Ben jij weleens opgelicht?

Wij doen onderzoek naar online oplichting onder jongeren. Vul de vragenlijst in (ca 5 min) en maak kans op een Bol.com bon van 25 euro (echt waar!)

Hoofdstuk 2: Een trage revolutie

Beoordeling 7.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2512 woorden
  • 21 februari 2004
  • 29 keer beoordeeld
Cijfer 7.2
29 keer beoordeeld

Hoofdstuk 2 Een trage revolutie. argrarische-stedelijke samenleving: preïndustriële maatschappij waarin landbouw, nijverheid en handel de belangrijkste bestaansmiddelen zijn. industriële samenleving: samenleving waarin de industrie overheersend is. productiviteit: (arbeids) productiviteit geeft de verhouding weer tussen de opbrengst van een product en de daarvoor gebruikte hoeveelheid arbeid. nijverheid: productie op kleine schaal in de vorm van handwerk
standenmaatschappij: een maatschappij waarvan de leden door geboorte zijn onderverdeeld in vastomlijnde standen, elk met zijn eigen rechten en plichten(bv het middeleeuwse Europa met geestelijkheid, adel en boeren) geestelijkheid: de mensen die een kerkelijke wijding hebben en deel uitmaken van de christelijke kerk

traditionele samenleving: maatschappij waarin de mentaliteit bepaald wordt door tradities, d.w.z een geheel van opvattingen, waarden, normen en gedrag dat van generatie op generatie vrijwel onveranderd wordt overgenomen
mentaliteit: De gedeelde opvattingen, gevoelens, ervaringen en het gedrag van de mensen
demografische ontwikkeling: veranderingen in geboorten, huwelijken, sterften, ziekten enz; de demografie bestudeert dergelijke gegevens om een beeld te krijgen van de levensomstandigheden in een bepaalde samenleving. agrarische revolutie: snelle toename van de agrarische productie dor gebruik van betere productiemethodes, machines en herverdeling van de grond. arbeidsdeling: specialisatie van arbeid op slechts een onderdeel van een product i.p.v het maken van het gehele product door 1 arbeider. handelskapitalisme: samenleving waarin de handel een zeer belangrijke bron van inkomsten is en waarin de kooplieden de producten overheersen(voor zover de laatste groep voor een voor hen onbekende markt produceert) kapitalisme: economisch systeem dat gekenmerkt wordt door particuliere ondernemingen, privé-bezit van productiemiddelen en het streven naar een zo groot mogelijke winst en een vrije markt
huisnijverheid: de in de woning van een gezin, vaak in opdracht van een koopman-ondernemer, verrichte productie(vooral spinnen en weven)Meestal was de huisnijverheid seizoenarbeid, waarbij man, vrouw en kinderen betrokken waren. mechanisatie: invoering van (automatische) machines in een productieproces
fabriekssysteem: massaproductie met machines die in een fabriek door een centrale kracht(water of stoom) in beweging worden gebracht. naamloze vennootschappen: onderneming waarbij het kapitaal door uitgifte van aandelen bijeen is gebracht. De aansprakelijkheid van de aandeelhouders is beperkt zich tot het bedrag waarvoor is deelgenomen. De leiding van de onderneming is in handen van de directie, die verantwoording schuldig is aan de vergadering van aandeelhouders. arbeidsbeweging: De in de 19e eeuw uit het kapitalistische productieproces voortgekomen beweging van met name fabrieksarbeiders gericht op verbetering van hun positie en van verandering van de maatschappij. Tot de arbeidsbeweging behoren vooral vakbonden, politieke partijen en coöperatieve verenigingen. coöperatieve vereniging: vereniging waarin voor de leden gezamenlijke activiteiten worden verricht: inkoop van levensmiddelen of brandstof, kredietvoorziening, verzekeringen, huisvesting of andere diensten. Een coöperatie kan ook gericht zijn op gezamenlijke productie door leden(bv zuivelcoöperaties) liberalisme: het geheel van ideeën over mens en maatschappij waarbij de vrijheid en individuele ontplooiing centraal staan. Op politiek gebied streeft het liberalisme naar een op een grondwet gebaseerde parlementaire regeringsvorm. Op economisch gebied naar vrijhandel en particulier winststreven. De bemoeienis van de overheid met de samenleving moet tot het minimum beperkt worden. In staatkundig opzicht willen zij de staatsregeling vastleggen in een grondwet, waarin ook alle rechten van de burgers worden gegarandeerd
sociaal democratie: benaming voor de politieke stroming binnen het socialisme die binnen kapitalistische productieverhoudingen via de parlementaire weg verbetering van de situatie van de arbeidersklasse wil bereiken. Ook wel reformisme genoemd Samenvatting: § 1.1 Schotland staat centraal om hoe het verandert van traditionele samenleving naar een industriële. productiviteit was laag: -natuurlijke omstandigheden - gebrek aan kennis en goede werktuigen - kleine bedrijfjes - boeren waren verplicht diensten te verrichten voor de landeigenaar ± 1500 -> Grond van koning, graaf(grondbezitters) of kloosters -> Grondbewerkt: horige boeren met kleine lapjes grond bij boerderij -> Open fields: gebied buiten het dorp dat jaarlijks werd verdeeld in kleine gelijke porties. Ze werden gemeenschappelijk bewerkt,waren niet gescheiden. Per dorp dwingende afspraken over ploegen, zaaien, oogsten. Gemeenschappelijke woeste gronden: boer mocht er vee weiden, plaggen steken, hout sprokkelen, niet jagen. Veel moest worden afgestaan aan de grondbezitter(landopbrengst+vee) er werd vaak honger geleden. Kenmerken van de agrarisch-stedelijke samenleving(1750): 1 Landbouw overheerst armoede en bestaansonzekerheid

