Hoe werd nederland in de 20ste eeuw een verzorgingstaat?

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vmbo | 4160 woorden
  • 19 maart 2002
  • 163 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 163 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!
Was er veel armoede rond 1900 en hoe kwam dit en hoe wou probeerde men dit t verbeteren?

§ 1 welke groepen konden niet voor zichzelf zorgen?
In de 19e eeuw waren veel groepen die slecht voor zich zelf konden zorgen. Als de welvaart iets daalde kwamen zij al in de problemen. De groepen die niet altijd voor zich zelf konden zorgen zijn: arbeiders en hun gezinnen, landarbeiders en kleine zelfstandige. Dit is omdat ze weinig verdienden. Ze verdienden net genoeg om er zelf rond van te komen. De groepen die echt problemen hadden (deze groepen hadden het ’t aller slechts) waren: werkelozen, ouderen, invaliden, weduwen en wezen. Zij hadden geen inkomen. Deze groepen waren dus afhankelijk van hun familie en de kerk. De kerk gaf soms eten aan de armen zodat ze toch nog een beetje konden leven en wat t eten binnen kregen. De armen zouden dan niet sterven van honger. Er waren geen sociale voorzieningen geregeld van uit de staat.

§2 hoe was de armen zorg geregeld?

De armenzorg in Nederland was heel slecht geregeld. Er was wel een nachtasiel. Hier kon je als je dakloos was voor een kwartje slapen. Als je er geen geld voor had zoals bijna iedereen had je geul als 1 van de rijken je naar het nachtasiel bedraagt. Armenzorg was altijd liefdadigheid. Deze liefdadigheid kan je n 3 groepen indelen: particulieren liefdadigheid, kerkelijke liefdadigheid of het arme fonds.
► Particulieren liefdadigheid: dat vb een fabriekseigenaar zich zorgen maakte om het wel zijn van zijn personeel en hulp gaven. Soms kwam het ook voor dat mensen hun erfenis of een deel hiervan besteden aan de armenzorg.
► Kerkelijke liefdadigheid: dominees en pastoors kregen vaak geld van rijkere parochianen of gemeenteleden om t besteden aan de armenzorg. Hiermee konden ze armenfamilies uit de brand halen. Er kwamen zelf speciale instellingen om de armen te helpen zoals: de katholieken vincentiusverreneging.
► Vele gemeentes hadden en armenfonds. Je kon hier te recht als je geen geld had. Er zat echter niet veel geld in de kas van het armenfonds. Er was ook geen recht op een uitkering. Het bestuur van een fonds besliste of je recht had op geld.

Op ongeveer de helft van de 19e eeuw werd het zo extreem met de armoede dat het parlement besloot om de armenwet in 1854 aan te nemen. Gemeentes moesten van de overheid de armen meer steunen. Dit was omdat het armenbesturen van de kerken het werk niet meer aankonden. In de grote steden groeide het aantal armen die geen hulp hadden heel erg. Deze wet hielp echter niet veel. Van recht op hulp was er geen spaken. De gene die hulp wou moest eerst hulp vragen aan: familie of particulieren en kerkelijke liefdadigheid instellingen. Als dit gebeurd was gaf de gemeente pas aanvulling op de liefdadigheid. De hulp van de gemeente bestond meestal uit: gratis voeding of woonruimte. Zo begon de overheid zich steeds meer met de armoezorg t bemoeien. Tot einde 19e eeuw werd door de gemeentes de grootste deel van de armenzorg geregeld.

§3 veranderende de opvattingen rond 1900?

Rond 1870 ging Nederland moderniseren. Een gevolg hiervan was een snelle groei van de steden. Mensen hoopte hier werk t vinden. Vele mensen hadden het in het begin slechter dan op het platteland. Armoede van grote groepen mensen kreeg een naam: sociale kwestie. In de 2e helft van de 19e eeuw begonnen de mensen hun houding tegenover de armoede te veranderen. Arbeiders begonnen zich te organiseren. Dit leidde ertoe dat de eerste vakbonden tot stand kwamen. De rijkere burgerij kreeg in de gaten dat er iets moest gebeuren aan het welzijn van grote groepen mensen. Steeds meer mensen kregen in de gaten dat ondersteuning een recht was en geen vorm van liefdadigheid. Er was nu een andere vraag. Het was niet meer of er hulp gegeven moest worden maar wie er hulp ging geven.

