Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Hoofdstuk 2: Industrieele samenleving Groot Brittannie

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 4533 woorden
  • 10 november 2006
  • 47 keer beoordeeld
Cijfer 5.1
47 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Geschiedenis, samenvatting hoofdstuk 2: ‘Het ontstaan van de industriële samenleving in Groot-Brittannië, een trage revolutie.’ Paragraaf 1: ‘De samenleving onder spanning, veranderingen in landbouw en huisnijverheid.’ De meeste mensen in GB werkten rond 1750 in de landbouw. De productiviteit van de landbouw was laag. Dat werd veroorzaakt door: 1. De natuurlijke omstandigheden. Grond moeilijk te bewerken en ongunstig klimaat. 2. Gebrek aan kennis en goede landbouwtechnieken en werktuigen. 3. De kleinschaligheid van de bedrijfjes. Boeren bezaten vaak maar kleine stukjes grond en ze waren verplicht om diensten te verrichten voor hun landeigenaar. Boeren hadden meestal net genoeg land om hun gezin te onderhouden, de pacht te betalen aan de landeigenaren en zaaigoed voor het volgende jaar over te houden. De pachtcontracten werden maar voor 3 of 4 jaar afgesloten, daarom was het voor de landeigenaren geen reden om de grond te verbeteren of moderne landtuigen aan te schaffen. De landbouw werkte volgens het open field systeem: elke akker was verdeeld in een aantal stroken grond. Elke boer had een paar van die stroken, niet omheind en ongescheiden van de anderen. Op de open fields werd vruchtwisseling toegepast, het eerste jaar liet men graan groeiend, het tweede jaar gras en het derde jaar liet men het braak liggen. Hierdoor blijft de grond vruchtbaar. Op de common lands mochten alle boeren hun vee laten grazen en ze konden er hout sprokkelen. De allerarmste boeren hadden vaak geen stroken land dus waren helemaal op de common lands aangewezen. Opbrengstfactor = omvang van de agrarische productie. Verhouding tussen zaaizaad en opbrengst bij het oogsten. Een opbrengstfactor van 5 betekent dat elke gezaaide graankorrel 5 nieuwe voortbracht en zo’n 20% van de opbrengst nodig was voor zaaizaad in het volgende jaar. Er was voortdurend spanning tussen de beschikbare bestaansmiddelen en de bevolking. De bevolking groeide langzaam omdat er niet genoeg voedsel was. Dan was er veel voedsel en kon de hele bevolking gevoed worden en groeide ook de bevolking, maar daarna was er weer een slechte oogst en was er dus te weinig voedsel voor de gegroeide bevolking en steeg het sterftecijfer. De overgrote meerderheid van de bevolking woonde op het platteland. In zulke dorpjes woonden de meeste boeren. Sommigen hadden een eigen stukje grond. Engeland had een paar kleine steden. In Schotland leefde men in zgn. Ferm touns, bij elkaar in zeer kleine gehuchten, die bestonden uit 5 tot 10 eenvoudige boerderijtjes. Nijverheid = het bewerken en verwerken van grondstoffen en ruwe materialen tot gebruiksartikelen. Met name de verwerking van wol voor stof van kleding was voor GB een bloeiende tak van nijverheid. Omdat dit vaak bij de boer thuis gebeurde, wordt dit ook wel huisnijverheid genoemd. In Schotland maakte bijna elk gezin zelf stoffen voor kleding. Men had een paar schapen of men verbouwde vlas. De wol of vlas werd in eigen huis gesponnen en geweven. Er was een duidelijke arbeidsverdeling: de mannen en zonen deden het werk op het land, de vrouwen en dochters deden het huishouden of maakten kaas. Daarna sponnen ze wol en katoen en maakten ze er trossen. Als de mannen en zonen thuis waren sorteerden ze de trossen op grootte en plaatsten ze ze in het weefgetouw. Een boer had ongeveer 3 of 4 weefgetouwen thuis. Als men meer produceerde dan ze zelf nodig hadden, kochten handelaren het op voor stukloon. Na verloop van tijd ontstond er een systeem waarbij handelaren de productie uitbesteedden en daarna weer opkochten, het zgn. putting-out