Hoofdstuk 3 - Alle Hens aan Dek

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1813 woorden
  • 16 maart 2004
  • 25 keer beoordeeld
Cijfer 7.7
25 keer beoordeeld

Hoofdstuk 3 - Alle Hens aan Dek Intro De 17e eeuw heet ook wel de Gouden Eeuw omdat tijdens die eeuw Nederland een fase van snelle economische groei had. §1. Een volk van schippers en handelaars Een vloot van duizenden masten
Er was een snelle groei in Nederland in de 17e eeuw wat betreft de schepen in de vaart. De Nederlandse vloot was bijna 4x groter dan elke andere vloot. De redens van de groei en bloei van handel en scheepvaart waren: 1. De technische ontwikkelingen
2. De gunstige ligging van Nederland

3. De mentaliteit van de Hollandse zeevarende
1. De bestaande scheepstypen werden aangepast aan de ondiepe wateren bij de Nederlandse kusten en de Oostzeekusten, een nieuw scheepstype; de galjoot -> die maakte het mogelijk dat de schippers bij vele windrichtingen en snelheden de havens konden verlaten, zo werden de ligtijden ingekort en de reistijden teruggebracht. Een ander nieuw scheepstype was het fluitschip, dat goedkoop kon worden gebouwd, minder bemanning nodig had en dat door de bouw van het schip (smal dek en beneden een groter oppervlak) minder tol hoefde te betalen op de Sont bij Denemarken. 2. De gunstige ligging van Nederland aan de Noordzee, nabij de mondingen van de rivieren Schelde, Maas en Rijn. En de Noordelijke Nederlanden lagen op het snijpunt van de belangrijke handelslijnen van oost naar west en van noord naar zuid. 3. Ze hadden een goede mentaliteit. Blijven doorgaan. Zekerheid voor alles
Aan het eind van de Middeleeuwen waren gebieden rondom de Middellandse Zee en de Noord-Europese steden de belangrijkste economische centra in Europa. Voor Nederland was dit Antwerpen. De Nederlanders ontwikkelden een betere manier van handel drijven door goedkoop te kopen en duur te verkopen. Van alle markten thuis
Nederland was in de periode 1568 tot 1648 in oorlog met Spanje -> de 80-jarige oorlog. In die tijd breidde de Nederlandse scheepvaart zich sterk uit. Voor 1580 was het vaargebied van de Nederlandse schepen beperkt tot dicht bij de kust. Een belangrijke nieuwe tak van de scheepvaart was de walvisvaart. Ook de handelsvaart over de oceaan begon. In 1602 kwam de VOC tot stand. De VOC had het alleenrecht op de handel en scheepvaart vanuit de Republiek naar het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Staat Magalhães. (Indië) De VOC verkocht vooral via veilingen. In 1621 werd de WIC opgericht. Deze kreeg het alleenrecht op de scheepvaart en handel met Amerika en de westkust van Afrika. De WIC hield zich vooral bezig met de kaapvaart. De grootste verovering was een Spaanse zilvervloot door Piet Hein bij Cuba in 1628. Nadat de WIC genoeg steunpunten op Afrika, Brazilië en Suriname gevestigd hadden richtten ze zich meer op de slavenhandel. En de boer, hij ploegde niet meer
De handel en scheepvaart hadden grote gevolgen voor de landbouw en nijverheid. Doordat de meeste landbouw producten uit het buitenland werden gehaald gingen de boeren over op veeteelt en turf vervenen -> Turf ‘droogmaken’, dan is het een belangrijke brandstof. Hierdoor moest veel water afgevoerd worden, daardoor kwamen er gebieden onder de zeespiegel te liggen, daar was dus geen akkerbouw meer mogelijk en daardoor gingen de boeren er over op veeteelt. De exporteurs van broodgranen hadden de haven van Amsterdam als eindbestemming. Maar niet al het graan bleef hier. Veel werd opnieuw verscheept naar Frankrijk, Spanje, Portugal en soms Italië. Dit maakte Amsterdam tot het centrum van de wereldgraanhandel -> Moedernegotie. In de gebieden waar de boeren niet perse op veeteelt over hoefde te gaan waren handelsgewassen; hennep, hop, tabak en meekrap. Dit was voor binnenlands gebruik maar een groot deel werd geëxporteerd. De landbouw en handel hadden dus veel met elkaar te maken en stimuleerde elkaar. De landbouw was een onmisbare keten in de schakel. Toch was het voor de Nederlandse economie maar goed dat de hoeveelheid bouwgrond in de kustgebieden beperkt bleef. Want als men steeds meer op nieuw land kon werken zou dat de boeren werk genoeg hebben opgeleverd om thuis de kost te verdienen. De Nederlandse zeevaart had dan niet zo gemakkelijk mensen kunnen vinden die bereid waren de vele handels-, vissers- en oorlogsschepen op het water te houden. §2. De zee geef, de zee neemt Zeevarenden
Kielhalen: Men bond een touw om het lijf dat aan het uiteinde van de ra werd vastgemaakt en onder de kiel door liep. Ze hesen hem tot de nok van de ra omhoog en lieten degene in de zee vallen, als hij diep genoeg was haalden ze hem onder de kiel door. Dit werd 3x herhaald. Risico van het vak
De gevaren: - Onvoldoende of slecht voedsel. (op een schip moest voor maanden eten meegenomen worden. Het eten en drinken werd opgeslagen in ongekoelde broeierige ruimtes. Het eten bedierf en het gevolg voor de mensen was scheurbuik. Er waren ook zogenaamde dokters op schepen, die handelden gewoon met amputatiemiddelen). - De zee zelf. (schipbreuken, het weer, storm op zee). - Kapers
Een sober traktement

