Hoofdstuk 2

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1573 woorden
  • 3 februari 2009
  • 164 keer beoordeeld
Cijfer 6.9
164 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Maak jij weleens gebruik van de achteraf betalen-optie bij een webshop?

Voor veel jongeren is het de normaalste zaak van de wereld, maar het kan ook risico’s met zich meebrengen. Zo belandde Maura in de schulden: 'Wat begon met achteraf betalen eindigde met een schuld van zo’n 3.000 euro.'

Lees nu het interview
Geschiedenis hoofdstuk 2 – De tijd van Grieken en Romeinen

Paragraaf 2.1 – Wetenschap en politiek in de Griekse stadstaat
Griekenland bestond eerst uit een lappendeken van stadstaten, poleis. Die staten bestonden uit een stad met omringend land. Het was dus een landbouwstedelijke samenleving. Elke stadstaat hadden een eigen leger, munteenheid en onafhankelijk bestuur. Er waren verschillende bestuursvormen: monarchie, regering door één persoon, tirannie, een alleenheerser, aristocratie, regering door een groepje mensen, oligarchie, regering door paar machtige mensen, democratie, regering door het volk. Toen de democratie kwam in Griekenland kregen alle vrije mannen stemrecht. Er kwam ook een volksvergadering waaraan iedere burger kon deelnemen. Maar dat was alleen voor mannen! De volksvergadering besliste bijna alles. Als je de volksvergadering wou leiden moest je een goede spreker zijn. Dat kon je leren bij sofisten, dat waren rondtrekkende filosofen. Filosofen zagen niks in de democratie, ze vonden de massa te dom om mee te beslissen. Ze hadden liever een aristocratie of oligarchie. Plato vond de democratie chaos en dictatuur van lagere klassen. Hij wou een republiek met filosofen aan de macht. Aristoteles en Plato maakten universiteiten in Athene. Filosofen betekent letterlijk liefhebbers van de wijsheid. Zij verwierpen de mythologische verklaringen voor verschijnselen en gingen beredeneren hoe dingen in elkaar zaten. Socrates was zo’n filosoof. Hij geloofde niks tenzij hij het zelf had ontdekt. Ze hebben hem gearresteerd omdat hij kritiek had op de politici maar ze gebruikte het smoesje dat hij de jeugd bedierf met zijn ideeën.

Paragraaf 2.2 – Het Romeinse imperium

De Romeinen veroverden Italië en toen begon de uitbreiding (expansie) buiten Italië. Ze veroverden Spanje, Portugal, Carthago, Macedonië, Griekenland,Turkije, Syrië, Judea, een deel van Arabië, Egypte, Noord-Afrika, Gallië en het alpengebied. Daar maakten ze het Romeinse rijk van. Er was een aristocratie met een senaat. Alleen trokken krijgsheren steeds meer macht naar zich toe. Julius Ceaser deed dat en hij greep de alleenheerschappij. Zijn opvolger Augustus stichtte het keizerrijk. Zijn militaire inspanningen waren gericht op het verdedigen van zijn grenzen. Keizer Hadrianus bouwde een 130 kilometer lange muur om het rijk. Binnen die muren was het Imperium Romanum en daar heerste welvaart, rust en vrede: de pax romana. De Romeinen met hun hardheid, taaiheid, discipline en organisatoren talent maakten een rijk wat werd geregeerd vanuit een punt: Rome! In provincies regeerden gouverneurs vanuit provincie hoofdsteden. Ze gingen belasting vragen voor het leger en de infrastructuur. Nadat ze Hellas (Griekenland) hadden veroverd kwam er een Grieks-Romeinse mengcultuur. De Romeinen waren onder de indruk van de Griekse cultuur. Rome werd zo een beetje Grieks. De Grieks-Romeinse cultuur die zich verspreid noem je ook wel romanisering.

Paragraaf 2.3 – De Grieks-Romeinse cultuur
De Griekse architectuur en beeldhouwkunst was eerst sterk beïnvloed door Egypte. De beeldhouwers gingen nauwkeurig de menselijke anatomie bestuderen en zo gingen ze steeds levendiger lijken. Maar de beelden moesten goden voorstellen met perfectie. Dit werd de klassieke periode genoemd. De tempels werden gebouwd in Dorische stijl, strakke lijnen en zuilen die robuust en sober waren. Later kwam de Ionische stijl, zuilen kregen mooie versieringen. In Athene begonnen ze aan de wederopbouw van tempels en gebouwen die door Perzen waren verwoest. Een voorbeeld daarvan was het Parthenon. Hij werd heel Dorisch neergezet. Eerst konden de Romeinse kooplieden de vraag naar Griekse beelden nauwelijks aan. Zakenlieden kwamen op het idee om in Rome ateliers te maken waar ze kopieën van de beelden hadden. Toen kwamen de Romeinen met een eigen stijl. Ze wouden alles realistisch hebben. Zo weten we goed hoe belangrijke mensen eruit zagen. De bouwkunst was ook heel mooi, met Griekse invloed.

Paragraaf 2.4 – Romeinen en Germanen
Veel Germaanse stammen werden veroverd door Caesar.Er kwamen Keltische stammen met een gemeenschappelijke taal en cultuur. Toen wou Keizer Augustus zijn rijk uitbreiden tot aan de Elbe, maar de Germaanse stammen hielden ze tegen en de Romeinen trokken zich terug. De Germanen deden aan landbouw en dreven handel. De Romeinen noemden heb barbaren, zoals elk volk waarvan ze de taal niet verstonden of de cultuur niet begrepen. Veel Germanen kwamen in het Romeinse leger. Maar Germanen kwamen het Romeinse rijk binnen en stichtten daar koninkrijken en gingen de oorspronkelijke bevolking overheersen, maar ze namen wel de Romaanse talen en gewoonten over. Ze bewonderden de Romeinen en wouden de cultuur alleen overnemen.

Paragraaf 2.5 – Jodendom en christendom
Joden waren monotheïstisch en geloofden dus in één god. De joodse heilige boeken zijn de TeNach. Abraham was de oprichter van het monotheïsme. God deed aan hem de belofte dat heel Kanaän voor hem was en dat hij hun God zal zijn. Maar ze trokken naar Egypte. Ze woonden en werkten daar tot de farao hen tot slavernij dwong. Samen met profeet Mozes gingen ze terug naar Kanaän. Op de berg Sinaï kreeg Mozes de wetten, waaronder de tien geboden. Na Mozes kwamen er meer profeten. De joodse stammen kwamen samen in Israël. Maar dat koninkrijk viel uiteen. Een deel werd Juda. De joden kregen toen vreemde overheersers en tijdens de Romeinse overheersing raakten ze verstrooid over het hele Romeinse rijk. Maar de Messias zou komen en hen verlossen van die overheersers! Toen kwam in Judea een man die naastenliefde eerde en het opnam voor armen en zieken. Volgelingen dachten dat Jezus de Messias was. De Romeinen arresteerden hem omdat ze een opstand vreesden. Ze kruisigden en begroeven hem maar hij stond op. Daardoor dachten de volgelingen dat hij zeker de zoon van God was. Die volgelingen werden de christenen. Prediker Paulus beweerde dat de christenen zich niet aan joodse wetten hoefden te houden. De verhalen over Jezus werden opgeschreven en doorverteld, ze werden opgeschreven in het Nieuwe Testament, het tweede deel van de bijbel. Het oude deel van de TeNach werd het Oude Testament genoemd. Veel Christenen werden vervolgd omdat ze de keizer niet vereerde. Maar uiteindelijk werd het de staatsgodsdienst. Dat was omdat er dan meer eenheid zou komen. Ze geloofden in één God met drie verschijningsvormen. Vader, Zoon en Heilige Geest. Als je hem zag als één verschijning werden veroordeeld als ketters.

Begrippen

- Burgerschap – inwoner van een stad of staat die de burgerrechten bezit, in Athene waren dat vrije volwassenen mannen.
- Christendom – Godsdienst waarin naastenliefde centraal staat.
Imperium – Latijn voor bevel, heerschappij. Betekend ook wel groot rijk. Het veroveren van een groot rijk wordt imperialisme genoemd.
- Jodendom – God beloont volgend Joden wie zijn geboden nakomt en straft wie ze overtreedt. In de TeNach staan de geschiedenis van de joden en de joodse wetten.
- Klassiek – Alles wat tot Griekse of Romeinse oudheid behoort. Met de klassieke cultuur wordt de Grieks-Romeinse cultuur bedoeld. Er wordt ook mee bedoelt: dat wat uitstekend is.
- Monotheïsme – Godsdienst met één god. Tegenstelling van polytheïsme.
- Politiek – Alles wat te maken heeft met het bestuur van een staat.
- Stadstaat – Staat die bestaat uit een stad met omliggende gebieden.
- Wetenschap – Wat mensen weten en wat door geleerden wordt onderzocht. Als je verschijnselen op een logische manier probeert te verklaren.
- Aristocratie – Regering van de besten.