systeem. Deze handelaren gingen een steeds grotere rol spelen. Zo gingen ze de boeren ook voorzien van de grondstoffen en gaven ze opdracht ze te bewerken. Vaak leende de handelaar geld voor de aanschaf van een spinnenwiel of een weefgetouw. De huisnijverheid zorgde voor extra inkomsten, die de boeren goed konden gebruiken. Huisnijverheid was eerst een aanvulling op de landbouw. Maar meer en meer landloze boeren of boeren met kleine bedrijfjes gingen zich bezig houden met de textielproductie. Er waren handelaren die daarvoor werkplaatsen lieten bouwen. Soms maakte de landeigenaar samen met wat gezellen en leerlingen van grondstoffen een eindproduct. Dit was geen huisnijverheid meer. Ook hier kregen de handelaren steeds meer invloed op de productie. Omdat er in de nijverheid veel te verdienen was, groeide het sterk. De toename van handel en nijverheid leidde tot handelskapitalisme, een nieuwe soort economie. Kenmerken: 1. productie middelen waren in bezit van de koopman-ondernemer
2. handwerkers waren arbeiders, die zelf niet meer de werktuigen, grondstoffen en eindproducten bezaten

3. koopman-ondernemer organiseerde het productieproces en probeerde daarbij zoveel mogelijk winst te maken. Communicatiemogelijkheden waren beperkt. Weinig mensen konden lezen en schrijven. Transport was moeilijk omdat er geen goede wegen waren. Het meeste vervoer ging over het water. Alleen als het echt niet anders kon ging men over het land. Mensen zagen maar weinig van de wereld. Local traffic was wel belangrijk. De regering was verantwoordelijk voor het onderhoud van de wegen. Al in de 16e eeuw hadden ze elke Parish (kerkelijke gem.) opdracht gegeven hier zelf voor te zorgen. Niemand nam zijn taak serieus en daardoor ontstonden er slechte wegen. De regering vond een oplossing: ze gaf aan Hampshire de bevoegdheid om een Turnpike trust op te richten. Zo’n trust werd eigenaar van een stuk weg, en ze waren verantwoordelijk voor het onderhoud en mochten tol heffen. De vier kenmerken van de agrarisch-stedelijke samenleving waren: 1. Landbouw, 2. Boerenbevolking, 3. (Huis)nijverheid, 4. Slechte communicatie- en transportmiddelen. Na 1750 veranderde er veel in de landbouw. De grootgrondbezitters wilden comfortabel leven in een mooi groot huis en meedoen aan nieuwe, kostbare mode. Dit kon bereikt worden door hogere pachten en meer opbrengsten van de landbouw. Maar hogere pachten waren onmogelijk, veel boeren konden met moeite de pacht betalen. Dus moest de landbouwproductie worden vergroot. Dit gebeurde door: 1. Het telen van nieuwe gewassen en het toepassen van vruchtwisseling (wissellandbouw), 2. Nieuwe landbouwwerktuigen te gebruiken, 3. Het toepassen van middelen om de grond vruchtbaarder te maken, zoals kalk, 4. Speciaal dieren te fokken op bep. eigenschappen (dus bijv varkens en koeien met heel veel vet), 5. Stroken landbouwgrond van de boeren egaliseren en begrenzen (enclosure) Enclosure = Landbouwgronden rond een dorp werden in stukken verdeeld en duidelijk begrensd, meestal door stenen muurtjes of heggen. Elk stukje ommuurd (enclosed) land was voor een boer. Ook de common lands werden op deze manier verdeeld. Door enclosure verdween het open field systeem. Improvers = Grootgrondbezitters die deze nieuwe landbouwmethoden en machines bedachten en voor het eerst invoerden. Soms kostte het moeite om de boeren die grond pachtten, over te halen om de nieuwe technieken toe te passen. Maar toen ze de boeren goedkope leningen en bonussen beloofden, lukte het vaak. Door de verhoging van de landbouwproductie groeide de bevolking in GB. Door deze groei (vooral in de steden) kon de grotere productie zonder moeite verkocht worden. De stadsbewoners waren voor hun voedsel volledig afhankelijk van het platteland. Agrarische revolutie = Ontwikkeling, snelle toename van de agrarische productie door het gebruik van betere productiemethoden, machines en herverdeling van grond. Deze ontwikkelingen waren zo ingrijpend dat we spreken van een revolutie. De vernieuwingen waren niet voor alle mensen op het platteland een vooruitgang. Voor veel boeren werd het leven nog moeilijker en zwaarder. Bovendien waren er door de vernieuwingen minder mensen nodig in landbouw. Deelvragen: 1. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van een agrarisch-stedelijke samenleving? 2. Waarom spreken we over de ontwikkelingen rond 1750 in de landbouw van een agrarische revolutie? Paragraaf 2: ‘De industriële revolutie, GB tussen 1750 en 1850.’ Industriële revolutie = De snelle opkomst van industrieën in de 18e en 19e eeuw, waardoor het leven en werken van mensen ingrijpend veranderden. Agrarische revolutie was van groot belang voor industriële revolutie. De agrarische revolutie zorgde ervoor dat: 1. De bevolking toenam, 2. Er voldoende voedsel was, ook voor mensen die niet in de landbouw werkten, 3. Improvers veel geld verdienden, voornamelijk dankzij de vernieuwingen in de landbouw. Dit geld konden zij investeren in ‘nieuwe projecten’ (de vernieuwing van de landbouw was ook een project), 4. De koopkracht van veel mensen was gestegen, al was die nog niet heel erg groot. Er waren voldoende arbeiders voor de industrie, er waren mensen met genoeg kapitaal om fabrieken te starten. Meer Engelsen kochten meer producten, de vraag naar kleding was hoog. Redenen voor vraag naar textiel: 1. Toenemende bevolking, 2. Gestegen welvaart, zeker van grootgrondbezitters. Hierdoor nam de vraag naar luxere kleding van katoen toe, 3. De prijs van katoen was gedaald, door het grote aanbod uit de koloniën, 4. Katoen was een goed alternatief voor wol of linnen, 5. Katoen was makkelijk te onderhouden. Handelaren gingen op zoek naar methoden om het tempo van weven en spinnen te verhogen. Door Kays schietspoel kon veel bredere stof geweven worden en door Hargeave’s Spinning Jenny konden meerdere draden tegelijk gesponnen worden. Deze machines werden met de hand aangedreven. Ze konden ook worden toegepast in de huisnijverheid omdat ze klein en niet duur waren. Daarna werden grotere machines uitgevonden: Arkwrights Waterframe is een spinmachine aangedreven door waterkracht en Samuel Comptons Spinnen Mule deed de productie van zeer fijne draden. Deze spinmachines werden vaak aangedreven door paarden-, water of stoomkracht. Tot 1805 werd gesproken van de Golden age van de handwevers. Het spinnen gebeurde in snel tempo en de productie vond plaats in fabrieken. De spinmachines waren te groot en te duur geworden voor huisnijverheid. De opkomst van de weefmachines was een ramp voor thuiswevers die dit nog met de hand deden. De prijzen voor de thuiswevers daalden ontzettend. De Golden age was omgeslagen naar een Crisis. Uiteindelijk zou de huisnijverheid verdwijnen. Als gevolg van de uitvindingen was het tempo van de productie aanzienlijk verhoogd. Koopman-ondernemers namen de hele productie in eigen hand in grote werkplaatsen, manufactures. Al snel ontstonden er werkplaatsen, mills, waar de energie van snelstromend water de machines aandreef. In de katoenindustrie ontwikkelde zich het fabriekssysteem: de productie vond plaats in een fabriek (eerste gesticht in 1771 door Arkwright), dmv. machines, die werden aangedreven door een centrale energiebron. Tot 1800 voorn. waterkracht. De fabriek was eigendom van de ondernemer. De arbeider was loonarbeider geworden. Het werk in de fabriek was totaal anders dan in de huisnijverheid. De machines hadden een eigen tempo, dat de arbeiders moesten bijhouden. Arkwright ontwikkelde een machine, aangedreven door waterkracht, waarop snel goede en sterke draden gesponnen konden worden, de Spinning Frame. Hij plaatste hem in een fabriek in Cromford. Het werd een succes, dat door anderen gevolgd werd. In 1779 ontwikkelde Samuel Crompton