De verdiensten van een zeeman waren: - De gage (het eigenlijke loon) - De voering (de goederen die door de bemanning gratis mocht worden meegenomen voor eigen verkoop) - Premies en uitkeringen (soms werd bijvoorbeeld een premie in het vooruitzicht gesteld als de reis sneller voltooid werd dan gepland. Op slavenschepen was het bijvoorbeeld zo dat er premies gezet werden op het levend overbrengen van slaven en bij de walvisvaart bijvoorbeeld hoe meer er gevangen werd hoe hoger de verdiensten) - Bij de VOC en de marine was er ook nog een andere tak van inkomst, namelijk het geld van een kaping. Uitstraling
Niet alleen kooplieden en zeevarenden hadden belang bij de Nederlandse economie van handel en scheepvaart. De mensen in de havensteden en hun achterland waren ook afhankelijk van die sector. Bijvoorbeeld: - Kaaplieden(handel) - Zeevarenden(handel) - Boeren die gerst, hop en vlas leverden(landbouw) - Kruiers(handel) - Sjouwers(handel) - Scheepsbouw(ambacht) - Touwmakerij(ambacht) - Houtzagerij(ambacht) §3. Van stapelmarkt naar doorvoerhandel De blokkade omzeilen
Engeland was rond 1800 in oorlog met Frankrijk. Omdat Engeland ter zee sterker was dan Frankrijk besloot de leider van Frankrijk in die tijd, Napoleon, ‘economische wapens’ te gaan gebruiken. Engeland had haar rijkdom door handel en industrie en dus wilde Napoleon Engeland afsluiten van haar afzetmarkt in Europa -> Het Continentaal Stelsel (1806). Het Continentaal mocht geen handel meer drijven met Engeland. Dit was zeer nadelig voor Nederland en daarom ging men smokkelen. Zo ontstond dus ook de douane. Hernieuwde oriëntatie op de Oost. Na de val van Napoleon werd Nederland vergroot met België. Dit moest van de Engelsen. Nederland was in die tijd onder leiding van Koning Willem I. Hij had de vrijhandelsgedachte, dit was onmogelijk door - De grote concurrentie met Engeland - De ontwikkeling van de buitenlandse zeilvaart - De in veel Europese landen geheven invoerrechten - En de denkwijze van de Hollandse handelsstand
Om de Nederlandse economie er weer bovenop te helpen werd de Nederlandschen Handel-Maatschappij opgericht in 1824. De NHM richtte zich vooral op de Nederlandse handel en scheepvaart met Indië. 1830: De overheid voert het Cultuurstelsel in. Dat hield in dat het Nederlandse koloniale bestuur zelf de organisatie van de exportproductie van Java ter handen nam. De Indonesiërs moesten een deel van de oogst afgeven. Als ze dit niet konden moesten ze verplicht voor Nederland werken. Het Cultuurstelsel bracht Nederland vele “Indische Baten” op(Geld van Oost-Indië). Er kwam kritiek op het Cultuurstelsel van de liberalen. De liberalen kwamen na 1848 meer aan de macht en vonden dat het Cultuurstelsel de Javanen geen enkel voordeel bood en de Nederlandse ondernemers te weinig vrijheid. Na enkele jaren werd het afgeschaft. 1848 -> De grondwetwijziging. 1869 -> Het Suezkanaal, waardoor Indië vanuit Nederland beter bereikbaar werd. Nederland industrialiseert. De industrie begon een steeds belangrijkere plaats te spelen in Nederland. Engeland industrialiseert als 1 van de eersten. Nederland had hier niks aan, totdat ook Duitsland ging industrialiseren. Wanneer de industrialisatie echter definitief doorzette in Nederland is niet bekend. Nederland als doorgeefluik

