Jongens gezocht!
We zoeken nog een aantal examenkandidaten die (voor moneys) hun frustraties, verdriet, of blijdschap willen uiten na afloop van de examens. Solliciteer voor 3 maart als eindexamenvlogger!

Meedoen

Hoofdstuk 1

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1470 woorden
  • 22 oktober 2014
  • 18 keer beoordeeld
Cijfer 7.4
18 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij een maatschappelijke studie?

Misschien is een studie Sociologie of Antropologie dan wel iets voor jou! Bij beide opleidingen ga je aan de slag gaat met maatschappelijke vraagstukken. Wil jij erachter komen welke bachelor bij jou past? Kom in maart proefstuderen aan de VU.

Meer informatie
  • De overgang van jagers naar boeren was tussen 9000 en 6000 v.Chr.
    • Dit was in het gebied dat de ‘vruchtbare halvemaan’ wordt genoemd
    • Rond 7000 v.Chr. verspreidde de landbouw zich naar Noord-Afrika en in 6000 v Chr.
      naar Europa.
  • Homo Habilis (eerste mens) was jager-verzamelaar al 2,5 miljoen jaar geleden in Afrika.
    • Onze soort (homo sapiens) ontstond 140.000 v.Chr. ook in Afrika
    • Rond 80.000 v.Chr. trok hij naar Azië, in 40.000 v.Chr. naar Europa.
      • Destijds bestond Europa uit kale, open zandvlaktes met hier en daar bomen.
      • In het koude klimaat joeg men op mammoeten.
      • Toen de temperatuur steeg, stierf de mammoet uit en er kwamen rendieren.
  • Jagers-verzamelaars waren bijna altijd nomaden: ze trokken rond.
    • Ze woonden in grotten, hutten of tenten, gemaakt van dierenhuiden
    • Als mannen voor langere tijd gingen jagen sloegen ze een kamp op.
    • Ze leefden in groepen van 20-30 personen. Mannen jagen, vrouwen bieden zorg.
    • Groepen dreven onderling handel en ruilden producten.
  • Homo sapiens maakten in verhouding met zijn voorganger betere gereedschappen en wapens.
    • Ze beschikten over de vuursteen, over bijlen en andere wapens.
  • Er ontstonden grotschilderingen in Zuid-Europa met bizons, paarden en mammoeten.
    • De kunstenaars leefden in de prehistorie, want zij kenden het schrift nog niet.
  • De overgang naar een boerenbestaan was een belangrijke gebeurtenis.
    • Dit kwam door de klimaatveranderingen, het werd warmer en er viel meer regen.
      • Hierdoor werd de grond vruchtbaar, waardoor er planten konden groeien.
      • De natuur leverde voedsel, men kon langer op een plek blijven.
    • Maar volgens Hureyra was er plotseling een droogte, wilde granen stierven uit.
  • Bij deze overgang spreken we van de agrarische revolutie.
    • Vanaf nu zette de mens de natuur naar haar hand.
    • Mensen konden op een plek wonen, door de landbouw (sedentair bestaan)
  • Door het voedseloverschot nam de bevolking toe, boerendorpen konden ontstaan.
  • Rond 7500 v.Chr. begonnen mensen met veeteelt, eerst alleen voor vlees, later ook melk.
    • Door de agrarische revolutie ontstaan er sociale verhoudingen.
    • Mensen konden bezittingen ruilen, de ene boer had daarin meer succes dan de ander.
      • Zo ontstonden verschillen in macht, rijkdom en aanzien.
  • Deze nieuwe levenswijze stimuleerde de uitvinding van allerlei nieuwe technieken.
    • De gepolijste stenen hakbijl was zo scherp dat er bomen mee afgehakt werden
      • Akkers konden zo worden aangelegd of worden uitgebreid.
  • Het neolithicum, de nieuwe steentijd, kreeg haar naam door de stenen gereedschappen.
    • Een volgende stap was het toenemende gebruik van metaal en wapens.
    • Eerst was brons het meest gebruikt, later werd dat het hardere ijzer.
    • 3000 v.Chr. werd de bronstijd van de ijzertijd genoemd.

