Hoofdstuk 3 industrialisatie en ismen

Beoordeling 0
Foto van leonie
  • Samenvatting door leonie
  • 2e klas vwo | 2030 woorden
  • 26 maart 2015
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

§ 1: Kenmerken van de industriële samenleving

Machines spelen in ons leven een grote rol. Je kunt je geen leven bedenken zonder computers, faxen en Internet. Toch spelen machines op grote schaal sinds 200 jaar een grote rol. Mensen zijn toen gebruik gaan maken van gas, olie en elektriciteit. Deze machines en energiebronnen konden pas worden gebruikt na een aantal uitvindingen aan het eind van de 18e eeuw. Uitvindingen maakten het ontstaan van industrieën mogelijk.



heel veel was er nodig.



Ook dit was nodig:

- energiebronnen: gas, olie en elektriciteit 

- grondstoffen: uit Europa en koloniën.

- veel kapitaal (geld): kooplieden en banken

- voldoende arbeidskrachten: de bevolking groeide, die in fabrieken gingen werken en alles gebeurde machinaal. 



In Europa veranderde er veel, industrie werd het belangrijkste middel van bestaan, daarna de landbouw. Die veranderingen werden zo groot, dat het een Industriële Revolutie werd genoemd. Daar ontstond ook een Industriële samenleving uit. Daar bedoelen ze mee dat veel goederen in fabrieken worden gemaakt en mensen in steden wonen. Verandert een agrarische samenleving in een industriële samenleving, dan spreek je van een industrialisatie. 





§ 2: Snelle groei van fabrieken en steden

De machines die uitgevonden werden, waren te groot en te duur om thuis te kunnen gebruiken. Daarom kochten rijke ondernemers werkplaatsen, machines en grondstoffen. 

De producten in de fabriek werden gemaakt, en het geld ging naar de ondernemers. Eerste fabrieken werden bij een rivier gebouwd voor de aandrijving, daarna dichtbij ijzer- en steenkoolmijnen, want de stoommachine dreef de fabriek aan. De arbeiders die in de fabriek werkten, gingen er dichtbij wonen. Het aantal mensen in steden groeide snel.



Massaproductie maakte ook de groei van fabrieken mogelijk, door arbeidsverdeling en een lopende band. Massaproductie is een productiesysteem waarbij grote aantallen van hetzelfde product worden gemaakt. Arbeidsverdeling is het maken van een product in meerdere stappen. Een product werd soms wel gemaakt in veertig stappen, elke arbeider deed dan één of twee stappen. De lopende band brengt een product in wording van arbeider naar arbeider, dit om tijdverlies tegen te gaan.



 



 



 



Massaproductie had voor- en nadelen. Nadelen waren:

- Een einde van handwerkslieden, vaak ongeschoolde mensen die het werk deden en het was eentonig, daardoor meer spanningen, want er zat een hoog tempo in. 

- Minder aandacht voor de arbeiders



Voordelen waren:

- Sneller en goedkoper produceren, zodat het betaalbaar werd

- Onderdelen konden sneller vervangen worden



Vroeger hadden ambachtsmannen gereedschappen, hij zette een hele lamp in elkaar. Met uitvindingen als stoommachines en massaproductie veranderde dit. Arbeiders in fabrieken maakten maar een klein onderdeel van het product, de machine bepaalde het tempo en ze verloren vaak het plezier in hun werk. Door dit alles kwam er grote vraag naar ongeschoolde werklieden toe. Arbeiders werkten soms wel 14 uur in de fabriek, vaak ook kinderen. 

Kinderarbeid was niet nieuw, maar de mensen vonden dat het werk gevaarlijk en ongezond voor kinderen was in de fabriek.



Enkele feiten over hoe ongezond en onplezierig werken was in een (katoen) fabriek:

- Ze werkten 14 uur per dag, onder omstandigheden van 30 graden

- Ze kregen boetes als ze ramen openzetten. Allerlei regels, waarvoor je een boete kreeg als je er niet aan hield

- Door het werk braken er veel ziektes uit, en er gebeurde veel ongelukken

- Werkeloosheid, als een product minder werd verkocht, kregen arbeiders of minder loon of ze werden ontslagen. Nieuwe uitvindingen → vaak ontslag voor arbeiders



Woonomstandigheden van de fabrieksarbeiders waren zeer slecht. Open riolen in de stad, geen uitgaansmogelijkheden en geen waterleiding en toilet. Onveilig was het ook in de stad. Aan het eind van de 19e eeuw veranderde er veel. 

Regeringen namen o.a. deze maatregelen:

- er kwam straatverlichting en openbaar vervoer (tram)

- uitgaansmogelijkheden als sport, toneel en film

- steden kregen ondergrondse riolenstelsels en waterleidingen

- politie werd aangesteld om burgers te beschermen en er kwamen meer scholen, ziekenhuizen en bibliotheken

- arbeiders organiseerden activiteiten 





§ 3 Overgang van handelskapitalisme naar industrieel kapitalisme

Handel en nijverheid waren sterk gegroeid in de Late Middeleeuwen. Er kwam een nieuwe economie: kapitalisme. Onder kapitalisme verstaan we een economie waarbij de ondernemers de grond bezitten en een zo groot mogelijke winst willen maken.