Gemeenten bedrijven en vakverenigingen verzorgde in het begin hun eigen verzekeringen tegen het wegvallen van inkomen door middel van ziekte. Later kwam er ook een verzekering in het geval van werkeloosheid. De uitkeringen van deze verzekeringen waren erg laag en vaak maar erg kort. Later kwam de overheid pas met wetten die einde moesten maken aan de groten armoede. In het jaar 1919 kwamen er de eerste regelingen die de ergste gevolgen van invaliditeit en armoede moesten bestrijden. Deze verzekeringen waren echter niet verplicht voor iedereen. Veel mensen konden de premie niet betalen en bleven dus onverzekerd. Pas in 1930 kwam er een soort ziekten-verzekering.

Rond 1900 begonnen de opvattingen over armoede ook in verschillende politieke richtingen te veranderen. De confessionelen vonden dat de werknemers en de werkgevers samen de armoede en andere problemen moesten oplossen. Ook bij de liberalen was er onenigheid. Volgens de jong-liberalisten moest de overheid door middel van een wetgeving in grijpen.
De conservatieven (behoudende) liberalen vonden dat het zo moest blijven als vroeger. De overheid moest zich dus nergens mee bemoeien. Socialisten wilden op papier nog steeds een samenleving waarin de verschillen tussen rijk en arm klein waren. In de praktijk probeerderde ze via de wetgeving het lot van de armen t verbeteren.

§ 4 hoe groot waren de verschillen tussen arm en rijk rond 1900?
De verschillen tussen arm en rijk waren rond 1900 erg groot. De armen mensen leefde in kleine slechte huizen met veel mensen. De rijken mensen leefde in grote huizen met weinig mensen. Dit was dus niet eerlijk verdeeld. Boeren trokken naar het land. Ze hadden vaak weinig geld en ze gingen in slechte armen huizen wonen. Het gevolg was dat de arbeidersklasse snelle groei meemaakte. Het verschil tussen arm er rijk werd toch langzamerhand kleiner. Dit kwam door de maatregelen van de bedrijven, vakverenigingen en de overheid. De bedrijven en vakverenigingen sloten verzekeringen af voor arbeidsongeschiktheid en ziekte van hun arbeiders. De overheid stellede wetten op waar de bedrijven zich aan moesten houden. De huizen van de armen werden langzaam groter en beter. In het begin hadden ze 1 kamer woningen. Dit hield in dat een heel gezin op 1 kamer woonde. In deze kamer deden ze dus alles. Ze sliepen in deze kamer in meestal 2 bed steden. Eentje voor de ouders en het jongste kind maar ook 1 voor de andere kinderen. Als het dan nog niet paste gingen die andere kinderen op de grond op matrassen. Het aantal huizen steeg echter niet echt veel. Het aantal mensen per vertrek integesteling wel. De oorzaak was dat de huizen groter werden en meer kamers kregen. De verschillen werden dus kleiner. Er was nog wel verschil maar vele malen minder.

Antwoord op de deelvraag:
Rond 1900 was er veel armoede. Het werd steeds minder doordat de rijken liefdadigheid gingen doen. Later kwamen er vakverenigingen en vakbonden. De bedrijven sloten ook verzekeringen af voor het welzijn van de arbeiders. Mensen kregen grotere huizen. Dit was een teken dat de armoede minder werd.










Wat was de oorzaak van de economische crisis in de jaren dertig, hoe reageerde de overheid en de bevolking hierop en wat betekende het voor een groot deel van de bevolking?

