Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

H9 Edo-Japan, de wereld van Shinto, Sjogoen en Samoerai

Beoordeling 7.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 3910 woorden
  • 9 september 2007
  • 8 keer beoordeeld
Cijfer 7.5
8 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Edo-Japan, de wereld van Shinto, Sjogoen en Samoerai
Vóór de buitenlandse beïnvloeding leefde Japan in een zelfgekozen isolement. Buitenlanders mochten Japan van 1603-1869 niet betreden en Japanners mochten zelf ook niet over hun grenzen. De Japanse samenleving ontwikkelde zich volgens een eigen dynamiek  Edo-periode. De niet-westerse geschiedenis is de geschiedenis van alle gebieden buiten Europa. Het Westen zou modern zijn en het niet-Westen ouderwets en achterhaald. De niet-westerse geschiedenisverhalen worden verteld vanuit het perspectief van de niet-westerse cultuur. Wat eigen of karakteristiek aan een cultuur is, wordt getoond. De geschiedenis van een niet-westers land levert het meest karakteristieke beeld op wanneer dit land nauwelijks contacten onderhield met andere gebieden. §1 Westerse versus niet-westerse geschiedenis Bekend is beschaafd, vreemd is onbeschaafd

Grondlegger van de geschiedschrijver is Herodotus. Hij gebruikte de termen vreemd, wild en barbaars. Zijn eigen cultuur noemende hij de beschaving. 16e en 17e eeuw waren de contacten van Europa met de wereld toegenomen. Eigen cultuur werd beschaafd genoemd, de niet-westerse volken waren vreemd en barbaars. * Die termen (vreemd, barbaars) vormden eeuwenlang de kern van de Europacentrische waarneming. Eerst waren het termen voor de soorten culturen en later als stadia in het proces van de ontwikkeling. Moderniseringstheorie over de geschiedenis:  Jagers en vissers  Veehouders en landbouwers  Kooplieden en ambachtslieden
Deze theorie kreeg bekendheid door Adam Smith, de grondlegger van het liberalisme. In de 18e eeuw was er nog bewondering en begrip voor het ‘niet-westen’, in de 19e eeuw stonden Europeanen arrogant en met een superieur gevoel er tegenover. In de 19e eeuw vereenvoudigde ze de moderniseringstheorie. Onder de invloed van industriële revolutie bleven industriële en pre-industriële fasen over. Industriële fase  maatschappij vol veranderingen. Ontwikkeling stoommachines, treinen en fabrieken. Er was ontwikkeling naar hoger plan. Pre-industriële fase  deze had Europa al lang achter zich gelaten. Niet-Europese gebieden waren nog wel in dit stadium. Er was geen geschiedenis in de zin van ontwikkeling. Stilstand en stagnatie waren kenmerken van deze fase. Oosterse termen  onveranderlijk, achterlijk en traditioneel. Tot in de 20e eeuw bleef het negatief. Europa ontdekt de wereld, maar vindt geen geschiedenis
Boek over de niet-westerse geschiedenis  ‘Europe and the people without history’. Beschrijft de Europese expansie vanaf ong. 1500. Er was veel aandacht aan de niet-westerse volken in dit boek. Traditionele geschiedenisverhalen gingen over de veroveraars van de gebieden, de expansie. Er was eigenlijk geen aandacht voor het overwonnen volk, die waren primitief en oninteressant. Volken zonder geschiedenis. Begin van de geschiedenis van de niet-westerse volken werd genomen vanaf het punt dat de Europeanen kwamen. Ook voor de Europeanen was er al geschiedenis, het stond niet stil in die gebieden. Oorlog, handel, welvaart, religie, kunst en wetenschap waren er ook. Ze voerden handelingen uit dus was er geschiedenis. Europeanen hadden geen objectieve kijk op die wereld door hun eigenwaan. Religieus superioriteitsgevoel en ontwikkeling in technologie waren gevaarlijk. De geschiedschrijving van het niet-Westen De geschiedschrijving over de niet-westerse volken gingen eigenlijk alleen over hoe de westerlingen aan land kwamen, en langzaam aan de macht kwamen. Het verhaal had een treurig slot, wat de Europeanen opgebouwd hadden, wilden deze primitieve volken weer vernietigen. De koloniën wilden onafhankelijkheid. Nadat de niet-westerse landen onafhankelijkheid hadden, begonnen niet-westerse historici aan herschrijving van hun geschiedenis. Het beginpunt werd nu veel eerder gelegd. Aan de ene kant werd het geschiedenisverhaal eerlijker, toen alle verhalen uit de niet-westerse wereld erbij kwamen. Vergeten verhalen kregen nu erkenning. Aan de andere kant werd niet alles eerlijk verteld. Door geschiedenisverhalen kreeg een leider bijvoorbeeld de macht, omdat dat voorbestemd zou zijn. Het verleden kon ook bewijzen leveren voor de precieze grenzen van een land. De geschiedenis zorgde voor legitimatie van de macht van de nieuwe leiders. In ieder geval was het westen verdwenen als bepalende factor in de geschiedenis. §2 De westerse hoofdstroom van de beschaving Subjectieve geschiedenis
De wereldgeschiedenis is de tijd voor en na de contacten tussen de westerse en de niet-westerse wereld. De wereldgeschiedenis heeft twee delen: de periode vóór de ontmoeting en de tijd erna. Een historische periode is een tijd waarin gebeurtenissen plaatsvonden die met elkaar samenhangen. Het gevaar erbij: Het woord geschiedenis kent 2 betekenissen: wat er in het verleden is gebeurd (wat er is geschied) en de beschrijving van wat er is gebeurd
Het gevaar is dan dat wij periodeovergangen (die later door geschiedschrijvers zijn aangebracht) als historische gebeurtenissen gaan zien. De periodisering van de geschiedenis is dus een onderdeel van het geschiedenisverhaal en niet van de geschiedenis als gebeurtenis. De historicus ordent het verleden door met een periode aan te geven wat hij belangrijk vindt of wat volgens hem bij elkaar hoort. Het indelen van de geschiedenis kan ook gebeuren aan de hand van een algemene ontwikkeling. Ook dit is subjectief, omdat het door mensen is gedaan. Het gevaar geldt dus ook hier bij. De westerse hoofdstroom der beschaving overspoelt de wereld

De westerse hoofdstroom van de beschaving werd lang in het westen lang gepresenteerd in schoolboeken. Het middelpunt van de westerse hoofdstroom varieerde: Voor 476 n. Chr. Bevond het zich rond de Middellandse Zee, tot WOII in West-Europa en daarna in de VS. Ook de hoofdrolspeler (een volk) wisselde. Eén zaak bleef constant: niet-westerse culturen speelden geen rol. Er dreigde dat het eigene overgewaardeerd zou worden en het vreemde ondergewaardeerd. In extreme gevallen leidde dit tot een westers superioriteitsgevoel. De westerse hoofdstroom suggereerde ook dat de westerse beschaving zichzelf voedde en er bestond weinig aandacht voor de bijdragen van buitenaf. Ook bood de westerse hoofdstroom al nauwelijks ruimte voor andere beschavingsbronnen. De voornaamste bedenking is dat de hoofdstroom de niet-westerse culturen niet in hun volle recht presenteerde. Alleen als deze culturen in aanraking kwamen met het Westen drongen zij door tot het geschiedenisverhaal. Dit vond op 3 manieren plaats: 1. Als de cultuur ontdekt werd door de Europeanen (bv. de indianen). 