Hoofdstuk 4 Verandering in opvoeding en onderwijs (1848-1920) (Van Kind tot Burger)

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 2090 woorden
  • 17 juli 2006
  • 16 keer beoordeeld
Cijfer 6.1
16 keer beoordeeld

H4 Verandering in opvoeding en onderwijs (1848-1920) §1 1798, Bat. Rep.: scheiding Kerk en Staat. Ook doorgevoerd in Schoolwet van 1806: geen leerstellig onderwijs meer, dus niet Ned. Herv. of Katholiek lager onderwijs: openbaar, voor alle geloofsrichtingen openbaar onderwijs alg. chr., omdat in Ned bijna geen niet-christenen waren op de Joden na
Alg. christelijk niet verder omschreven. In praktijk: vrijzinnig prot. Joodse scholen werden na verloop van tijd uitgezonderd. Bezwaren tegen schoolwet van 1806: de orthodox-prot. en kath. tegen het vrijzinnig prot. karakter. Ze wilden invloed op de lesstof en aanstelling van onderwijzers waar ze in de meerderheid waren. Lib. vroegen zich af of de wet niet teveel oplegde en de overheid zich er niet teveel mee bemoeide→overheid bemoeide zich niet met gd. zaken en ook niet met de persoonlijke zaken van burgers. 1848: vrijheid van onderwijs en vereniging in grondwet. Schoolwet moest herzien worden, want confessionele wilden vereniging voor confessioneel onderwijs stichten en dat was niet mogelijk met de schoolwet van 1806. Niet eenvoudig, want overheid was neutraal door scheiding Kerk en Staat, maar hoe moest het onderwijs dan betaald gaan worden? Pas in 1857 een nieuwe schoolwet: vrijheid van gd. in onderwijs→confessioneel onderwijs toegestaan grondwet 1848 benadrukte neutrale overheid, dus overheid/gemeente betaalde confessioneel onderwijs niet. Bijzonder onderwijs was voor veel mensen te duur. 1878: nieuwe schoolwet door lib. minister Kappeyne v/d Cappello. Nog meer kwaliteitsverbetering dan in 1857: klassendeler op 40 ll. (voorheen 70); meer ll. dan 2 klassen onderwijssalarissen omhoog en hogere eisen van bevoegdheid om zo aanzien en kwaliteit van onderwijzer te verhogen bouw en inrichting van school moet voldoen aan strenge voorschriften rijksoverheid betaalde 30% van de kosten, maar alleen voor scholen met alg. chri. karkater. Minister vond dat veel openbare scholen te prot. of katholiek waren. Overheidsuitgaven in 6 jr. verdubbeld.
§2 2e helft 19e eeuw: kennis in onderwijs. Belangrijkste doel=onderwijspeil omhoog om ll.zo meer mogelijkheden te geven. Schoolwet 1857: vooral kwaliteitsverbetering volksonderwijs. Vanwege lib. opvatting: kennis=macht. Cognitieve (kennis) ontwikkeling meer nadruk dan morele ontwikkeling. Verplichte vakken en lesstof in wet vastgelegd: bestaande: lezen, schrijven, rekenen, Ned. taal nieuwe: vaderlandse gs., ak., plant-en dierkunde, vormleer (meetkundig tekenen), zingen. Bedoeling v/d nieuwe vakken: volksonderwijs moet opleiden tot vakbekwaamheid. Zo konden ze bijdragen a/d samenleving, want door industrialisatie meer vraag naar geschoold personeel. soc. achtergrond niet bepalend voor niveau van lesstof. Voorheen nieuwe vakken alleen op particuliere scholen; te duur voor kinderen uit volksklasse. soc. mobiliteit van kinderen bevorderen. Als ze meer leerden konden ze boven klasse van ouders uit stijgen. Naast praktische doelstellingen bleven de maatschap. en zedelijke uit de wet van 1806 bestaan: rekenonderwijs tegen armoede. Jongens konden zo makkelijker een vak leren en meisjes konden later een huishoudboekje bijhouden schoolzang voor saamhorigheid en band met vaderland en Huis van Oranje versterken gs. ook om nat. gevoel te versterken. Nationale helden als voorbeelden, bijna allemaal protestants. Meeste daden tijdens Opstand tegen Spanje en Gouden Eeuw. §3 Na schoolwet 1857 betaalde overheid nog alleen openbaar onderwijs. Lib. meerderheid: gd. verdeelde de natie niet nog meer verdelen door confessionele scholen te subsidiëren. Door openbaar onderwsij juist verschillen bij elkaar brengen. Schoolstrijd: orthodox-prot. en katholieken voor bijzonder onderwijs en tegen openbaar. De overheid moest bijzonder onderwijs ook betalen. Liberalen de tegenstanders. Samenwerking tussen katholieken en prot. nieuw, want daarvoor tegenover elkaar→ prot. groot protest, 1853, toen paus Ned. bisschoppen aanstelde. Schoolwet 1878 maakt 't nog moeilijker voor bijz. onderwijs, want ze moesten wel voldoen a/d eisen v/d wet. Ouders die kids naar confessionele school stuurden moesten veel schoolgeld betalen, terwijl openbaar onderwijs weinig/niets kostte. Orthodox-prot. en katholieken zetten protestbeweging op tegen wetsvoorstel 1878. 0,5 mln. handtekeningen naar Willem III: teken de wet niet. Maar hij deed het wel. Vrijheid van onderwijs leidde tot ongelijkheid in onderwijs. Maar ongelijkheid kwam door: 1. besluit van overheid alleen openbare scholen te subsidiëren