 

1.1– Het ontstaan van steden

 

  • Ur was een van de eerste steden ter wereld. Steden ontstonden 3300 v.Chr. in Soemerië. (Irak)
    • Het ontstaan heeft te maken met de vruchtbare grond.
    • Die dankte het gebied aan de overstromingen van de rivieren Tigris en de Eufraat.
      • Elk jaar bleef er een laagje slib achter.
      • Om te profiteren moesten boeren hun akkers wel kunstmatig irrigeren.
      • De zomers waren lang, heet en droog.
      • Boeren legden dijken aan en legden kanalen en waterreservoirs aan.

 

 

  • De overvloedige oogsten hadden belangrijke gevolgen:
    • Bevolkingsgroei leidde tot het ontstaan van steden.
    • Niet iedereen hoefde meer boer, ontstaan nieuwe ambachten. (smid of kleermaker)
    • Handelswaar werd beschikbaar, het beroep van koopman ontstond.
      • Hij trok met dadelwijn en aardewerk naar Syrië en India.
      • Hij keerde terug met steen, hout en metalen.
      • Kooplieden vormden een welvarende en invloedrijke groep.
    • Een andere groep specialiseerde zich in contact met God; priesters.
  • Zo ontstond in de stedelijke samenleving een arbeidsverdeling.
  • Bovendien kwamen er ook sociale lagen, die verschilden in rijkdom en macht. (boeren onder)
  • Steden hadden natuurlijk ook goede bestuurders nodig.
    • Soemerische stadsbestuurders moesten orde handhaven en de stad beschermen.
    • Deze machtige leiders werden tot koning gekroond en hun positie werd erfelijk.
    • De koning voerde het bestuur uit met behulp van ambtenaren.
  • Ambtenaren hielden de administratie bij, stelden wetten op en controleerden de belasting.
    • Maar zij zorgden ook voor begrafenissen en dergelijken.
  • Na het ontstaan van steden in Soemerië, kwam het in Egypte ook op gang.
    • Omstandigheden waren gelijk; klimaatverandering, slib door rivier de Nijl.
    • De landbouwproductie steeg door kanalen en dijken, voedseloverschot ontstond.
    • Tussen 2700 v.Chr. en 300 v.Chr. verschenen ook in China, India en Mexico complexe stedelijke samenlevingen.
  • De opkomst van steden in Soemerië hing samen met het ontstaan van de taal en het schrift.
    • Rond 3300 v.Chr. ontstond het schrift, tijdens het ontstaan van de eerste steden.
    • Het schrift was vooral belangrijk voor het bestuur, elkaar bereiken.
  • In Soemerië vormde de tempel het centrum van elke stad.
    • Tempels vroegen een bijdrage voor onderhoud en offers.
    • De tempelcomplexen groeiden uit tot machtige organisaties.
  • Het oudste schrift bestond uit tekeningen die later werden vervangen door tekens.
    • Omdat tekens op spijkers lijken, word het Soemerische schrift spijkerschrift genoemd.
    • Hierdoor verlieten de Soemeriërs als eerste de prehistorie.
  • Rond 3000 v.Chr. werd in Egypte het hiërogliefenschrift ontwikkeld.
    • Het werd in Nederland pas omstreeks 50 v.Chr. gebruikt door komst van de Romeinen.
  • Het schrift bleek van grote waarde, overeenkomsten werden gesloten in contracten.
  • In Egypte, China en Amerika was het schrift waarschijnlijk er vooral voor religieuze functie.
    • Mensen konden hun kennis en gevoelens makkelijker overdragen aan nieuwe generatie
  • Het schrift is daarmee een essentieel onderdeel van de menselijke cultuur geworden!