2. Als Europa door een niet-westerse cultuur werd bedreigd. 3. Als een cultuur een proces van modernisering (verwestersing) inging. De idee ontstond dat niet-westerse volken niet bestonden of weinig voorstelden. Volgens de westerse hoofdstroomidee zou de hele aarde verwestersen en alle volken zouden volgens dit model van het Westen de beschaving binnentreden  evolutietheorie. Het einde van de geschiedenis? Rond 1989 stortte het communistische bolwerk in Oost-Europa en de SU ineen. Francis Fukuyama zorgde mede voor de ophef over de vraag of dit een overwinning was van de westerse hoofdstroom. Hij publiceerde al zijn ideeën over het verloop van de wereldgeschiedenis in ‘The End of History’. Hij beweerde dat het einde van het communisme ook het einde van de strijd tussen de ideologieën betekende. Het communisme stond tegenover het westerse kapitalisme. Dit felle politiek gevecht tussen verschillende ideologieën begon in de 19e eeuw. In Europa leidde dit tot een consensus (overeenstemming van opvattingen) tussen liberalisme en socialisme. De vrije markt en verzorgingsstaat gehuisvest in de democratie brachten welvaart, humane verhoudingen, technologische vorderingen en ruimte voor moderniseringen. Dit alles vormde volgens Fukuyama het westerse model. Hiertegenover vormde zich het (sovjet-)communistische model. Uiteindelijk verzandde het communisme in bureaucratie en onderdrukking. Fukuyama vond dit logisch en gaf als reden hiervoor dat het communisme de individuele vrijheid beperkte. In het westerse model niet. Na de WOII streden de modellen om de wereldheerschappij (Koude Oorlog tot 1989). Volken konden alleen nog het westerse model navolgen door het vergaan van het communisme. Volgens Fukuyama was dit het einde van de geschiedenis. Er zouden geen nieuwe ideologieën ontstaan en wat restte was een tijd van conformisme en saaiheid onder het westerse model. Fukuyama kreeg veel kritiek op dit punt. Von der Dunk zei dat dit slechts een eindpunt was en hij meende dat het westerse model vanuit het niet-Westen uitgedaagd zou worden. De ideeën van Von der Dunk betekenen dat er geen enkel model zal zegevieren of eeuwigheidswaarde kent. §3 Japanse religie: van Natuur, Confusius, Boeddha en Christus Het shintoïsme
Japan komt vaak in aanraking met de natuur (aardbevingen, de zee, de bergen), hierdoor hebben de Japanners veel ontzag voor de natuur. De natuur speelt een grote rol in de oudste vorm van geloof in Japan: het shintoïsme. Dit vertaalt betekent de weg van de geesten. De geesten of Kami zijn magische krachten in de natuur. Niet alleen personen maar ook plekken of voorwerpen kunnen kami zijn of bezitten. Dit kan dan worden vereerd. Eerst werd dit gedaan in de openlucht, later in een tempel. De band tussen mens en natuur staat centraal. Je moet respect hebben voor de natuur, later werden in de tempels andere dingen gedaan als sumoworstelen, paardenrennen en boogschieten. Japanse import: het confucianisme, boeddhisme en christendom
Naast het shintoïsme kent Japan ook nog 3 andere godsdiensten die in de loop van de geschiedenis in Japan zijn verschenen:  Confucianisme
Confusius leefde van de 6e-5e eeuw v. Chr. In China. Zijn idee was  de mens moest zich aanpassen aan ‘de wil van de hemel’. Hierdoor is de samenleving stabiel, maar zodra mensen hun eigen begeerten volgen dan gebeurden er rampen. Het ideaal van het confucianisme was de edele mens. Hierbij staat respect, liefde voor familie, hulpvaardigheid tegenover vreemdelingen en trouw aan de staat centraal. In Japan drong dit in de 5e en 6e eeuw n. Chr. door. In die tijd nam Japan het Chinese alfabet over. Hierdoor werden de teksten van Confucius bestudeerd. Later werd dit een belangrijke filosofie voor leiders (vanwege de trouw aan de staat).  Boeddhisme
Via het Chinese alfabet kamen ze ook in aanraking met boeddhisme. Dit was ontstaan in India in de 5e/6e eeuw v Chr. Ze geloven in een cyclus van leven, dood en wedergeboorte. Iedereen blijft in deze kringloop van het verleden. Je moet hierbij dus je karma omzetten in een goed karma waardoor je verlichting of het nirvana bereikt. Eerst vooral bij de Japanse elite, pas later bij het volk. Het nieuwe geloof trok door Japan door tempels en de lagere standen kwamen ook tot inkeer. De Japanse bestuurders meenden dat er voorspoed was als de keizer het boeddhisme naleefde. Het boeddhisme vermengde zich met het shintoïsme. De kami en de verlichte geesten van het boeddhisme leken veel op elkaar.  Christendom

Vanuit Portugal kwamen midden in de 16e eeuw de eerste missionarissen aan in Japan. Eerst succes voor christendom. Opnieuw bekeerde eerst de elite zich tot het katholicisme, sommige standen daarna. Het christendom bracht ook handel met het Westen mee. Omdat een christen trouw moest zijn aan God en pas daarna aan de keizer werd dit geloof eind van de 16e eeuw verboden door de Japanse leiders. Vervolging van de christenen volgde. §4 Japanse politiek: goddelijke macht in menselijke gedaanten Een goddelijke keizer
Volgens het Japanse scheppingsverhaal werd een van de afstammelingen van de zonnegodin Amaterasu de eerste keizer van Japan: Jimmu Tenno. Van hem stammen alle Japanse keizers af. Japan bestond eigenlijk uit kleine gemeenschappen. Een staat Jamato werd geleid door een oedji die tot het nageslacht van Jimmu Tenno zou horen. Jamato-dynastie ontwikkelde zich tot de centrale dynastie. (centrale leiding) Het boeddhisme vanuit China nam Japan over, en zo nam Japan ook het Chinese model over, waarin de keizer het centrale gezag had. In China was de macht van de keizer gegeven door God, in Japan kwam de keizer zelf uit de hemel. Het was een levende, menselijke god. Zijn titel luide Tenno. Van wetteloosheid en rebellie tot sjogoen De adellijke geslachten, de oedji wilden ook macht hebben, en zo was er steeds strijd tussen de keizer en de oedji om die macht in de geschiedenis. Als in een periode de oedji regeerde was dat in naam van de keizer, de functie van keizer werd nooit afgeschaft. De familie Foedjiwara was een tijd de machtigste in het land. Ze gebruikte de positie van regent om de keizer te laten doen wat ze wilden. Alle beslissingen werden genomen met instemming van die familie. De keizer was dus officieel hoofd en symbool van wettelijkheid maar de macht lag bij de familie. Toen er in steeds meer provincies wetteloosheid en rebellie heerste, grepen de Foedjiwara’s niet in. Het plaatselijk bestuur moest zelf zorgen voor bescherming. Hiervoor gebruikten zij lokale krijgsheren. Zo ontstonden in Japan gewapende groepen waarover de keizer geen zeggenschap had. De helpers van de krijgsheren waren de Samoerai. Die ontwikkelde een heel eigen levenswijze. De verschillende legers bestreden elkaar en vormden zo een bedreiging voor de Foedjiwara’s. De winnende familie was de familie Minamoto. Ze hielden ook de keizer in ere maar hadden wel de echte macht. De leider