen deze partijen hierop strand ook het kabinet. Ook is er grotere deelname van jongeren in het onderwijs (van 27 naar 42%), omdat er studiesubsidiëring is. Maar hierdoor worden de jongeren wel steeds kritischer tav de overheid.

1963: Voltooiing van de Verzorgingstaat door de Algemene Bijstands Wet. Iedereen die een te laag inkomen heeft om van te leven krijgt nu wat geld.

Tot 1965: Blijft de PVDA uit de regering.

REACTIES

M.

M.

hej hej!!
heel goede samenvatting, maar hij is te lang.. maar zeker erg duidelijk en bruikbaar!!
bedankt groetjes...

20 jaar geleden

L.

L.

ik vond je samenvatting echt heel fijn voor het leren van mij se!! alleen jammer de begrippen er neit zo in stonden enzo!! maar harstikke bedankt!!
liefs, laurien

19 jaar geleden

B.

B.

Wat spelfoutjes enzo, verder had ik aleen de sociale wetten er uit nodig. mooi gedaan hoor!

16 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.