Hoofdstuk 2.2 Tijd van pruiken en revoluties

Beoordeling 4.3
Foto van Jan
  • Samenvatting door Jan
  • Klas onbekend | 1731 woorden
  • 23 november 2016
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.3
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!
De tijd van pruiken en revoluties

Paragraaf 1: Frankrijk voor de Franse revolutie.

- Frankrijk was sinds de middeleeuwen een echte standensamenleving. Er waren 3 standen:

1. De geestelijkheid: Taak om te bidden voor de veiligheid van iedereen.

2. De adel: Taak om te strijden voor de veiligheid van iedereen

3. De rest van de bevolking:  85% van de bevolking bestond uit arme loonarbeiders, kleine handelaren, winkeliers, en vooral uit boeren. De boeren moesten op het land werken om iedereen te voeden.

De bourgeoise: De resterende 15% van de rest van de bevolking dat bestond uit rijke burgerij zoals: Rechters, bankiers en kooplieden.


Privileges: De voorrechten die de eerste en tweede stand hadden. Zij hadden belangrijke banen in de kerk, het leger of het bestuur. En ze hoefden geen belasting te betalen.

Mensen van de derde stand hadden geen privileges , en zij moesten wel belasting betalen aan de koning en kerk.

De boeren waren na de middeleeuwen wel vrij en ze werkten verplicht (gratis) op het land van de heer. Strenge winters zorgden voor een slechte oogst en de boeren klaagden over de plichten, honger en armoede.

Lodewijk XVI raakt door het dure leven van hem en de kostbare oorlogen in geldnood, en hij riep in 1789 de vertegenwoordigers van de drie standen bij elkaar. Hij wilde toestemming voor belastingverhoging, deze vergadering zorgde voor vele veranderingen…

Jaartallen genoemd in deze paragraaf:

JAARTAL GEBEURTENIS

1789 Lodewijk XVI roept vertegenwoordigers van de drie standen bij elkaar voor toestemming voor belastingverhoging.



Paragraaf 2: De Verlichting

De achttiende eeuw staat ook wel bekend om De Verlichting. Men dacht door logisch na te denken te proeven en te doen dingen te verklaren (verlichten).

Denkers van De Verlichting vonden dat je over alles zelf erover na moest denken, en niet altijd de koning en de kerk te geloven.

Verlichte denkers hadden overal een duidelijke mening over hier is een overzicht van wat ze o.a. vonden en dachten.


“Iedereen hoort gelijk te zijn.”

“De koning is aangesteld door god, maar dat betekent niet dat al zijn beslissingen goed zijn.”

“Niemand mag iemand anders zijn vrijheid, gezondheid of bezit schaden”

John Locke schreef in 1690 dat je ervoor moest zorgen dat de koning niet absolute macht krijgt, maar de taken moest verdelen. Hij vond dat een te machtige koning een dreiging voor de bevolking kon zorgen, hij vond ook dat als een koning de macht niet wou delen dat de mensen dan in opstand mogen komen.

In Frankrijk was er tot 1789 een absolute macht, hier vonden verlichte mensen ook dat de macht gedeeld hoort te worden. In 1748 legte Montesquieu hoe je machtsmisbruik kon voorkomen: door de Scheiding der machten.

1. Het parlement maakt de wetten

2. De koning en regering voeren de wetten uit

3. Benoemde rechters gaven straffen als er niet aan de wet werd gehouden, dit zou dan ook gelden voor de koning en regering.

Als dit plan in gebruik zou worden genomen, dan is de koning zijn absolute macht kwijt, maar de koning wou dit niet. En hij verbood dit soort geschriften en geschriften tegen de kerk: dit heet een censuur.

Verlichtende denkers konden door hun geschriften in de gevangenis gezet worden, Voltaire die heeft door zijn geschriften 11 maanden in de Bastille gezeten.

Jaartallen in deze paragraaf:

Jaartal Gebeurtenis

1690 John Locke schreef dat de koning geen absolute macht mag hebben.

1748 Montesquieu stelde de Scheiding der Machten voor.

1789 Tot dit jaartal hadden koningen van Frankrijk nog absolute macht.

 

Paragraaf 3: Revolutie in Frankrijk.