Kenmerken van het kapitalisme zijn:

- Een arbeider werkt voor een ondernemer. De ondernemer bemoeit zich hier niet mee. Dat heet scheiding tussen kapitaal en arbeid

- De ondernemer betaalt de grondstoffen, werktuigen en vervoermiddelen

- De bedrijven zijn vaak in handen van particulieren en ze proberen zoveel mogelijk winst te maken



Handelskapitalisme is de eerste vorm van kapitalisme, en de winst werd door handelen mogelijk gemaakt. Kooplieden lieten via de huisnijverheid producten maken. Zij kochten grondstoffen. Boeren verwerkten de grondstoffen en de kooplieden kregen de winst.



Industrieel kapitalisme is de latere vorm, en de winst wordt door de industrie gemaakt. Werkgevers waren fabrikanten die producten lieten maken. Het uitvinden van machines liet de huisnijverheid verdwijnen. Arbeiders werkten in fabrieken.



Voor 1870 waren veel ondernemingen in handen van particulieren, daarna nam het aantal NV’s erg toe (Naamloze Vennootschap). 

In een NV bezitten mensen gezamenlijk een bedrijf door aandelen te kopen. 

Een NV ontstond door deze oorzaken:

- Fabrieken wilden meer geld hebben voor uitbreiding of nieuwe fabrieken bouwen. Ze verkochten aandelen aan mensen die wilden beleggen.

- Een aandeelhouder werd mede-eigenaar van een onderneming, en kwam in de raad van beheer. Aandeelhouders kregen jaarlijks een deel van de winst.



Grootindustriëlen kregen vaak een enorme invloed. Een eigenaar van een spoorwegmaatschappij kon duizenden boeren in problemen brengen. Ondernemers bevoordeelden soms fabrikanten, bijvoorbeeld door een lagere prijs te berekenen.

Ook verkiezingen konden worden beïnvloed, door propaganda en kranten/redacties te laten schrijven wat de grootindustriëlen wilden. 





§ 4 Grote veranderingen in de gelaagdheid van de bevolking

Rond 1800 was de bevolking van Europa in drie lagen opgedeeld:

- Kleine bovenlaag van rijke mensen zoals de bourgeoisie en de adel

- Middenlaag met enig bezit, ambachtslieden, handelaren en rijke boeren

- Onderlaag van arme boeren en arbeiders



Voor de industrialisatie woonden er veel mensen op het platteland, daarna veranderde de gelaagdheid. Dat kwam omdat mensen massaal naar de steden trokken.



De opkomst van de industrie zorgden dat fabrikanten rijk werden. Ze werden de belangrijkste groep. Het aantal landarbeiders zakte, maar het aantal fabrieksarbeiders nam erg toe, het werd de grootste groep. In de steden nam het aantal mensen in de dienstensector toe. Ze verrichtten diensten voor mensen, doktoren, politie, huishoudsters en ambtenaren behoorden hier toe. Ook het aantal mensen in de horeca (uitgaansmogelijkheid) nam toe.



Mensen kregen beter betaald, zeker de mensen die bijvoorbeeld de administratie deden van fabrieken. Eerst deden de ondernemers dat nog zelf, maar omdat de fabrieken groter werden, moesten ze daarvoor personeel in nemen. Daardoor groeide het aantal mensen in de middenlaag enorm. 

■ Door al deze veranderingen konden mensen gemakkelijker van laag veranderen, het ging niet meer om afkomst en bezit (dat voor de Franse Revolutie wel het geval was), maar om hoe je presteerde. In de industriële samenleving veranderde ook dat je loon kreeg op basis van prestatie. Hard werkende mensen hadden nu meer kans om zich omhoog te werken. Maar als het slecht met een bedrijf ging, was het makkelijker om in een lagere laag terecht te komen.





§ 5 Conflicten tussen kapitaal en arbeid

Werkgevers belegden hun geld in fabrieken. Daar kregen ze weer winst van. Ze betaalden mensen met belangrijke functies redelijk, maar arbeiders kregen een zo laag mogelijk salaris. Ze kochten grondstoffen zo goedkoop in. Het product dat ervan werd gemaakt, verkochten ze weer met een zo groot mogelijke winst. De welvaart van de boven- en middenlaag nam toe, arbeiders kregen iets beter betaald (nog niet veel), en hadden naast alle vrouwen uit alle lagen geen kiesrecht. Zo werd de benedenlaag steeds armer in vergelijking met andere lagen.