2 Spanning tussen tussen omvang v/d bevolking en bestaansmiddelen
3 Bevolking leeft voornamelijk op platteland, weinig kleine steden
4 Enige nijverheid bestond. Energiebronnen: mens/dier, water, wind en vuur. Handwerken was tevens aas van de productiemiddelen(machines) 5 Het was een standenmaatschappij: 1 adel, 2 geestelijkheid, 3 burgers. Na 1400 meer handelaren en rijke burgers in de steden
6 Beperkte communicatie mogelijk(mogelijk niet kunnen lezen of schrijven, geen goede wegen en transportmiddelen) 7 Tradities bepaalde het leven. Normen en waarden, onveranderd; christelijk+veel bijgeloof(heksenvervolgen)Langzaam meer kennis door wetenschap § 1.2 De productiviteit in de landbouw vergrootte: - Meer grond in gebruik door ontginning woeste grond en droogleggen van waterrijk land - Jaarlijks wisselen van gewas en de grond ook een jaar braak laten liggen - Betere graansoorten gekweekt en nieuwe gewassen geïmporteerd (aardappel) - Verbetering van ploeg, hoefijzer, molens en werktuigen
Opbrengstfactor: verhouding tussen zaaizaad en opbrengst

Indirecte agrarische consumptie: Door verhoging van opbrengsten kan er meer worden verkocht aan anderen
Direct agrarische consumptie: Betalen met je opbrengst
Enclosures: grote afgegrensde stukken grond
Deze enclosures waren nodig voor het moderniseren van de landbouw omdat er nu grote bedrijven kwamen die zich specialiseerden in bepaalde producten en die marktgericht werkten. Op deze moderne boerderijen werden nieuwe, moderne machines en werktuigen gebruikt. De agrarische revolutie was gunstig voor de nijverheid en handel want met de nieuwe machines konden ze zich specialiseren in 1 product en het heel snel maken. Ze hadden nu ook genoeg om te verhandelen. § 1.3 Na 1500 kwamen er meer bestaansmogelijkheden voor niet-agrarische beroepen: Er waren minder arbeidskrachten nodig in de landbouw. De boeren hadden genoeg geld van zijn opbrengsten om aan iemand geld te geven in ruil voor een meubelstuk. De nijverheid, het bewerken en verwerken van grondstoffen tot gebruiksartikelen, werd steeds belangrijker. Vooral stof voor kleding. De handel groeide in deze producten. Kenmerken van het handelskapitalisme: - De productiemiddelen waren in het bezit van de koopman-ondernemer - De handwerkers waren arbeiders, die zelf niet meer de werktuigen, grondstoffen en eindproducten bezaten - De koopman-ondernemer organiseerde het productieproces en probeerde daarbij zoveel mogelijk winst te maken