een machine door de Spinning Frame en de Spinning Jenny samen te voegen. Het resultaat was de Spinning Mule. Daarna werd ook het weven gemechaniseerd. De Power Loom (weefmachine op stoomkracht) is hier een voorbeeld van. Rond 1800 ging men stoommachines gebruiken die de spinmachines aandreven. De invoering ervan verliep langzaam. Dat kwam omdat de investeringen in stoommachines erg hoog waren, omdat de machines en fabrieksgebouwen erg kostbaar. Er werden stoompompen ontworpen die grondwater dieper uit de mijnen kon halen dan handkracht of paardenkracht. Thomas Newcomen ontwierp een gebrekkige machine, omdat er nog geen perfect ronde cilinders gemaakt konden worden, werkte hij niet goed. Maar ook verbruikte de machine erg veel steenkool en was daarom alleen in de mijnen zelf te gebruiken. De doorbraak van de toepassing van stoomkracht kwam van de Schot en instrumentenmaker James Watt. Hij bracht verbeteringen aan, waardoor de stoommachines sneller en regelmatiger werkten. Hierdoor werd niet alleen veel brandstof bespaard, maar ook kon de machine gebruikt worden als aandrijfkracht van machines in fabrieken. Na 1840 werd stoom de belangrijkste energiebron in de industrie en in vervoer. De mijnbouw werd gestimuleerd door de stijgende vraag naar steenkool, omdat het de belangrijkste brandstof was voor stoommachines. En de groeiende behoefte aan huishoudbrandstof door de toename van de bevolking hielp mee. Ook door de groei van de spoorwegen en de toename van de productie van ijzer zorgden voor de stijgende kolenproductie. IJzer werd gemaakt van zeer sterke verhitting van ijzererts. Voor 1 ton ijzer heb je 4 ton kolen nodig. Daarom ging ¼ van de productie op aan ijzer. Er moest steeds dieper worden gegraven om steenkool te verkrijgen, waardoor het werk in de mijnen steeds gevaarlijker en zwaarder werd. Gangen liepen snel vol met water, plafonds stortten vaak in en de gassen die vrijkwamen veroorzaakten explosies. Mijnwerkers werden slecht betaald, vooral vrouwen en kinderen, die minder geld kregen dan mannen. Reizen over het land was nog steeds erg onhandig. Daarom werden kanalen gegraven uit de opbrengsten van de tolheffing van de Turnpike trusts. Door de kanalen konden bulkgoederen als kolen en ijzererts makkelijker in grote hoeveelheden vervoerd worden. In de 19e eeuw zorgden spoorwegen voor de grootste verandering in transport en reizen, er kon over land gereis en vervoerd worden. De voordelen van spoorwegen zorgden voor een railway-boom/railway-mania. Er werden in korte tijd vele duizenden km aan spoor aangelegd. Reizen ging daardoor makkelijker en sneller. Rond 1850 ging het meeste vervoer van zware goederen en passagiers niet meer over kanalen, maar per spoor. Omdat de aanleg van spoorwegen particulier was, en de regering zich er dus niet mee bemoeide, ontstonden er grote prijsverschillen, spoorwegbreedte-verschillen en veiligheidsvoorzieningen. Daarom stelde de Britse regering de Railway Act op, die lage kosten voor passagiers, veiligheid en spoorwegbreedte eiste. Veel kleine maatschappijen werden toen gedwongen te fuseren en daarom bleef een klein aantal grote spoorwegmaatschappijen over. Door de industriële revolutie was de Engelse samenleving ingrijpend veranderd. Steeds minder mensen waren werkzaam in de landbouw, steden groeiden en fabrieken waren erg in opkomst. Daarom is de samenleving halverwege de 19e eeuw niet meer agrarisch-stedelijk, maar industrieel. Kenmerken van een industriële samenleving: 1. De meeste mensen werken in de industrie ipv in de landbouw.Na textiel werden steeds meer producten in fabrieken gemaakt. Huisnijverheid verdween hierdoor langzaam, 2. De bevolking was sterk gestegen en steeg nog steeds. Ook steden groeiden sterk. Steeds meer mensen woonden in steden, waar de meeste fabrieken waren, 3. De mogelijkheden voor communicatie en transport zijn verbeterd en toegenomen. Door de spoorwegen werd de leefwereld van de mensen veel groter. De kleinschaligheid van de agrarisch-stedelijke samenleving is verdwenen, de grootschaligheid van de industriële samenleving is in de plaats gekomen. Deelvragen: 1. Welke ontwikkelingen in de textielindustrie zorgden voor een verhoging en versnelling van de productie? 