§ 1 hoe was de steunverlenging rond 1900 geregeld?
Hoe was de steun op dat moment geregeld?
• Na 1913 waren er enkele sociale wetten aangenomen. Deze wetten hielpen vooral mensen die echt niet voor zich zelf konden zorgen. Hieronder vielen bijvoorbeeld: zieken, invaliden en sommige ouderen. Sinds 1917 was er ook een werkeloosheidsbesluit van kracht. De overheid vulden van af die tijd de werkeloosheid kassen van de vakbonden aan. Niet iedereen kreeg dus een uitkering alleen de mensen die lid waren van een vakbond. De utkering was niet ontijdig maar van korte duur. Je uitkering duurde 8 weken. Soms werd de uitkeringsperiode met 6 weken verlengd maar dat was wel het matje.
• Rond je jaren 20 begon de overheid met werkverschaffing. Je kon dan als werkelozen kanalen graven, woeste grond ontginnen of aan andere overheidsprojecten meedoen. Je kreeg hier een weekloon voor. Als je niet kon werken moest je het doen met 5 gulden per week. Dit was echter te weinig om in leven te blijven.
• In het begin van de jaren 30 waren de meeste mensen niet verzekerd tegen werkeloosheid. Degene die wel verzekerd waren raakte meestal langdurig werkloos en verloren hun uitkering. De werkverschaffing kon de toestroom van werkelozen mensen niet meer aan. Vaak kwamen daardoor steeds meer mensen terecht bij de steunverlening van de Gemeentelijk Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon. Deze ontstond in 1931. Lang niet iedereen kwam in aanmerking voor steun. De enige die in aanmerking kwamen waren alleen werkelozen die niet door hun schuld werkeloos waren geworden. Ze moesten dan wel tussen de 21 en de 60 jaar zijn. Wie jonger of ouder was was genoodzaakt om bij zijn familie hulp te gaan zoeken. Ook werkelozen vrouwen hadden meestal geen recht op hulp. De hoogte van de steun was ongeveer de helft van het vroegere loon. Kostwinners met kinderen kregen per kind hierop een aanvulling.

Controle op dat werkelozen niet stiekem bij kluste was als volgt geregeld: werkelozen moesten dagelijks stempelen. Controleurs van de gemeenten konden dag en nacht binnen vallen om te controleren dat mensen geen werk thuis deden.

§2 welke maatregelen nam de overheid?
In 1929 brak er in de VS een grote economische crisis uit. Nederland kreeg hier snel mee t maken omdat het veel importeerde en exporteerde. De werkeloosheid begon begin jaren 30 snel te groeien
De productie in Nederland daalde vanaf 1930. Vooral de sectoren handel, landbouw, bouw en metaal kregen te maken met de dalende prijzen en het minderen van de omzet. De Nederlandse regering onder leiding van toen de minister-president H Colijn voerde een aanpassingspolitiek. Dit was als de welvaart daalden moest de regering daar rekening mee houden en minder uitgeven. Colijn verlaagde in 1934 de steun aan de werkelozen. De overheid had het geld zelf nodig en hij wou de valuta omhoog krijgen. Uitkering moesten in de werkverschaffing. Zij kregen hiervoor ook een lagere vergoeding.

De hoogte van de steun bedroeg ongeveer de helft van het vroegere loon. Dat was dus aanleen genoeg voor de aankoop van het noodzakelijkste. Als je lang werkeloos was dan gingen je kleding, schoenen en andere dingen versluiten. Je moest dan een speciale uitkering aanvragen. Vele deden dit toch lieven niet vanwege de vernederende behandeling. In je ondergoed stonden rode stempels. De gekregen schoolkleding voor de kinderen waren duidelijk te onderscheiden. De grootste hekel hadden de meeste aan het gratis rijwielplaatje. Dit was een fietsbelasting van 2 gulden 50. dat herkenbaar gemaakt was door er een gat in t boren.

In november 1931 werd het Nationaal Crisis Comité opgericht. Dit was omdat de nood onder de werkelozen zo groot was. Hier konen werkelozen aanvullende steun krijgen door dat ze kleding, schoenen, dekens en andere noodzakelijke spullen weg gaven. Het comité kwam vooral aan zijn geld door giften van de particulieren. Als de aanvraag er geweest was kwam er een controleur en die keek of de steun wel nodig was. Als er een ander gezinslid bijverdiensten had werd er 2/3 van de steun ingehouden. Ondanks dat er stempelplicht was probeerden veel mensen met zwart werken nog wat bij te verdienen. Er werd een speciale afdeling opgericht om steunfraude te voorkomen. Controleurs speurden dag en nacht naar extra inkomsten van de mensen. Wie betrapt werd verloor zijn uitkering en moest naar een werkkamp. In het jaar 1937 kwam het ministerie van Sociale Zaken met een maatregel het sparen onder de werkloze aan te moedigen: het kwartje van Romme. Iemand die werkloos was en kinderen had mocht een kwartje per week sparen. De regering paste daar een kwartje bij. Tot aan de tweede wereldoorlog bleef de positie van werkelozen moeilijk. De steun ging echter niet omlaag maar de prijzen beleven stijgen.