Na 1700 kreeg de groep van rijke kooplieden en ondernemers een grote invloed in de politiek. Handwerkers leefden in eenvoudige en vaak armoedige omstandigheden
Ze waren afhankelijk van de kooplieden en de ondernemers. § 2.1 Highlands(1750): - 40% was bruikbaar voor akkerbouw - klimaat: veel regen en lange, strenge winters - traditionele en inefficiënte landbouwmethodes - geringe transport en communicatie mogelijkheden
vanaf de 18e eeuw: - nieuwe landbouwmethodes - ontwikkeling van industrie, mijnbouw en transport
Lowlands: ferm touns: gehuchten van 10-15 zeer eenvoudige boerderijtjes
eigenaar verpachte het land, pachtcontracten van 3-4 jaar dus geen verbetering van grond of modernere werktuigen, maar de boer had net genoeg om zijn gezin in leven te houden en de pacht te betalen. Open fields: akkers die niet omheind of op een andere manier afgescheiden zijn
Rigs:(runrigs)Stuk grond van de open fields ± 10-15 meter breed

Boer had ellendig bestaan maar de pachters maakten geen winst. Pacht werd betaald in producten en arbeid. Deel van de oogst voor vee(runderen, schapen, kippen, paarden) Sommige mensen moesten weg uit de Highlands. De landeigenaar besloot dan om de mensen te vervangen door schapen(wol, brengt meer op) § 2.2 Improvers: landbezitters die de nieuwe landbouwmethodes en machines invoerden
Boeren moesten van hun grond weg want hun korte pachtcontract was afgelopen en de eigenaars namen boeren aan die voor hogere huur wel op moderne wijze konden en wilden produceren
Boeren op bedrijven veel nieuwe veranderingen: - egaliseren van de ‘rigs’ en afgrenzen van eigen grond(enclosures) - bomen/struiken planten om jonge gewassen/dieren te beschermen - gescheiden houden van dieren en gewassen - nieuwe gewassen verbouwen (aardappelen) - toepassen van vruchtwisseling - afwateren van moerassig land(kreeg je nieuwe landbouwgrond) - verwijderen van stenen en verpulveren van klei(grond beter bewerkbaar) - vruchtbaarheid van de grond verhogen(kalk en gemalen beenderen) - fokken met de meest gezonde dieren - vee in winter op stal zetten en apart wintervoer gebruiken 1750 1850
1zaaien met de hand 1zaaizaadmachine
2traditionele houten ploeg,1 richting gebruiken 2ijzeren ploeg,kantelbaar en 2 richtingen
3eggen door mensen getrokken 3eggen door dieren getrokken
4maaien met zeis en sikkel 4maaimachine
5dorsen met dorsvlegel 5dorsmachine § 2.3 De huisnijverheid was naast de landbouw een noodzakelijke inkomstenbron. De handelaren kochten de stoffen voor een lage prijs in en verkochten het met grote winst
De bevolking groeide erg snel en de mensen konden niet genoeg textiel meer produceren.
§ 3.1 Flying shuttle(Kay):1733, schietspoel waarmee je hele brede stoffen weven kon
Spinning jenny(Hargreaves):1764, spinmachine die 120 draden tegelijk kan spinnen
Waterfame(Arkwright): 1768, sterke garen spinnende spinmachine op waterkracht
de ‘Mule’(Crompton):1779, spinmachine die 1000 draden tegelijk kan spinnen
Power loom(Cartwright):1785, weefmachine in de fabriek
Cotton Gin(Whitney): 1793, spinmachine die katoen sneller ontpit
De machines van Arkwright, Crompton en Cartwright waren te groot voor werk in huis en sterke aandrijfkracht was noodzakelijk,het vervolg: Het fabriekssysteem
De verwerking van katoen werd veel belangrijker dan die van wol want katoen was veel geschikter voor de machines en bovendien goedkoper
De groei van de katoenindustrie stimuleerde de ontwikkeling van de mijnbouw, de ijzerindustrie, de machinebouw en de aanleg van wegen, kanalen en spoorwegen om aan de behoefte aan snel en goedkoop transport van grond- en hulpstoffen en eindproducten te kunnen voldoen. De voordelen van een Naamloos Vennootschap: - Meer kapitaal voor beschikbaar is voor de ontwikkeling van het bedrijf - Bij faillissement beperkt het tot hun aandelen en hoeven zij niet aan alle schulden te voldoen.
§ 3.2 traditionele energiebronnen: - kracht van mens/dier - wind - stromend water
traag en beperkt in vermogen
1698: Savery(1650-1715) bouwde de:’The Engine for Raising Water by Fire’ een stoompompmachine: grondwater dieper uit de mijnen wordt naar boven gehaald. 1712: Newcomen(1663-1729) verbeterde stoompomp, die per minuut 500 liter water tot maximaal 50 meter kon oppompen
Nadelen aan deze machines: Ze werkten gebrekkig want er konden nog geen perfecte ronde cilinders worden gemaakt. De stoompompmachine van Newcomen verbruikte erg veel steenkool dus hij was alleen in mijnen te gebruiken
Watt(1737-1819): bracht verbetering in de stoommachines zodat ze sneller en regelmatiger gingen werken. Hij bedacht een mechanisme waardoor de op en neergaande krachten werden omgezet in een doorgaande en stuwende beweging
De stoommachine van Watt werd in als eerste op grote schaal in de industrie gebruikt omdat hij zoveel bespaarde aan brandstof