2. Waardoor werd de huisnijverheid vervangen door het fabriekssysteem? 3. Welke rol speelde de opkomst van de spoorwegen in de industrialisatie? Paragraaf 3: ‘Een hard bestaan, GB tussen 1750 en 1850.’ Pessimists = Groep historici die vindt dat meeste mensen het door de industrialisatie slechter hebben gekregen. Optimists = Groep historici die vindt dat meeste mensen het door de industrialisatie beter hebben gekregen. Als thuiswerker moest men hard en lang werken en de verdiensten waren laag, maar toch had men het gevoel van persoonlijke vrijheid. Dit was niet zo in de fabrieken. Ze werkten op vaste tijden, vaak 12 uur of meer per dag. De straf op te laat komen was streng: wie te laat kwam kreeg een boete of hoefde helemaal niet terug te komen. De taken waren strikt gescheiden. Vrouwen die in de huisnijverheid altijd spinden, moesten nu kaarden. De spinmachines werden bediend door mannen. Toen ook weven in fabrieken werd gedaan, verdween het familieverband helemaal. Het werken in een fabriek was ongezond: veel machines waren open en onbeveiligd. Hierdoor was de kans op ongelukken erg hoog. Ook maakten de machines veel lawaai en door gebrek aan ventilatie stonk het in de werkplaatsen en was het erg warm. In de fabrieken van textielnijverheid hing een dikke stofwolk van katoen. De bevolking van GB en Schotland nam snel toe, door de stijging van het geboortecijfer en daling van het sterftecijfer. Urbanisatie/verstedelijking = De sterkste groei van de bevolking is in de steden rond fabrieken en mijnen. Toen de steden overvol raakten werden er meer huizen gebouwd buiten de steden. Daar trokken de rijken naar toe, zodat de steden alleen nog voor de armen waren. De meeste straten waren onverhard en waren te vergelijken met een open riool. Boven de stad hing een laag van roet en giftige dampen. Men woonde vaak met meer dan 10 mensen in veel te kleine huizen. De meeste arbeiders waren ongeschoold en kregen slecht betaald. Voor de armen werd door de regering nauwelijks gezorgd. Door de lage lonen konden arbeiders voor hun gezin meestal maar een vochtige ongeventileerde eenkamerwoning betalen. De eigenaars van deze ‘huizen’, de fabriekseigenaren, propten hier het liefst zoveel mogelijk mensen in. Zelfs kleine donkere kelders waar geen zonlicht kon komen en die snel onderliepen met water werden bewoond. De arbeiderswijken waren slums, sloppenwijken. Omdat de gezinnen groot waren (hoe meer gezinsleden, hoe meer mensen in de fabriek werken), konden ziektes zich snel verspreiden. Hygiëne was er al helemaal niet. Veel mensen deelden een wc en douches waren er niet. Water haalde men uit rivieren, sloten en kanalen of regenwater. Arbeidersbewegingen probeerden hun situatie te verbeteren, maar erg succesvol waren de gezamenlijke acties niet. De eerste acties van 1810 waren erg emotioneel en gewelddadig. Wevers, die hun werk kwijtraakten omdat machines sneller en goedkoper werkten, vernielden machines en fabrieken. Jaren lang bleven de wevers opstandig, maar de goede jaren voor de invoering van de Power Loom kwamen niet meer terug. Stakingen waren geen goede manier om actie te voeren. Door onvoldoende aanbod van arbeiders waren werkgevers niet onder de indruk. Ze ontsloegen de stakers en hadden snel weer nieuw personeel. Minder gewelddadige acties waren ook niet succesvol. Organisaties die wilden opkomen voor betere lonen en werkomstandigheden werden onderdrukt. Via speciale wetten werden vakbonden verboden. In 1824 werden de meeste antivakbondswetten ingetrokken. Als