Hoofdstuk 1
Tijdvak: Tijd van Jagers en Boeren tot 3000 voor Christus
Periode: Prehistorie

Kernbegrippen:
• Agrarisch Betrekking hebbend op de landbouw.
• Cultuur Geheel van voortbrengselen van een gemeenschap.
• Jager-verzamelaars Groep mensen zonder vaste woonplaats die leeft van
jacht en het verzamelen van gewassen.
• Landbouw samenleving Maatschappij waarin het natuurlijke milieu wordt
aangepast ten behoeve van de productie van planten
en dieren voor menselijk gebruik.
Paragraaf 1
In de tijd van jager-verzamelaars was de voedselvoorziening een dagtaak, waaraan iedereen meewerkte. Dat is nu niet meer zo. Maar zowel voor de mens in de Prehistorie als voor de moderne mens is voedsel heel belangrijk.
Paleoantropologen zijn wetenschappers die onderzoek doen naar de oorsprong en ontwikkeling van mensachtigen en de mens.
Zij proberen een beeld te krijgen van de menselijke evolutie door de eeuwen heen.
Ze nemen aan dat de eerste mensachtige zes miljoen jaar geleden zijn ontstaan in Afrika en afstammen van de apen.
De evolutietheorie zegt dat er in de Prehistorie verschillende geslachten van mensachtigen. Na verloop van tijd stierven bepaalde geslachten uit, terwijl andere zich verder ontwikkelen.
Creationisten zijn mensen die geloven dat de aarde en alles wat hierop leeft het gevolg is van een gecreëerde Schepping. Dit is het werk van God “of van meerdere goden”.
In de eerste helft van de twintigste eeuw vonden de meeste archeologen dat het categoriseren (indelen) van de Prehistorie in ‘culturen’ hun belangrijkste taak was.
In de jaren ’60 vonden steeds meer archeologen dat hun taak veel breder was dan slechts het beschrijven van prehistorische culturen als een verzameling van vondsten. Archeologen vonden dat ze dienden te onderzoeken hoe de natuurlijke omstandigheden veranderden en op welke wijze de mensen zich daaraan aanpasten om te overleven. Deze nieuwe opvatting over het doel van archeologie heet New Archeology.
In 1989 deed een team van Israëlische archeologen een ontdekking.
Door een aanzienlijke daling van de waterspiegel van het Meer van Galilea, kwam een oever droog te staan. Daar werden sporen gevonden van een kamp van jager-verzamelaars. De groep mensen die hier leefde werden tot de Ohalo-cultuur gedoopt.
Aan de rand van het meer troffen de archeologen sporen aan van een aantal ronde hutten. Het hout zelf was bijna helemaal vergaan. Maar in de grond waren verkleuringen te zien, die precies de contouren van de hut aangaven.
De mensen van de Ohalo-Cultuur leefden van het verzamelen van vruchten en noten én van de jacht en de visserij.
De mannen jaagden in kleine groepen. De groepsgrootte werd bepaald door de carrying capacity (draagkracht) van een gebied.
Een jager-verzamelaar had voor zichzelf tien vierkante kilometer begroeid gebied nodig om te kunnen overleven.
Bij een te klein gebied en een te groot aantal mensen raakten de voedselbronnen uitgeput. Mensen stierven van de honger of de groep trok verder. Sommige archeologen denken dat dit probleem ook wel werd ‘opgelost’ door het uitmoorden van een deel van de bevolking.
Sommige culturen bouwden een basiskamp op. Vanuit dit kamp ging de groep op jacht. Nadat het gebied was ‘leeggeroofd’, trok men weg en bouwde men op een andere locatie een nieuw basiskamp.
Andere gemeenschappen behielden een vast kamp voor een langere tijd. Daarnaast hadden ze kleinere kampen of grote afstand van het basiskamp. Ze ondernamen expedities naar deze subkampen om van daaruit te jagen en te verzamelen.
Archeologen hebben vastgesteld dat de jagers-verzamelaars in het Nabije Oosten zich langer op één plaats konden vestigen omdat hier veel graansoorten en andere eetbare gewassen groeiden.
Immateriële kenmerken, zoals de rolverdeling tussen man en vrouw en religieuze opvattingen kunnen niet eenvoudig worden vastgesteld.
Dode jagers-verzamelaars kregen vaak voorwerpen mee in hun graf. Hieraan kun je zien dat deze culturen geloofden in het hiernamaals. De grafgiften zou de overledene kunnen gebruiken in het leven na de dood.
Soms zijn er bij het ene lichaam meer grafgiften aanwezig dan bij de andere. Dit zou kunnen betekenen dat de versierde persoon meer aanzien had.
Toch nemen de archeologen aan dat er nauwelijks statusverschillen bestonden in een groep van jagers-verzamelaars. Ze spreken van een egalitaire (of non-hiërarchische) samenlevingsvorm.