van de Minomoto’s, Yoritimo, liet zich eind 12e eeuw benoemen tot sjogoen. Deze titel was voor het leven en erfelijk. De sjogoen gaf leiding aan het bakoefoe. Dit was het bureau dat alle militaire zaken regelde. Het verdeelde plichten en privileges, promoties en beloningen en zorgde voor rechtspraak en wetgeving. Het bakoefoe zorgde ervoor dat de militairen goed in het gareel bleven. Het leger was na een tijd goed ontwikkeld. De sjogoen zag hiermee zijn macht groeien. Vanaf de 12e eeuw beheerste de militaire klasse het land. Tot in de negentiende eeuw moesten de keizer en zijn hof zich in Kyoto tevreden stellen met een plaats op de achtergrond. De militairen hadden vanuit Edo alle macht. Het bakoefoe was een goed middel om Japan centraal te leiden. Het werkte als er een zwakkere keizer op de troon zat, daarom was er toezicht op de kroonprinsen. Van Mongolen, kamikaze en andere tegenwind Net als Europa kregen de Japanners last van de Mongolen. De samoerai verdreven ze. Voor die overwinning wilden de samoerai een beloning. Ze vonden dat ze recht hadden op een deel van de oorlogsbuit. Ze kregen niks want er was geen land en ze keerden zich tegen het bakoefoe. Steeds vaker werden de samoerai onafhankelijk. Begin 14e eeuw viel Japan uiteen in kleinere gebieden. De sterke edelen werden nieuwe machthebbers. Hun macht berustte op betrouwbare vazallen, vaste greep op de regio, versterkte burcht, tactische voorkennis en steeds paraatheid voor de strijd. Begin 16e eeuw waren er zo’n 250 van die gebieden. De heer van een gebied was de Daimio. De eenheid van het land was weer verdwenen. Halverwege de 16e eeuw kreeg Japan last van buitenlandse dreiging. Portugezen kwamen handel drijven (zorgde voor het vuurwapen), en brachten het christelijk geloof. Maar langzaam nam de afkeer voor het christendom toe. Ze vreesde dat de katholieken het absolute gezag van de bakoefoe af zou wijzen, want God was het hoogste gezag. Ze waren ook bang dat het christendom een bindmiddel zou zijn voor diverse vijandige daimio. Ze waren ook bang voor een economische invasie van Europese mogendheden. In de loop van de 17e eeuw leidde dit tot verbod van het katholicisme. De eenmakers van Japan Na 1500 wisten enkele daimio een goede uitvalbasis te creëren om de eenheid van Japan te herstellen. De eerste was Oda Noboenaga. Doordat hij net geïmporteerde musket gebruikte wist hij vele van de centrale provincies te veroveren. Na Oda Noboenaga volgde Tojotomi Hidejosji hem op, geldt als een van de eenmakers van Japan. Hij voegde alle delen van Japan samen onder zijn gezag. Hij beval scheiding tussen boeren en samoerai. De samoerai werd nu zelf daimio. De boeren waren hun vazallen. Omdat misschien andere samoerai ook zo zouden proberen op te klimmen, verwijderde hij de samoerai uit de maatschappij. De militairen moesten in aparte steden wonen onder gezag van een daimio. De dorpen werden ontwapend. Na Tojotomi wist Tokoegawa Iëjasoe andere daimio uit te schakelen voor opvolging. Die strijd had een bloedige finale. Tokoegawa’s leger was het sterkst in de strijd. Zo kreeg hij de macht in handen. Na drie jaar kreeg hij van de keizer de titel sjogoen, en een nieuw bakoefoe werd ingesteld. Hij trad na 5 jaar al af en zorgde dat zijn zoon hem opvolgde. De zoon erfde de titel van zijn vader. Tot 1867 telde de Tokoegawa-dynastie 15 generaties sjogoens. Een periode van vrede en stabiliteit brak aan, de Japanse eenheid was gevestigd.
