H1; Verzuiling en consensus (Nederland en zijn gezagsdragers)

Beoordeling 8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 898 woorden
  • 2 december 2003
  • 19 keer beoordeeld
  • Cijfer 8
  • 19 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Hoofdstuk 1: Verzuiling en consensus

§1.1 Het verzuilde Nederland


Een land van minderheden
Het verzuilde Nederland bestond uit vier zuilen: de katholieken, protestanten, liberalen en socialisten.
Vooral de katholieke en de protestante zuil waren sterk georganiseerd met eigen verenigingen op bijna elk gebied: gezondheid, onderwijs, werk, vrije tijd..
De verdeling van de zuilen was ongeveer als volgt:
Ruim 33 % katholiek

25 % protestants-christelijk
25 % socialisten (=Rode zuil)
17 % liberaal

Politieke stabiliteit
Ook de politiek was verzuild. De katholieken hadden KVP, de socialisten de PvdA, de gereformeerden de ARP, de hervormden de CHU, de liberalen de VVD.
De PvdA groeide iets door de terugval van de CPN, en probeerde katholieke arbeiders los te weken uit hun zuil. Hierop reageerden de bisschoppen met het mandement waarin katholieken op straffe van onthouding van de Sacramenten werd verboden alles wat met de socialisten te maken had.
De PvdA reageerde verontwaardigd omdat zij samen met de KVP in één kabinet zaten. Alhoewel de bevolking streng gescheiden leefde, werd er aan de top samengewerkt.



Begrippen:
verzuiling: het strikt afzonderlijk leven van Nederlandse bevolkingsgroepen (de elite uitgezonderd) in het begin van de 20e eeuw.
bisschoppelijk mandement: In dit ‘herderlijk schrijven’ uit 1954 verboden de bisschoppen katholieken te luisteren naar de VARA, lid te zijn van de NVV en werd stemmen op PvdA ernstig ontraden.

§1.2 Gezag en volgzaamheid


Evenredige verdeling
De politieke elites van verschillende zuilen ontmoetten elkaar bij geïnstitutionaliseerd overleg in de SER en de Stichting van de Arbeid. Ook de vakbonden en werkgeversorganisaties hadden hier zitting in. De verdeling van de zuilen was op basis van de grootte van de zuilen.
Er moesten uiteraard beslissingen genomen worden. Door de grote principiële verschillen ging het hierbij niet om je gelijk halen maar om je deel. Ook werden de zaken gedepolitiseerd.

Eenheid ondanks verdeeldheid
Vaak gebeurde overleg in het geheim omdat de elite goed met elkaar omging terwijl de bevolking dit niet mocht. In het openbaar werden de verschillen benadrukt.
Succesvol overleg werd ook mogelijk door de hiërarchische verhoudingen. De elite was autoritair en afstandelijk, de leden waren volgzaam en vol vertrouwen in hun leiders.
De politieke cultuur hechtte veel waarde aan consensus, door de gevolgen van de economische crisis van de jaren ’30 en WOII. Om Nederland opnieuw op te bouwen was overeenstemming nodig.

Begrippen:
politieke en maatschappelijke gezagsdragers: de leiders van de politieke partijen en maatschappelijke organisaties die de dienst uitmaken in de samenleving.
Sociaal-Economische Raad (SER): Het belangrijkste adviesorgaan van de regering sinds 1950 op sociaal-economisch gebied. Hierin zitten vertegenwoordigers van de vakbeweging, werkgevers en kroonleden. Hun advies kan gevraagd of ongevraagd zijn.
Stichting van de Arbeid: Instelling waarin de vakbonden en werkgeversorganisatie afspraken maken over de CAO’s en die de regering adviseert over loonontwikkeling sinds 1945.
evenredigheidsbeginsel: Het uitgangspunt dat iedere partij haar deel moet krijgen.


§1.3 Economische ordening


Economisch beleid
Na de Tweede Wereldoorlog vormde de KVP met de PvdA een rooms-rood kabinet, wat in meerdere opzichten een breuk met het verleden vormde:
- Vóór de oorlog werden de socialisten uit het kabinet geweerd.
- Het rooms-rode kabinet bemoeide zich sterker met de economie dan vorige kabinetten.
Dit werd gedaan om het land op te bouwen en om nieuwe werkloosheid te voorkomen. Hierbij hadden de werkgevers en werknemers door middel van de SER en de Stichting van de Arbeid een belangrijke rol. Op basis van het advies van de Stichting van de Arbeid voerde het kabinet een geleideloonpolitiek van 1945-1963.

Het harmoniemodel
De vakbonden stemden in met de geleideloonpolitiek, omdat zij inzagen dat dit uiteindelijk meer welvaart zou opleveren. Ook was het belangrijk dat ze een serieuze stem in het beleid waren. Conflicten werden daarom in overleg opgelost, en niet meer door middel van stakingen. Alhoewel lang niet alle arbeiders lid waren van een vakbond, stemden zij toch in met hun beleid omdat zij gezag hadden en omdat zij ook bang waren voor nieuwe werkloosheid. De vakbonden bemoeiden zich met veel meer dan alleen de arbeidsomstandigheden, omdat zij zich zorgen maakten over de morele toestand van het volk.

Begrippen:
sociale harmonie: Het vermijden van conflicten tussen de sociale partners die de wederopbouw in Nederland zouden kunnen vertragen.

§1.4 Gezin en kerk


Nederland gezinsland
In de jaren ’50 moest het gezin de kern in de samenleving zijn waar men geborgenheid en liefde kon vinden. Er moest een harmonieuze ongelijkheid in het gezin heersen: De man was de baas over het gezin en de ouders waren de baas over de kinderen. Kinderen werden kort gehouden.
De overheid stimuleerde het gezin met het huisvestingsbeleid (weinig woningen voor alleenstaanden) en loonbeleid (lage jongerenlonen) en vrijheidsbeperkende maatregelen. In 1952 werd er zelfs een apart ministerie voor het gezin opgericht.
De uitvoering van het beleid kwam vooral op de kerken en jongeren- en sportorganisaties neer. Zij kregen volop subsidie.

De kerken
De kerken waren op veel gebieden actief in de samenleving, zoals gezondheidszorg en onderwijs. Hierdoor en door het feit dat de confessionele partijen de meerderheid hadden, werden de kerken serieus genomen. Er werd op een christelijk-ethische manier geregeerd, wat soms leidde tot klachten van niet-christenen die hierdoor minder vrijheid hadden.
Voor veel Nederlanders stond de kerk centraal.De kerk had strenge gedragsregels, en als men zich daar niet aan hield konden de plaatselijke leiders hen het aardig lastig maken.
Door het stimuleringsbeleid en de invloed van de kerken was het gezin toch vrij sterk.


Begrippen:
Harmonieuze ongelijkheid: Ongelijkheid van afzonderlijke delen die gezamenlijk een geheel vormen.
Christelijk-ethisch denken: Het centraal stellen van christelijke normen en waarden.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.