Paragraaf 2

Rond 11.000 v. Chr. Veranderde in het Nabije Oosten de levenswijze van steeds meer mensen. Jagen en verzamelen waren niet langer de belangrijkste manieren om in het levensonderhoud te voorzien. De mens ontdekte de landbouw en ging leven van akkerbouw en veeteelt.
Dit gebied, waarin de landbouw als eerst werd ontdekt, wordt de Vruchtbare Halve Maan genoemd.
Mensen gingen op een vaste plek leven en de bevolking groeide aanzienlijk.
Planten en dieren werden gedomesticeerd. Dat wil zeggen dat mensen zelf gewassen konden laten groeien, dieren tam maakten en deze zelf fokten.
Misschien ontdekten sommige groepen jagers-verzamelaars in het Nabije Oosten door experimenten dat zij zelf graansoorten konden verbouwen. Maar misschien was de landbouw wel een toevallige ontdekking:
Gordon Childe bedacht in 1928 een verklaring die de Oase Theorie wordt genoemd.
Volgens Childe zorgde het einde van de laatste IJstijd ervoor dat het in het Nabije Oosten zo droog werd, dat mensen en dieren naar plaatsen trokken waar water voorradig was. Hier gingen zij over op het domesticeren van gewassen en dieren.
In de tweede helft van de twintigste eeuw kwam er steeds meer kritiek op deze theorie. Opgravingen toonden aan dat de eerste landbouwnederzettingen zich meestal op berghellingen bevonden en niet langs het water.
Childe noemde de ontdekking van landbouw Neolithische Revolutie (Landbouw Revolutie). Hij beweerde dat na de Neolithische Revolutie een tweede ingrijpende gebeurtenis plaatsvond: de Sedentaire Revolutie (Sedentair betekent: een vast verblijf). Mensen moesten op een vaste plek blijven wonen.
De mensen woonden niet langer in hutten, maar in stevige huizen, gemaakt van kleitichels. Nieuwe huizen werden meestal neergezet op de restanten van vervallen onderkomens. Zo groeiden de nederzettingen de hoogte in. Deze heuvels worden in het Arabisch tell genoemd.
Boeren konden een deel van hun oogst ruilen tegen andere producten. Obsidiaan was erg geliefd, omdat je er messen en andere werktuigen van kon maken. Het glas werd alleen in het huidige Turkije gevonden. Toch zijn er in het Nabije Oosten veel werktuigen van obsidiaan aangetroffen. Dit duidt erop dat er toen al over zeer
grote afstand werd gehandeld.
Voor het eerst maakten de mensen potten en andere gebruiksvoorwerpen van aardewerk. En er kwamen ook nieuwe landbouwgereedschappen. Deze werktuigen werden steeds verfijnder. Deze periode wordt ook wel Nieuwe Steentijd of Neolithicum genoemd.
- Steentijd
Oude Steentijd (Paleolithicum)
Midden Steentijd (Mesolithicum)
Nieuwe Steentijd (Neolithicum).
- Bronstijd
- IJzertijd
Paragraaf 3
De gevolgen van de Neolithische Revolutie waren groot. Men kon zich makkelijker permanent op één plaats vestigen. Bovendien groeide het aantal inwoners van een nederzetting door de betere voedselvoorziening.
In Soemerië ontstonden de eerste dorpen. Het klimaat was er erg heet en er viel nauwelijks neerslag. De landbouw in deze regio was zeer succesvol doordat ze kunstmatig water toevoerden. Het leverde ook meer opbrengsten op dan in het gebied waar ze aan regenlandbouw deden.
Er ontstonden ook grotere sociale verschillen. Deze waren in eerste instantie gebaseerd op successen in de landbouw. De boeren die grote oogsten binnenhaalden kregen meer macht en aanzien. Deze boeren kregen vaak ook politieke macht.
De vier belangrijkste karakteristieken van de stedelijke gemeenschappen waren:
- Hiërarchische opbouw van de samenleving
De bevolking van de steden was verdeeld in sociale klassen. Onderaan slaven, daarboven boeren, en daar boven de ambachtslieden. Daar boven bevonden zich de priesters en daarboven de vorst.
- Godsdienstig centrum
In het centrum van de stad stond een belangrijk religieus bouwwerk. Soms was dit een ziggurat ( een soort tempel). Dit was een hoog bouwwerk en via trappen kon je de top bereiken. Men dacht dat priesters op die manier dichter bij de goden konden komen.
- Taakverdeling in de samenleving
Niet iedereen hoefde zich meer bezig te houden met de landbouw. Ze gingen ook andere werkzaamheden doen zoals het vervaardigen van aardewerk (ambachtslieden). Ook waren er arbeiders nodig voor grote bouwwerken. Ook waren er kunstenaars, vaak in dienst van een tempel of koning. Daarnaast waren er ook nog priesters en schrijvers. Schrijvers hadden veel aanzien omdat zij goed geschoold waren.
- Schrift
Het bestond eerst uit logogrammen (herkenbare afbeeldingen). Hieruit ontwikkelden zich later klanktekens. Hier konden hele woorden en zinnen mee geschreven worden. Het Soemerische schrift wordt ook wel een spijkerschrift genoemd, vanwege de vorm van de tekens. Hierdoor konden belangrijke zaken vastgelegd worden, bijv. boekhouding, regels en wetten, religieuze verhalen en historische gegevens over het bestuur.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

thx

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

P.

P.

mooi hoor

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

K.

K.

ze kunnen je beter voorbereiden op het proefwerk.
dit is gewoon de tekst dat kan je ook in het boek lezen!
maarja sommige mensen zijn niet zo slim

4 jaar geleden

Antwoorden

B.

B.

je hebt helemaal gelijk zo heb ik er nog niks aan.

ze kunnen ook hier het proefwerk op zetten en alleen de antwoorden leren!

ook slim hihi :-)

4 jaar geleden

gast

gast

D.

D.

Nice bedankt!!!

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

haha
het boek is korter

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

E.

E.

prima samenvatting hoor!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

P.

P.

dit is echt vet veel voor 1 hoofdstuk.. o_O

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

B.

B.

Dit is gewoon het boek overgetypt xd

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast