H2 de SU (1917 -1991)

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • vwo | 2312 woorden
  • 11 mei 2003
  • 7 keer beoordeeld
Cijfer 6.1
7 keer beoordeeld

Hoofdstuk 2: de Sovjet-Unie 1917-1991
1 De Ideologie van de Sovjet-Unie: het Marxisme-Leninisme
de SU -> gesticht + opgebouwd o.l.v Comm. Partij v. SU -> zij baseerde zich op ideologie: Marxisme-Leninisme. Marxisme • Klassenstrijd tussen heersende klasse (bourgeoisie) zij bezaten de productie middelen. De onderdrukte klasse (proletariaat). -> dit systeem = Het Kapitalisme • Kapitalisme zal eigen ondergang veroorzaken -> arbeiders worden armer, onderlinge concurrentie wordt groter. -> klassenstrijd. Zij zullen de macht in handen krijgen. = dictatuur van het proletariaat. de productiemiddelen van hele gemeenschap. Geen klassen meer = socialisme • Daarna communisme: iedereen gelijk, iedereen werkt voor de staat, geen politie, wereldstaat, geen godsdienst. Leninisme
Ideeën Marx kwamen niet uit. Kapitalisme werd sterker, arbeiders iets beter. Geen Revolutie. - Lenin: Revolutie niet vanzelf, maar door CPSU.(comm.partij SU) - CPSU moest leiding houden na Revolutie. (professionele voorhoede v/h proletariaat). - comm. moest internationaal zijn.CPSU steunen van comm. partijen in andere landen. -> wereldrevolutie bevorderen. Marixme-Leninisme verplicht vak op Middelbaar en Hoger onderwijs. De achtergronden van de ideologie • Altijd al opvattingen over ideale wereld: Thomas More= Utopia, Verlichting =maakbaarheid v/d samenleving (door wetgeving door het volk) door Franse Revolutie in praktijk (uiteindelijk ongeloofwaardig door optreden v. Napoleon

Liberalisme= overheid weinig bemoeienis (gevolg: rijkdom voor weinigen, armoede voor velen), Reactie op deze situatie: versch. socialistische denkbeelden “Utopieën” Socialisme = Marx: “wetenschappelijk socialisme”. Geen maakbaarheid, maar de wetmatigheden v/d geschiedenis zou het ‘kapitalisme’ -> instorten -> revolutie ontstaan. Dit gebeurde niet: Marxisten: maakbaarheid v/d samenleving. Lenin: maakbaarheid. -> goed georganiseerde partij -> maatschappij omverwerpen -> ideale s.leving opbouwen. 2 De Communistische partij probeert het Marxisme-Lenisme in praktijk te brengen
Maatregelen op economisch gebied • Fabrieken, banken en winkels werden onteigend en overgenomen door de staat. • De boeren moesten het grootste deel van het voedselvoorraden aan de staat afstaan. • -> ontstonden door die 2 problemen -> een deel v/d hervormingen terug draaien. Dankzij NEP: Boeren meer vrij verkopen, teruggave van kleine bedrijven en winkels aan eigenaars
maatregelen op politiek gebied • Alle andere partijen verbieden • De tegenstanders van de bolsjewieken werden vervolgd door een speciale politie, de Tsjeka. • Oppositie tegen CPSU. -> Verboden. Dat verbod =‘democratisch centralisme’. Maatregelen op andere gebieden
Nationalisme bestreden en rustland wordt een unie van Sovjet- Republieken. • Nationalisme wordt bestreden. Kenmerk van comm.= internationalisme • De SU  unie 9 Sovjet-Republieken. (later 15) republieken. Ook ‘autonome republieken’ en ‘autonome regio’s’ voor andere volken binnen de USSR.