§ 3: hoe reageerde de samenleving op het crisusbeleid?
De onrust brak uit toen de bezuinigingsmaatregelen van de overheid bekend werden bij de getroffen groepen. De lonen en de uitkeringen zouden verlaagd worden. In 1931 brak er onder de textielarbeiders in Twente een staking uit vanwege een loonsverlaging. Zonder iets bereikt te hebben moesten de textielarbeiders in april 1932 hun strijd opgeven. De steunverlaging in 1934 lijden ook tot protesten. In een aantal steden braken er rellen uit. Er kwam zelfs een regelrechte opstand in Amsterdam: de Jordaanoproer. Zelfs het leger moest er aan te pas komen om die rellen op te lossen. Hierbij vielen maar liefst 7 doden en tientallen gewonden. De regering wijzigde hun besluit echter niet. De steun ging gewoon omlaag.

Door de huurachterstand kwamen veel werkelozen in de problemen. Het gevolg van dit was dat er in de jaren 30 veel huurstakingen waren. De meeste hadden weinig succes. Door de werkloosheid werden de arbeiders steeds machtenlozer voor hun 10 anderen. In 1934 waren de minste stakingen ooit sinds de registratie van stakingen vanaf 1904. omdat de cricus zolang duurde moesten de politieke partijen aanzien dat de overheid steeds meer met de economie gingen bemoeien.

De liberalen die niet in de regering zaten, wilde aanleen meewerken aan een noodmaatregel. Het principe bleef: zo weinig mogelijk overheidsingrijpen. De Antirevolutionaire partij (ARP) van Colijn steunde de aanpassingspolitiek van haar leider. Er waren echter binnen de protestante kamp steeds meer mensen die vonden dat de overheid actiever moest ingrijpen. Dit sloot aan bij de opvattingen van de Rooms-katholieken Staats Partij (RKSP). Zij pleiten in de 2de helft van de jaren 30 voor overheidsmaatregelen. Deze waren bedoeld om de werkgelegenheid groter te maken en de en de jeugdwerkeloosheid te bestrijden. Geleidelijk groeide de opvattingen van een deel van de conservatieven en de socialisten naar elkaar toe. In 1935 kwam de SDAP met een plan om de werkgelegenheid te bevorderen. Dit plan hete: het plan van de arbeid. Het plan bleef echter bij een plan omdat de SDAP niet in de regering zat. In 1939 waren de confessionisten en de socialisten zover dat ze met zen 2e een regering vormen. Deze regering kon echter weinig doen: de 2e wereld oorlog stond op uitbarsten.

§ 4 hoe zag het dagelijks leven eruit in de jaren dertig voor de meeste mensen?
Voor vele mensen was het leven in de jaren 30 echt geen pretje. Er was weinig geld. Vele mensen waren arm. De steun werd slecht geregeld. Het ging echter steeds beter. Vele mensen leefde op kleine ruimtes en de dagen waren vaak hard en lang werken. Het werk was vaak zwaar en je verdiende heel erg weinig. De gezinnen bestonden vaak uit veel kinderen. Kinderen die moesten werken voor de kost. Dit was omdat de volwassenen te weinig geld verdiende om een gezin te leven te houden. Een huis kon je huren voor 2 gulden 50. Dit was voor sommige mensen echt te duur. Het leven was niet alleen maar slecht. Er waren V.B. duizenden mensen die luchtpiraten waren. Vele werkelozen deden dit ook om de verveling tegen te gaan. Ook werd er in de jaren 30 de eerst supermarkt geopend door Simon de Wit. Dit verschijnsel was overgewaaid vanuit Amerika.

