Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 3 en 4

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2062 woorden
  • 3 oktober 2012
  • 23 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.7
  • 23 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

HOOFDSTUK 3


De wereld in de tijd van monniken en ridders


Middeleeuwen: periode van 500 tot 1500 n.Chr. Tussenperiode tussen klassieke oudheid en nieuwe tijd. Verdeeld in 2 periodes:
- vroege middeleeuwen
- tijd van monniken en ridders (de twee overheersende groepen in West-Europa)


Geestelijken: vaak afkomstig uit adellijke families, overheersten de boeren


Na de val/opsplitsing van het Romeinse Rijk:
- In Arabie ontstond een groot Islamitisch Rijk.
- In Oost-Europa bleef de hoogontwikkelde Gr-Ro-cultuur bestaan.
- Verdween de landbouwstedelijke samenleving voor een zelfvoorzienende samenleving met hofstelsel en horigen. Veel oorlogen door invasies uit het Noorden (Vikingen) en Oosten Hongaren)
- Het Christendom verspreidde zich door Europa, waardoor de oorlogen in de 10e eeuw afnamen.


3.2. Hofstelsel en horigheid
1. De agrarisch-urbane cultuur (landbouwstedelijke samenleving) werd vervangen door een andere agrarische cultuur. Welke?


Een zelfvoorzienende agrarische cultuur. Dat is een agrarische cultuur waarbij iedereen op het platteland woont en er alles van het land haalt om van te leven. Er is geen handel met de buitenwereld.


Autarkisch= mensen leefden van de opbrengst van het land en consumeerden het grootste deel zelf.


2. Hoe werd deze georganiseerd?


Via hofstelsel en horigheid. Grootgrondbezitters heersten over grote stukken land en over horige boeren die hun grond niet mochten verlaten. De boeren werden onderdrukt door de adellijke heren. Ze waren niet helemaal rechteloos, want ze hadden wel vaak land.


3. Hoe ontstond deze nieuwe cultuur? In welke periode was deze?


Na de val van het Romeinse Rijk werd het gebied opgesplitst en kwam er chaos en geweld in West-Europa met veel oorlogen. Van de steden bleven alleen restanten en ruines over. De handelaren en ambachtslieden waren verdwenen. Iedereen moest in de landbouw werken om te overleven. Armoedig bestaan.


Tussen 500-1000 n.Chr.


4. Hoe ontstond het hofstelsel?


Boeren mochten hun land niet verlaten om te voorkomen dat de agrarische productie nog verder zou dalen door de chaos na de val van het Romeinse Rijk. Voor de veiligheid gingen boeren zich onder bescherming stellen van een grootgrond-bezitter en moesten daarvoor allerlei verplichtingen aangaan, zgn. herendiensten.


5. Wat waren herendiensten?


Een of meer dagen op het land van de heer werken of als smid of timmerman, vrouwen spinnen of weven, eieren en graan leveren of andere betalingen in natura.


6. Hoe was een landgoed van een grootgrondbezitter ingedeeld?


In 2 delen: 
vroonland: land van de heer met hoofdgebouw en bijgebouwen (molen, weverij, brouwerij, opslagschuren), akkers en andere gronden (moestuin, wijngaard)
hoeveland: land van de boeren met hoeve en gebruik van bossen, heidevelden e.d.


7. Wat was de rol van geld in de middeleeuwen?


Waarde bepaald door het metaal erin. Tijdens Romeinse Rijk belangrijk, vanaf 400 n.Chr. verdween geldverkeer in West-Europa → ruilhandel. Na 7e eeuw kwam geld langzaamaan weer terug in de vorm van zilveren munten. Zilveren Denarius was standaardmunt.


Lang bleven nog zelfvoorziening – ruilhandel – herendiensten bestaan.


3.3. Het feodale (bestuur)stelsel
8. Wat is het feodalisme (feodale of leenstelsel)?


Een heer geeft een stuk grond of (bestuurs)ambt te leen aan een dienaar (vazal of leenman). In ruil daarvoor zweerde de dienaar en leven lang trouw aan de heer. Meestal moest hij dan diensten leveren voor de heer tijdens oorlogen.


9. Hoe was dit stelsel georganiseerd?


De koning was voor het besturen van zijn rijk afhankelijk van anderen en probeerde edele heren aan zich te binden door trouw te laten zweren door stukken grond uit te lenen. Die edelen waren op hun beurt ook weer afhankelijk van nog lagere heren en deden dus hetzelfde. Elke leenman mocht zijn eigen gebied besturen, rechtspreken, mannen oproepen om te vechten etc.


10. Waarom ontstond dit stelsel?



  • Er was niets meer over van het Romeinse bestuursapparaat. Heersers konden maar beperkt gezag uitoefenen op hun grote gebieden (o.a. door ontbreken van wegen) en waren afhankelijk van lagere heren.