(=unie van socialistische sovjet-republieken) Autonomie (=zelfstandigheid) in praktijk niet veel voorstellend. • Volkeren wel recht op eigen culturele identiteit (vooral taal). Godsdienst • Godsdienst wordt bestreden -> Recht op geloofsovertuiging, maar niet om die uit te dragen. Organisatie Onderwijs • Klassikale systeem en de strenge discipline werden afgeschaft. • Daltonscholen, projectonderwijs en takensysteem ingevoerd. • Contact met samenleving: Leerlingen in fabrieken werken, arbeiders voor de klas. • Geschiedenisleraren taak om aan te tonen dat Russisch verleden slecht was. Indoctrinatie Jeugd (indoctrineren= steeds herhalen wat binnen de leer pas -> zodat iedereen daarin geloven) • Opleiding van nieuwe communisten (ml) vond men belangrijk: jeugdorganisaties Pioniers en Komsomol. Via die organisaties meeste kans op carrière. Lidmaatschap niet verplicht, maar druk was erg groot. Gelijke rechten vrouw, gezin wordt ondermijnd
Gelijke rechten voor de vrouw. -Huwelijk bleef bestaan, maar: echtscheiding makkelijk, -abortus op verzoek van de vrouw, -kindertehuizen waaraan ouders hun kinderen konden afstaan. Kunst wordt naar het volk gebracht • Redelijke vrijheid van kunst, maar anticommunistische kunst was verboden en kunstenaarsorganisaties waren in handen van bolsjewieken. 3 Stalin wijzigt ideologie en praktijk • Na dood Lenin machtsstrijd in SU tussen Boecharin, Trotski en Stalin. • Stalin won en zou tot 1953 de alleenheerschappij hebben in de SU. 6 Het communisme in de SU in theorie en in de praktijk • Praktijk: • klassenloze maatschappij: in praktijk productiemiddelen in handen van SU, om zo planeconomie uit de voeren • SU: comm. naar andere landen. Stalin: opbouw socialisme in 1 land. WOII -> Rus. Nationalisme bevorderd. • gelijkheid van alle mensen: alles in handen van CPSU, democratische rechten helaas niet in praktijk. • gelijkheid van voorzieningen: in praktijk hadden hoge partijleden betere voorzieningen dan het volk. Hoofdstuk 3: De republiek van Weimar door de nationaal-socialisten ten val gebracht. 1. Zwakke plekken van de Republiek van Weimar. Duitsland: van keizerrijk naar republiek
Okt. 1918 > Duitsland vraagt om wapenstilstand > arbeiders, soldaten in opstand. 9 nov. > regering treed af > republiek uitgeroepen. Onmiddellijk machtsstrijd tussen 2 sterkste pol. partijen: socialisten <> communisten
Socialistische SPD wilde: - parlementaire democratie met plaats voor verschillende pol. partijen. De KPD (communisten) wilde: - parlement + pol. partijen afschaffen en vervangen door raden (sovjets), bestaande uit vertegenwoordigers van arbeiders en soldaten

socialisten winnen verkiezing > communisten in opstand
1919 > nieuw parlement. > gekozen in stadje WEIMAR (vandaar: republiek van weimar) Parlementaire meerderheid voor regeringen moeilijk bereikbaar
Coalitie van Weimar: SPD, DDP (Deutsche Demokratische Partei) en de Centrumpartij (katholieken). DDP verliest veel zetels > SPD en katholieken blijven over. Vertrouwen tussen die 2 niet groot. Republiek van Weimar verantwoordelijk gesteld voor Verdrag van Versaille - onder conservatieven en militairen heerst de (onjuiste) opvatting dat de oorlog was verloren, doordat de socialisten het keizerrijk ten val hadden gebracht en vrede hadden gesloten, terwijl het leger nog best door had kunnen vechten. - Alle partijen hadden bezwaar tegen verdr. V. Versaille. Regering -> geen keus: weigeren betekende een geallieerde bezetting + het uiteenvallen van Duitsland. - Herstelbetalingen volgens het verdr. V. Versaille veroorzaakten economische moeilijkheden > communisten + nat.-socialisten in opstand. Weinig ervaring met de parlementaire democratie en veel tegenstanders