2. besluit van confessionelen zelf voor scholen te zorgen. Orthodox-prot. en katholieken: belasting betaald, maar zij kregen niets voor hun eigen scholen. 1887: uitbreiding kiesrecht. In 1888: confessionele meerderheid→2e Kamer 27 ARP, 25 kath. Eerste confessionele kabinet o.l.v. Mackay. 1889: schoolwet van 1878 gewijzigd: gedeeltelijke financiering (30%) bijz. onderwijs mogelijk. Onder bepaalde voorwaarden financiële ongelijkheid verkleind omdat kosteloosheid van openbare scholen werd opgeheven, daar óók schoolgeld. Voor bedeelden bleef openb. onderwijs wel gratis. Geen tot. financiering bijz. onderwijs, want dat was financieël niet haalbaar. Door confessionele scholen verloor openb. onderwijs vrijzinnig prot. karakter en werd meer gd. neutraal. Ongelijkheid confessioneel en openb. onderwijs bleef: confessioneel onderwijs bleef duurder. Niet alle ouders konden confessioneel onderwijs betalen er was niet overal confessioneel onderwijs. In veel dorpen alleen een openbare school. Geen confessionele school? Dan niet naar school, adviseerde Geref. Karken en Ned. bisschoppen. 1917: historisch compromis→kiesrechtkwestie en financiering bijz. onderwijs opgelost. Lib. en soc. democ.: alg. kiesrecht maar daarvoor was 2/3 meerderheid nodig. Orthodox-prot. en kath. tegen, maar wilden wel vóór stemmen in ruil voor financiële gelijkheid v. bijz. onderwijs. 1917, grondwetsherziening: alg. kiesrecht voor mannen (met mogelijkheid voor vrouwen in 1919) onderwijspacificatie (vrede in schoolstrijd)→openb. en bijz. onderwijs financiëel gelijk. Door onderwijspacificatie nam bijz. onderwijs sterk toe (461000-577000 in 5 jr). §4 V.a. nieuwe grondwet 1848 publiek debat over verplichting lager onderwijs voor kids 60-12 jr. Het zou kinderarbeid en schoolverzuim sterk terugdringen. Weinig principiële bezwaren, maar veel praktische. Meeste lib. vóór leerplicht, omdat: v. belang voor ec. en maatschap. ontwikkeling. Beter opgeleide bevolking: voldoen aan de vraag naar geschoold personeel kinderen via onderwijs:→geschoold werk→hoger op in maatschappij goed opgeleide en ec. zelfstandige bevolking kan makkelijker lib. burgerschapsideaal bereiken en dán uitbreiding kiesrecht. Bezwaren v. .lib. tegen leerplicht: op korte termijn daling v/h gezinsinkomen bij laagst betaalden leerplicht= inbreuk op ouderlijk gezag en vrijheid om kind naar eigen inzicht op te voeden. Hoe ver mag lib. gaan met overheidsbemoeienis? Confessionelen in principe voor leerplicht, maar niet op korte termijn invoeren (ook niet na eigen schoolwet van 1889), want: eerst volledige gelijkstelling v. openb. en bijz. onderwijs. Want bijz.onderwijs was duurder, dus bij leerplicht moesten arme ouders kinderen naar openb. school sturen. en kinderen ook naar openb. school als er geen bijz. school in de buurt was moeite met inbreuk op ouderlijk gezag
Soc. democ. voor leerplicht, tegen invoering op korte termijn: 1889, kosteloos onderwijs afgeschaft→onderwijs voor veel arbeiders te duur leerplicht→verhoging uitgaven en minder inkomsten door wegvallen v. deel v. kinderarbeid compensatie: schoolkleding en -voeding door plaatselijke overheid, maar dat stond niet in wetsvoorstel. 1900, kabinet Pierson-Goeman Bogesius: wetsvoorstel tot invoering leerplicht. Aangenomen (50 voor, 49 tegen). Zuur voor confessionelen. Schaepman had wel voor gestemd. Schimmelpenninck (ARP) afwezig, wegen blessure (van paard gevallen). Lib. hadden een ziek Kamerlid naar Binnenhof getransporteerd om voor te stemmen. 1900: wet op Leerplicht aangenomen. 1901: ingevoerd.