Aan het eind van de 19e eeuw kwam de industriële revolutie echt op gang door de omstandigheden in Duitsland; de afschaffing van de Rijnvaarttollen en dankzij de Nieuwe Waterweg. Toen in 1870 ook in Amerika en Europa het welvaartspeil steeg, profiteerde Nederland hier ook van. Maar dat Nederland door kon gaan met de scheepvaart, was vooral te danken aan Duitsland en Engeland. Nederland lag tussen deze twee landen in en fungeerde als soort doorgeefluik tussen Engeland en het westelijke deel van Duitsland -> Transitohandel. Transitohandel is vergelijkbaar met de stapelmarkt in de 17e eeuw. (Het systeem waarbij uitvoerproducten vanuit alle Europese landen en gebieden overzee naar Hollandse havens werden verscheept en daar na verloop van tijd naar consumenten werd doorvervoerd). Het enige verschilt was dat de handelswaar in de transitohandel niet meer eerst opgeslagen werd, maar dat werd gelijk gedistribueerd naar verschillende landen. Nederland heette: - Vanaf de 17e eeuw -> Republiek der 7 Verenigden Nederlanden - 1795 -> Bataafse Republiek (Nederland in opstand met behulp v/d Fransen) - 1806 -> Koninkrijk Holland (De broer van Napoleon aan de macht) - 1814 -> Koninkrijk der Nederlanden §4. Is de arbeider zijn loon waardig? Ongezouten vooroordelen
De Nederlandse arbeider werd in de 19e eeuw afgeschilderd als ongeschikt en bijna altijd dronken door de “fatsoenlijke mensen”, zoals zij zichzelf noemden. De arbeiders hadden op hun beurt weer genoeg te klagen over de volksklasse. Allerhande werk
Ook al was de Nederlandse economie weer volop bezig, vele mensen hadden geen werk. Volwassen geschoolde arbeiders werden ingeruild voor vrouwen en kinderen tegen lager loon. Overal werden kinderen ingezet. Zo ontstond het “Kinderwetje van Van Houten” waarin stond dat kinderen onder de 12 jaar geen arbeid mochten verrichten. Hierbij kwam een eind aan de grote kinderarbeid, maar voor de vrouwen en mannen werd er niks geregeld. Die hadden nog steeds de lange arbeidsdagen, de lage lonen en onveiligheid op de werkvloer. Grachten straten en stegen
Ook de woonomstandigheden waren heel slecht in de 19e eeuw. Dit deed niet echt veel goeds voor de gezondheid van de arbeiders. Wat de pot schaft
De verschillen die in de delen van Nederland ontstonden waren niet alleen de werk- en woonomgeving, maar ook bijvoorbeeld het consumptiepatroon lag sterk uit elkaar. Een kat in het nauw
Allerlei kerkelijke, particuliere of gemeentelijke instellingen vullen in geval van noodzaak het inkomen van de allerarmsten wat aan. Een groot deel dat aan de armenzorg werd besteed kwam van de particulieren. Redens daarvoor waren uit: - goedheid - beleefdheid - medelijden - hoogmoed - overvloed - plicht

In de grote steden waren criminaliteit en prostitutie een middel voor het levensonderhoud. Niet alleen in bordelen maar ook op straat. Er werd hevig tegen geprotesteerd. De Nederlandse economie veranderde. Industrie en transport werden ‘belangrijker’ ook al was de scheepvaart voor de transitohandel nog steeds heel belangrijk. De sociale gevolgen waren ook veranderd. Er werden in tegenstelling tot de 17e eeuw serieuze pogingen gedaan om sociaal beleid te gaan voeren. Het “Kinderwetje van Van Houten” en de acties tegen de prostitutie zijn daarvan goede voorbeelden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.