- Barbaar – Een buitenlander met negatieve bijbetekenissen als onbeschaafd, ruw en wreed volgens de Grieken en Romeinen.
- Bijbel – Het heilige boek van de christenen.
- Christelijke jaartelling – Jaartelling waarbij de jaren worden geteld vanaf het jaar dat Christus is geboren.
- Democratie – Regering door het volk. Athene had de eerste democratie.
- Joodse jaartelling – Jaartelling die begint bij het jaar dat God de wereld zou hebben geschapen en dat is 3760 v.C.
- Landbouwstedelijke samenleving – Ook wel agrarisch-stedelijke of agrarisch-urbane samenleving genoemd. Een samenleving waarin de meerderheid op het platteland woont en in landbouw werkt en een minderheid in de steden woont. In grote rijken van de oudheid en in Griekse stadstaten was dat zo.
- Monarchie – Alleenheerschappij, zoals met een koning of keizer.

- Oligarchie – Regering door weinigen van bevoorrechte klassen. Buiten die groep heeft NIEMAND invloed op het bestuur.
- Romanisering – Beïnvloeding van volkeren door Grieks-Romeinse cultuur.
- Tirannie – Regering door een tiran. Iemand die zich op onwettige wijze van de regering meester had gemaakt. De heerschappij kenmerkt zich door geweld. Willekeur en wreedheid.

Jaartallen
- 3 000 v.C. tot 500 n.C. = tijd van Grieken en Romeinen.
- 3 000 v.C. = uitvinding van spijkerschrift en hiërogliefenschrift.
- 1 750 v.C. = Abraham reist van Irak naar Israël/Palestina.
- 1 000 v.C. = De joodse stammen komen bij elkaar in het koninkrijk Israël.
- 926 v.C. = Het joodse rijk vervalt weer.
- 754 v.C. = Rome wordt gesticht.
- 525 v.C. tot 331 v.C. = Perzische rijk.
- 507 v.C. = Begin democratie in Athene.
- 447 v.C. tot 432 v.C. = Bouw van het Parthenon.

- 399 v.C. = Socrates wordt gearresteerd.
- 331 v.C. = Alexander de Grote verovert het Perzische rijk.
- 307 v.C. = Atheense democratie vervalt.
- 148 v.C. = Rome verovert Macedonië.
- 48 v.C. = Ceaser wordt alleenheerser van Rome.
- 30 v.C. = Egypte wordt Romeinse provincie.
- 26 v.C. tot 476 n.C. = Romeinse keizerrijk met in het begin - Augustus als alleenheerser.
- 9 n.C. = Germaanse stammen komen in opstand en Romeinen laten ze met rust.
- 26 n.C. = Jezus kwam.
- 30 n.C. = Jezus werd gearresteerd en gekruisigd.
- 312 n.C. = Christenen kregen godsdienstvrijheid.
- 394 n.C. = Christendom wordt Romeinse staatsgodsdienst.
- 395 n.C. = Splitsing van Romeinse rijk.

- 5e eeuw v.C. = Romeinen veroveren Italië.
- 3e eeuw v.C. = Romeinen gaan rijk uitbreiden buiten Italië.
- 2e eeuw v.C. = Romanisering begint.
- 2e eeuw v.C. = Volgelingen van Christus worden christenen genoemd.
- 1e eeuw v.C. = De Germanen krijgen te maken met Romeinen.

REACTIES

L.

L.

ik vind dit echt een super samenvatting! Ik heb hem gebruikt en ga hem zeker later nogmaals gebruiken bedankt!

12 jaar geleden

S.

S.

Best wel een goede tekst alleen een beetje ingewikkeld maar dat komt wel goed! Super Bedankt<3

12 jaar geleden

L.

L.

Echt heel fijn... hij werkt egt super alleen staan in mijn boeken een andere nummering:$ Geen idee, nouja pech:p Het klopt volgens mij wel allemaal! Super Bedankt ga ik zeker vaker gebruiken, een aanrader! -xxx- Bedankt!

12 jaar geleden

A.

A.

hele mooie samenvatting

6 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.