gevolg hiervan werd GB overspoeld door acties en stakingen. Daardoor kwam er een nieuwe wet, waardoor vakbonden mochten blijven bestaan, maar acties waren verboden. Vakbonden konden weinig betekenen voor de leden. De meesten waren gericht op 1 bedrijfstak. De leiders misten ervaring, er was geen geld en arbeiders durfden niet te staken. Robert Owen, voormalig katoenfabrikant die bekendstond om goede behandeling van personeel, richtte de Grand National Consolidated Trades Union (GNCTU) op. Maar ook deze organisatie (net als vele andere) hield het niet lang vol. Na 1850 ontstonden er ‘moderne’ vakbonden, waarvan vooral geschoolde en beter betaalde arbeiders lid waren. Ze wilden als vakman gerespecteerd worden en zagen stakingen als allerlaatste middel. Lidmaatschap werd gebruikt voor stakingen, pensioenen en uitkeringen bij ziekte. Ook werden betaalde bestuursleden aangesteld. Later werden de rechten van vakbonden vastgelegd en kregen de organisaties in het Trade Union Congress een sterke positie. De Labour Party, de politieke partij van de arbeiders gebaseerd op socialistische ideeën werd pas in 1900 opgericht. Vakbonden maakten deel uit van deze partij. Coöperatieve verenigingen kochten levensmiddelen die leden in coöperatieve winkels goedkoop konden krijgen. Ook kwamen er fondsen die een uitkering regelden bij ziekte of overlijden. Andere verenigingen huurden of kochten huizen voor de leden. Winst werd gebruikt voor leeszalen en andere voorzieningen. Deze onderlinge steun en hulp was nuttig, maar de werk- en leefomstandigheden werden niet verbeterd. Dat gebeurde toen er wetten en beschermende maatregelen kwamen, het resultaat van campagnes en activiteiten van sociaal voelende mensen uit hogere klassen: filantropen (weldoeners). Bijna alle kinderen werkten. Er was geen verbod op kinderarbeid en kinderen waren goedkope arbeidskrachten. Ze waren nog niet brutaal en ze konden goed onder machines doorkruipen. De katoenfabrieken, die vaak ver buiten de bewoonde wereld bij snelstromend water lagen, losten arbeiderstekort op door apprenticeship system (leerlingstelsel). Arme kinderen uit weeshuizen werden door plaatselijke overheden naar katoenfabrieken gestuurd. Arbeidsomstandigheden en verzorging van de kinderen waren slecht. Als er door ziekte of mishandeling kinderen stierven, konden die gemakkelijk vervangen worden. Er kwamen wetten om de omstandigheden van ‘leerlingen’ te verbeteren, maar omdat het niet werd gecontroleerd veranderde er weinig. Ook toen fabriek bij en in steden kwamen. In 1830 kwam er een beweging op gang bestaand uit parlementsleden voor de beperking van werktijd van kinderen. Ze schreven een brief die veel indruk maakte en ondanks fel verzet van fabriekseigenaren, kwamen er wetten die kinderarbeid beperkten. Zo moesten kinderen tot 13 jaar naar school, kinderen onder 9 jaar mochten niet in een textielfabriek werken en voor kinderen tussen 9 en 18 jaar golden maximumtijden. Nachtwerk werd verboden. Ook voor vrouwen was door industrialisatie het leven sterk veranderd. Vaak werkten ze in de mills, mijnen of als huishoudster bij rijke gezinnen. Maar omst. waren slecht. In 1840 werd onderzoek gedaan en kreeg men inzicht. Het werk in de mijnen was voor vrouwen zwaar en uitputtend en de mannen die er werkten, waren vaak bijna naakt. Ook vrouwen (soms vanaf 6jaar) waren tot hun middel naakt. De commissie kwam erachter dat de vrouwen werden belast met een dubbele taak: ze moesten hard werken en voor het huishouden zorgen. Van opvoeden en verzorgen van kinderen kwam weinig terecht. De mannen kregen meestal de ‘beste’ banen en werden beter betaald. Gezinnen waren afhankelijk geworden van de inkomens van vrouwen en kinderen. Vaak waren de arbeiders zelf tegen de wetsvoorstellen die vrouwen- en kinderarbeid moest beperken. De beter geschoolde en rijkere vrouwen kregen kritiek op vrouwenarbeid. Er werd een artikel geschreven waarin stond dat vrouwen werden misbruikt in fabrieken. Het bedrijf schrok en verplichtte elke werkneemster een verklaring te ondertekenen waarin stond dat iedereen tevreden was met de werkomstandigheden. Toen een aantal vrouwen weigerde, werden ze direct ontslagen. Als reactie hierop legden 1400 vrouwen het werk neer. Deelvragen: 1. Wat waren de belangrijkste kenmerken van de woon- en werkomstandigheden van de arbeiders in GB tussen 1750 en 1850? 