Koning Lodewijk XVI zat erg in geldnood. Hij riep de Staten-Generaal bij elkaar om de drie standen toestemming te vragen voor toestemming voor belastingverhoging. Uiteindelijk kwamen de vertegenwoordigers van de drie standen in mei 1789 bij elkaar.

Van de eerste en tweede stand bij elkaar kwamen er 300 mensen en er kwamen 600 mensen van de derde stand. De derde stand probeerde de voorkomen dat zij alle belasting moesten betalen, dus ze hoopten dat ze per aanwezige gingen stemmen, maar de koning wilde net als vroeger per stand stemmen.

Om te voorkomen dat zij alle belasting moesten betalen, riepen de leden van de derde stand in juli 1789 derde stand in een kaatsbaan elkaar. Deze bijeenkomst noemen we de Nationale Vergadering. De aanwezigen beloofden elkaar op 20 juni niet uit elkaar te gaan voordat Frankrijk een grondwet had. Daarin moest onder anderen te staan dat het volk mee mocht praten met het bestuur. Deze eed staat bekent als “De eed in de kaatsbaan”

De koning was hier niet blij mee en die stuurde zijn soldaten erop af.  Tijdens dit kwamen de inwoners van Parijs ook nog in opstand. Ze eisten goedkoper brood, en ze bestormden regeringsgebouwen om wapens te roven. Een menigte Parijzenaars bestormden op 14 juli 1789 de Bastille. De Franse Revolutie is begonnen!

In augustus 1789 nam ze de “Verklaring van de rechten van de mens en burger” aan.

Dit zou betekenen dat de eerste en tweede stand hun privileges zouden verliezen, iedere Fransman had nu gelijke wetten en plichten.

In 1791 maakte een nieuwe grondwet een einde aan het absolute bestuur. De koning moest de wetten uitvoeren die de Nationale Vergadering bepaalde.

In 1792 werden de koning en koningin beschuldigd van hoogverraad. Zij zouden Oosterijk en Pruisen geholpen hebben met Frankrijk aanvallen. In 1793 onthoofden de jakobijnen de koning en koningin en kwamen onder leiding van Robespierre aan de macht. Hun bestuur  Wie het niet eens waren met de beslissingen van de jakobijnen , was volgens hen tegen de revolutie. Robespierre liet alle tegenstanders onthoofden, en later zelfs de jakobijnen die hij niet kon vertrouwen.

Belangrijke jaartallen

Mei 1789 Vertegenwoordigers drie standen kwamen bij elkaar, de koning wou toestemming voor belastingverhoging.

17 juni 1789 Vertegenwoordigers van de derde stand vergaderen als één nationale vergadering.

20 juni 1789 Aanwezigen van de Nationale Vergadering beloven niet uit elkaar te gaan tot er een grondwet komt.

14 juli 1789 De bestorming van de Bastille.

Augustus 1789 Verklaring van de rechten van de mens en burger.

20 juli - 6 augustus 1789 La grande peur (de grote angst)

5 oktober 1789 7000 Parijse marktvrouwen op weg naar Versailles, ze eisten goedkoper brood en dat de koning mee gaat naar Parijs om te zien hoe het leven daar is.

1791 Grondwet maakte einde aan absolute bestuur

1792 Koning en koningin beschuldigt van verraad.

1793 Koning en koningin worden onthoofd en de jakobijnen kwamen aan de macht.

 

Paragraaf 4: Gevolgen van de Franse Revolutie

In 1794 kwam tot opluchting van het Franse volk een einde aan de terreur. Robespierre werd gearresteerd en de volgende dag onthoofd. In 1795 kwam er een nieuw bestuur, het Directoire. Met vijf directeuren. Frankrijk was in die tijd niet echt gelukkig er was veel honger, want de voedselprijzen waren gestegen. En Frankrijk raakte steeds vaker in opstand. De roep om een sterke leider werd steeds luider.

Generaal Napoleon Bonaparte was erg populair bij het volk. In verschillende veldslagen toonde hij zich een waardige leider. In 1799 greep hij de macht en maakte hij nieuwe wetten. Daarin stond dat burgers inspraak op het bestuur hadden, maar eigenlijk vestigde Napoleon een dictatuur. In 1804 riep hij zichzelf uit tot keizer. Hij maakte zelf wetten ontsloeg ministers en besliste over de oorlog en vrede. Toch bleef hij populair omdat hij oorlogen won en voor rust zorgde.