Antwoord op de deel vraag:
De oorzaak van de economische crisis was: de productie was gedaald. Sommige sectoren kregen te maken met dalende prijzen en minder omzet. Het gevolg was dat voor vele mensen hun welvaart daalden. De overheid reageerde er als volgt op: ze gingen minder uitgeven. Dit was omdat ze een aanpassingspolitiek hadden. Als de welvaart daalde moesten ook zij minder uitgeven. De samenlevingen vooral veel protesteren en demonstreren. Een groot deel van de bevolking was werkeloos en had het slecht.





























Waarom werd Nederland een verzorgingsstaat en wat houdt dit i en geldt dit voor alle inwoners van Nederland?

§1 waarom werd Nederland een verzorgingsstaat?
Toen de tweede wereldoorlog af gelopen was begon de overheid aan de opbouw van de verzorgingsstaat. De bedoeling was van deze staat dat de overheid elke inwoner van het land een minimumbestaan kon geven. Degene die niet voor zich zelf konden zorgen moesten een uitkering krijgen. Er waren verschillende redenen om een verzorgingsstaat op te bouwen.
1: iedereen wits zich de vernederende behandeling van de werkelozen in de jaren 30 zich nog goed herinneren.
2: er was een grote angst voor een revolutie. Ze waren bang dat er voor een antidemocratische stroming zoals het communisme en fascisme. Deze 2 soorten politiekinstromingen hadden tijdens de economische crisis. In verhouding met anderen partijen was hun aanhang toch echter niet groot. Vele mensen hadden het niet echt op het communisme wat antigodsdienst was. Na wat er gebeurd was in de tweede wereld oorlog (nazi-regime) wilden de regering dat de bevolking niet het vertrouwen uit de democratie verloren.
3: gelijk na de oorlog was er in Nederland overal gebrek aan. De industrie, wegen en spoorwegen hadden veel te lijden gehad. De regering wou weer zo snel mogelijk industrialiseren. Hiervoor was nodig dat werknemers en werkgevers zo goed mogelijk samen werkte. Deze samenwerking kreeg de naam: harmoniemodel. Arbeiders moesten te vrede zijn met lage lonen. De regering zou in ruil hiervoor met een aantal nieuwen sociale wetten. Dit werkte goed. De economie groeide sneller dan verwacht. Halverwege de jaren 50 was de wederopbouw van Nederland bijna voltooid.

Terwijl dit bezig was was de overheid begonnen aan de opbouw van een verzorgingsstaat. Vlak voor de oorlog was het ziekenfonds besluit goedgekeurd. Als je dan ziek werd was je verzekerd. Dit was nu dus iedereen. Een nieuwe werkeloosheidswet kwam er in 1952. deze regeling was in tegenstelling van voor de oorlog voor iedereen een verplichte verzekering. Met de invoering van een aantal volksverzekeringen bereikte de sociale zekerheid haar hoogte punt. Allen belastingbetalers betalen mee aan de sociale verzekeringen. Ook als je geen verzekeringspremie betaalde had je ook recht op een uitkering. De voornaamste volksverzekeringen waren: AOW (algemene ouderen wet, deze is voor ouderen mensen van 65+), de kinderbijslag en de algemene weduwen en wezen wet. Het grootste deel van de kerken en particulieren instellingen in de armenzorg werden door de opkomst van de verzorgingsstaat overbodig.

§2 hoe ver ging de verzorgingsstaat?
De opbouw van de verzorgingstaat begon in de jaren 50 en werd voltooid in de jaren 60. in deze jaren bleef het economisch gezien goed gaan met Nederland. Werkeloosheid was er haast niet en de welvaart bleef maar stijgen.

