Hoofdstuk 1, Latijns-Amerika, Sfinx

De hoofdvragen van het hoofdstuk

1. Welke vormen van contact ontstonden er na 1500 tussen West-Europa en de andere werelddelen, en waarom kregen zij deze vorm?
2. Welke vorm hadden de contacten tussen West-Europa en Latijns-Amerika?
3. Hoe verliep het proces van wederzijdse beïnvloeding tussen de indiaanse en West-Europese cultuur, en welke rol speelde beeldvorming daarbij?
4. Hoe en waarom ontwikkelde zich een nieuwe afhankelijkheidsrelatie tussen de Verenigde Staten en Latijns-Amerika?

De Europese expansie

De verspreiding over de wereld van de Europeanen, en de kolonisatie door hen, begon door Portugezen die Afrika verkenden. Ze hadden 3 motieven:
- nieuwsgierigheid naar onbekende werelden
- verspreiding van het Christelijk geloof
- handel met Azië
Veel uitwisseling van landbouwproducten zorgde voor stijging van de totale voedselproductie.
Tussen Europa, Afrika en Amerika bloeide een driehoekshandel op. Er waren drie vromen van Europese aanwezigheid
- Ze hadden handelsposten, hier was sprake van imperialisme want het bestuur werd overgenomen.
- Er waren vestigingskolonies. Een kolonie = volksplanting buiten het territorium van een land. Volksverhuizingen waarbij de nieuwkomers weinig belasting betaalden en langzaam een eigen samenleving oprichtten, los van het moederland. Zoals in Indonesië.
- Plantagekolonies. Hier vestigden zich kleine groepen Europeanen met als doel op grote schaal te verbouwen. De productie is geheel gericht op export naar Europa.
De eerste missionarissen in Amerika, wilden dat de indianen christelijk werden. Omdat de oude geloofsovertuigingen niet zomaar waren uit te roeien ontstond er een nieuw soort christendom wat kenmerkend was voor beide religies: het syncretisme.
De missionarissen zorgden overal voor priesters. Sommige priesters waren echte beschermers, anderen traden op als uitbuiters en behandelden de indianen als slaven.
Rijkdommen, en vooral zilver (belangrijker dan goud), gingen naar Spanje. Ook heel veel gewassen kwamen van Afrika en Azië naar Europa (maïs, rietsuiker, rijst).
De uitwisseling en verspreiding van gewassen over de hele wereld heet de Columbian Exchange. Ook werd er nieuw vee geïntroduceerd.
In Mexico, Guatemala en Peru was een standenmaatschappij.
Je had er een indiaanse en een Spaanse stand. De indiaanse edelen stonden eigenlijk dichter bij de Spanjaarden dan de indianen van ‘gewone’ komaf. Ook in de Spaanse stand zat een verschil, je had de elite en je had creolen (de nakomelingen van de Spaanse migranten) en zij hadden een kleien kans op een goed belangrijk beroep.
De indiaanse culturen verdwenen niet door de komst van de Spanjolen. Maar er gebeurde wel wat met de samenleving. DE bestuurlijke top werd voor de Spanjaarden. Ook in de landbouw en de godsdienst was de Europese invloed merkbaar. De invloed van de Spaanse cultuur was het sterkste in de steden; daar woonden de meeste Spanjaarden. In Latijns-Amerika ontstond een nieuwe cultuur van een mengeling:
Indiaans en Spaans, met een beetje Afrikaans (dit brachten de slaven mee). Dit heet mestizering of culturele synthese. De koloniale cultuur heet een mestizen-cultuur.
Standenonderscheid bleef echter bestaan.
Landen keren zich af van hun moederland. In 1810 wordt Argentinië onafhankelijk van Spanje. Chili en Mexico willen dat ook; er breken opstanden uit maar deze worden de kop ingedrukt. De verschillende oorzaken voor het uitbreken van opstanden tegen het Spaanse bewind waren:
Op de lange termijn, de labiele situatie van de politiek. Verschillende opstanden, aanhangers, leiders en ideeën zorgen voor chaos. Vanaf 1750 was de bevolking gegroeid en er was weinig grondgebied, behalve voor de haciënda-eigenaren. Dit waren grootgrondbezitters.
De Europese Spanjaarden hadden een betere positie. De creolen, die zich helemaal niet Spaans voelden, werden juist benadeeld. Deze creolen vonden de Spanjaarden maar arrogant en leidden verschillende guerrillabewegingen.
Op de korte termijn was er na 1800 een economische crisis. Ook was Spanje in oorlog met Napoleon. Hij won, en stelde een nieuwe koning aan voor Latijns-Amerika. De Spanjaarden waren aan hem gehoorzaam, maar de creolen bleven liever onafhankelijk. De politieke revoluties tussen 1810 en 1825 waren tussen creolen en Europese Spanjaarden. Hierna werd de Spaanse elite vervangen voor een creoolse top.
In de 19de eeuw hadden de nieuwe Latijns-Amerikaanse staten grote problemen. Ze waren wel onafhankelijk nu, maar
- Er waren slechte verbindingen (infrastructuur) binnen staten
- De Spaanse bestuurders waren vertrokken
- Investeerders trokken hun kapitaal terug
- Arbeidskrachten vluchtten voor geweld en uit onzekerheid.
Er was veel sociale ongelijkheid. Er was geen gemeenschappelijke grond meer en de haciënda’s bezaten het grootste deel. Dorpen verloren hun land doordat de grootgrondbezitters deze kochten en de dorpelingen moesten maar voor ze gaan werken.
De onafhankelijkheid was er, maar er was geen gemeenschappelijk doel.
De rebellenleiders wilden de macht naar zich toetrekken. Er waren caudillos,
dat waren lokale militaire machthebbers, met macht en aanhang in hun thuisbasis. Caudillos kregen veel steun van hun aanhangers want ze hadden charisma en beloofden hun mensen veel. De hoogtijdagen van de caudillos lagen tussen 1825 en 1875.
Tussen 1820 en 1979 werden er in heel Latijns-Amerika
- 237 grondwetten aangenomen
- 270 staatsgrepen gepleegd
- 911 presidenten kwamen op een illegale manier aan de macht.
Alle staten hebben een dictatuur gekend. Alleen Colombia werd niet getijsterd door staatsgrepen. Vanaf 1980 kwamen er pas vaker presidenten op een democratische wijze aan de macht.