De arbeiders werkten alleen voor hun loon. Dat had wel een aantal redenen:

- Ze werkten alleen in de fabriek omdat die werk verschafte

- Ze hadden weinig plezier in hun werk en hadden geen opleiding gehad

Ze kregen geen kans om hogerop te komen, het enige doel wat ze hadden was een zo hoog mogelijk loon te krijgen. Arbeiders hadden in de politiek en in de fabriek niets te vertellen.

De rest van de bevolking had het veel beter dan zij, zo kwamen arbeiders en werkgevers tegenover elkaar te staan.



Aan het begin van de industrialisatie hadden de ondernemers enorme macht. Regeringen bemoeiden zich weinig met de industrialisatie en de problemen daarbij. Kwamen er problemen, dan koos de regering de kant van de werkgevers. Deze houding had 2 oorzaken:

- Mensen die in de regering zaten, kwamen uit dezelfde laag als de fabrikanten

- De bovenlaag zei dat de regering de economie moest regelen. Ze zeiden ook dat er nou eenmaal armen en rijken waren. Armen konden alleen door giften worden geholpen.



Later kwam er verzet tegen deze kanten van de industrialisatie:

- Arbeiders richtten vakverenigingen en politieke partijen op

- Een aantal politici uit oude partijen probeerden het lot van arbeiders te verbeteren

- Paus Leo XIII schreef in 1891 een boek over de fouten van het industriële kapitalisme, daarnaast schreven o.a. Dickens en Zola over de slechte omstandigheden van arbeiders in fabrieken en huizen

- Kunstenaars schilderden kunstwerken en namen het zo op voor arbeiders



Al deze activiteiten leidde er tot toe dat er iets met het lot van arbeiders moest worden gedaan. Toch waren regeringen langzaam met het nemen van maatregelen. Arbeiders kregen:

- Kiesrecht in Frankrijk: 1871, Nederland: 1917, andere Europese landen rond 1900



De sociale wetten werden pas rond 1900 ingevoerd in Europese landen. Daarin stond dat kinderarbeid en werktijden werden beperkt. Daarna kwamen er maatregelen voor gezondheid, onderwijs, ziektekosten, betaalde vakanties en uitkeringen. Deze wetgeving werd verder in de 20e eeuw nog sterk verbeterd. Maar de eerste sociale wetten losten niet alle problemen op. Onder andere hielden niet alle fabrikanten zich aan de afspraken of voerden ambtenaren de wetten niet goed uit. Geen wetten over lonen uit uitkeringen tijdens werkeloosheid. Veel arbeiders en anderen vonden het toen genoeg. Ze richtten vakvereningen op om het beter voor arbeiders te krijgen. 



Regeringen verboden deze verengingen eerst, overtreders kwamen in de gevangenis terecht. Ondanks deze wetten bleven vakvereningen actief. Eind 19e eeuw werd in een aantal Europese landen deze wetten ingetrokken. Arbeiders mochten staken en organiseren. Staken is het weigeren te werken om een eis af te dwingen. Voordat dit mogelijk was, waren er nog veel spanningen tussen werkgevers en arbeiders. 



Werkgevers weigerden in het begin te onderhandelen met vakvereningen. Hierdoor kwamen er conflicten. Uiteindelijk zagen ook de werkgevers in dat ze niet om de verengingen heen konden. Stakingen konden voor bedrijven gevaarlijk zijn. Later werd het normaal dat vakvereningen en werkgevers onderhandelden over lonen, werktijden en werkomstandigheden. Waren ze het eens, dan sloten ze een overeenkomst. Een overeenkomst wordt een CAO (collectieve arbeidsovereenkomst) genoemd.



Sommige arbeiders deden nog meer dan alleen in vakvereningen zitten. Ze wilden invloed op het bestuur. Ze richtten politieke partijen op en verbeterde zo de samenleving, met daarin een beter bestaan voor de arbeiders.





§ 6 Een massapers ontstaat

Vanaf de 17e eeuw had je in Europese landen elke dag of week een krant. De bovenlaag kon als enige kranten lezen en betalen. Deze kranten gaven politieke- en economische berichten door. In de 19e eeuw veranderde dit, de berichten waren nu vaak meningen over politiek en economie. Deze kranten maakten deel uit van de opiniepers (opinie = mening) .



Daarna kwamen er uitvindingen om kranten goedkoper te maken. De regering stak hier een stokje voor door papier en advertenties duur te maken. Ze waren bang dat arme mensen verkeerde ideeën kregen. De regering vond dat je het bestuur aan mensen uit de bovenlaag moest overlaten. In de 19e eeuw kwamen leerplichtwetten. Dat kwam omdat mensen onderwijs en goedkope kranten wilden. Er kwamen kranten voor arbeiders. Naast de opiniepers ontstond de populaire pers. Onderwerpen als sport, moord en schandalen kregen veel aandacht. De opmaak was anders, er waren grote tekeningen (later foto’s) en grote koppen. Deze kranten gaven het nieuws door, maar maakten zelf ook nieuws.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.