Vanaf die tijd is er gegarandeerde sociale zekerheid. De mensen die niet voor zich zelf konden zorgen kregen een minimumuitkering. Je kunt de sociale zekerheid in 2 delen uitdrukken.
1: sociale verzekeringen. Hieronder vallen: werknemersverzekeringen en volksverzekeringen. Werknemersverzekeringen zijn bedoel voor de werknemers. Deze verzekering wordt betaald gezamenlijk door de werknemers en de werkgevers. Voor 1960 waren de meeste werknemersverzekering geregeld. Er kwam nog een arbeidsongeschiktheidswet (WAO) bij. Dit was in 1967. Als een werknemer door ziekten of door een ongeval langer als een jaar niet kan werken kwam de werknemer voor deze wet in aanmerking.
2: sociale voorzieningen. Mensen die buiten hun schuld om niet rond kunnen komen komen in aanmerking voor dit. Voor bepaalde groepen zijn er een aantal regelingen die vallen onder sociale voorzieningen. Deze groepen zijn onder anderen kunstenaars en zelfstandigen. Er valt ook nog een toeslag onder voor iemand die niet van een normale uitkering kan rond komen. De aller belangrijkste sociale voorziening is de algemene bijstandswet (ABW). Deze wet (die is ingevoerd in 1965) is het sluitstuk van de sociale wetgeving. De gene die niet in aanmerking komt voor een andere regeling krijgt een uitkering bij de bijstand.
















Er hoefde niemand meer bij de kerk of bij familie aan te kloppen voor ondersteuning. Sinds 1965 is de overheid verantwoordelijk voor hun burgers. De verzorgingsstaat was een feit. Tot in de jaren 70 waren de uitkeringen laag. Ze waren bedoeld om een minimum bestaan mogelijk te maken. Na 1970 begon de hoogte van de uitkering te stijgen, dit was vreemd omdat het aantal uitkeringen ook flink op liep. Dit kon vast nooit lang goed gaan.

§3 welke problemen ontstonden na 1970?
Door een aantal oorzaken begon de verzorgingstaat in de jaren zeventig en tachtig te kraken. De oorzaken waren als volgt:
1: er kwam een einde aan de economische groei. Dit was in de jaren 70. er brak een economische crisis uit. Hierdoor begon de werkeloosheid weer flink toe te nemen. Er kwamen steeds meer mensen in de WW te recht.
2: Het aantal mensen in de andere uitkeringen steeg ook tegelijkertijd. Het aantal arbeidsongeschikte nam vooral schrikbarend toe. Zowel werkgevers- als werknemersorganisaties gebruikte de wao regeling. Deze was hoger dan de WW. Ze deden dit om overbodige arbeiders weg te krijgen. Men noemt dit: oneigenlijk gebruik van de sociale zekerheid.
3: het misbruik van de sociale voorzieningen nam toe. De oorzaak hiervan lag een deel bij dat de regelingen erg ingewikkeld waren. Om fraude te plegen hoefde je niet zoveel moeite te doen. Dit was omdat de regelingen waren moeilijk te controleren. De controle was allang niet meer zo groot dan in de crisis van de jaren 30. dat de uitkeringen van het belastinggeld betaald werden konden de fraudeurs niks of weinig schelen.
4: in de jaren 70 waren de uitkeringen flink verhoogd. Dit maakte dan voor veel mensen het werk minder aantrekkelijk. Bij sommigen banen ging je soms achteruit.

In 1994 waren we op het punt gekomen dat er bijna net zoveel mensen een baan hadden en een uitkering. Door dat aantal was de sociale zekerheid onbetaalbaar geworden. Steeds meet mensen vonden dat een aantal uitkeringen te recht kwamen bij mensen die het niet nodig hadden. Begin de jaren 90 kwam de overheid met een maatregel om de verzorgingsstaat te reden. Deze maatregel was dat er minder mensen uitkering kregen en de uitkeringen waren lager. Mensen moesten weer meer voor zich zelf aan zorgen. Deze ingreep was succesvol. De economie bloeide van midden jaren 90 weer op. De werkeloosheid is weer gedaald tot het aantal als dat we hadden in de jaren 70. Toch zijn er nog steeds bedreigingen voor de verzorgingstaat. Het aantal werkelozen is nog steeds veel te hoog. Doordat de bevolking aan het vergrijzen is word de AOW onbetaalbaar.