De vraag naar steenkool nam sinds 1750 toe omdat dat de belangrijkste brandstof voor de toenemende vraag naar stoommachines steenkool was
De stoommachine betekende veel voor de mijnbouw want ze konden nu het grondwater nu dieper uit de mijnen weghalen, en de kolen werden weer gebruikte voor de stoommachines en de verhitting van ijzererts § 3.3 Transport en communicatie waren rond 1750 erg moeilijk, in de Highlands waren haast geen wegen en geen aanwijzingen waar je heen moest en in de Lowlands waren wel wegen maar bij regen en sneeuw werden die bijna onbegaanbaar
Vanaf 1750 waren er vooral in de Lowlands betere transportmiddelen nodig want de industrie ontwikkelde zich daar erg snel
Engeland kwam in een dicht spoorwegennet te zitten: Railway-Mania (railway-boom) Er kwamen ook passagierstreinen
1844: Britse regering stelt gelijke eisen aan de spoorwegmaatschappijen; ‘Railway Act’ § 4.1 Thuiswerker: hard en lang werken, lage verdiensten, gevoel van persoonlijke vrijheid, je eigen leven enigszins bepalen. Fabriekwerker: Een soort radartje in een enorme machine die dag en nacht doordraaide § 4.2 Steden als Glasgow, Paisley en Edinburgh groeiden na 1750 sterk omdat daar fabrieken en mijnen waren