De Verenigde Staten

In 1783 werden de VS onafhankelijk van Engeland. Ze slaagden erin om industrieproducten op de markt te brengen, het was een sterk groeiende economische politieke macht. In tegenstelling tot de Zuid-Amerikaanse landen,
want zij waren vaak afhankelijk van één exportproduct (suiker of olie ofzo). De wereldmarkt had daarom direct invloed op hun economie.
Neo-kolonialisme = de blijvende invloed van westerse landen in ex-koloniën
Monroe-doctrine = de republieken van Latijns-Amerika werden door de VS erkend als onafhankelijke staten. Deze regel stond afwijzend tegenover Europese inmenging, het was de bedoeling dat Europa zich niet meer met de achtertuin van de VS bemoeide. Zelf grepen de Verenigde Staten wel in, bijvoorbeeld als hun eigen economische belangen in Latijns-Amerika op het spel stonden.
Aan het eind van de 19de eeuw groeide de invloed van Europa in Azië en Afrika.
In Latijns-Amerika groeide de invloed van Amerika.
De VS steunden onafhankelijkheidsbewegingen in Panama, Cuba en Puerto Rico, in ruil voor economische toezeggingen. De Kanaal Zone, een gebied in Panama waar een kanaal gegraven werd, werd heel belangrijk voor de wereldhandel en de invloed van de VS.
De steun van de Verenigde Staten aan de Latijns-Amerikaanse landen was vaak voor de economische belangen van de VS. De VS hielp regimes die haar goed gezind waren en werkte de anti-Amerikaanse groeperingen tegen.
De economie speelde dus een belangrijke rol, maar na WOII ook de politiek: De VS was bang voor het communisme, en hoefde geen Russische invloeden in haar achtertuin.
Midden 19de eeuw kwam Frankrijk opeens Mexico binnen om schulden terug te eisen. Spanje en Engelend deden dat toen ook. Zij trokken zich weer terug toen de schulden geïnd waren, maar Frankrijk bleef tot 1867 nog even de baas spelen in Mexico.
Rond dezelfde tijd had Mexico ruzie met de Verenigde Staten over grondgebied. Gebied werd door de VS ingelijfd en de grens werd naar onderen verschoven. In 1914 en 1916 bemoeide de VS zich ook nog met het verzet in Mexico: daar werd een dictator afgezet, die juist een goede vriend van ze was. Het gevolg was dat Mexico zich ging verzetten tegen Amerika.
De Latijns-Amerikaanse landen verwelkomden buitenlandse investeerders, omdat zij hun economie op poten zetten. Tot aan de crisis van 1929 had dit, samen met deelname aan de wereldeconomie, grote welvaart gebracht.
Ook was de steun van de VS op politiek gebied bij sommige regimes gewoon nodig. De politieke bemoeienis was zowel gunstig voor de VS als voor de Latijns-Amerikaanse landen (bijvoorbeeld Panama). Behalve dan voor anti-Amerikaanse of communistische partijen, die werden tegengewerkt (wat ook ten behoeve van de Verenigde Staten was).
Door de crisis en de eenzijdige productie van grondstoffen kelderde in 1929 de inkomens en hiermee de welvaart in Latijns-Amerika.
In Argentinië verloren politieke partijen het vertrouwen van de bevolking. Pas na WOII kwam de sterke man die ze nodig hadden: Juan Peron. Zijn bewind was populistisch.
Populisme = een regime dat sterk steunt op aanhang uit het volk. De steun word verworven door een charismatische leider die van alles belooft, zoals een caudillo.
Peron ging aan de slag met de industrialisatie en was erg populair over de arbeiders. Hij wierp zich op als beschermer van de arbeiders en de descamisados (armste mensen).
Hij ontpopte zich als een dictator. Zijn vrouw Eva/Evita trok de liefdadigheid naar zich toe en was erg geliefd. Perons politiek was antibuitenlands, hij stimuleerde de eigen industrie en hoopte zo minder afhankelijk te zijn van Europa en de VS. Dit heet importsubsidie.
In de jaren 70 liep het mis: voor het opzetten van een eigen industrie waren namelijk investeringen nodig. Sinds 1980 wordt er weer actief deelgenomen aan de wereldeconomie. Ook is er een regionale handelsmarkt opgericht, een soort Europese Unie van Latijns-Amerika. Dit is om de lokale economie te stimuleren en minder afhankelijk te zijn van Europa en de Verenigde Staten.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.