  • Daarnaast werden voor oorlogen ridders ingezet. De uitrusting van hen was duur en konden alleen maar betaald worden door adellijke- en rijke mensen. De koning had hen nodig en bond hen aan zich door land in leen te geven in ruil voor diensten voor oorlogen. Er was geen geldverkeer meer om mee te betalen, dus men betaalde met diensten.

  • Die leenmannen deden hetzelfde met lagere heren enz. De lagere heren (en boeren) gingen vaak meevechten.


11. Waar ontstond dit stelsel?


In het Frankische Rijk van keizer Karel de Grote (Nederand/Belgie/Frankrijk/ Duitsland/deel Slavisch gebied en Balkan/Pyreneeën en Alpen/Noord-Italie)). Dit was het grootste rijk na de Romeinse overheersing. Karel de grote was de machtigste Europese vorst van de vroege Middeleeuwen.
12. Wat was het nadeel van dit stelsel?


Het gezag versnipperde en de keizer kon niet goed in de gaten houden wat er allemaal in zijn rijk en met zijn land gebeurde. Vazallen gingen hun grond nalaten aan familie (wat eigenlijk niet kon want het land was geleend) en zo ontstonden in het grote rijk allemaal kleine rijkjes met eigen kasteelheren met veel macht.


3.4. Christendom in Europa


13. Waarom was het voor Christenen belangrijk om het christendom te verspreiden?


Volgens de Bijbel moesten de volgelingen van God alle volkeren tot zijn leerling maken en dopen in zijn naam. Zij zagen de bekering van de heidenen als plicht van naastenliefde.


14. Waarom duurde de verspreiding van het christendom in Europa zo lang (1000 jaar)?



  • Het christendom was in het begin nog niet zo diep geworteld in de samenleving en door de vele Germaanse en invasies werd het ook niet makkelijk verspreid.

  • De ommekeer kwam toen de Frankische veldheer Clovis een veldslag won, nadat hij de hulp van God had ingeroepen. Veel mensen lieten zich toen dopen, omdat ze dachten dat God een helper in de strijd was.

  • Vanaf het Frankenrijk (Karel de Grote) begon toen langzaam de verspreiding, maar er waren nog veel heidense volken  (b.v. Saksen en Noormannen/Vikingen) die lange tijd oorlogen voerden om de gebieden.

  • In het zuiden rukte ook de Islam op.


15. Hoe ging men om met geloof voor de verspreiding van het christendom bij diverse volken?


Er was niet een vastgelegd geloof. Alle stammen hadden eigen goden, rituelen en taboes. Ze hadden afgodsbeelden en eigen feesten. Men had ook geen zendingsdrang (missie om het geloof te verspreiden).


16. Waarom kwam er een breuk tussen het Westerse christendom en het Oosterse (het Byzantijnse Christendom)?


Oost en West waren door eeuwenlange scheiding uit elkaar gegroeid. Het hoofd van het christendom in het westen, de paus, wilde ook gehoorzaamheid van de volken in het oosten, maar de keizer van het Byzantijnse Rijk in Constantinopel die weigerde.


17. Door wie werd het christendom voornamelijk verspreid (kerstening)?


Monniken en missionarissen. De elite bekeerde zich het eerst, want anders konden de monniken en missionarissen hun werk niet doen. In Nederland is Bonifatius de bekendste (vermoord door de Friezen in 754 bij Dokkum).
18. Hoe ging men in het begin om met het christendom?


God was een helper in de strijd, nog niet de ‘lijdende’ figuur van later. Mensen mochten geen andere goden vereren en waarzeggen/toekomstvoorspellen, maar het geloof in reuzen, trollen, dwergen etc. mocht nog wel. Germaanse feesten werden uiteindelijk heilige feesten.


HOOFDSTUK 4


De wereld in de tijd van steden en staten


Middeleeuwen:
van 1000-1300 hoge middeleeuwen
van 1300-1500 late middeleeuwen


Opkomst grote rijken:           
- in Azië het Mongoolse Rijk van Djenzis Khan (grootste uit de geschiedenis)
- in Centraal-Azie het Osmaanse Rijk (Turken)  


4.1. Opkomst van de steden


19. Wat legde de basis voor het opnieuw ontstaan van een landbouwstedelijke samenleving?



  • Door de uitbreiding van de landbouw kon de groeiende bevolking gevoed worden. Akkers werden beter gebruikt → grotere oogsten → overschot om te verhandelen.

  • Dat gebeurde op marktplaatsen en rondom deze markten groeiden nieuwe steden.


Sommige steden werden later zo rijk en groot dat het stadstaten werden (b.v. Venetië en Milaan in Italië).


19. Waar ontstonden de markten vooral?


Bij kruisingen van wegen, bij rivieren, bij kloosters en kastelen.


20. Waarom waren steden afhankelijk van de boeren uit de omgeving?


Er was geen goed wegennet, zodat voedsel en andere producten ook van ver konden worden gehaald.
21. Welke mensen waren in een stad het belangrijkste?