2. Op welke manieren protesteerde men in deze periode tegen deze woon- en werkomstandigheden? 3. Waren deze manieren succesvol en waarom wel of niet? 4. Op welke manier(en) beïnvloedde de industrialisatie het leven van vrouwen en kinderen? Paragraaf 4: ‘Maatschappij en overheid’. Veel mensen vonden het moeilijk om een verklaring te geven voor armoede. Het kwam door de omstandigheden, door factoren waar men zelf geen invloed op had. De fabriekseigenaren betaalden de arbeiders slecht en had hen compleet in hun macht. Door de lage lonen moesten ook vrouwen en kinderen keihard werken, waardoor ze sneller ziektes opliepen en vroeg overleden. Acties haalden weinig uit. Sinds 1601 was er de Poor Law. Die werd in 1834 aangepast, armen kregen geen uitkering. Men vond dat ze daar alleen maar lui van werden. Alleen als je dagelijks werkte in een Wokhouse (Prison of Poor), kon je eten, kleding en onderdak krijgen. Men probeerde het werk in zo’n Workhouse zo onaantrekkelijk mogelijk te maken. Hierdoor zouden alleen mensen die echt niet meer in staat waren zelf werk te vinden, gebruikmaken van de wet. De overheid deed maar weinig aan armoedebestrijding. Laisser faire = ‘zijn gang laten gaan’. Geïnspireerd door liberalisme. De Schot Adam Smith was voorstander van dit principe en wordt gezien als de grondlegger van het liberalisme. Volgens deze politieke stroming is iedereen gelijk. Je moet vrij zijn om te doen wat je wilt, op politiek, religieus en vooral economisch gebeid. Ieder kent zijn eigen belang en wie dat nastreeft draagt daardoor bij aan het algemene belang. Overheidsingrijpen in de economie is nutteloos en schadelijk. De regering moest zorgen voor wetten die de economie stimuleerden, niet beperkten. Maar, eigenbelang mag niet ten koste van alles voorgaan. Door vrijheid en concurrentie zou er vanzelf een evenwicht tussen individuele- en algemene belangen ontstaan. In de 19e eeuw speelden liberalen een grote rol in de Britse politiek. Maar daarna kwam er kritiek op. De problemen van de arbeiders waren zo groot geworden, dat ze die niet meer zelf konden oplossen. Door de problemen die het liberalisme veroorzaakten, ontstonden 2 nieuwe politieke stromingen, communisme en socialisme. Communisten en socialisten wilden juist veel macht aan de staat geven om zo een einde te maken aan de vreselijke werk- en leefomstandigheden van de arbeiders. Grondlegger van communisme was Karl Marx. Zijn wetenschappelijke en politieke ideeën bedacht hij gedeeltelijk samen met Friedrich Engels, een Duitse fabrikantenzoon, die textielondernemer in Manchester was. In 1848 waren er in een aantal Europese landen revoluties uitgebroken die leidden tot meer macht van het liberalisme. Marx en Engels schreven in dat jaar samen het Communistisch Manifest. Een uitvoerige oproep aan de arbeidersklasse om verder te gaan dan de revoluties van dat moment. Het Proletariaat (de arbeiders) moest de volledige macht overnemen om zo een begin te maken met de communistische maatschappij. Die oproep was geen succes, want de groep die hun ideeën steunde was nog maar heel klein. Marx vond dat de bezittende klasse de niet-bezittende klasse onderdrukte, die daar soms tegen in opstand kwamen. De samenlevingen veranderden wel, maar de uitbuiting van de arbeidende klasse door de bezittende bleef. Marx dacht dat in de kapitalistische samenleving van de 19e eeuw de tegenstelling tussen de arbeidersklasse en de bezitters van de productiemiddelen (bourgeoisie) te groot zou worden en leiden tot een revolutie. Die ontwikkeling bestond uit een aantal fasen: 1. Concentratie: de bedrijven worden steeds groter, kleine bedrijfjes worden opgeslokt. 