 

1.2– Machtige rijken in het Midden-Oosten

 

  • De tempel (tegenwoordig genoemd Aboe Simbel) was uitgehakt in een rotswand.
    • De bouw duurde jaren, hij zorgde voor voedsel en onderdak voor de werkers (bestuur).
    • Ramses II heeft zich ten onrechte laten afbeelden als de winnaar in de slag van Kadesh.
  • Aboe Simbel bevond zich aan de zuidelijke grens van een groot Egyptisch rijk.
    • Dit rijk was ontstaan in 3100 v.Chr. door de vereniging van de gebieden rond de Nijl onder leiding van Menes. Het werd de eerste staat ter wereld (lang voor Ramses II)
  • Een staat is een afgebakend gebied met een centraal bestuur.
    • Dorpen en steden moesten zich houden aan het beleid van de farao
  • Een staat heeft een rechtssysteem met regels van de rechtelijke macht.
    • Steden en regio’s hebben elk hun eigen rechtbank, geleid door ambtenaren en burgers.
      • Voor ernstige misdrijven (zoals moord) werd de farao zelf ingeschakeld.
    • De overheid heeft geweldsmonopolie: alleen de overheid mag geweld gebruiken.
  • De farao was ook verantwoordelijk voor de verdediging van de grenzen van de staat.
    • De farao liet dit over aan zijn onderdanen, die het volgens hem voortreffelijk deden.
  • Maar in werkelijkheid waren deze gevechten hevig en waren ze niet onverslaanbaar.
  • Voor het bestuur beschikte de farao over ambtenaren.
    • Alleen al voor de landbouw had hij er ontzettend veel nodig.
    • Na iedere overstroming (de Nijl) moesten ze de akkers opmeten en opnieuw verdelen.
    • De boeren moesten ieder een deel van hun oogst aan de farao schenken.
      • Daarmee betaalde hij zijn ambtenaren.
    • Omdat de ambtenaren onmisbaar waren, betaalde hij hen goed.
  • In Mesopotamië ontstond de eerste staat pas 1000 jaar na Egypte.
    • Rond 2000 v.Chr. veroverde de koning van Babylon omliggende steden.
      • Hij stichtte het Babylonische Rijk, dat bijna geheel Mesopotamië besloeg.
    • Mesopotamië was moeilijk te verdedigen, waardoor andere volken de macht grepen.
    • Terwijl in Egypte de machthebber 3000 jaar standhield.
  • Geen enkele farao heeft zulke bouwwerken neergezet als Ramses II.
    • De farao in Egypte werd beschouwd als een god, de zoon van zonnegod Re.
  • De Egyptische godsdienst was polytheïstisch (vereren van meerdere goden).
    • Iedere God had zijn eigen functie.
    • Horus (god van de hemel en koning der goden) en Osiris (god van het dodenrijk).
    • Uit verhalen kunnen we opmaken hoe de Egyptenaren dachten over dood en schepping
    • Re (zonnegod) ging iedere dag met een gouden boot langs de hemel voor het zonlicht.
  • Een belangrijk kenmerk van de Egyptische godsdienst is het leven na de dood.
    • Hierin speelt Osiris een belangrijke rol (hij besloot of je naar hemel of hel ging).
      • Viel het oordeel gunstig uit, dan zou je gelukkig leven in het hiernamaals.
      • Viel het oordeel niet gunstig uit, dan werd je verslonden door een monster.
  • Als een farao werd toegelaten in het hiernamaals, werd goddelijkheid verzekerd.
    • Vanuit piramides zouden de farao’s makkelijker kunnen opstijgen naar het dodenrijk.
  • De goddelijke status van de farao legitimeerde zijn macht.
    • Tegelijkertijd kreeg hij de plicht om te bemiddelen tussen bevolking en goden.
      • Dit liet hij vaak over aan de priesters.
  • Ook in het Mesopotamische Rijk waren koningen opperpriesters, maar geen goden.
    • De belangrijkste goden waren;
    • Anu; god van de hemel – Enlil; god van de wind – Enki; god van het water.
    • De Mesopotamiers geloofden dat het hiernamaals een stoffige, grijze onderwereld was.
  • Farao’s werden vaak afgebeeld met gezin, ouders naast elkaar met kinderen ertussen.
    • 1 farao week af van deze traditie.
    • Hij wilde nog maar 1 god aanbidden, een zonneschijf met de naam Aton.
    • Hij veranderde zijn naam in Akhenaten (de levende geest van Aton).
    • Hij liet een compleet nieuwe stad bouwen met zijn eigen regering.

 

 

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.