Kooplieden en mensen met specialistische beroepen (ambachten).


4.3. Staatsvorming en centralisatie


22. Waarom kozen de koningen voor centralisatie in hun veroverde gebieden?


Ze reisden eerst van het ene hof naar het andere in hun rijk om gebieden te veroveren en te verdelen. Door de komst van geld konden ze makkelijker macht vanaf afstand uitoefenen, door belasting te heffen en met dat geld de trouw van hun leenmannen te kopen en legers en ambtenaren betalen. Ze kozen een centrale plaats in het rijk om van daaruit meer macht te krijgen.
23. Wat was het begin van staatsvorming?



  • Koningen probeerden met hulp van ambtenaren en de burgerij regels in te voeren voor alle inwoners van hun rijk.

  • Ze traden ook op als hoogste rechter (dus niet meer eigen rechters in kleinere gebieden die hun gang maar konden gaan zonder toezicht).


24. Hoe ontstonden parlementen (Staten-Generaal)?

De koning had de adel toch nodig voor geld en maakte afspraken daarover. Het parlement werd opgericht om dit goed te regelen. Dit waren vergaderingen van de 3 standen: adel, geestelijkheid en burgerij. De koning deed beloftes in ruil voor geld of andere steun.
25. Hoe ging het in:



  • Duitsland: machtige hertogen mochten samen hun koning kiezen. Die probeerde keizer te worden, door zich te laten kronen door de Paus. Duitsland hoorde dan zo bij het heilige Roomse Rijk. Hertogen waren erg machtig (omdat hun titel en gebieden overging van vader op zoon en dus alles in de familie bleef) en alleen een sterke keizer kon deze macht beperken. Een echte Duitse staat kwam er niet door de versnippering van macht.

  • Engeland: Engeland had al een goed bestuurssysteem, dat hetzelfde bleef onder Willem de Veroveraar. Hij voorkwam dat lenen van vader op zoon overgingen, dus bleef hij degene met de meeste macht.

  • Frankrijk: Het koningschap had in het begin niet zoveel te betekenen, maar later werden de leenmannen in een oorlog verslagen onder Filips Augustus in 1200. Hij zette vertrouwelingen op hoge posten. Maar pas nadat de koning de 100-jarige oorlog tegen Engelsen en hoge franse edelen had gewonnen had hij echt grote macht.


4.4. Kerk en staat


26. Waaruit bestond het conflict in de christelijke wereld?


De paus (kerkelijk leider) en de Duitse keizer/Franse koning (wereldlijk leiders) zagen zich allebei als erfgenaam van de Romeinse keizers en wilden allebei de hoogste macht.


De Paus (als opvolger van Petrus) wilde het laatste woord en alle vorsten (leken) moesten naar hem luisteren. Hij wilde ze ook af kunnen zetten.


De keizer/koning had veel invloed in de kerk en benoemde de bisschoppen en gaf ze titels als hertog of graaf. Zo werden ze zijn steun voor zijn eigen macht. Dat wilde hij zo houden.


27. Hoe laaide de strijd tussen paus en koning op in de investituurstrijd?


De Duitse koning Hendrik benoemde zijn eigen aartsbisschop, terwijl de paus al iemand anders had benoemd. De paus deed hem in de ban. Die werd opgeheven toen Hendrik (onder dwang van de andere vorsten in zijn rijk) de paus om vergeving moest vragen. Later benoemde de paus een tegenkoning en Hendrik een tegenpaus. Het conflict was voorbij met het compromis dat bisschoppen alleen door priesters konden worden gekozen en de keizer/koning mocht ze nog wel aanstellen als graaf of hertog.


28. Hoe vestigde de paus zijn verdere gezag?


Hij had een machtige organisatie opgebouwd met een groot ambtenaren-apparaat voor rechtspraak en financiën. Hij kreeg zo de kerk meer in zijn greep. Hij stuurde kardinalen naar buitenlandse hoven en liet in Europa kerkbelasting betalen.
29. Hoe liep de strijd tussen paus en koningen uiteindelijk uit in Europa?


De paus kon de macht van koningen niet breken en de koningen op hun beurt die van de paus niet. Ze besloten tot een scheiding van kerk en staat. De paus besliste over kerk en geloof (geestelijke macht) en de koning over alles wat daarbuiten viel (wereldlijke macht).


30. Hoe was dit in de rest van de wereld?


In het Byzantijnse rijk was de keizer de belangrijkste man in de kerk en in de Islamitische wereld bleef alles ook in een hand.


31. Wat was de invloed van het geloof op het dagelijkse leven?


Iedereen was altijd bezig met zijn zieleheil en zagen overal de hand van God in. Heiligen werden aanbeden en men streefde naar een zuiver geloof en leven.


Groepen die zich verzetten tegen de misstanden in de Kerk werden ketters genoemd. Deze mensen werden wreed vervolgd.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

C.

C.

Thanks (:

6 jaar geleden