2. Verendelung: de bedrijfseigenaren krijgen het steeds beter, de arbeiders slechter. De leefomstandigheden worden ondragelijk. Het aantal werklozen neemt toe en de lonen dalen. 3. Wereldrevolutie: de arbeidersmassa komt in opstand en die zal zich uitbreiden naar arbeiders in vele landen. De heersende klasse wordt omvergeworpen. 4. Dictatuur van het proletariaat: overgangsfase. Het proletariaat zal tijdelijk de heersende klasse zijn. De staat zou de gemeenschap leiden en beheersen totdat de klassentegenstellingen hemeaal verdwenen waren. De productiemiddelen worden gemeenschappelijk bezit. 5. Heilstaat: de klassen zijn verdwenen, iedereen is gelijk en iedereen geeft en krijgt naar behoeft. Productiemiddelen zijn gemeenschappelijk bezit. Het communisme is ontstaan. Communisme = klassenloze samenleving. Marx verwachtte dat de eerste proletarische revolutie in GB zou uitbreken, omdat daar het kapitalisme en de onderdrukking van arbeiders het sterkst waren. Dit gebeurde echter niet, uit angst en opkomst van socialisme. GB werd rond 1800 bestuurd door de koning en het parlement. Veel parlementsleden (Members of Parliament, MP’s) waren grootgrondbezitter. Zij wilden alleen wetten die voor hen gunstig waren en keken niet naar de arbeiders. Er was geen algemeen kiesrecht. De MP’s werden gekozen door een kleine rijke groep van de bevolking. De leden van het Hogerhuis hadden hun plaats geërfd. Daarom was het voor arbeiders onmogelijk om vertegenwoordigd te worden in het parlement en om hun doelen te bereiken. Uiteindelijk kwam er in 1832 een hervorming (Parliamentary Reform Act). De zetels werden beter verdeeld over de bevolking en meer mensen mochten stemmen. Vrouwen hadden geen kiesrecht. Geschoolde arbeiders hadden in de gaten dat de omstandigheden alleen verbeterd konden worden als de arbeidersklasse over politieke macht zou beschikken. Ze richtten de Charist Movement op, die erg veel aan hang kreeg. Ze eisten actief en passief kiesrecht, eerlijke verkiezingen en meer onafhankelijkheid van de parlementsleden. Maar veel resultaat kwam er niet. Pas 30 jaar later werd het kiesrecht uitgebreid. De socialisten kozen niet de weg van de revolutie, zoals Marx, maar wilden de omstandigheden van de arbeiders verbeteren door hervormingen in het kapitalistische stelsel. Fabriekseigenaren hoefden hun fabrieken niet af te staan aan de staat, maar door sociale wetten werden ze gedwongen de werkomstandigheden te verbeteren. Sociaal-democraten = Bijv. Labour Party, politieke stroming die via een parlementaire weg werkten aan de verbetering van de positie van de arbeiders. Liberalisme: 1. Vrije concurrentie
2. Vrijheid van het individu
3. Nachtwakersstaat
4. Laisser Faire
Staat is verantwoordelijk voor stimulerende wetten voor economie, iedereen moet eigenbelang nastreven en dat leidt tot nastreven van collectief belang. Communisme: 1. Verendelung
2. Revolutie
3. Dictatuur van het proletariaat
4. Gelijkheid
Staat is verantwoordelijk voor betere omstandigheden van de arbeiders. Socialisme: 1. Charist Movement
2. Sociaal-democraten

3. Sociale wetten
4. Kiesrecht
Staat heeft controlerende functie op de arbeiders, moet ervoor zorgen dat er een rechtvaardige samenleving ontstaat, zonder klassenverschillen. Deelvragen: 1. Waarom ontstonden onder invloed van industriële revolutie nieuwe politieke stromingen? 2. Wat waren de opvattingen van liberalen, socialisten over de rol van de staat in de maatschappij? 3. In hoeverre konden arbeiders in GB in de 19e eeuw via politiek hun situatie verbeteren?

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.