§5 2e helft 19e eeuw: lager school geen eindstation, maar voorportaal voor het voortgezet onderwijs. 1863: HBS (Hogere Burger School), voor kinderen uit de betere middenstand. Voor de elite: gymnasium (bestond al). Wet van 1857: standenonderwijs niet doorbroken. Maar naast afkomst ging capaciteit meetellen. Goede prestaties op lagere school, dan mogelijk om door te leren. Maar 'arme' kinderen moesten gaan werken. 1900: 91% naar school, ook kinderen v. minvermogenden (laagste ink. groepen). Armenscholen in steden konden de groei amper bijhouden. Vooral na 1878 onvoldoende lokalen en onderwijzers; vanwege toestroom én schoolwet 1878 (lagere klassendeler). Maatregelen om tekort aan onderwijzers op te heffen: 3 kweekscholen i.p.v. 1 's avonds leren voor onderwijzer en overdag al lesgeven; hulponderwijzer (min. 14 jr.) onderwijzeressen in laagste klassen. Openb. onderwijs alleen door mannen. Maar door invoering 'nuttige handwerken' ( verplicht van 1878 voor meisjes) kregen onderwijzeressen een plek. Naast handwerkjuf gaf ze ook les a/d laagste klassen. Katholiek onderwijs: al lang nonnen die les gaven. Nog geen goed onderwijs voor kinderen: schoolverzuim kwam nog veel voor stedelijk scholen vol→wachtlijsten of niet een volledig lesprogramma 12 jr.: geen arbeidsverbod meer. Veel van school na 4/5 jr. onderwijs
Armenscholen: veel achterstandskinderen met traag leertempo. Daarom van belang om effectiviteit van onderwijs te verbeteren door nieuw lesmateriaal (voor andere scholen ook goed). V.a. 1860: moderner lesmateriaal, vaak door onderwijzers/schoolopzieners: inhoud leesboekje minder belangrijk, het ging om juiste methodieke v. leren lezen. Boekjes ingedeeld naar moeilijkheidsgraad. moraliserende toon verdwenen. Braafheid geen ideaal. Ondeugend zijn mocht. verwijzingen naar standenmaatschappij weg. omstreeks 1900: lei en griffel, maar ook schrift en inktpen. Schrift beter voor onderwijzer om vorderingen v. ll. bij te houden, want op lei werd het steeds uitgeveegd. effectiever onderwijs via aanschouwelijk onderwijs: o ±1900: leesplankje (aap, noot, mies) van Hoogeveen. Lezen ondersteund met afbeelding. Getekend door Cornelius Jetses (1873-1955) o leerleesboekjes (met veel plaatjes) voor moeilijker leesonderwijs en de zaakvakken (gs. ak) o wandplaten voor ak, vad. gs., natuurkennis. Jetses tekende ook veel van deze wandplaten. J.H. Isings (1884-1977) nóg bekender, vad. gs. 1e in 1911. o klassikale werkvorm bleef. Daar kwam kritiek op van moderne onderwijzers zoals Jan Ligthart, omstreeks 1900:  klassikaal onderwijs: kijken en luisteren, nazeggen en herhalen  voorwaarden: tucht en discipline. Iedere vorm van onrust onderdrukt. 1900: slaan verboden, gelukkig  regelmatig verzuimende ll. liepen achter op de rest van de klas. Dit verstoorde. Modern onderwijs→Zelfwerkzaamheid door: actief bezig zijn met de stof, sluit beter aan bij kind (niet steeds stilzitten en luisteren) kennis blijft zo beter hangen. Voorstanders klassikaal onderwijs: denk terug aan chaotisch hoofdelijk onderwijs van vóór 1806. Sinds 1857 zaakvakken. Maar vaak alleen overzichtskennis, want er was te weinig tijd (basisvakken voor, want die werden nog onvoldoende beheerst). Discussies openb. en bijz. onderwijs over welke onderwijs er gedaan moesten worden met vad.gs. en vanuit welke invalshoek. En binnen confessioneel onderwijs verschil tussen prot. en r-k scholen. V.a. 1880: vad.gs. boeken vanuit prot. nat. standpunt→veel nadruk op 16e en 17e eeuw (Hervorming, Opstand Spanje, Gouden Eeuw). Katholieken veel moeite vanwege grote aandacht protestantisme en de belangrijke (vooral prot.) personen. Katholieken meer verbonden met Middeleeuwen. Veel