Niet alle inwoners -> eens met parlementaire democratie. Machtige tegenstanders Rep. v. Weimar: - Na wapenstilstand 1918 -> comm. geprobeerd comm. revolutie ontketenen. -> mislukte. Maar de KPD wel grote partij. Hoopten op betere tijden, namen deel aan verkiezingen. Vijand= parl. Democratie (wél het middel voor propaganda) - Conservatieven gaven voorkeur aan de situatie van vòòr de oorlog. (=beperkt kiesrecht) - Nationalisten + conservatieven verlangden naar autoritaire staat. Angst en afkeer van het communisme. - Terugkerende soldaten -> oorlogstijd niet vergeten, verlangden terug naar sensatie. Sommigen sloten aan bij conservatieven of communisten of begonnen nieuwe partij met als leer het fascisme. Al die groepen Tegen parlementaire democratie. In Italië Mussolini: vond: slap optreden italiaanse regering. -> eind aan parl. democratie -> zijn partij aan macht. 1922. De Nationale Fascistische Partij. Crisis van 1929 veroorzaakt nieuwe dreiging
1925 Duitsland is economische moeilijkheden te boven gekomen. 1929 Crisis VS > leningen/wereldhandel omlaag > 1930 veel werklozen > staatsinkomsten omlaag
Partijen van Weimar hebben geen oplossing > 1930 coalitieregering uiteen > macht bij rijkskanselier + President > groei van NSDAP (Hitler) 2. De ideologie van het fascisme. Kenmerken van het fascisme in het algemeen
1 het fascisme is negatief - tegen parlementaire democratie - tegen persoonlijke vrijheid > tegen alle stromingen die de persoonlijke vrijheid als uitgangspunt hebben (zoals: liberalisme, kapitalisme) - tegen alles wat een volk kan verdelen > tegen klassenstrijd - tegen alles wat verschillende volken wil verenigen > tegen internationale bewegingen als communisten, socialisten - tegen alles wat als vreemd aan het eigen volk wordt beschouwd > tegen wat anders is - tegen alles wat ‘slap’ en ‘krachteloos’ is > tegen pacifisme

2 het belang van de eigen groep wordt voorop gesteld - andere groepen worden achtergesteld of onderdrukt - Mussolini: “Italiaanse volk stamde af van het Romeinse volk, onderdrukte volken midd.-zee gebied.” 3 het fascisme is nationalistisch
4 het fascisme wil een corporatieve staat - maatschappij georganiseerd in beroepsgroepen (corporaties) > om onderlinge strijd te voorkomen - privé-bezit mag blijven bestaan
5 de mensen zijn niet gelijk, ‘hogeren’ moeten het volk leiden
de mensen in een staat zijn niet gelijkwaardig, de ‘hogeren’ moeten zich in één politieke partij verenigen om leiding te geven aan het volk
6 aan het hoofd staat één leider
aan het hoofd moet één leider staan die denkt en beslist voor het hele volk. 7 de fascistische partij beheerst alle uitingen van cultuur in de staat - fascisten voor totalitair bewind - staat maakt uit wat goed of slecht is (qua cultuuruitingen) 8 het verstand is als basis voor het handelen minder geschikt dan het gevoel - Hitler vond intellectuelen voor een volksgemeenschap geheel waardeloos - “…zijn niet standvastig in ogenblikken van nood en gevaar!” 9 het fascisme verheerlijkt de daad - vooral de daden waarbij kracht en geweld gebruikt worden staan hoog aangeschreven