De levensomstandigheden van de fabrieksarbeiders was uitermate slecht. De arbeiders kregen niet veel geld en werden met zoveel mogelijk mensen in een huis gepropt. Aan het onderhoud van de huizen werd weinig gedaan. § 4.3 De acties voor verbetering van de werkomstandigheden hielpen weinig, de 1e acties waren emotioneel en gewelddadig en de 2e acties werden onderdrukt en er werden zelfs 6 landarbeiders naar Australië gedeporteerd. Robert Owen lukte het om in 1833-1834 een half miljoen te winnen voor het GNVTU( Grand National Consolidated Trades Union) een organisatie voor de arbeiders, deze bleef niet lang bestaan. In 1830 kwam er een beweging op gang voor de beperking van de werkleeftijd van kinderen. Initiatiefnemers: parlementsleden (grootgrondbezitter, bankier, fabrieksdirecteur)leiders van de kerk en van arbeidsverenigingen en Robert Owen. Dit had wel effect en de werktijd en leeftijd voor arbeid werd beperkt. § 5.1 Adam Smith(1723-1790):Hoe groter de economische vrijheid was des te groter de arbeidsverdeling, des te meer zou de productiviteit groeien en daarmee ook de welvaart. Als de economie van een land groeit zou er weer meer kapitaal komen voor nog verdere arbeidsverdeling zodat de productiviteit weer verder kon stijgen. Het was vooral eigen belang en als je dat doet draag je bij aan het algemeen belang. Toch mocht dit volgens Smith niet ten koste van alles gaan. Door vrijheid en concurrentie zou er vanzelf een goed evenwicht tussen belangen van individuen en het algemeen belang ontstaan
Robert Malthus:1766-1834
David Ricardo:1772-1823
19e +20e eeuw hadden de liberalen een belangrijke rol in de politiek, daarna de conservatieven (‘Tories’) of de socialisten (‘Labour Party’) Uitgangspunten van het Liberalisme: Economisch: - Vrijheid van productie*tegen regels van gilden en overheid *tegen hoge belastingen *voor vrije concurrentie en tegen monopolies - Vrijheid van handel *geen of heel lage in-en uitvoerheffingen - Vrijheid van arbeid *tegen regels van gilden *tegen regels over lonen, werktijden, enz. Politiek - Vrijheid om volksvertegenwoordiger en regering te kiezen - Vrijheid om het bestuur te bepalen en een grondwet op te stellen - Vrijheid van meningsuiting, godsdienst en vergadering - Afschaffing van slavernij § 5.2 Volgens Marx was een sociale revolutie in kapitalistische landen onvermijdelijk omdat de socialisten wilden dat de productiemiddelen van de hele gemeenschap zouden zijn en de kapitalisten wilden het als privé-bezit en er zelf winst mee maken. Deze revolutie kwam niet omdat de welvaart van de arbeiders toenam. De politiek probeerde een revolutie te voorkomen en bovendien was er door het kapitalisme een toegenomen productie

De sociaal-democratische partijen in Westerse landen slaagden erin de positie van de arbeidersbevolking te verbeteren, dat kwam omdat ze deel namen aan de regering, of zelfs alleen de regering vormden § 5.3 Groot-Brittannië was rond 1800 geen democratie, de meerderheid van de bevolking had geen kiesrecht. De overheid liet alleen wetten toe die in hun eigenbelang stonden, veel parlementsleden waren grootgrondbezitters, ze lieten dus geen wetten door die hun in de weg zaten ‘Chartist Movement’(1836) People’s Charters: mensen die voor hervorming van het kiesstelsel en het parlement zelf waren: - actief en passief kiesrecht voor mannen - eerlijker verkiezingen - meer onafhankelijkheid van de parlementsleden
pas in 1867 werd het kiesrecht uitgebreid
2e helft van de 19e eeuw sterke politieke partijen: -Liberal Party (‘Wigs’) -> free trade - Conservative Party (‘Tories’) -> groot wereldrijk § 6 Gunstige factoren voor de industrialisatie in Groot-Brittannië: 1 Bossen; hout voor bouw en brandstof
2 Rivieren; transport en waterkracht
3 Omringd door zee; verdediging tegen vijanden, gunstig voor handel
4 Ondernemers; verdienden nog meer geld met nieuwe technieken/producten
5 Wetenschap; Ideeën om de handel te bevorderen
6 Groeiende bevolking; veel goedkope arbeidskrachten
7 Gematigd klimaat; gunstig voor landbouw en textielproductie
8 Goede landbouwgrond; gunstig voor voedselvoorzieningen en wol

9 Kolen en ijzer
10 Krachtig bestuur; een bestuur voor heel het Verenigd Koninkrijk: stabiel en vreedzaam

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.