gezongen liedjes bij schoolzang: uit de Gedenck-Clanck van Adriaen Valerius (1575-1625) op prot. en openb. scholen. Wezen op roemrijk verleden van Republiek tegen Spanje (Den Briel, Leiden, Willem v. Oranje). Erg protestants, zelfs in prot. kerken gezongen. Wilhelmus a/h einde van 19e eeuw: nationaal volkslied. Bekend geworden via onderwijs A/h einde v/d eeuw liederen meer nat. en oranjegezind. Lager onderwijs werd toen ook belangrijk bij Koninginnedag. Reportoir zorgde voor ontevredenheid bij soc. democ. onderwijzers→tegen verheerlijking van vaderland en koningshuis. Katholieke scholen tegen prot. karakter, ze waren ook lang tegen het Wilhelmus. Discussies over estetische (kunstzinnig vormend) en praktische doel v. vakken: vormleer (meetkundig tekenen) volgens overheid om bouwtekeningen te kunnen begrijpen/aanpassen. Niet estetisch, vrij tekenen. anderen: juist goed voor arbeiderskinderen om kunstzinnig te tekenen en literatuur te lezen, want niet van huis uit meegekregen. progressieve onderwijzers tegen sommige literaire teksten/gedichten omdat die niet pasten bij levenssfeer v. arbeiderskind. Schoolverzuim hing samen met kinderarbeid. In landbouwgebieden moesten kinderen in de zomer helpen, dit doorkruiste schoolprogramma. Opkomst in de winter: 85 á 90%. Zomer: 65 á 70%. Relatieve schoolverzuim terugdringen taak van: gemeente/org. v. onderwijzers/ver. voor volksonderwijs (Nut)/ scholen zelf. Relatief schoolverzuim meer bij meisjes dan bij jongens. Jongens alleen tijdens drukke periode helpen, meisjes in huishouding en met kinderen en dat is eigenlijk altijd. Terugdringen via 'nuttige handwerken' waar de meisje zelfgemaakte kledingstukken maakten en die mee naar huis mochten nemen als ze ook de andere lessen volgden. Absoluut schoolverzuim (10 á 15%) moeilijker aan te pakken. Kinderen uit allerarmste gezinnen, werkten het hele jaar. Kinderen v. bedeelden wél naar school, omdat het verplicht was. Meest effectief: verplicht stellen, maar dat kwam pas in 1901. Oorzaken daling absoluut en relatief schoolverzuim: hogere levensstandaard gezinnen maakte schoolgang financieel mogelijk ouders zorgden voor regelmatige schoolgang en lieten kinderen het ook echt afmaken na 1857: kwaliteitsverbetering. En ouders gingen het belang v. onderwijs steeds meer inzien. Hardnekkig schoolverzuim eind v/d eeuw bij bijv. sjouwers/loonarbeiders. En bij asociale gezinnen waar ouders niet aan de opvoeding v. kinderen deden. Schoolstrijd zorgde ervoor dat leerplicht later in Ned. werd ingevoerd dan in ander landen. Confessionelen hadden zich steeds verzet, omdat hun scholen niet financieel gelijk waren, wat de lib. tegenhielden. Wet op Leerplicht (1901): kinderen v.a. 6 jr. 6jr. achter elkaar naar school. In land- en tuinbouwgebieden 6 weken landbouwverlof in de zomer. Gemeenten moesten naleving controleren. Vaak waren al bestaande commissies tegen schoolverzuim actief. Gevolgen Leerplichtwet: relatief schoolverzuim van oudere kinderen (9-12 jr) en meisjes nam af. absoluut " nam niet zo erg af, want % schoolgaanden in 1900 lag al boven de 90% Kinderarbeid 12plus nam toe. Aanmeldingen vervolgonderwijs daalden, want kinderen die eerder door rel. schoolverzuim hadden bijgedragen aan gezinsinkomen konden dat nu niet meer en moesten dat inhalen door na 6jr. direct van school te gaan. onderwijs: recht i.p.v. voorrecht. Geen schoolgeld meer voor lager onderwijs onderwijs verplichting voor gemeenten actief te controleren na 1900 bijna geen analfabetisme
Met invoeren leerplicht nam overheid definitief rol over die verlichte burgerij begin 19e eeuw had gespeeld in het onderwijs.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.