§4 wie hebben er geen vaste woonplaats in Nederland en hoe komt dat?
Niet alleen inwoners van Nederland hebben een vaste woonplaats. Voor sommige is dit vrijwillig. Anderen doen het omdat het niet anders kan. Een groep die geen vaste woonplaats hebben zijn de: woonwagenbewoners. Zij wonen in een woonwagen. De meeste woonwagenbewoners stammen af van begin 20ate eeuw. Hun voorouders gingen naar de stad. Zij kozen de woonwagen omdat er te weinig woningen waren. Ook werd de woonwagen gekozen als je graag wou verdienen met een trekkend bestaan. Voor de tweede wereld oorlog verdienden veel woonwagenbewoners hun geld als: scharenslijper, stoelenmatter en koopman. Toen de oorlog was afgelopen gingen de meeste woonwagenbewoners handelen in auto onderdelen en oudmatriaal. Op dit moment staan de meeste woonwagens op 1 vaste plek. De bewoners hebben hun inkomsten uit allerlei lossen klusjes.

Dak en thuislozen hebben ook geen vaste woonplaats. In 1963 waren er in Nederland ongeveer 15000 dak en thuislozen. Deze mensen waren meestal slordig gekleed, dronken en je kon ze tegen komen op stationsrestauraties of op een bankje in het park. Je zou denken nu de economie van het land goed is dat de groep dak en thuislozen flink gezakt moet zijn. Dit is echter niet. Deze groep is flink gegroeid. In 2000 waren er 53000. meestal zijn daklozen alleen staande mannen. Een op de zeven is een vrouw en ongeveer een kwart komt uit het buitenland. De leeftijden variëren van ongeveer: 16 tot ver over de 65. Als je het aantal alcolisten onder het dak en thuislozen vergelijk met vroeger bent dat aantal gedaald. Een op de 5 zwervers zijn nu nog alcolisten. In plaats van alcohol zijn er andere problemen gekomen. Een op de drie is verslaafd aan harddrugs. Nog eens een op de drie hebben psychische problemen. De meeste hebben nu niet meer met 1 probleem te maken maar met meerderen.

Allochtonen die asiel komen zoeken hebben ook geen huis of plek om te leven. Deze worden dan naar asielzoekerscentrum doorgewezen. Hier hebben ze een huis om in te leven. Dit is echter maar voor tijdelijk. Als ze asiel gekregen hebben en hier dus mogen blijven moeten ze opzoek gaan naar een huis. Als ze uitgeprosedeert zijn moeten ze terug naar het land van afkomst. Er is dan geen tijdelijke verblijfsvergunning meer. Ze moeten weg. Vaak willen de mensen dat niet. In het land waar ze vandaan komen is het leven erg slecht en hier hadden ze het echter beter.

Antwoord op de deelvraag: Nederland werd een verzorgingstaat omdat de regering een zekerheid wou geven aan de mensen. Iedereen zou genoeg geld hebben om een minimaal bestaan te hebben. Dit gelden voor alle inwoners.





Conclusie: hoe groeide Nederland in de twintigste eeuw uit tot een verzorgingstaat?
Het uitgroeien tot een verzorgingsstaat ging niet altijd zonder tegen stribbelingen. Er waren stakingen en protesten. Toen de verzorgingstaat eenmaal van de grond was ging alles beter. Er waren nog weinig protesten en iedereen had het goed. Als je niet kon werken kreeg je een uitkering. De uitkeringen werden weer van het belastinggeld betaald. De welvaart steeg. Er was een economische groei. Na de tweede wereldoorlog kwam er een harmoniemodel. De arbeiders en werkgevers gingen goed samenwerken. Dit was nodig voor de wederopbouw van Nederland. Nederland is nu nog steeds een verzorgingsstaat en het is te hopen dat dit ook voor altijd blijft.

In Nederland gaat het nu goed. De meeste mensen hebben een vaste woonplaats en genoeg geld om te leven. De werkeloosheid is nu vrij laag. De welvaart is nu hoog. Iedereen kan goed leven en niemand hoeft zich zorgen te maken of dat die morgen nog wel genoeg geld heeft om van te leven.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

beste supperscout,

ik wil hierbij meedelen dat ik super weinig aan uw werkstuk heb gehad!! Verder moet ik betreuren dat er ontiegelijk veel taalkundige fouten in zitten!

M.v.g.

Jan

19 jaar geleden

M.

M.

Beste,
je werkstuk bevat super veel taalfouten, volgende keer even goed doorlezen!

8 jaar geleden

H.

H.

hz staat er niets over de kerk?!

5 jaar geleden

T.

T.

En nu?

4 jaar geleden