Napoleon liet een paar resultaten van de Revolutie over. Zo kregen de adel en geestelijkheid hun voorrechten niet meer terug, en de standensamenleving kwam niet meer terug. Ook hadden alle mensen gelijke rechten. Alle burgers hadden grondrechten ze hadden vrijheid van meningsuiting, drukpers en godsdienst. Napoleon bleef oorlog voeren om de ideeën van de Franse Revolutie te verspreiden. In 1812 was de mislukking van de Russische veldtocht het begin van het einde, napoleon ging ten onder bij de slag bij Waterloo, en werd verbannen naar het eiland Sint-Helena. Vanaf de tijd van de Franse Revolutie kregen veel meer landen een grondwet.  Er waren geen absolute vorsten meer. Toch probeerden Europese leiders de klok terug te zetten, ze probeerden Lodewijk XVIII, een broer van Lodewijk XVI koning van Frankrijk te maken.



27 juli 1794 Robespierre wordt onthoofd.

1795 Er kwam een nieuw bestuur: Het Directoire

1799 Frankrijk raakt opnieuw in oorlog met Groot-Brittannië, Oostenrijk en Rusland.

1799 Napoleon Bonaparte komt aan de macht een maakt een nieuwe grondwet

1800 Napoleon trekt ten aanval over de Alpen

1804 Napoleon roept zichzelf uit tot keizer.

1812 Mislukking Russische veldtocht

1815 Napoleon word bij de slag bij Waterloo definitief verslagen.



Paragraaf 5: De Bataafse Revolutie

In de Republiek der Verenigde Nederlanden vonden veel burgers dat stadhouder prins Willem V en de regenten te veel macht hadden. Deze burgers noemden zich de patriotten.

In 1787 probeerden de Patriotten de stadhouder ook al te verdrijven. Maar dat mislukte toen moesten tienduizenden patriotten vluchten naar Frankrijk

Op verzoek van de patriotten trokken in 1795 Fransen de Republiek binnen. Dit was het begin van de Bataafse Revolutie. Willem V vluchtte naar Engeland. De patriotten bestuurden het land nu. De patriotten werkten samen met Frankrijk.

Er veranderde veel in de Bataafse Republiek, alle voorrechten van de adel en geestelijkheid werden afgeschaft, en iedereen was gelijk. Ook had iedereen gelijke kansen op belangrijke functies in het bestuur.

Napoleon wou meer invloed in Europa. Hij zette in verschillende landen familieleden op de troon. In 1806 werd zijn broer, Lodewijk Napoleon koning van Nederland. Napoleon vond dat zijn broer te weinig hielp in de strijd tegen Groot-Brittannië. Om Groot-Brittannië op de knieën te krijgen, verbood hij alle landen nog handel met ze te drijven. Dit was slecht nieuws voor de Nederlanden, want Nederland verdiende altijd veel geld door de handel met Groot-Brittannië. Koning Lodewijk wilde de handel van de Nederlanden niet breken en hij trad dus nauwelijks op tegen de smokkelhandel met Groot-Brittannië. Napoleon vond dat Lodewijk teveel dacht aan zijn eigen koninkrijk, en te weinig aan Frankrijk.

Daarom moest Lodewijk in 1810 afstand doen van de troon.

Nederland is nu onderdeel van Frankrijk geworden, de handel met Groot-Brittannië ligt stil. Napoleon wou om mensen goed te kunnen registreren dat mensen hun achternaam en hun adres opgaf bij de burgerlijke stand.

In 1813 verdwenen de Fransen uit Nederland . De zoon van de laatste stadhouder Willem II werd nu koning. Nederland was geen republiek meer

1787 Patriotten proberen stadhouder te verdrijven.

1795 Fransen nemen de macht in Nederland

1806 Lodewijk Napoleon (broer van) komt aan de macht in Nederland.

1810 Lodewijk moet afstand doen van de troon.

1813 Fransen verdwijnen uit Nederland.

 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Jan