§5 De Japanse samenleving: samoerai, boeren, stedelingen en buitenlui Een starre standenmaatschappij
De eerste stand
De Bakoefoe deelde de samenleving in 4 standen in, waarbij geboorte de stand bepaalde. De bovenste stand waren de samoerai (1/10 deel van de bevolking). Dit waren het keizerlijke hof, sjogoen, daimio, ook militair voetvolk en ambtenaren van de bakoefoe. Ook artsen, geleerden en bepaalde kunstenaars. In deze stand ook van hoog naar laag minder privileges. Lagergeplaatsen moesten knielen voor de hogere stadsgenoten. De macht was zichtbaar aan het symbool van de macht; het zwaard. De boerenstand De tweede stand waren de boeren (80% van de bevolking). Zij kenden een laag aanzien, moesten op hun geboortegrond blijven wonen en mochten geen ander beroep kiezen. Boeren  dienende taak (bedacht door samoerai). Zoals herendiensten en voor voedsel zorgen. Door veel hongersnood liep het soms uit op opstanden, maar deze waren altijd tegen het uitwassen van het standenstelsel en niet tegen het stelsel zelf. De boeren betaalden veel belasting, zo’n 40-50% van de oogst. Hoe slechter het ging, hoe hoger het percentage. Dit werd aan een dorp toe bedeeld die zelf moesten uitmaken wie welk deel regelde. Als je het niet kon opbrengen kon je je bezittingen en zelfs je vrouw en kinderen kwijtraken. Dit heette nog net geen slavernij. Het leven van de boeren werd voorgeschreven door de heersende stand. Zoals welke producten er geproduceerd moesten worden (natte rijst was verplicht). De boerenstand kende nauwelijks vrije tijd. In de avonduren maakten ze sandalen of weefden ze. Ook mochten ze weinig voedsel gebruiken (dat ging ten koste van het deel voor de hogere stand). Ze mochten geen luxe artikelen eten (thee, tabak) en hun kleren moesten van goedkoop katoen zijn. De huizen waren niet meer dan krotjes. Werd dit overtreden, werd de boer gestraft. Ook waren er de wat betere boeren die eigen grond bezaten. Zij kregen hierdoor een stem in het dorpsbestuur en hadden aanspraak op gemeenschappelijke gebieden. Soms konden ze zelfs bedienden betalen. Het bestuur van een dorp werd geregeld door de daimio en sjogoen. Maar buiten de belasting en nog wat dingen had het dorpsbestuur met rijkere boeren een grote rol. Derde en vierde stand De derde en vierde stand waren de handelaren en ambachtslieden. Zij woonden in de steden en waren doorgaans rijker dan de boeren maar toch keek de bovenste stand op hen neer. De handelaren zouden hun leven geven voor geld zonder iets zelf te maken. Ondanks dit lage aanzien ging het goed met de stedelingen. De handel profiteerde van ontwikkelingen als de rust door de bakoefoe, stijging van de bevolking in de 17e en 18e eeuw. De steden groeiden rond een kasteel. Edo werd de grootste stad, in de 18e eeuw bijna één miljoen mensen. Daarna kwamen Osaka en Kyoto met 300.000 en 400.000 inwoners. De steden kregen goede verbindingen, ook goed voor de handel. De steden kregen meer behoeften in luxe artikelen. Er was rijst nodig. De daimio wilde niet langer rijst als belasting maar ook geld om andere dingen aan te schaffen. Hiervoor schakelden zij de handelaren in. Dezen kenden de markt en de prijzen en daarom werden ze langzaam onmisbaar bij de daimio. De daimio gebruikte de handelaren nu ook voor geldzaken als leningen. In de steden bestond een tweedeling net als op het platteland. De rijkere handelaren hadden een eigen huis, de rest moest er één huren. De mensen met huizen waren officiële bewoners van de stad. Aan de huizen kon je ook al zien hoe goed deze mensen het hadden en dus of ze van hoger aanzien waren. En die mochten ook een bijdrage leveren aan het stadsbestuur. Ook de mensen die wat minder verdienden, hadden het nog niet zo slecht. Elke gilde had een wijk. Hier konden ambachtslieden samen wonen en was er een meester van de organisatie. Zo konden ze ook de concurrentie in de gaten houden. Een strakke hiërarchie De indeling van