10 vrouwen hebben tot taak veel kinderen voort te brengen en voor hun gezin te zorgen - Hitler: “Wat de man aan heldenmoed opbrengt op het slagveld, brengt de vrouw op door een eeuwige geduldige overgave, een eeuwig geduldig lijden en dulden. Ieder kind dat zijn ter wereld brengt, is als een veldslag die zij doorstaat in het belang van het zijn of het niet zijn van haar volk.” - Mussolini: “Werk leidt de aandacht af van de voortplanting. Tegenwoordig zijn de machine en de (werkende) vrouw twee grote oorzaken van werkloosheid.” De aparte kenmerken van de ideologie van het Duitse fascisme
Duitse fascisme= nationaal-socialisme. -> kenmerken: De rassenleer - hoogwaardig ras: het arische ras > in staat mensheid vooruit te helpen - minderwaardige rassen: Slaven in Oost-Europa, gekleurde bevolking in niet-Westerse wereld > dienstbaar zijn aan hoogwaardige ras - verderfelijke rassen: zigeuners en Joden,  probeerden het hoogwaardige ras te vernietigen. de haat tegen joden= antisemitisme  ontstaan: zonnebokken ‘Lebensraum’ voor Duitsers in Oost-Europa - alle Duitsers in één staat verenigen - veroveren van levensruimte voor Germaanse ras (Oost-Europa, Rusland) - Slavische ras in dienst van het Germaanse ras
Achtergronden van het Duitse fascisme ‘Mein Kampf’ en het Duitse fascisme
socialistische, communistische ideologie ontleent aan geschriften van Karl Marx
fascisten hadden geen gemeenschappelijke denker, geen geschriften > wel ‘bijbel’: ‘Mein Kampf’ geschreven door Adolf Hitler (NSDAP) (=nat.soc.duitse. arbeiderspartij) 1920 weinig belangstelling voor Mein Kampf
1933 Hitler aan de macht > Mein Kampf verspreidt
Alfred Rosenberg > de ‘ideoloog’ van het nationaal-socialisme > theorie: Germanen stammen af van ‘Noords’ ras
19de-eeuwse invloeden op het Duitse fascisme
culturele, ideologische achtergronden van het Duitse fascisme: de Romantiek -> ontstond nationalisme = volk is meer dan willekeurige verzameling mensen -> voelden zich verbonden. = volksgemeenschap (zelfde geschiedenis + taal) Gobineau > wetenschappelijke rassenleer -> Arische ras is het best
Sociaal-Darwinisme= eeuwige strijd tussen volken/rassen -> sterkste overleven. 3. De nationaal-socialisten maken zich meester van de macht. De conservatieven willen de macht met hulp van Hitler *Begin ’20 NSDAP plaatselijke partij, onbekend, TOT 1923 -> staatsgreep. -> mislukt -> NSDAP ten dode opgeschreven. * Hitler in 1925 uit gevangenschap ontslagen -> begint met wederopbouw van NSDAP. * Hitler wil meerderheid in Rijksdag -> NSDAP werd landelijke partij. * 1928 NSDAP 2,6% van stemmen. * Na 1930 conservatieven geen profijt van onvrede onder de bevolking, NSDAP wel -> veel aanhang. * Rijkspresident von Hindenburg ontslaat Brüning -> Von Papen vervangt hem. * Juli 1932 nieuwe verkiezingen -> NSDAP meerderheid -> Hitler eist Rijkskanselierschap voor zich op -> vinden Von Papen en Hindenburg te ver gaan -> besluiten tot nieuwe verkiezingen -> veranderd weinig. 30 jan. 1933: kabinet: 1. Hitler-Rijkskanselier

2. v. Papen-vice-Kanselier
3. conservatieven-meerderheid
Hitler probeert door terreur een parlementaire meerderheid te krijgen
Von Papen: “in 2 maanden, Hitler in hoekje” 1 feb. Hitler ontbindt Rijksdag -> nieuwe verkiezingen
Hitler wil absolute meerderheid -> dus terreur (door SA = Sturm Abteilung) zodat de mensen het wel uit hun hoofd laten om op socialisten of communisten te stemmen
Het Rijksdaggebouw staat in brand: de communistische partij wordt uitgeschakeld
27 feb. 1933 Rijksdaggebouw plotseling in brand