de 4 standen stond vast, je mocht niet van beroep wisselen of trouwen buiten je stand. Buiten de standen vielen de paria’s, de eta en hinin. Ze hadden geen rechten en waren de verschoppelingen van het volk. De Japanse samenleving had een hiërarchische structuur. De hoogste hadden het recht over de lagere. Dit was ook zo in het privé leven. Geslacht en ouderdom bepaalden je plaats. Vaak waren de mannen de baas en kwamen de vrouwen in een onderdanige positie. In de Japanse samenleving lag de ongelijkheid vast. Iedereen legde zich erbij neer dat de hogere iets te zeggen hadden over de lagere standen. De bron hiervan was de gedachte dat mensen ongelijk ter wereld kwamen. De hoogste stand gaf ook straffen aan de lagere standen. Dit waren; verbanning, huisarrest, ranselen, tatoeëren of boetes. Je moest ook eerst bekennen voor de straf. Marteling kwam ook soms voor. Met de 4 standen wilde de bakoefoe van Japan een zelfvoorzienend maatschappij maken. Maar een deel van de bevolking woonde in de steden en daar was meer voedsel nodig. En hiervoor waren de handelaren en ambachtslieden verantwoordelijk. Waardoor deze twee standen meer aanzien kregen. Ze verdienden meer, hun macht nam toe en de daimio kwam in financiële moeilijkheden. In geldnood keerden ze zich naar de handelslieden die leningen gaven. Uiteindelijk wisten de handelaren ook macht over de landbouw te krijgen waardoor de lagere stand opeens veel economische macht bezat.
Een stevige greep op de samenleving De Bakoefoe zette het bestuur van Japan op. Ze bezaten 1/3 van het land. Van 2/3 was de daimio de heerser. De heren hadden eigen domeinen (de han) en kastelen. De samoerai traden als leenmannen in hun dienst. De domeinen leken onafhankelijke staten. De sjogoen liet bestuur, belasting en registratie ban land en inwoners aan de daimio over. De Tokoegawa-sjogoen benoemde zijn eigen mensen tot daimio. Zij hadden trouw getoond door meevechten bij Sekigaharaen kregen zo deze erfelijke status. Het bakoefoe 2 middelen om land in hun greep te houden: sankin kotai en dienstplicht. Dit eerste hield in dat een daimio eerst een halfjaar in de hoofdstad woonde en daarna een halfjaar op zijn domein. Zijn gezin bleef in Edo. Hierdoor kwamen vele in financiële zorgen waardoor ze moesten lenen bij de rijken uit de steden. Deze ‘gijzeling’ hield stand tot 1863. Dienstplicht betekende dat daimio mee moesten strijden in het leger. In oorlog  wapens. In vrede  bouwheffing. Dit werd gebruikt voor keizerlijke doeleinden (bruggen, havens, paleizen). Door de 2 middelen bleven de daimio in het gareel. Sjogoen: De keizer leidde een schaduwbestaan aan het hof in Kyoto. Dit bestond uit zijn gezin en de hofadel (zo’n 140 families). De keizer had vanaf de 14e eeuw geen macht meer. Maar niemand durfde de functie af te schaffen. Wel stelde het bakoefoe regels op. Zo vermelden deze regels (uit 1615) dat de keizer zijn leven wijdt aan poëzie, geloof en wetenschap en zich onthoudt van politieke praktijken. Hierdoor stond door de sjogoen de keizer buiten macht. Ook de geestelijke stand ging zich met dingen bemoeien. Voor geld kon het bakoefoe nu ook de geloofszaken regelen. Alleen het christelijk geloof hield zich niet aan de bepalingen waardoor deze werd verboden. Een versteende samenleving brokkelt af Er was in 1700 100x zoveel meer geld geleend door de daimio dan er in omloop was. Hierdoor hielpen ze de onderste standen. De standen die begonnen te verdwijnen. Het verbod voor militairen om niet als handelaar te werken, werd onmogelijk. Steeds vaker ruilde mensen van beroep en stand. Door die wijzigingen was niemand meer tevreden met de maatschappij en toen Japan in 1854 een verdrag sloot tussen het westen kwam er snel een einde aan het isolement. In 1868 werd de macht van de sjogoen afgeschaft door wat daimio en samoerai. En Japan stelde zich open voor de westerse wereld.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.