Göring leidt onderzoek -> denkt dat de KPD en de Comintern (communistische internationaal) revolutie hadden gepland met brand als startsignaal -> communisten ‘schuldig’ -> 1000-en communistische leiders gearresteerd. 28 feb. Wet: ‘noodverordening ter bescherming van volk en staat’ -> bevoegdheid tot willekeurige arrestaties
De Machtigingswet: de Rijksdag schakelt zichzelf en de grondwet uit * 5 maart 1933 Nieuwe Rijksdag -> NSDAP 44% -> meerderheid * Hitler door Rijksdag laten machtigen om alleen verder te regeren * Machtigingswet 5 artikelen, eerste 2 belangrijkst: - wetten kunnen behalve op de in de grondwet beschreven wijze ook door de regering worden uitgevaardigd. - De door de regering uitgevaardigde wetten kunnen van de grondwet afwijken. * Voor de Machtigingswet was een 2/3 meerderheid nodig. -> 23 maart 1933 stemde de Rijksdag over de wet. * Alle KPD-afgevaardigden waren gevangen of gevlucht -> deden niet mee * De SA en SS zorgden voor dreigende sfeer in en om Rijksdaggebouw. * Alleen de SPD stemde tegen -> meerderheid ruim behaald. De vakbonden en politieke partijen worden uitgeschakeld

Hitler stuurde doelbewust op een dictatuur aan. Dictatuur alleen mogelijk zonder georganiseerd verzet. Voornaamste eventuele verzetsbronnen: vakbonden, politieke partijen, de Kerken en het leger. Hitler twijfeld ook over SA. Hitler probeerde de Kerken en het leger tot bondgenoot te maken. In mei 1933 alle vakbonden opgeheven -> vervangen door één nationaal- socialistische organisatie: het Deutsche Arbeitsfront (DAF) Nationaal-socialisten wilden één partij; NSDAP -> KPD en SPD verboden, leiders gearresteerd -> Duitsland éénpartijstaat
Hitler ‘temt’ de SA en bindt het leger aan zich door een eed
Hitler was bang voor groei en een revolutie van de SA -> Hitler besluit met geweld in te grijpen (SS helpt) -> 30 juni 1934 hoge SA-mannen en enkele conservatieven vermoord door SS (nacht vd lange messen) -> macht SA weg. Kort daarop overlijden van von Hindenburg > Hitler ‘Führer’ van het Duitse rijk. Hitler -> het leger een eed van trouw aan hem persoonlijk afleggen -> nationaal-socialisten alle macht in handen. 4. De oorzaken van het succes van de nationaal-socialisten
duidelijk verband tussen economische crisis en groei van de NSDAP. Sterke punten van de nationaal-socialisten: - sterkste punt van NSDAP was Hitler zelf. Redevoeringen maakten veel indruk. De Führerverering zorgde ervoor dat veel mensen in Hitler de grote leider gingen zien, die alle problemen zou oplossen. - De nationaal-socialisten richtten hun propaganda tot alle lagen van de bevolking en beloofden ‘elk wat wils’. Opheffing van werkloosheid, bescherming tegen de grote warenhuizen, financiële hulp. - De nationaal-socialisten boden een zondebok aan: de Joden. - De SA en SS zorgden voor zelfvertrouwen bij de voorstanders, en voor angst bij de tegenstanders - In Duitsland grote vrees voor communistische revolutie, NSDAP felst tegen communisten. Zwakke punten van hun tegenstanders: - de conservatieven waren gegoede burgers met een hoge opleiding. Zij keken neer op de nazi’s en onderschatten hen daardoor. - De communisten bleven tot het laatste toe de Republiek en de SPD bestrijden. Verwachtten dat Hitlers machtsovername tot chaos zou leiden, om daar zelf van te profiteren. - De socialisten onderschatten het nationaal-socialisme ook; daardoor waren zij te weinig bereid met de (in hun ogen) burgerlijke katholieken en lieberalen samen te werken.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.